Occulte woordentolk
Een handboek van oosterse en theosofische termen
G. de Purucker

bestel boek

tweede herziene druk 2011

© 2011  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

– V –

Vach (vac, Sanskriet)
Een term die ‘spraak’ of ‘woord’ betekent, maar door eenzelfde proces van mystiek denken dat we aantreffen in de oude Griekse mystiek, waarin de logos niet alleen de spraak of het woord van de godheid is, maar ook de goddelijke rede, is vach in feite meer gaan betekenen dan alleen woord of spraak. De esoterische vach is de subjectieve scheppende, intelligente kracht die vanuit het subjectieve heelal emaneert en de gemanifesteerde of concrete uitdrukkingsvorm van ideatie wordt, vandaar het woord of de logos. In mystieke zin kan vach daarom het vrouwelijke of voertuiglijke aspect van de logos worden genoemd, of de kracht van de logos wanneer hij gebruikmaakt van zijn voertuig of omhulsel van handelen. Vach wordt in India vaak Satarupa, de ‘honderdvormige’ genoemd. Kosmologisch gezien kan daiviprakriti (zie aldaar) in één opzicht worden beschouwd als een manifestatie of vorm van vach.

Vahana (Sanskriet)
Een ‘voertuig’ of drager. Dit woord wordt vrij algemeen gebruikt in het filosofische, esoterische en occulte denken. Het betekent een drager of voertuig van een entiteit die, door deze drager of dit voertuig, in staat is zich te manifesteren op gebieden of in sferen of werelden die hiërarchisch lager staan dan haar eigen gebied. Het vahana van de mens is dus, in het algemeen gesproken, zijn lichaam, hoewel de samenstelling van de mens in feite een aantal vahana’s of voertuigen omvat, die elk op hun eigen gebied thuishoren, en de innerlijke mens, of de zich manifesterende spirituele of intellectuele entiteit, in staat stellen zich op dat gebied tot uitdrukking te brengen.

Vahana blijkt dus een aantal verschillende betekenissen of, nauwkeuriger gezegd, toepassingen te hebben. Het vahana van de spirituele monade van de mens, bijvoorbeeld, is zijn spirituele ziel; het vahana van het menselijke ego is zijn menselijke ziel; en het vahana van de psycho-vitaal-astrale monade van de mens is het lingasarira, dat door zijn vahana of drager, het sthulasarira of fysieke lichaam, werkt. De draad die de stroom van elektriciteit vervoert kan worden beschouwd als het vahana van de elektrische stroom; en de intermoleculaire ether is het vahana van vele van de radioactieve krachten van de wereld om ons heen, enz. Elk goddelijk wezen heeft een vahana of eigenlijk een aantal vahana’s door middel waarvan het werkt en in staat is zijn goddelijke vermogens tot uitdrukking te brengen en zijn goddelijke taken uit te voeren op en in de werelden en gebieden lager dan de sfeer of de wereld of het gebied waarin het zelf leeft. (Zie ook ziel, upadhi.)

Vaisya (Sanskriet)
De derde van de vier kasten of maatschappelijke klassen waarin de bewoners van het oude India werden verdeeld. De vaisya is de handelsman of landbouwer. (Zie ook brahmana, kshatriya, sudra.)

Veda (Sanskriet)
Van een wortel vid die ‘weten’ betekent. De Veda’s zijn de oudste en heiligste literaire en religieuze werken van de hindoes. Het woord veda kan worden omschreven als ‘goddelijke kennis’. Er zijn vier Veda’s: de Rig-Veda, de Yajur-Veda, de Sama-Veda en de Atharva-Veda; gewoonlijk wordt aangenomen dat deze laatste van een latere datum is dan de eerste drie.

Manu spreekt in zijn Wetten altijd over de drie Veda’s, die hij ‘het oude drievoudige brahman’ – sanatanam trayam brahma – noemt. Met de Veda’s hangt een groot aantal andere werken van velerlei aard – liturgisch, ritualistisch, exegetisch en mystiek – samen, terwijl de Veda zelf gewoonlijk in twee grote afdelingen wordt verdeeld, een uiterlijk en een innerlijk deel; het eerste wordt karmakanda genoemd, het ‘gedeelte over rituele handelingen’ en het tweede jñanakanda of het ‘gedeelte over wijsheid’.

De Veda wordt niet aan één persoon toegeschreven; bijna elke hymne of elk onderdeel van de Veda wordt aan een andere auteur of beter gezegd aan verschillende auteurs toegeschreven, maar er wordt aangenomen dat ze in hun huidige vorm door Veda-Vyasa zijn verzameld. Volgens de theosofie ligt de oorsprong van de Veda’s in de verre oudheid, duizenden jaren voor het begin van wat in het Westen bekend is als het christelijke tijdperk, ongeacht de bezwaren die westerse wetenschappers misschien tegen deze uitspraak aanvoeren. De hindoepandits zelf beweren dat de Veda duizenden jaren mondeling werd onderwezen, en daarna ten slotte tot een geheel werd bijeengebracht aan de oevers van het heilige Manasarovar meer, aan de andere kant van de Himalaya, in een district van wat nu Tibet is.

Vedanta (Sanskriet)
Uit de Upanishads en uit andere delen van de prachtige cyclus van vedische literatuur vormden de wijzen van het oude India wat tegenwoordig de Vedanta wordt genoemd – een samengesteld woord dat ‘het einde (of de voltooiing) van de Veda’ betekent – dat wil zeggen onderricht in de definitieve en meest volmaakte uiteenzetting van de betekenis van de vedische leringen.

De hoogste vorm die de brahmaanse leringen hebben aangenomen is de Vedanta, en onder de benaming Uttara-Mimamsa, die wordt toegeschreven aan Vyasa, de samensteller van de Veda’s, is de Vedanta misschien wel de edelste van de zes Indiase filosofische scholen. De avatara Sankaracharya is de belangrijkste figuur die aan het filosofische stelsel van de Vedanta algemene bekendheid heeft gegeven, en het type Vedanta dat door hem werd onderwezen wordt Advaita-Vedanta of non-dualistische Vedanta genoemd.

De Vedanta kan kort worden omschreven als een stelsel van mystieke filosofie dat tot stand kwam doordat wijzen vele generaties lang hebben geprobeerd om de heilige en esoterische betekenis van de Upanishads te verklaren. In haar Advaita-vorm komt de Vedanta in vele, zo niet in alle, opzichten sterk overeen, als ze al niet identiek is, met sommige van de mystieke vormen van het boeddhisme in Centraal-Azië. De Vedanta wordt door de hindoes brahmajñana genoemd.

Verduistering
Dit woord werd bedacht door A.P. Sinnett, een van de pioniers in het bekendmaken van de theosofie. Een veel beter woord dan verduistering zou sluimer of slaap zijn geweest, omdat het woord verduistering de betekenis in feite duister maakt. Een mens is niet ‘verduisterd’ wanneer hij slaapt. De innerlijke vermogens kunnen dat in zekere zin zijn, maar het is beter in meer passende termen te omschrijven wat die toestand werkelijk inhoudt, namelijk een toestand van slaap of latentie, of beter gezegd van sluimer. Als dus een van de zeven rijken de zeven perioden van ontwikkeling, van evolutie, heeft doorlopen, komt het in een toestand van sluimer of verduistering.

Ook wanneer de zeven rijken – van het eerste elementalenrijk omhoog tot het mensenrijk – hun evolutie op bol A (bijvoorbeeld) in de eerste ronde hebben voltooid, gaat bol A in verduistering, dat wil zeggen komt in een toestand van sluimer; hij gaat slapen. Alles wat erop achterbleef sluimert nu, slaapt, en wacht tot de levensgolven die bol A zojuist hebben verlaten, weer binnenkomen aan het begin van de tweede ronde. Als de levensgolven hun volledige zevenvoudige loop, of hun zeven stamrassen of wortelrassen op bol B hebben voltooid, komt bol B op zijn beurt in een toestand van sluimer of verduistering, wat geen pralaya (zie aldaar) is; het verschil tussen pralaya en verduistering is heel belangrijk. Het is misschien mogelijk de toestand van sluimer soms aan te duiden met het woord pralaya, in een heel beperkte en specifieke betekenis, maar pralaya betekent ontbinding en verdwijning, zoals bij de dood. Verduistering is echter slaap – sluimer.

Zo gaat het met elk van de zeven bollen van de planeetketen, de een na de ander; elke bol komt in een toestand van verduistering als een levensgolf deze heeft verlaten, voor zover het die specifieke levensgolf betreft. Elke bol gaat slapen of sluimeren, wanneer de laatste vertegenwoordigers van het laatste wortelras van de laatste levensgolf deze verlaten.

Tijdens een verduistering of rustperiode van een planeet, aan het einde van een ronde, verlaten de entiteiten de laatste bol, de zevende, en beginnen aan een (laag) nirvanische periode van manvantarische rust, die overeenkomt met de devachanische toestand, of toestand tussen het ene leven op aarde en het volgende, van een menselijke entiteit. Hier moet op een belangrijk punt van de leringen worden gewezen: wanneer een levensgolf een bol verlaat, blijft deze niet continu in een toestand van verduistering of sluimer tot diezelfde levensgolf daar terugkeert in de volgende ronde. De levensgolven volgen elkaar regelmatig op, en elke levensgolf die op een bol aankomt, heeft haar beginperiode, haar bloeitijd en haar verval, en laat dan de bol in een toestand van verduistering achter voor zover het die specifieke levensgolf betreft. Maar de bol ontvangt na betrekkelijk korte tijd een volgende levensgolf, die haar perioden doorloopt en de bol weer in een toestand van verduistering achterlaat, voor zover het deze laatste levensgolf betreft, enz. Het is dus duidelijk dat een periode van verduistering op elke bol van de planeetketen veel korter duurt dan de periode van een volledige planeetronde.

Verloren ziel (zie achtste sfeer, zielloos wezen)

Vidya (Sanskriet)
Het woord (afgeleid van dezelfde wortel vid waarvan het zelfstandig naamwoord Veda komt) voor ‘kennis’, ‘filosofie’, ‘wetenschap’. Deze term wordt in de theosofische filosofie op een algemene manier gebruikt, met de drie betekenissen die zojuist zijn genoemd. Het wordt vaak verbonden met andere woorden, zoals atmavidya – ‘kennis van atman’ of het essentiële zelf; brahmavidya – ‘kennis van brahman’, kennis van het heelal, een term die min of meer gelijkstaat met theosofie; of guhyavidya – dat ‘geheime kennis’ of esoterische wijsheid betekent. Als vidya in collectieve maar niettemin specifieke zin wordt gebruikt, is ze een algemene term voor occulte wetenschap.

 


Occulte woordentolk, blz. 212-17

© 2011  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag