Occulte woordentolk
Een handboek van oosterse en theosofische termen
G. de Purucker

bestel boek

tweede herziene druk 2011

© 2011  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

– Z –

Zelf
De mens is een bundel krachten of energieën gecombineerd met stoffelijke elementen; en de macht die alles beheerst en bijeenhoudt en van het samengestelde geheel een eenheid maakt, is wat theosofen het zelf noemen – niet louter het ego, maar het zelf, een zuiver spirituele, in essentie goddelijke, kern, die hetzelfde is in iedere man en vrouw op aarde, hetzelfde in iedere entiteit overal in alle grenzeloze gebieden van de onbegrensde ruimte, zoals wij ruimte opvatten. Als men nauwkeurig zijn eigen bewustzijn onderzoekt, zal men al snel weten dat dit het zuivere bewustzijn is dat wordt uitgedrukt in de woorden ‘ik ben’— en dit is het zelf; terwijl het ego het besef is van het ‘ik ben ik’.

De hiërarchie van de mens die uit het zelf voortkomt als zijn kiem kunnen we indelen in tien stadia: drie op het arupa of onstoffelijke gebied, en zeven (of misschien beter gezegd zes) op de gebieden van de stof of manifestatie. Op elk van deze zeven gebieden (of zes gebieden) ontwikkelt het zelf of de paramatman (zie aldaar) een omhulsel of gewaad, waarvan de hogere zijn gesponnen uit geest of licht, en de lagere uit schaduw of stof; elk van deze omhulsels of gewaden is een ziel, en tussen het zelf en een ziel – iedere ziel – staat een ego.

Zeven beginselen van de mens
Elk van de zeven beginselen van de mens, en ook elk van de zeven elementen in hem, is zelf een spiegel van het heelal. (Zie beginselen van de mens.)

Zeven heilige planeten
De Ouden spraken over zeven planeten die ze de zeven heilige planeten noemden; ze werden als volgt opgesomd: Saturnus, Jupiter, Mars, zon, Venus, Mercurius en maan.

Elk van deze zeven bollen is een lichaam zoals onze eigen aarde, omdat elk een zevenvoudige keten is, zevenvoudig van samenstelling; zes andere hogere bollen van fijnere en meer etherische stof bevinden zich boven de fysieke sfeer of bol. Alleen die bollen die zich op hetzelfde kosmische gebied van de natuur of van het zijn bevinden, zijn fysiek voor elkaar zichtbaar. Wij kunnen bijvoorbeeld alleen de planeetbol op het vierde gebied van elk van de andere planeet- of sterrenketens zien, omdat we ons op het vierde kosmische gebied bevinden, evenals zij. Er bestaat een heel belangrijke en uitgebreide reeks mystieke leringen die met de zeven heilige planeten samenhangen, maar het zou niet op zijn plaats zijn hier daarop in te gaan.

Ziel
Dit woord betekent in de oude wijsheid ‘voertuig’, en upadhi – dat voertuig, of elk voertuig, waarin de monade op een bepaald gebied van manifestatie haar bestemming verwezenlijkt. Een ziel is een entiteit die door ervaringen is geëvolueerd; ze is geen geest, maar een voertuig van een geest – de monade. Ze manifesteert zich in de stof via en als een substantieel deel van de lagere essentie van de geest. Als ze met een ander gebied eronder, of misschien erboven, in aanraking komt, is het verbindingspunt waardoorheen het bewustzijn kan komen of gaan, een layacentrum – het neutrale punt, in de stof of substantie, waar het bewustzijn doorheen gaat; en de kern van dat bewustzijn is de monade. De ziel is, in tegenstelling tot de monade, het voertuig door middel waarvan die monade zich op een gebied kan manifesteren. De geest of monade manifesteert zich in zeven voertuigen en elk van deze voertuigen is een ziel.

Op de hogere gebieden is de ziel een voertuig dat zich manifesteert als een bundel of zuil van licht. Dat geldt eveneens voor de verschillende ego’s en de daarmee verbonden zielenvoertuigen op de lagere gebieden, die alle voortdurend dichter worden naarmate de gebieden van de stof zich geleidelijk naar omlaag verdichten en compacter worden, en waarin de monadische straal doordringt tot de laatste ziel die het fysieke lichaam is, het algemene voertuig of de algemene drager van alle.

Onze leringen kennen aan ieder levend wezen een ziel toe – niet een menselijke ziel, of een goddelijke ziel, of een spirituele ziel, maar een ziel overeenkomstig zijn eigen aard. Wat het is, wat zijn aard is, komt in feite van zijn ziel; vandaar dat we van verschillende dieren terecht kunnen zeggen dat ze hetzij een ‘eendenziel’, een ‘struisvogelziel’, een ‘stieren-’ of een ‘koeienziel’, enz., hebben. De entiteiten lager dan de mens – in dit geval de dieren, beschouwd als een rijk – worden in de verschillende dierenfamilies onderscheiden door de verschillende zielen in ieder van hen. In iedere individuele entiteit staan achter de ziel waaruit ze voortkomt natuurlijk alle andere beginselen die ook de mens bezielen, maar al deze hogere beginselen zijn in het dier latent.

In het algemeen gesproken kunnen we echter zeggen dat de ziel het tussenliggende deel is tussen enerzijds de geest die onsterfelijk is, en anderzijds het fysieke gestel dat in zijn geheel sterfelijk is. De ziel is daarom het tussenliggende deel van de menselijke samenstelling. Men moet in dit verband goed in het oog houden dat de term ziel die in de esoterische filosofie wordt gebruikt, weliswaar in wezen een ‘voertuig’ of ‘omhulsel’ betekent, maar dat dit voertuig of omhulsel niettemin een bezielde of levende entiteit is, ongeveer zoals het fysieke lichaam – hoewel dit het omhulsel of voertuig van de andere delen van de menselijke samenstelling is – op zich een afzonderlijk, bezield, verpersoonlijkt wezen is. (Zie ook vahana.)

Zielloos wezen
‘Overal op straat komen we zielloze wezens tegen’, schreef H.P. Blavatsky. Dit is een feit. Deze uitspraak betekent niet dat degenen die we zo ontmoeten geen ziel bezitten. De strekking ervan is dat het spirituele deel van deze mensen slaapt, niet wakker is. Het zijn wel levende mensen met actieve hersenen, een dierlijke natuur, maar overigens ‘zielloos’ in de zin dat de ziel niet actief is, maar slaapt; en dat is ook precies wat Pythagoras bedoelde toen hij sprak over de ‘levend doden’. Deze mensen zijn overal. We komen ze, zoals H.P. Blavatsky zegt, overal tegen. De ogen kunnen fysiek helder zijn en stralen van fysieke vitaliteit, maar de ziel ontbreekt eraan; de tederheid ontbreekt, de intense en toch milde warmte van de levende vlam van innerlijke inspiratie. Soms zal onpersoonlijke liefde de ziel in een man of een vrouw doen ontwaken; soms zal ze haar doden als de liefde egoïstisch en grof wordt. De straten zijn vol met zulke ‘zielloze mensen’, maar de uitdrukking zielloze mensen betekent niet ‘verloren zielen’. Dit laatste is weer iets anders. De uitdrukking zielloze mensen is dus een technische uitdrukking. De betekenis ervan is dat mannen en vrouwen, meestal geheel onbewust, nog wel met de monade, de spirituele essentie binnenin hen, zijn verbonden, maar niet zelfbewust ermee zijn verbonden. Ze leven in belangrijke mate in het hersenverstand en in de gebieden van het zintuiglijke bewustzijn. Ze richten zich met genoegen op de onbetekenende zaken van het leven. Ze hebben een normaal gevoel voor eer, enz., omdat het gebruikelijk is en van een goede opvoeding getuigt als men dat heeft, maar het diep innerlijke vuur van verlangen, de weldadige warmte die voortkomt uit het min of meer één zijn met de innerlijke god, kennen ze niet. Daarom zijn ze ‘zielloos’, omdat de ziel niet met vurige energie in en door hen werkt.

Een verloren ziel betreft daarentegen een entiteit die door verschillende wedergeboorten, misschien een dozijn, of meer of minder, langzaam de ‘gemakkelijke afdaling naar Avernus’ heeft gevolgd, en in wie de verbindingsdraden met de innerlijke geest één voor één zijn verbroken. Verdorvenheid, voortdurende verdorvenheid zal dat teweegbrengen. Haat verbreekt deze spirituele banden misschien sneller dan wat ook. Egoïsme, de moeder van de haat, is de wortel van alle menselijke kwaad; daarom is een verloren ziel iemand die niet alleen zielloos is in de gewone theosofische betekenis van het woord, maar die ook de laatste schakel, de laatste tere draad van bewustzijn, heeft verloren die hem met zijn innerlijke god verbindt. Hij zal de ‘gemakkelijke afdaling’ voortzetten, van de ene menselijke geboorte naar een lagere menselijke geboorte gaan, en dan naar een nog lagere, tot ten slotte de ontaarde astrale monade – alles wat van het eens menselijke wezen overblijft – zelfs het lichaam van een dier kan betreden waartoe ze zich voelt aangetrokken (en dit is één aspect van de leer over transmigratie die in het Westen zo slecht is begrepen); sommige gaan misschien ten slotte zelfs naar planten en zullen uiteindelijk verdwijnen. De astrale monade zal dan zijn uitgewist. Zulke verloren zielen zijn gelukkig bijzonder zeldzaam, maar ze zijn niet wat we zielloze mensen noemen.

Als de student bedenkt dat een mens een ‘bezield’ wezen is wanneer hij vervuld is van de levende spirituele en intellectuele vurige energieën die vanuit zijn innerlijke god naar zijn hersenverstand stromen, zal hij gemakkelijk begrijpen dat wanneer deze vurige krachten het hersenverstand niet langer kunnen bereiken en zich in het leven van een mens niet langer kunnen manifesteren, het resultaat een zogeheten zielloos wezen zal zijn. Een goed mens, die rechtschapen, trouw, meedogend is, naar het hogere streeft, zachtaardig en eerlijk is en naar wijsheid zoekt, is een ‘bezielde’ mens; een boeddha is iemand die volledig bezield is, en er bestaan allerlei stadia daartussenin.

Zodiak (zie dierenriem)

Zwarte magiër (zie broeder van de schaduw)

 


Occulte woordentolk, blz. 223-8

© 2011  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag