Occulte woordentolk
Een handboek van oosterse en theosofische termen
G. de Purucker

bestel boek

tweede herziene druk 2011

© 2011  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

– P –

Pad, het
De universele natuur, onze grote ouder, bestaat onlosmakelijk in ieder van ons, in iedere entiteit, overal, en het is niet mogelijk een deel van het geheel te scheiden, het individu van de kosmos te scheiden, behalve in zuiver denkbeeldige zin. Dit toont ons met onfeilbare zekerheid het verheven pad naar de volstrekte werkelijkheid en leidt ons daar ook heen. Het is het pad naar binnen, steeds verder naar binnen, een eindeloos pad dat naar uitgestrekte innerlijke gebieden van wijsheid en kennis voert; want zoals alle grote wereldfilosofieën ons terecht zeggen, als u uzelf kent, kent u het heelal, omdat ieder van u een onafscheidelijk deel ervan is, en het gehele heelal in u, zijn kind, is.

Laatstgenoemde beschouwing maakt duidelijk dat het enige essentiële verschil tussen twee klassen van evoluerende entiteiten die de kosmos bewonen en samenstellen, een verschil van bewustzijn, van inzicht, is; dit bewustzijn, dit inzicht krijgt een evoluerende entiteit slechts op één manier – door de intrinsieke vermogens of krachten van haar eigen innerlijk wezen te ontwikkelen of te ontvouwen. Dit is het pad, zoals de mystici van alle tijden hebben aangegeven.

Het pad is in uzelf. Er is voor u individueel geen ander pad dan het pad dat steeds verder naar binnen leidt, naar uw eigen innerlijke god. Het pad van een ander is datzelfde pad voor die ander; maar het is niet uw pad, omdat uw pad uw Zelf is, zoals het voor die ander zijn Zelf is; en toch, wonder der wonderen, mysterie der mysteriën, is het Zelf in iedereen gelijk. Allen gaan hetzelfde pad, maar ieder mens moet het zelf betreden en niemand kan dat voor een ander doen. Dit pad leidt naar onuitsprekelijke luister, naar onuitsprekelijke verruiming van bewustzijn, naar ondenkbare gelukzaligheid, naar volmaakte vrede.

Palingenese (Grieks)
Een samengesteld woord dat ‘opnieuw tot aanzijn komen’ of ‘opnieuw worden’ betekent. Dit woord heeft een heel specifieke betekenis, maar vindt ruime en algemene toepassing. De gedachte die het inhoudt kan worden geïllustreerd door het voorbeeld van de eik dat men aantreft in de filosofische literatuur van de Ouden die rond de Middellandse Zee leefden; de eik brengt zijn vrucht voort, de eikel, die op zijn beurt een nieuwe eik voortbrengt, die hetzelfde leven bevat dat eraan werd doorgegeven door de moeder-eik of de vader-eik. Deze overdracht van identiek leven in cyclisch terugkerende fasen is de specifieke betekenis van het woord palingenese. De gedachte verschilt dus van de respectieve denkbeelden die besloten liggen in de andere woorden die met de leer over wederbelichaming (zie aldaar) samenhangen. Misschien zou de specifieke betekenis op een andere manier kunnen worden weergegeven door te zeggen dat palingenese de continue overdracht van identiek leven betekent dat bij iedere transformatie een nieuwe manifestatie of een nieuw resultaat voortbrengt, en deze verschillende resultaten zijn in elk afzonderlijk geval een palingenese of ‘opnieuw worden’ van dezelfde levensstroom. De specifieke betekenis is heel verschillend van die welke in het woord transmigratie (zie aldaar) besloten ligt.

Parabrahman (Sanskriet)
Para betekent ‘voorbij’. Brahman (onzijdig) wordt soms gebruikt voor het universele zelf of de universele geest, ook paramatman (zie aldaar) genoemd. Voorbij brahman is het para-brahman. Let op de diep filosofische betekenis hiervan – er wordt niet geprobeerd het onbegrensde, het onuitsprekelijke, door adjectieven te beperken. In de Sanskriet Veda’s en in de werken die daarop zijn gebaseerd en tot de vedische literaire periode behoren, wordt dit ‘voorbij’, tat, ‘dat’, genoemd, terwijl deze wereld van manifestatie met idam, ‘dit’, wordt aangeduid.

Parabrahman hangt nauw samen met mulaprakriti (zie aldaar). Hun wisselwerking en vermenging veroorzaken de eerste vage trilling, als deze woorden aanvaardbaar zijn, van het universele leven, toen bij het begin van de dingen daarin voor het eerst spiritueel verlangen ontstond. Parabrahman betekent daarom letterlijk ‘voorbij brahman’; en strikt genomen is op brahman de westerse term het absolute (zie aldaar) van toepassing. Parabrahman is geen entiteit, is geen individu of geïndividualiseerd wezen. Het is een geschikte technische term met een passend vage filosofische betekenis, en duidt op alles wat voorbij het absolute of brahman van een hiërarchie ligt. Zoals brahman de top is van een kosmische hiërarchie, evenzo is, als we dezelfde gedachtegang volgen, parabrahman ‘alles wat voorbij brahman’ is.

Paramatman (Sanskriet)
Het ‘oorspronkelijke zelf’ of ‘voorbij het zelf’, het permanente zelf, het brahman of de universele geest-ziel. Een samengesteld woord dat de hoogste of universele atman betekent. Parama, ‘oorspronkelijk’, ‘verheven’, enz. De wortel van atman is nauwelijks bekend. De oorsprong ervan is onzeker, maar de algemene betekenis is die van ‘zelf’. Paramatman betekent dus het ‘hoogste zelf’, of de top of bloem van een hiërarchie, de basis of bron van dat kosmische zelf.

Zelfloosheid is het kenmerk van paramatman, het universele zelf, waar al het persoonlijke verdwijnt.

Het universele zelf is het hart van het heelal, want deze twee uitdrukkingen zijn slechts twee manieren om hetzelfde denkbeeld uit te drukken; het is de bron van ons wezen. Het is ook het doel waarheen alles op weg is, wij en de hiërarchieën boven ons, en ook de hiërarchieën en de entiteiten die deze samenstellen en die lager staan dan wij. Alle komen voort uit dezelfde onuitsprekelijke bron, het hart van het zijn, het universele zelf, gaan in een bepaalde periode van hun evolutiereis door het menselijk stadium, en verwerven daardoor zelfbewustzijn of het ego-zelf, het ‘ik ben ik’, en ervaren, naarmate ze op dit evolutiepad vorderen, dat dit zich geleidelijk ontwikkelt tot universeel bewustzijn – een uitbreiding waaraan nooit een einde komt, omdat het universele bewustzijn eindeloos, onbeperkt, grenzeloos is.

Paramatman is in spirituele zin praktisch identiek met wat een theosoof bedoelt als hij over het absolute (zie aldaar) spreekt; daarom is paramatman, al heeft het vele betekenissen, bijna identiek met brahman. Echter, wanneer de menselijke geest of het bewustzijn in meditatie opklimt langs de sporten van de eindeloze levensladder en beseft dat de paramatman van één hiërarchie of kosmos slechts een van vele andere paramatmans van andere kosmische hiërarchieën is, kan hij zich op bepaalde momenten van filosofische introspectie bewust worden van het feit dat zelfs de vage term parabrahman (zie aldaar) identiek blijkt te zijn met de grenzeloze paramatman van de onbegrensde ruimte. Maar als het woord paramatman in laatstgenoemde betekenis wordt gebruikt, wordt het een puur algemene uitdrukking voor onbegrensd leven, onbegrensd bewustzijn, onbegrensde substantie. Hoewel het volkomen correct is om het woord op die manier te gebruiken, is dit nauwelijks aan te bevelen, omdat het gemakkelijk aanleiding geeft tot verwarring, in het bijzonder in het Westen waar een sterke neiging bestaat om algemene begrippen voor concrete werkelijkheden te houden.

Paranormale vermogens
De laagste vermogens van de tussenliggende of zielennatuur in de mens; we oefenen en gebruiken ze voortdurend, al kunnen we ze niet eens behoorlijk beheersen! De op emotie gebaseerde gedachten van de mens zijn onbestendig, wisselend, onzeker, missen nauwkeurigheid, hebben geen duidelijke richting, en worden slecht beheerst. De gemiddelde mens kan zijn emoties en gedachten zelfs niet in de greep van zijn zelfbewuste wil houden. Zijn zwakste hartstochten brengen hem al op een dwaalspoor. Zijn ‘paranormale vermogens’ komen voort uit dit deel van zijn natuur. Het is de taak van de mens deze om te vormen en te richten op een gebruik dat goed, nuttig en heilig is. De gemiddelde mens kan de gewone psycho-astraal-fysieke vermogens die hij dagelijks gebruikt in feite niet beheersen, en wanneer men het dan heeft over het ontwikkelen van occulte vermogens, en daarmee bedoelt men alleen maar paranormale vermogens, toont dat eenvoudig aan dat men niet weet waarover men spreekt. Over de werkelijke feiten blijkt hun denken in duisternis te verkeren. Zij die zo gemakkelijk praten over het ontwikkelen van occulte vermogens zijn precies de mensen die men niet kan vertrouwen als werkelijke gidsen, want vóór ze zelf in staat zijn tot kruipen in deze mysterieuze gebieden van het leven, schijnen ze anderen al te willen leren lopen en springen. Wat de meeste mensen kennelijk bedoelen als ze het hebben over het ontwikkelen van occulte vermogens is ‘ik wil macht krijgen over andere mensen’. Zulke mensen zijn totaal ongeschikt om occulte vermogens, van welke aard ook, te gebruiken, want het motief is in de meeste gevallen puur egoïstisch, en hun denken is door onwetendheid verduisterd.

De zogenaamde paranormale vermogens verhouden zich tot echte spirituele vermogens als kinderpraat tot een verhandeling van een wijze filosoof. Voordat occulte vermogens van enigerlei aard veilig kunnen worden ontwikkeld, moet de mens de eerste les van mystieke kennis leren, en die is het beheersen van zichzelf; en alle vermogens die hij daarna verwerft moeten op het altaar van onpersoonlijke dienstbaarheid worden gelegd – op het altaar van het dienen van de mensheid.

Wanneer de evolutie in toekomstige eeuwen haar prachtige werk verricht, zal de mens paranormale vermogens krijgen door een natuurlijke ontwikkeling van zijn innerlijke vermogens. Nieuwe zintuigen, en nieuwe organen die met deze nieuwe zintuigen corresponderen, zowel innerlijke als uiterlijke, zullen in de verre toekomst actief worden. Maar het is gevaarlijk voor de gezondheid van lichaam en geest als men probeert de ontwikkeling daarvan voortijdig te forceren, en als deze training en discipline niet plaatsvindt onder het waakzame en meedogende oog van een echte occulte leraar die weet wat hij doet. Zelfs nu zijn er op de wereld honderdduizenden gevoelige mensen die de eerste zwakke voorlopers zijn van wat de toekomstige evolutie tot gemeengoed zal maken in de mensheid, maar deze gevoelige mensen bevinden zich gewoonlijk in een heel ongelukkige en moeilijke situatie, want ze begrijpen niet goed wat er in hen leeft, en ze worden door hun medemensen verkeerd begrepen. (Zie ook occultisme.)

Persoonlijkheid
Theosofen maken een duidelijk en scherp onderscheid tussen de persoonlijkheid en de individualiteit (zie aldaar), niet in essentie maar in kenmerken. Persoonlijkheid komt van het Latijnse woord persona, dat masker betekent, door middel waarvan de acteur, de spirituele individualiteit, spreekt. De persoonlijkheid omvat de gehele lagere mens: alle psychische, astrale en fysieke impulsen, gedachten en neigingen en wat al niet meer. Ze is de weerspiegeling van de individualiteit in de stof, maar omdat ze iets stoffelijks is, kan ze ons omlaag voeren, hoewel ze in essentie een weerspiegeling van het hoogste is. Als we ons bevrijden van de overheersing van de persoon, het masker, de sluier, door middel waarvan de individualiteit handelt, dan geven we uitdrukking aan alle spirituele en zogenaamd bovenmenselijke eigenschappen. Dat zal in de toekomst gebeuren, in de eonen van de verre toekomst, wanneer ieder mens een boeddha, een christus, zal zijn geworden. Dat is de bestemming van de mensheid.

In het occultisme is het onderscheid dat tussen de persoonlijkheid en de onsterfelijke individualiteit wordt gemaakt hetzelfde als dat tussen het lagere viertal, of de vier lagere beginselen, van de samenstelling van de mens en de drie hogere beginselen daarvan, of de hogere triade. De hogere triade is de individualiteit; de persoonlijkheid is het lagere viertal. De vereniging van deze twee tot een eenheid tijdens het leven op aarde is wat we nu de mens noemen. De persoonlijkheid omvat alle karaktertrekken en herinneringen, impulsen en karmische eigenschappen van één fysiek leven, terwijl de individualiteit het ego van eonen is, onvergankelijk en onsterfelijk voor de duur van een zonnemanvantara. De individualiteit reïncarneert keer op keer door middel van haar straal of menselijke astraal-vitale monade en bekleedt zich dan met de ene persoonlijkheid na de andere.

Pitri (Sanskriet)
Een woord dat ‘vader’ betekent. Er zijn zeven (of tien) klassen van pitri’s. Ze worden ‘vaders’ genoemd omdat ze meer in het bijzonder de werkelijke voortbrengers van onze lagere beginselen zijn, terwijl de dhyani-chohans in feite in één heel belangrijk opzicht onze eigen zelven zijn. Wij zijn uit hen geboren; wij waren de monaden, de atomen, de zielen, die door de dhyani’s zijn geprojecteerd, uitgezonden, geëmaneerd.

Om het gemakkelijker te begrijpen kunnen we de pitri’s in twee grote groepen verdelen, de zonne- en de maanpitri’s. De maanpitri’s, of barhishads, kwamen zoals de naam aangeeft van de maanketen, terwijl de zonnepitri’s, die we onder de veelzeggende naam agnishvattapitri’s kunnen rangschikken, die dhyani-chohans zijn die niet het fysieke ‘scheppende vuur’ bezitten, omdat ze tot een veel verhevener gebied van zijn behoren; maar ze hebben alle vuren van de spiritueel-verstandelijke gebieden actief of latent in zich, afhankelijk van de omstandigheden. In voorafgaande manvantara’s hadden ze hun evolutie voltooid voor zover het de gebieden van de astrale en fysieke stof betreft, en toen in de loop van de eeuwen het juiste moment was aangebroken, kwamen de agnishvattapitri’s diegenen te hulp die alleen het fysieke scheppende vuur bezaten, de barhishadpitri’s of de maanpitri’s, en inspireerden en verlichtten deze lagere pitri’s met de spirituele en verstandelijke energieën of ‘vuren’.

Met andere woorden, de maanpitri’s kunnen in het kort worden beschreven als die bewustzijnscentra in de samengestelde mens die menselijke gevoelens en instincten en een hersenverstand hebben. De agnishvattapitri’s zijn die monadische centra in de samengestelde mens die van zuiver spirituele aard zijn. (Zie ook agnishvatta, maanpitri.)

Planeetgeest
Elk hemellichaam in de ruimte, van welke aard ook, staat onder invloed van een toeziende en leidinggevende hiërarchie van spirituele, quasi-spirituele en astrale wezens, waaraan de algemene naam hemelse geesten wordt gegeven. Deze hemelse geesten bestaan daarom in verschillende stadia of graden van evolutie, maar de term planeetgeesten wordt gewoonlijk beperkt tot de hoogste klasse van deze wezens.

In alle gevallen, en om welk hemellichaam het ook gaat, was zo’n hiërarchie van etherische wezens, wanneer men de verst gevorderden onder hen beschouwt, in lang vervlogen perioden van kosmische evolutie door een stadium van ontwikkeling heen gegaan dat met dat van de mensheid op aarde overeenkomt. Iedere planeetgeest, waar deze ook bestaat, was daarom in die ver achter ons liggende kosmische tijdperken een mens of een wezen dat gelijkwaardig was aan wat wij op aarde een mens noemen. De planeetgeesten van de aarde, bijvoorbeeld, zijn nauw verbonden met de oorsprong en bestemming van onze tegenwoordige mensheid, want ze zijn niet alleen onze voorgangers op het evolutiepad, maar bepaalde klassen ervan zijn in feite de spirituele leiders en leermeesters van de mensheid. Wij mensen zullen in de eonen van de verre toekomst de planeetgeesten zijn van een toekomstige planeetketen die het kind of het kleinkind van de huidige aardketen zal zijn. Het is duidelijk dat zoals H.P. Blavatsky zegt: ‘Onze aarde die nog maar in haar vierde ronde is, veel te jong is om verheven planeetgeesten te hebben voortgebracht’; maar wanneer de zevende ronde van de planeetketen van deze aarde is voltooid, zullen de tegenwoordige mensen dhyani-chohans van verschillende graden zijn geworden, planeetgeesten van één groep of klasse, met de nodige onderlinge evolutionaire verschillen. Gedurende de verschillende ronden van een planeetketen waken de planeetgeesten over de menigten evoluerende entiteiten die lager staan dan zijzelf en begeleiden deze. Ten slotte heeft elke hemelbol, hetzij een zon, een planeet of een ander hemellichaam, aan de top van zijn spirituele hiërarchie een verheven hemelse geest die de hiërarch van zijn eigen hiërarchie is. Men moet bedenken dat de mensheid van nu een onderdeel of een stadium of een graad is van de hiërarchie van onze planeetketen.

Planeetketen
Elk kosmisch lichaam of elke kosmische bol, of het een zon of planeet, nevelvlek of komeet, atoom of elektron betreft, is een samengesteld wezen, gevormd of bestaande uit innerlijke en onzichtbare energieën en substanties en een (voor ons) uiterlijk en vaak zichtbaar fysiek voertuig of lichaam. Deze elementen, samen zeven (of twaalf) in getal, worden in de theosofie de zeven beginselen of elementen van iedere opzichzelfstaande entiteit – d.w.z. van ieder individueel levenscentrum – genoemd.

Elk van de fysieke bollen die we verspreid over de gebieden van de ruimte waarnemen, wordt vergezeld door zes onzichtbare en hogere bollen, die samen een keten vormen, zoals deze in de theosofie wordt genoemd. Dat geldt voor elke zon of ster, voor elke planeet en voor elke maan van elke planeet. Het geldt eveneens voor de nevelvlekken en de kometen, zoals hierboven is gezegd: alle zijn zevenvoudige entiteiten, alle hebben een zevenvoudige samenstelling, evenals de mens, die een kopie in het klein is van wat het heelal in het groot is, omdat er voor ons in dat heelal slechts één leven, één natuurlijk stelsel van ‘wetten’ bestaat. Iedere entiteit in het heelal is daarvan een onlosmakelijk deel; wat daarom in het geheel aanwezig is, is er ook in elk deel, want het deel kan niet iets bevatten dat het geheel niet heeft – het deel kan niet groter zijn dan het geheel.

Onze eigen aardketen bestaat uit zeven (of twaalf) bollen, waarvan er slechts één, onze aarde, voor ons fysieke zintuig zichtbaar is op ons aardse gebied, want dit zintuig is opgebouwd, of beter gezegd ontwikkeld, om dit aardse gebied te leren kennen, en geen ander. Maar de bewoners van alle zeven (of twaalf) bollen van deze aardketen gaan achtereenvolgens, de één na de ander, van bol naar bol, en doen op die manier op alle verschillende gebieden en sferen waaruit deze keten bestaat, ervaring op op het gebied van energie, stof en bewustzijn.

De andere zes (of elf) bollen van onze aardketen zijn voor ons fysieke zintuig natuurlijk onzichtbaar. We beperken ons in onze uiteenzetting alleen tot de zeven gemanifesteerde bollen van de volledige keten van twaalf bollen; de zes hogere en van de aarde verschillende bollen bestaan twee aan twee op drie gebieden van het zonnestelsel die hoger zijn dan het fysieke gebied waarop onze aardbol, onze aarde, zich bevindt. Deze drie hogere gebieden of werelden zijn elk hoger dan de wereld of het gebied dat daar onmiddellijk onder ligt.

Onze aardbol is de vierde en laagste van alle gemanifesteerde zeven bollen van onze aardketen. Drie bollen gaan aan haar vooraf op de neergaande of schaduwboog, en drie bollen volgen op haar op de opgaande of lichtende boog van de evolutie. De geheime leer van H.P. Blavatsky en het latere werk Beginselen van de esoterische filosofie bevatten voor de student die belangstelling heeft voor dit aspect van de esoterische filosofie veel stof tot nadenken. (Zie ook opgaande boog.)

Pradhana (zie prakriti)

Prajapati (Sanskriet)
Een woord met de betekenis van ‘bestuurder’ of ‘heer’ of ‘meester’ van het ‘nageslacht’. Het wordt gebruikt voor verschillende vedische goden, maar in het bijzonder voor Brahma – dat wil zeggen de tweede stap vanaf parabrahman – de ontvouwer-schepper, de eerste en ondoorgrondelijkste figuur van de hindoetriade, bestaande uit Brahma, Vishnu en Siva. Brahma is de voortbrenger of ontvouwer, Vishnu de ondersteuner of instandhouder, en Siva, een naam die eufemistisch misschien vertaald kan worden met ‘weldoend’, de vernieuwer. Prajapati is een naam die vaak in het meervoud wordt gebruikt en betrekking heeft op zeven en ook op tien verschillende wezens. Ze zijn van alles op aarde – in feite van alles op de hele planeetketen van de aarde – de voortbrengers en gevers van leven.

Prakriti (Sanskriet)
Een samenstelling van pra, een als voorzetsel gebruikt voorvoegsel dat ‘naar voren’ of ‘vooruit’ betekent, en kriti, een zelfstandig naamwoord afgeleid van de wortel kri, ‘maken’ of ‘doen’. Prakriti betekent dus letterlijk ‘productie’, ‘voortbrenging’, ‘in het leven roepen’, en door uitbreiding van de betekenis duidt het ook de eerste of oorspronkelijke staat of toestand of vorm van iets aan: primaire, oorspronkelijke substantie. De wortel of ouder van prakriti is mulaprakriti (zie aldaar) of wortel van prakriti. Prakriti moet worden beschouwd in samenhang met vikriti – een woord dat verandering betekent, een of andere wijziging, of iets wat voortkomt of evolueert uit prakriti, dat eraan voorafgaat.

Ter illustratie: de scheikundige elementen waterstof en zuurstof verbinden zich in de verhouding H2O en leveren dan een stof op die in haar meest algemene vorm bekend is als water, maar ditzelfde H2O kan zich ook voordoen als ijs of als damp, een gas; daarom kunnen de damp, het water en het ijs de vikriti’s worden genoemd van de prakriti, die de oorspronkelijke waterstof en zuurstof is. De illustratie is misschien niet zo goed, maar geeft wel te denken.

Vaak kan prakriti de natuur in het algemeen worden genoemd, de grote voortbrenger van entiteiten of dingen, en door deze natuur werkt de altijd actieve Brahma of Purusha. Purusha is daarom geest, en prakriti is zijn voortbrengende sluier of omhulsel. In essentie zijn beide één, en alles wat prakriti door en onder de invloed van Purusha voortbrengt zijn de veelsoortige en veelvormige vikriti’s die de enorme verscheidenheid in het heelal om ons heen scheppen.

In één of meer van de hindoefilosofieën is prakriti hetzelfde als sakti, en daarom zijn prakriti en sakti in feite verwisselbaar met maya of mahamaya of de zogenaamde illusie. Prakriti wordt vaak stof genoemd, maar dat is onjuist, hoewel heel gebruikelijk. Stof is veeleer de ‘producten’ of de gedaanten die door prakriti worden voortgebracht, de vikriti’s. In de Indiase Sankhya-filosofie is pradhana min of meer identiek met prakriti, en beide worden vaak gebruikt om het voortbrengende element aan te duiden waaruit alle illusoire stoffelijke manifestaties of verschijningsvormen worden ontwikkeld.

Pralaya (Sanskriet)
Een samengesteld woord, gevormd uit laya, van de wortel li, en het voorvoegsel pra. Li betekent ‘oplossen’, ‘wegsmelten’, ‘vloeibaar maken’, zoals gebeurt wanneer men water op een zoutkorrel of suikerklontje giet. De zoutkorrel of het suikerklontje verdwijnt in het water; het lost op en verandert van vorm; dit kan als een beeld worden beschouwd, hoe onvolmaakt het ook is, of als een symbool, van wat pralaya is: het wegbrokkelen, het verdwijnen, van stof waarbij ze wordt omgezet in iets anders dat al in haar aanwezig is en haar omringt en doordringt. Dat is pralaya, gewoonlijk uitgelegd als een toestand van latentie, een toestand van rust, tussen twee manvantara’s (zie aldaar) of levenscyclussen. Als de betekenis van het Sanskrietwoord ons duidelijk voor de geest staat, zal ons denken zich in een andere richting ontwikkelen, een nieuwe gedachtegang volgen. We zullen nieuwe ideeën krijgen en doordringen tot het geheim van wat er plaatsvindt. Pralaya betekent dus oplossing, dood.

Er zijn veel soorten pralaya’s. Er is de universele pralaya, prakritika genoemd, omdat het de pralaya is of het verdwijnen, het wegsmelten, van prakriti of natuur. Dan is er de zonnepralaya. Zon is in het Sanskriet surya en het bijvoeglijk naamwoord ervan is saurya; sauryapralaya is dus de pralaya van het zonnestelsel. Ten derde is er de aardse of planeetpralaya. Eén Sanskrietwoord voor aarde is bhumi en het hiermee overeenkomende bijvoeglijk naamwoord is bhaumika: vandaar de bhaumikapralaya. Dan is er de pralaya of dood van de individuele mens. De mens is purusha, waarvan het bijvoeglijk naamwoord paurusha is: dus de paurushapralaya, of dood van de mens. Deze bijvoeglijke naamwoorden zijn evenzeer van toepassing op de verschillende soorten manvantara’s of levenscyclussen.

Er is nog een andere soort pralaya, die nitya wordt genoemd. De algemene betekenis ervan is ‘voortdurend’ of ‘onafgebroken’; een voorbeeld daarvan is de voortdurende of onafgebroken verandering – leven en dood – van de cellen van ons lichaam. Het is een toestand waarin de inwonende en leidende entiteit dezelfde blijft, maar haar verschillende beginselen en rupa’s voortdurend en onophoudelijk verandering ondergaan. Daarom wordt deze nitya genoemd, dat onafgebroken betekent. Het is van toepassing op het menselijk lichaam, op de sfeer om de aarde, op de aarde zelf, op het zonnestelsel, en in feite op de hele natuur. Het is de onophoudelijke, steeds optredende verandering van dingen die bestaan – het overgaan van het ene stadium in het andere; het betekent dat de pralaya of dood van het ene stadium wordt gevolgd door de wedergeboorte van het daaropvolgende stadium. Er zijn nog andere soorten pralaya’s dan de hier genoemde.

Prana (Sanskriet)
Het woord is afgeleid van pra, een als voorvoegsel gebruikt voorzetsel dat ‘voor’ betekent; en an, een werkwoord dat ‘ademen’, ‘blazen’, ‘leven’ betekent. Gewoonlijk vertaald met ‘leven’, maar het is veeleer de psycho-elektrische sluier of het psycho-elektrische veld dat zich in het individu als levenskracht manifesteert. Gewoonlijk ‘levensbeginsel’ genoemd. Theosofen gebruiken dit Sanskrietwoord tegenwoordig in algemene zin, hoewel het in het Sanskriet een meer specifieke en beperkte betekenis heeft, omdat er in feite een aantal levensstromen, levensfluïden bestaan. Elk daarvan heeft zijn eigen naam. Eén stelsel noemt er drie, een ander vijf, dat het algemeen aanvaarde aantal is; een ander telt er zeven, weer een ander twaalf, zoals in sommige Upanishads; en één oude schrijver noemt er zelfs dertien.

De levensatomen van prana, of het psycho-elektrische veld, gaan op het moment van de fysieke ontbinding onmiddellijk terug naar de natuurlijke pranische reservoirs van de planeet.

Pranayama (zie samadhi)

Pratyahara (zie samadhi)

Pratyekaboeddha (pratyekabuddha, Sanskriet)
Pratyeka is een samenstelling van twee woorden: prati, een als voorvoegsel gebruikt voorzetsel dat ‘in de richting van’ of ‘voor’ betekent; en eka, het telwoord ‘één’. We kunnen het samengestelde woord dus vertalen met de parafrase ‘ieder voor zich’.

Een pratyekaboeddha, iemand die het boeddhaschap voor zichzelf verwerft, zal, in plaats van zich bewust te worden van de roep van de almachtige liefde om terug te keren en diegenen te helpen die minder ver gevorderd zijn dan hij, het verheven licht ingaan, zijn weg vervolgen en de onuitsprekelijke gelukzaligheid van nirvana binnentreden, en de mensheid in de steek laten. Hoewel hij een hoogstaand wezen is, staat hij toch niet op één lijn met de onuitsprekelijke verhevenheid van een boeddha van mededogen (zie aldaar).

Een pratyekaboeddha concentreert zijn krachten op het ene doel – de spirituele vooruitgang van zichzelf; hij verheft zich tot het spirituele rijk van zijn eigen innerlijke wezen, hult zich daarin en valt zogezegd in slaap. Een boeddha van mededogen verheft zich evenals een pratyekaboeddha tot de spirituele rijken van zijn eigen innerlijke wezen, maar blijft daar niet, omdat hij zich voortdurend verder ontwikkelt en één wordt met het Al, of daarnaar streeft, en daarin na verloop van tijd slaagt. Wanneer voor een pratyekaboeddha het moment is aangebroken om de nirvanische toestand te verlaten en zijn evolutiereis voort te zetten, zal hij ontdekken dat hij ver achter is ten opzichte van een boeddha van mededogen.

Pravritti (zie evolutie, involutie)

Preëxistentie
Deze term houdt in dat de menselijke ziel bij haar huidige geboorte op aarde niet voor het eerst tot aanzijn kwam of haar bestaan begon; met andere woorden, dat ze al bestond vóór ze op aarde werd geboren.

Deze preëxistentieleer is beslist niet typisch theosofisch, want ze maakte ook deel uit van de leringen van het vroege christendom, zoals blijkt uit nog bestaande geschriften van Origenes, de grote Alexandrijnse kerkvader, en van zijn school. Wie theosofie bestudeert moet heel zorgvuldig onderscheid maken tussen de technische betekenissen van verschillende woorden die in de gewone spreektaal verkeerd worden gebruikt en vaak met elkaar worden verwisseld, zoals preëxistentie, metempsychose, transmigratie, reïncarnatie, wederbelichaming, wedergeboorte, metensomatose, palingenese (zie ook deze afzonderlijke termen). Elk van deze woorden heeft zijn eigen specifieke betekenis en beschrijft één facet van de lotsbestemming van een zich wederbelichamende en migrerende entiteit. Verschillende van deze woorden worden gewoonlijk als synoniem gebruikt, en dat is onjuist. Preexistentie, bijvoorbeeld, betekent niet noodzakelijkerwijs de transmigratie van een entiteit van het ene gebied naar het andere en evenmin, zoals bij reïncarnatie wel het geval is, dat een migrerende monade door middel van haar straal weer vlees wordt of reïncarneert op aarde. Preëxistentie wil alleen zeggen dat een menselijke of een andere ziel al bestond vóór ze op aarde werd geboren.

De leer van de grote Origenes, zoals die is te vinden in zijn nog bestaande werken, hield in dat de menselijke ziel in de spirituele wereld of binnen de invloed of het gebied van de goddelijke essentie of ‘God’ al bestond vóór ze aan een reeks reïncarnaties op aarde begon. Het is duidelijk dat de manier waarop Origenes zijn opvattingen tot uitdrukking brengt, een min of meer getrouwe, maar verwrongen weerspiegeling is van de leringen van de esoterische filosofie. De preëxistentieleer, zoals Origenes en zijn school en volgelingen deze hebben geschetst, werd met andere van zijn mystieke, min of meer theosofische leringen formeel veroordeeld – en er werd de banvloek over uitgesproken – op de Nationale Synode die omstreeks 543 n.Chr. in Constantinopel onder leiding van Mennas werd gehouden. Zo verdween uit de orthodoxe christelijke theologie als een ‘pas ontdekte ketterij’ wat in de eerste eeuwen van de nieuwe christelijke religie een heel belangrijk en mystiek stelsel van leringen was – in spiritueel en intellectueel opzicht een groot verlies voor deze religie. De leringen van Origenes en zijn school waren een belangrijk onderdeel van de oorspronkelijke christelijke theosofie; ze waren een vorm van universele theosofie met een christelijk karakter.

Psychische vermogens (zie paranormale vermogens)

Psychologie
Dit woord wordt in onze tijd en in wetenschappelijke kringen in het Westen gewoonlijk gebruikt om een tak van studie aan te duiden die voor een groot deel wordt gehinderd door twijfels en hypothesen, en vaak door louter gissingen. Deze studie is weinig meer dan een soort mentale fysiologie, en betreft bijna uitsluitend de werking van het hersenverstand in het laagste astraal-psychische deel van het menselijke gestel. Maar in de theosofische filosofie wordt de term psychologie gebruikt om iets heel anders uit te drukken, iets van een veel edeler aard; we zouden het pneumatologie kunnen noemen, of de wetenschap of de studie van de geest en zijn stralen, omdat alle innerlijke vermogens en krachten van de mens uiteindelijk voortkomen uit zijn spirituele natuur. De term psychologie zou eigenlijk het volgende moeten omvatten: de studie van de werking van de innerlijke tussennatuur van de mens, en de onderlinge samenhang van zijn beginselen en elementen of centra van energie of kracht – dat wat de mens innerlijk in feite is.

In het verre verleden was de psychologie werkelijk wat het woord aanduidt: ‘de wetenschap van de ziel’; en op deze wetenschap was de secundaire en ondergeschikte wetenschap van de ware fysiologie stevig gebaseerd. Tegenwoordig dient de fysiologie echter als basis voor de psychologie als gevolg van een verkeerde opvatting over de samenstelling van de mens. Het is een geval van hysteron proteron – het paard achter de wagen spannen.

Purana (Sanskriet)
Een woord dat letterlijk ‘oud’ betekent, ‘tot de oudheid behorend’. In India wordt het woord vooral gebruikt als een term die bepaalde bekende heilige geschriften aanduidt, die door het volk en zelfs door wetenschappers aan de dichter Vyasa worden toegeschreven. De Purana’s bevatten het geheel van de oude Indiase mythologie. Veelal wordt aangenomen dat er 18 Purana’s zijn, en dat elk daarvan, om compleet te zijn, vijf onderwerpen of thema’s moet bevatten. Deze vijf onderwerpen of thema’s worden gewoonlijk als volgt genoemd: (1) het begin of de ‘schepping’ van het heelal; (2) de vernieuwingen en vernietigingen ervan, of de manvantara’s en pralaya’s; (3) de stambomen van de goden, andere goddelijke wezens, helden en patriarchen; (4) de regeerperioden van de verschillende manu’s; (5) een samenvatting van de geschiedenis van de zonne- en maanrassen. Praktisch geen van de Purana’s, zoals deze in de moderne versies voorkomen, bevat al deze vijf onderwerpen, behalve misschien het Vishnu-Purana, waarschijnlijk de meest complete in deze betekenis van het woord; en zelfs het Vishnu-Purana bevat heel wat zaken die niet direct onder deze vijf onderwerpen kunnen worden gerangschikt. Alle Purana’s bevatten ook heel veel symbolisch en allegorisch materiaal.

Purusha (Sanskriet)
Een woord dat ‘mens’ betekent, de ideële mens, zoals de kabbalistische Adam Kadmon, de oorspronkelijke entiteit van de ruimte, die met en in prakriti (zie aldaar) of de natuur alle zevenvoudige (of tienvoudige) verdelingen van het gemanifesteerde zijn omvat. In meer mystieke zin heeft purusha een aantal verschillende betekenissen. Behalve dat dit woord de hemelse mens of ideële mens betekent, wordt het herhaaldelijk gebruikt voor de spirituele mens in iedere individuele mens of, in feite, in iedere zelfbewuste entiteit – en is daarom een term voor het spirituele zelf. Purusha komt soms ook voor als een term die verwisselbaar is met Brahma, de ontvouwer of ‘schepper’.
Waarschijnlijk komt de eenvoudigste en meest omvattende betekenis van purusha, zoals die in de esoterische filosofie wordt gebruikt, tot uitdrukking in de omschrijving ‘het entitatieve, individuele, eeuwigdurende goddelijk-spirituele zelf’, de spirituele monade, hetzij van een heelal of van een zonnestelsel, of van een individuele entiteit in het gemanifesteerde leven, zoals een mens.

 


Occulte woordentolk, blz. 150-69

© 2011  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag