Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoud pagina vooruit

Verklarende woordenlijst

A | B | C | D

[Noot vert.: Sommige termen zijn aangepast aan de hand van The Theosophical Glossary van H.P. Blavatsky die in het jaar na haar dood (1892) werd gepubliceerd]

A

Aartsengel
Hoogste engel. Van de twee Griekse woorden arch, ‘eerste’, en angelos, ‘boodschapper’.

Absolute, het
Wanneer het slaat op het universele beginsel duidt het op een abstractie, wat nauwkeuriger en logischer is dan wanneer het bijvoeglijk naamwoord ‘absoluut’ wordt gebruikt voor dat wat geen eigenschappen of beperkingen kan hebben.

Adam-Kadmon (Hebreeuws)
‘Archetypische mens, mensheid. De niet tot zonde vervallen ‘hemelse mens’. Kabbalisten brengen hem in verband met de tien sefiroth toegepast op de mens.’ In de kabbala is Adam-Kadmon de gemanifesteerde logos, die overeenkomt met onze derde logos; de ongemanifesteerde is de eerste paradigmatische ideële mens en symboliseert het verborgen heelal, of het heelal zonder eigenschappen, in de betekenis die Aristoteles daaraan geeft.

De eerste logos is ‘het licht van de wereld’, de tweede en de derde zijn de geleidelijk dieper wordende schaduwen daarvan.

Adept (Latijn: adeptus)
In het occultisme iemand die het stadium van inwijding heeft bereikt, en een meester in de wetenschap van de esoterische filosofie is geworden.

Aether (Grieks)
Bij de Ouden de goddelijke lichtgevende substantie die het gehele heelal doordringt; het ‘gewaad’ van de hoogste godheid, Zeus, of Jupiter. In latere tijden ether, waarvan de betekenis in de natuur- en scheikunde in een verklarend woordenboek kan worden gevonden. In de esoterie is aether het derde beginsel van het kosmische zevental, waarvan de stof (aarde) het laagste en akasa het hoogste is.

Agathon (Grieks)
Plato’s hoogste godheid, letterlijk ‘het goede’. Ons alaya, of wereldziel.

Agnosticus
Een woord dat voor het eerst door prof. Huxley werd gebruikt om iemand aan te duiden die alleen in iets gelooft wat door de zintuigen kan worden aangetoond.

Ahamkara (Sanskriet)
Het ‘ik’-begrip, zelfbewustzijn of zelf-identiteit; het ‘ik’ of het egocentrische en mayavische beginsel in de mens, voortkomend uit onze onwetendheid die ons ‘ik’ scheidt van het universele ene zelf. Persoonlijkheid, ook egoïsme.

Ain sof (Hebreeuws)
De ‘onbegrensde’ of ‘grenzeloze’ godheid die emaneert en zich uitbreidt. Ain sof wordt ook als en sof en ain suf geschreven, want niemand, zelfs de rabbi’s niet, is helemaal zeker van de klinkers ervan. In de religieuze metafysica van de oude Hebreeuwse filosofen was het ene beginsel een abstractie, zoals parabrahman, hoewel kabbalisten door louter sofisterij en paradoxen nu erin geslaagd zijn er slechts een ‘hoogste god’ van te maken. Maar volgens de vroege Chaldeeuwse kabbalisten heeft ain sof ‘geen vorm of gestalte’ en is ‘niet met iets anders te vergelijken’. (Franck, La kabbale, 1843, blz. 175.)

Dat ain sof nooit is beschouwd als de ‘Schepper’, wordt afdoende bewezen door het feit dat een zo orthodoxe jood zoals Philo de ‘schepper’ de logos noemt, die direct volgt op de ‘Grenzeloze’ en ‘de tweede God’ is. ‘De tweede God is in zijn (ain sofs) wijsheid’, zegt Philo in Quaest et Solut. De godheid is niet-iets; ze is naamloos en wordt daarom ain sof genoemd – het woord ain betekent ‘niets’. (Zie ook Franck, Op.cit., blz. 186.)

Alchemie
In het Arabisch ul-khemi, de scheikunde van de natuur, zoals de naam aangeeft. Ul-khemi of al-kimia is in feite een Arabisch leenwoord, van het Griekse χημεῖα van χημός, aan een plant onttrokken ‘sap’. De alchemie houdt zich bezig met de fijnstoffelijke natuurkrachten en de verschillende toestanden van de stof waarin ze actief zijn. De alchemist probeert in gesluierde, min of meer kunstmatige, taal aan niet-ingewijden zoveel van het mysterium magnum bekend te maken als een egoïstische wereld veilig in handen kan worden gegeven.

Zijn eerste stelling is dat er een universeel oplosmiddel bestaat waarmee alle samengestelde lichamen kunnen worden opgelost tot de homogene substantie van waaruit ze werden ontwikkeld; deze substantie noemt hij zuiver goud of summum materiae. Dit oplosmiddel, ook menstruum universale genoemd, bezit de kracht om alle ziektekiemen uit het menselijk lichaam te verdrijven, jeugd te herstellen, en het leven te verlengen. Dat geldt ook voor de lapis philosophorum (steen der wijzen).

De alchemie werd in de achtste eeuw van onze jaartelling voor het eerst naar Europa gebracht door Geber, de grote Arabische wijze en filosoof; maar ze was al eeuwenlang in China en Egypte bekend en werd er beoefend. Talloze papyrussen over alchemie en andere manuscripten waaruit blijkt dat ze de geliefde studie van koningen en priesters was, zijn aan het licht gebracht en worden onder de algemene naam ‘hermetische verhandelingen’ bewaard. De alchemie wordt vanuit drie verschillende gezichtspunten bestudeerd, die verschillende interpretaties mogelijk maken, namelijk het kosmische, het menselijke, en het aardse.

Deze drie methoden werden gesymboliseerd door de drie alchemistische eigenschappen – zwavel, kwik, en zout. Verschillende schrijvers hebben verklaard dat er respectievelijk drie, zeven, tien, en twaalf processen zijn; maar ze zijn het er allemaal over eens dat er in de alchemie maar één doel bestaat, namelijk het omzetten van onedele metalen in zuiver goud. Maar wat dat goud in feite is, wordt door heel weinig mensen goed begrepen. In de natuur bestaat er ongetwijfeld zoiets als omzetting van onedel in edel metaal; maar dit is slechts één aspect van de alchemie, het aardse of puur stoffelijke, want we zien dat in het binnenste van de aarde ditzelfde proces plaatsvindt.

Er bestaat in de alchemie echter, naast en achter deze interpretatie, een symbolische betekenis die zuiver psychisch en spiritueel is. Terwijl de kabbalist-alchemist de stoffelijke omzetting nastreeft, richt de occultist-alchemist, die het goud van de aarde versmaadt, al zijn aandacht alleen op het omzetten van het lagere viertal in de goddelijke hogere triade van de mens, en wanneer deze ten slotte zijn versmolten zijn ze één. De spirituele, mentale, psychische, en fysieke gebieden van het menselijk bestaan worden in de alchemie vergeleken met de vier elementen – vuur, lucht, water, en aarde, en elk kan in drie toestanden bestaan, namelijk vast, onvast, en vluchtig.

Er is bij het grote publiek weinig tot niets bekend over de oorsprong van deze oude tak van filosofie, maar het is zeker dat ze ouder is dan elke bekende dierenriem, en omdat ze zich bezighoudt met de verpersoonlijkte natuurkrachten is ze waarschijnlijk ook ouder dan elke mythologie. Zonder enige twijfel kende men in de oudheid het echte geheim van transmutatie (op het fysieke gebied), en dat is vóór het aanbreken van het zogeheten historische tijdperk verloren gegaan.

De hedendaagse scheikunde heeft haar beste en belangrijkste ontdekkingen aan de alchemie te danken; maar ondanks de onmiskenbare, alchemistische waarheid dat er maar één element in het heelal bestaat, heeft de scheikunde de metalen onder de elementen gerangschikt, en begint ze pas nu haar grote vergissing in te zien.

Zelfs enkele encyclopedisten zijn genoodzaakt te erkennen dat, al berusten de meeste verhalen over transmutatie op bedrog of misleiding, ‘enkele ervan toch vergezeld gaan van getuigenissen die ze aannemelijk maken. Door middel van de galvanische batterij heeft men ontdekt dat zelfs de alkaliën kenmerken van metalen vertonen. Of het mogelijk is om een metaal te verkrijgen uit andere substanties die de samenstellende bestanddelen ervan bevatten en om het ene metaal in een ander te veranderen . . . moet daarom onbeslist blijven. Ook moeten niet alle alchemisten als bedriegers worden beschouwd. In de overtuiging hun doel te zullen bereiken, hebben velen hard gewerkt met onvermoeibaar geduld en een zuiver hart, kwaliteiten die door de alchemisten sterk worden aanbevolen als de belangrijkste vereisten voor succes.’ (Encyclopedia Americana: A Popular Dictionary, etc., 1829, 1:141.)

Alexandrië, filosofen (of school) van
Deze beroemde school ontstond in Alexandrië, Egypte, een stad die eeuwenlang de zetel van wetenschap en filosofie is geweest. Ze was vermaard om haar bibliotheek, die door Ptolemaeus Soter in het begin van zijn regeringsperiode werd gesticht (Ptolemaeus stierf in 283 v.Chr.). Die bibliotheek kon zich eens beroemen op het bezit van 700.000 rollen of boekdelen (Aulus Gellius); op haar museum, de eerste echte academie voor kunst en wetenschap; op haar wereldberoemde geleerden, zoals Euclides, de vader van de wetenschappelijke meetkunde, Apollonius van Perga, schrijver van het nog bestaande werk over kegelsneden, Nicomachus, rekenkundige; op astronomen, natuurfilosofen, anatomen zoals Herophilus en Erasistratus; artsen, musici, kunstenaars, enz. Maar ze werd nog beroemder door haar eclectische of neoplatonische school, in 173 n.Chr. gesticht door Ammonius Saccas; zijn leerlingen waren Origenes, Plotinus, en nog vele anderen die nu bekende figuren in de geschiedenis zijn.

De beroemdste scholen van de gnostici hadden hun oorsprong in Alexandrië. Philo Judaeus, Josephus, Iamblichus, Porphyrius, Clemens van Alexandrië, Eratosthenes de astronoom, Hypatia de vrouwelijke filosoof, en talloze andere sterren van de tweede magnitude, hebben allemaal in verschillende tijden tot deze grote scholen behoord, en ertoe bijgedragen om van Alexandrië terecht een van de meest vermaarde zetels van wetenschap te maken die de wereld ooit heeft voortgebracht.

Altruïsme
Afgeleid van alter, ander. Een aan egoïsme tegengestelde eigenschap. Handelingen die gericht zijn op het welzijn van anderen zonder aan zichzelf te denken.

Ammonius Saccas
Een groot en moreel hoogstaand filosoof die in de 2de en de 3de eeuw van onze jaartelling in Alexandrië leefde, stichter van de neoplatonische school van de philalethen, ‘waarheidsminnaars’. Hij kwam uit een arm gezin en zijn ouders waren christenen, maar hij bezat zo’n opmerkelijke, bijna goddelijke goedheid dat hij theodidaktos, ‘door god onderwezen’, werd genoemd. Hij respecteerde de goede dingen in het christendom, maar brak op jeugdige leeftijd met die religie en ook met de kerken, omdat hij er niets in kon vinden dat beter was dan de oude religies.

Analogeten
De leerlingen van Ammonius Saccas, zo genoemd om hun gewoonte alle heilige legenden, mythen, en mysteries volgens het beginsel van analogie en overeenkomst te verklaren, een regel die men nu in het kabbalistische stelsel aantreft en vooral in de scholen van de esoterische filosofie in het Oosten. (Zie T. Subba Row, ‘The twelve signs of the zodiac’, Five Years of Theosophy.)

Ananda (Sanskriet)
Zegen, vreugde, geluk, blijheid. De naam van een geliefde leerling van Gautama, de Heer Boeddha.

Anaxagoras
Een beroemd Ionisch filosoof, die rond 500 v.Chr. leefde, filosofie studeerde bij Anaximenes van Milete, en zich in de tijd van Pericles in Athene vestigde. Socrates, Euripides, Archelaus, en andere eminente figuren en filosofen behoorden tot zijn discipelen en leerlingen.

Hij was een zeer geleerd astronoom en een van de eersten die openlijk uiteenzette wat Pythagoras in het geheim had onderwezen – namelijk de bewegingen van de planeten, de zons- en maansverduisteringen, enz. Hij onderwees de theorie van de chaos, overeenkomstig het beginsel dat er ‘niets uit het niets ontstaat’ (ex nihilo nihil fit), en de theorie van de atomen, als de aan alle lichamen ten grondslag liggende essentie en substantie, ‘van dezelfde aard als de lichamen die ze vormden’. Hij onderwees dat die atomen oorspronkelijk in beweging werden gezet door nous (universele intelligentie, de mahat van de hindoes), en dat die nous een onstoffelijke, eeuwige, spirituele entiteit is.

Door die verbinding met nous werd de wereld gevormd, waarbij de grofstoffelijke lichamen naar beneden zonken en de etherische atomen (of vurige ether) opstegen en zich in de bovenste hemelsferen verspreidden. Ruim 2000 jaar eerder dan de moderne wetenschap onderwees hij dat de sterren uit dezelfde stof bestaan als de aarde, en dat de zon een gloeiende massa is; dat de maan een donker onbewoonbaar lichaam is dat haar licht van de zon ontvangt; daarnaast verklaarde hij ervan overtuigd te zijn dat het werkelijke bestaan van de dingen die onze zintuigen waarnemen niet met bewijzen kan worden aangetoond.

Hij stierf in ballingschap in Lampsacus op 72-jarige leeftijd.

Anima mundi (Latijn)
De ‘ziel van de wereld’, hetzelfde als alaya van de noordelijke boeddhisten; de goddelijke essentie die alle dingen – van het kleinste stoffelijke atoom tot mens en god – doordringt en bezielt. In een bepaald opzicht is ze ‘de zevenhuidige moeder’ uit de stanza’s in De geheime leer; de essentie van zeven gebieden van waarneming, bewustzijn, en differentiatie, zowel moreel als fysiek. In haar hoogste aspect is ze nirvana, in haar laagste het astrale licht. Bij de gnostici, de eerste christenen, en de nazarenen was ze vrouwelijk; tweeslachtig bij andere filosofische stromingen die haar alleen in haar vier lagere gebieden beschouwden. Ze is in de objectieve wereld van vormen vurig en etherisch van aard, en in haar drie hogere gebieden goddelijk en spiritueel. Wanneer er wordt gezegd dat elke menselijke ziel werd geboren door zich uit de anima mundi los te maken, dan is de esoterische betekenis daarvan dat de essentie van onze hogere ego’s daaraan gelijk is. Ze is een emanatie van het altijd onbekende universele absolute.

Anoia (Grieks)
Betekent ‘gebrek aan begrip’, ‘dwaasheid’. Plato en anderen gebruikten deze term voor het lager manas wanneer dit te nauw met kama is verbonden, wat wordt gekenmerkt door redeloosheid (agnoia). Het Griekse agnoia is kennelijk afgeleid van het Sanskrietwoord ajñana – onwetendheid, redeloosheid, afwezigheid van kennis.

Antropomorfisme
Van het Griekse anthropos, mens. Het toekennen van een menselijke vorm en menselijke eigenschappen aan God, of de goden.

Apollo van Belvedère
Van alle klassieke beelden van Apollo – zoon van Jupiter en Latona, die Phoebus, Helios, de stralende en de zon wordt genoemd – is dit het beste en volmaaktste beeld. Het wordt de pythische Apollo genoemd, omdat de god wordt voorgesteld op het moment van zijn overwinning op de slang Python. Het beeld werd in 1503 tijdens opgravingen in Antium gevonden, en staat tegenwoordig in de Belvedère-galerij in het Vaticaans Museum.

Apollonius van Tyana
Een groot filosoof, geboren aan het begin van de 1ste eeuw in Cappadocië; een bevlogen pythagoreeër; hij studeerde Fenicische wetenschappen bij Euthydemus en de pythagorische filosofie en andere onderwerpen bij Euxenus van Heraclea. Overeenkomstig de pythagorische leer bleef hij zijn hele leven vegetariër, at alleen vruchten en kruiden, dronk geen wijn, droeg slechts van plantenvezels gemaakte kleding, liep blootsvoets en liet zijn haar groeien, zoals alle ingewijden voor en na hem hebben gedaan. Hij werd door de priesters van de tempel van Asclepius (Asclepios) in Aegae ingewijd, en leerde vele ‘wonderen’ om zieken te genezen, die door de god van de geneeskunde werden verricht.

Na zich door een vijfjarige periode van zwijgen op een hogere inwijding te hebben voorbereid, en nadat hij Antiochië, Efeze, Pamphylië, en andere streken had bezocht, reisde hij via Babylon naar India. Hij vertrok alleen want al zijn discipelen hadden hem verlaten omdat ze bang waren voor het ‘land van betovering’. Onderweg ontmoette hij Damis, die zijn leerling werd en hem vergezelde op zijn reis. Volgens Damis – op wiens dagboekaantekeningen een zekere Philostratus zich 100 jaar later baseerde – werd Apollonius in Babylon door de Chaldeeën en magiërs ingewijd. Na zijn terugkeer uit India toonde hij zich een echte ingewijde want de pest, aardbevingen, het sterven van koningen, en andere gebeurtenissen die hij had voorspeld, vonden inderdaad plaats.

Op Lesbos werden de priesters van Orpheus jaloers op hem, en weigerden hem in hun bijzondere mysteriën in te wijden, hoewel ze dat enkele jaren later wél deden. Hij predikte tot het volk van Athene en andere steden de zuiverste en edelste ethiek; de verschijnselen die hij teweegbracht waren even verbazingwekkend als talrijk, en werden door velen bevestigd.

‘Hoe komt het toch’, vraagt Justinus de Martelaar zich verbijsterd af, ‘hoe komt het toch dat de talismans (telesmata) van Apollonius kracht bezitten, want zoals we zien wenden ze de woede van de golven, de kracht van de winden, en de aanvallen van wilde dieren af; en terwijl de wonderen van onze Heer alleen maar in overleveringen worden bewaard, zijn die van Apollonius zeer talrijk en manifesteren ze zich nu zowaar als echte feiten’ (Questiones et responsiones at orthodoxos, 24). Een verklaring hiervoor is eenvoudig te vinden in het feit dat Apollonius, na de Hindoekoesj te zijn overgetrokken, door een koning naar de verblijfplaats van de wijzen werd geleid – die misschien nog steeds hun verblijfplaats is – waar zij hun onovertroffen kennis aan hem onderwezen.

Zijn gesprekken met de Korinthiër Menippus bieden ons werkelijk de esoterische catechismus, en onthullen (als deze worden begrepen) vele belangrijke natuurgeheimen. Apollonius was bevriend met koningen en koninginnen, was hun gast en correspondeerde met hen; nooit werden er voor wonderbaarlijke of ‘magische’ krachten betere getuigenverklaringen geleverd dan voor die van hem. Tegen het einde van zijn lange en verbazingwekkende leven opende hij een esoterische school in Efeze; hij stierf op de hoge leeftijd van 100 jaar.

Arhat (Sanskriet)
Ook uitgesproken en geschreven arahat, arhan, rahat, enz., ‘de waardige’; een volmaakt geworden arya, iemand die niet meer hoeft te reïncarneren; die ‘goddelijk eerbetoon verdient’. Deze naam werd eerst aan heilige jains gegeven en later aan boeddhistische heiligen die waren ingewijd in de esoterische mysteriën. Een arhat is iemand die het laatste en hoogste pad heeft betreden, en dus vrij is van wederbelichaming.

Arianen
De volgelingen van Arius, een priester van de kerk in Alexandrië in de vierde eeuw. Iemand die beweert dat Christus een geschapen mens is die lager staat dan God de Vader, hoewel toch een groot en edel mens, een echte adept, die alle goddelijke mysteries kent.

Aristobulus
Een schrijver en filosoof uit Alexandrië over wie niet zoveel bekend is. Een jood die heeft geprobeerd te bewijzen dat Aristoteles de esoterische gedachten van Mozes duidelijk heeft gemaakt.

Arya’s (Sanskriet)
Letterlijk ‘de heiligen’; zij die de aryasatyani (edele waarheden) hadden begrepen en het aryamarga-pad naar nirvana of moksha waren ingeslagen, het grote ‘viervoudige’ pad. Ze stonden oorspronkelijk bekend als rishi’s. Maar de naam wordt nu aan een ras gegeven (Ariërs), en de oriëntalisten hebben van alle Europeanen arya’s gemaakt, waardoor ze de hindoe-brahmanen hun geboorterecht hebben ontnomen. Omdat in het esoterische stelsel de vier paden of stadia alleen kunnen worden betreden na een grote spirituele ontwikkeling en ‘groei in heiligheid’, worden ze de aryamarga genoemd. De graden van arhatschap, respectievelijk genaamd srotapatti, sakridagamin, anagamin, en arhat, of de vier klassen van arya’s, komen overeen met de vier paden en waarheden.

Aspect
De vorm (rupa) waarin een beginsel van de zevenvoudige mens of natuur zich manifesteert, wordt in de theosofie een aspect van dat beginsel genoemd.

Astraal lichaam
De etherische tegenhanger of het dubbel van elk fysiek lichaam – Doppelgänger.

Astrologie
De wetenschap die de invloed van hemellichamen op wereldse zaken beschrijft, en beweert toekomstige gebeurtenissen uit de stand van de sterren te kunnen voorspellen. Ze is zo oud dat ze in de vroegste verslagen van menselijke kennis is te vinden. Eeuwenlang bleef ze in het Oosten een geheime wetenschap, en voor de hoogste vorm ervan geldt dat nog steeds; de exoterische beoefening ervan is in het Westen pas echt tot ontwikkeling gekomen nadat Varahamihira ongeveer 1400 jaar geleden zijn boek over astrologie schreef.

Claudius Ptolemaeus, de beroemde geograaf en wiskundige, die de grondslag legde voor wat nu het Stelsel van Ptolemaeus wordt genoemd, schreef in 135 n.Chr. zijn Tetrabiblos, dat nog steeds de basis vormt van de moderne astrologie. De wetenschap van de horoscopie wordt nu hoofdzakelijk op vier punten bestudeerd, namelijk: 1) aardgebonden, in haar toepassing op meteorologie, seismologie, landbouw en veeteelt; 2) staatkundig of burgerlijk, met het oog op de toekomst van volkeren, koningen, en heersers; 3) uurhoek, met betrekking tot het wegnemen van twijfel die over een onderwerp in het denken is gerezen; 4) geboorte, in verband met de toekomstige levensloop van individuen.

De Egyptenaren en de Chaldeeën behoorden tot de oudste volkeren die zich bezighielden met de astrologie, hoewel hun manier om de sterren te lezen aanzienlijk van de moderne methoden verschilt. De Egyptenaren beweerden dat Belus, de Bel of Elu van de Chaldeeën, een telg uit de goddelijke dynastie, of de dynastie van de god-koningen, uit het land Chemi afkomstig was, en dat had verlaten om vanuit Egypte een kolonie te stichten aan de oevers van de Eufraat, waar een tempel werd gebouwd, geleid door priesters die de ‘heren van de sterren’ dienden.

Wat de oorsprong van deze wetenschap betreft, is enerzijds bekend dat Thebe de eer opeiste de astrologie te hebben uitgevonden; anderzijds is iedereen het erover eens dat de Chaldeeën deze wetenschap aan de andere volkeren onderwezen. Thebe was niet alleen veel ouder dan het ‘Ur van de Chaldeeën’, maar ook ouder dan Nipur, waar Bel het eerst werd aanbeden. Sin (de maan en de zoon van Bel) was de belangrijkste godheid van Ur, het geboorteland van Terah, de sabeeër en sterrenvereerder, en van Abraham, zijn zoon, de grote astroloog uit de bijbelse overlevering. Alles wijst dus erop dat de Egyptische beweringen juist zijn.

De term astroloog kreeg later in Rome en elders een slechte naam door het bedrog van hen die geld wilden verdienen aan iets wat tot de heilige wetenschap van de mysteriën behoorde. Zij waren onbekend met deze heilige wetenschap en ontwikkelden een stelsel dat geheel op wiskunde was gebaseerd in plaats van op transcendentale metafysica waarin de fysieke hemellichamen de upadhi of stoffelijke basis vormen. Ondanks alle vervolgingen was het aantal aanhangers van de astrologie onder de meest intellectuele en wetenschappelijke denkers altijd erg groot. Als Cardan en Kepler tot de vurige verdedigers ervan hebben behoord, dan hoeven latere aanhangers zich niet ervoor te schamen, zelfs niet nu ze onvolmaakt en verdraaid is.

In Isis ontsluierd (1:344) werd gezegd: ‘De astrologie verhoudt zich tot de exacte astronomie als de psychologie tot de exacte fysiologie. In de astrologie en de psychologie moet men zich buiten de zichtbare wereld van de stof begeven en het gebied van de transcendente geest betreden.’

Athenagoras
Een platonisch filosoof uit Athene, die in 177 n.Chr. voor de christenen een apologie schreef, gericht aan Marcus Aurelius, om te bewijzen dat de tegen hen ingebrachte beschuldigingen, namelijk dat ze incestueus zijn en vermoorde kinderen opeten, onjuist zijn.

Atman (Sanskriet)
De universele geest, de goddelijke monade, het zogenaamde ‘zevende beginsel’ in de exoterische ‘zevenvoudige’ indeling van de mens. De hoogste ziel.

Aura (Grieks en Latijn)
Een subtiele, onzichtbare essence of fluïdum dat uit menselijke, dierlijke, en andere lichamen emaneert. Ze is een psychische uitwaseming, zowel van het denken als van het lichaam, want er bestaat een elektrovitale en tegelijkertijd een elektromentale aura; in de theosofie de akasische of magnetische aura genoemd. In de rooms-katholieke martyrologie: een heilige.

Avatara (Sanskriet)
Goddelijke incarnatie. De afdaling van een god of een verheven wezen dat niet meer hoeft te reïncarneren in het lichaam van een gewone sterveling. Krishna was een avatara van Vishnu. De dalai lama wordt als een avatara van Avalokitesvara beschouwd, en de tashi lama als een van Tsongkhapa of van Amitabha. Er zijn twee soorten avatara’s: de een uit een vrouw geboren en de andere ‘ouderloos’ – anupapadaka.

B

Bhagavad-Gita (Sanskriet)
Letterlijk ‘het lied van de Heer’; ze maakt deel uit van het Mahabharata, het prachtige heldendicht van India. Het bevat een dialoog waarin Krishna, de ‘wagenmenner’, en Arjuna, zijn chela, de hoogste spirituele filosofie bespreken. Het werk is in hoge mate occult of esoterisch.

Boeddha (Sanskriet)
‘De verlichte’. Algemeen bekend als de titel van Gautama Boeddha, prins van Kapilavastu, stichter van het boeddhisme. De hoogste graad van kennis en heiligheid. Om een boeddha te worden moet men de boeien van de zintuigen en de persoonlijkheid verbreken; zich volledig bewust worden van het werkelijke zelf, en leren om het niet van alle andere zelven te scheiden; door ervaring de volstrekt onwerkelijke aard van alle verschijnselen leren inzien, in de eerste plaats van de hele zichtbare kosmos; zich volledig losmaken van alles wat vergankelijk en eindig is, en, terwijl men nog op aarde is, slechts in het onsterfelijke en eeuwigdurende leven.

Boeddhisme
De door Gautama Boeddha onderwezen religieuze filosofie. Het is nu in twee afzonderlijke hoofdstromingen verdeeld: de zuidelijke en de noordelijke. Van eerstgenoemde wordt gezegd dat ze zuiverder is, omdat ze de oorspronkelijke leringen van Heer Boeddha zorgvuldiger heeft bewaard. Het noordelijk boeddhisme is beperkt tot Tibet, China, en Nepal. Maar dat onderscheid is niet juist. Al staat de zuidelijke school dichter bij de openbare en exoterische leringen van Sakyamuni, en is ze daar feitelijk niet van afgeweken – behalve misschien op ondergeschikte punten als gevolg van de vele na de dood van de meester gehouden concilies – niettemin is de noordelijke school gebaseerd op Siddharta Boeddha’s esoterische leringen die hij alleen aan zijn uitverkoren bhikshu’s en arhats gaf.

Het boeddhisme kan in onze tijd eigenlijk niet goed worden beoordeeld aan de hand van een of andere populaire exoterische vorm ervan. Van het echte boeddhisme kan men alleen een juiste indruk krijgen door de filosofie van de zuidelijke school te combineren met de metafysica van de noordelijke scholen. Als de een te radicaal en streng lijkt en de ander te metafysisch en transcendentaal, of zelfs is overwoekerd door het onkruid van het Indiase exoterische stelsel – waarbij veel goden van dat pantheon onder nieuwe namen naar Tibet werden overgebracht – dan komt dat door de uiterlijke vorm die het volk aan beide boeddhistische stromingen heeft gegeven. Ze verhouden zich tot elkaar zoals het protestantisme ten opzichte van het rooms-katholicisme. Beide schieten tekort door overmatige ijver en onjuiste interpretaties, hoewel noch de zuidelijke noch de noordelijke boeddhistische priesters ooit bewust van de waarheid zijn afgeweken. Nog minder hebben ze gehandeld naar voorschriften van een priesterheerschappij, uit eerzucht, of met het oog op persoonlijk gewin of macht, zoals de latere christelijke kerken wel hebben gedaan.

Boek van de sleutels (of Boek van de getallen)
Een oud kabbalistisch werk. Het origineel bestaat niet meer, hoewel er misschien nog verminkte kopieën en vervalsingen van zijn.

Böhme, Jakob
Een mysticus en groot filosoof, een van de meest opmerkelijke theosofen uit de middeleeuwen. Hij werd omstreeks 1575 in Alt Seidenberg geboren, ongeveer drie kilometer van Görlitz (Silezië), en stierf in 1624, bijna 50 jaar oud. Als jongen was hij een doodgewone herder, en na in een dorpsschool lezen en schrijven te hebben geleerd, werd hij in Görlitz leerling bij een arme schoenmaker.

Böhme was van nature een zeer begaafd helderziende. Zonder opleiding of kennis van de wetenschap schreef hij werken die vol wetenschappelijke waarheden blijken te staan; maar hij zag deze, zoals hij zelf zegt, ‘als in een grote diepte in het innerlijk’. Hij kreeg ‘een volledig beeld van het heelal, een ingewikkelde chaos’, en dat beeld ontvouwde zich van tijd tot tijd voor hem ‘zoals een jonge plant die zich opent’, zegt hij. Hij was een geboren mysticus, en had duidelijk een heel zeldzame gesteldheid; iemand met een verfijnde aard, waarvan het stoffelijk omhulsel op geen enkele manier een belemmering vormt voor een rechtstreeks, zij het slechts nu en dan voorkomend, contact tussen het mentale en het spirituele ego. Net als vele andere ongeoefende mystici zag Jakob Böhme dit ego ten onrechte aan voor God. Hij schreef: ‘De mens moet erkennen dat zijn kennis niet van hemzelf is maar van God komt, die de ideeën van wijsheid aan de ziel van de mens kenbaar maakt in de mate die hem behaagt.’

Als deze grote theosoof 300 jaar later was geboren, dan zou hij dit misschien anders hebben uitgedrukt. Hij zou dan hebben geweten dat de ‘God’ die door zijn eenvoudige, onontwikkelde en ongeoefende hersenen sprak, zijn eigen goddelijk ego was, de alwetende godheid in hem, en dat wat die god bekendmaakte niet afhing van ‘de mate die hem behaagt’, maar van de vermogens van het sterfelijke en tijdelijke verblijf dat door die godheid werd bezield.

Brahma en Brahmā (Sanskriet)
De onderzoeker moet onderscheid maken tussen het onzijdige Brahma en de mannelijke schepper van het Indiase pantheon, Brahmā. Het eerste Brahma, of Brahman, is het onpersoonlijke hoogste en onkenbare beginsel van het heelal; uit de essentie daarvan emaneert alles, en alles keert daarin terug; het heeft geen lichaam, het is onstoffelijk, ongeboren, eeuwig, zonder begin en einde. Het doordringt alles, bezielt zowel de hoogste god als het kleinste atoom van een mineraal. Brahmā daarentegen, de mannelijke schepper, bestaat in zijn manifestaties alleen periodiek en gaat ook periodiek in pralaya, d.w.z. verdwijnt en wordt dan vernietigd.

Brahmā, dag van
Een tijdvak van 4.320.000.000 jaar, waarin Brahmā, na uit zijn gouden ei (hiranyagarbha) tevoorschijn te zijn gekomen, de stoffelijke wereld schept en vormt (want hij is eenvoudig de bevruchtende en scheppende kracht in de natuur). Na dit tijdperk, als de werelden beurtelings door vuur en door water zijn verwoest, verdwijnt hij met de objectieve natuur; daarna komt de nacht van Brahmā.

Brahmā, nacht van
Een tijdvak van gelijke duur, waarin Brahmā zou slapen. Na het ontwaken begint hij weer met hetzelfde proces, en dit gaat zo door gedurende een eeuw van Brahmā, bestaande uit elkaar opvolgende ‘dagen’ en ‘nachten’ van elk 4.320.000.000 jaar, d.w.z. 4.320.000.000 × 2 × 36.000 jaar = 311.040.000.000.000 jaar. Na afloop daarvan begint de mahapralaya of grote ontbinding, die op zijn beurt dezelfde tijdsduur van vijftien cijfers heeft.

Brahmavidya (Sanskriet)
De kennis of esoterische wetenschap betreffende de ware aard van Brahma en Brahma.

Buddhi (Sanskriet)
Universele ziel of denkvermogen. Mahabuddhi is een naam voor mahat; ook de spirituele ziel in de mens (exoterisch het zesde beginsel), het voertuig van atman, dat volgens de exoterische opsomming het zevende is.

Buddhi-taijasa (Sanskriet)
Een heel mystieke term die op verschillende manieren kan worden geïnterpreteerd. In het occultisme, en met betrekking tot de ‘beginselen’ van de mens (exoterisch), is het een term die de toestand van ons tweevoudige manas weergeeft wanneer het zich tijdens het leven van een mens heeft verenigd met, en baadt in de straling van, buddhi, de spirituele ziel. ‘Taijasa’ betekent namelijk de stralende, en manas wordt stralend als gevolg van zijn vereniging met buddhi, en omdat het als het ware daarin opgaat wordt het met laatstgenoemde één; de drie-eenheid is tot één geworden; omdat buddhi een hoger beginsel is, wordt manas: buddhi-taijasa. Kortom, het is de menselijke ziel verlicht door de straling van de goddelijke ziel, het menselijk verstand beschenen door het licht van de geest of goddelijk zelfbewustzijn.

Buitenkosmisch
Buiten de kosmos of de natuur. Het is een onzinnig woord, want de natuur of het heelal is oneindig en grenzeloos, en er kan dus niets buiten bestaan. Het is verzonnen om het bestaan te verdedigen van een persoonlijke god die onafhankelijk is van de natuur of buiten de natuur als zodanig staat. Het woord werd bedacht als tegenstelling tot de pantheïstische gedachte dat de hele kosmos bezield of geïnspireerd is door de geest van de godheid, en dat de natuur alleen het gewaad is en de stof de bedrieglijke schaduw van de werkelijke onzichtbare Tegenwoordigheid.

C

Chela (Sanskriet)
Een discipel. De leerling van een guru of wijze, de volgeling van een adept of van een filosofische school.

Chrestos (Grieks)
Het vroeg-gnostische woord voor christus. Deze technische term werd in de 5de eeuw v.Chr. door Aeschylus, Herodotus, en anderen gebruikt. Eerstgenoemde maakt melding (Choephorae, 901) van de manteumata pythochresta, of de ‘orakels verkondigd door een pythische god’ door middel van een profetes; en pythochrestos is afgeleid van chrao. Chresterion betekent niet alleen ‘de zetel van een orakel’ maar ook een offer aan of voor het orakel. Chrestes is iemand die orakelspreuken uitspreekt, een ‘profeet en waarzegger’, en chresterios is iemand die een orakel of een god dient.

De vroegste christelijke schrijver, Justinus de Martelaar, noemt in zijn eerste apologie zijn geloofsgenoten chrestenen. ‘Alleen uit onwetendheid noemen mensen zich christenen in plaats van chrestenen’, zegt Lactantius (Divinae institutiones, 4:7). De woorden christus en christenen, oorspronkelijk chrest en chrestenen gespeld, zijn aan de tempeltaal van de heidenen ontleend. In die taal betekende chrestos ‘een discipel op proef’, een kandidaat voor het hiërofantschap; wanneer hij dat door inwijding, lange beproevingen en lijden had bereikt, en gezalfd was (d.w.z. ‘met olie ingewreven’, zoals bij ingewijden en zelfs godenbeelden werd gedaan, als laatste handeling van het ritueel), was hij veranderd in christos – de ‘gezuiverde’ in esoterische of mysterietaal.

In de mystieke symboliek betekende christes of christos in feite dat de ‘weg’, het pad, al was betreden en het doel al was bereikt. De persoonlijkheid van vergankelijke stof had zich na zware inspanningen verenigd met de onvernietigbare individualiteit, en werd getransformeerd tot het onsterfelijke ego. ‘Aan het einde van de weg staat de christes’, de louteraar, en als de eenwording was volbracht, werd de chrestos, de ‘man van smarten’, zelf christos. Paulus, de ingewijde, wist dit en doelde precies daarop in Gal. 4:19, waar de slechte vertaling hem laat zeggen: ‘zolang Christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om u’, terwijl de juiste vertaling luidt: ‘totdat u de christos in uzelf vormt’. Maar gewone mensen, die alleen wisten dat chrestos op een of andere manier verband hield met priester en profeet, en niets wisten van de verborgen betekenis van christos, stonden erop – evenals Lactantius en Justinus de Martelaar – om chrestenen in plaats van christenen te worden genoemd. Ieder goed mens kan daarom christus ‘binnenin’ zich vinden, zoals Paulus het uitdrukt (Efeziërs 3:16-17), ongeacht of hij jood, moslim, hindoe of christen is.

Christian scientist
Een nieuw bedachte term om mensen aan te duiden die genezen door middel van de wil. De benaming is slecht gekozen, omdat een boeddhist, jood, hindoe, of materialist deze nieuwe vorm van westerse yoga met evenveel succes kan beoefenen als hij zijn wil krachtig genoeg kan richten. Een school die hetzelfde nastreeft is die van de ‘mental scientists’. Hun methode bestaat uit de ontkenning van elke denkbare ziekte en elk kwaad. Ze beweren in een syllogistisch betoog dat zoiets als ziekte er niet is en ook niet kan bestaan, omdat de universele geest niet onderworpen kan zijn aan de kwalen van het vlees; omdat elk atoom geest is en in de geest is; en ten slotte omdat zij – de genezers en de genezenen – allemaal opgenomen zijn in deze geest of godheid. Dit verhindert helemaal niet dat zowel ‘christian’ als ‘mental scientists’, net als andere gewone mensen, ziek worden en jarenlang in hun lichaam chronische ziekten meedragen.

Christus (zie chrestos)

Clemens van Alexandrië
Een kerkvader en vruchtbaar schrijver die neoplatonist en leerling van Ammonius Saccas was. Tussen de 2de en 3de eeuw van onze jaartelling was hij in Alexandrië een van de weinige christelijke filosofen.

Codex Nazaraeus (Ginza Rabba)
De geschriften van de nazarenen en ook van de nabateeërs. Volgens veel kerkvaders, in het bijzonder Hiëronymus en Epiphanius, waren het ketterse leringen, maar in feite vormen ze een van de talrijke gnostische studies over kosmogonie en theogonie, die een afzonderlijke religieuze stroming heeft voortgebracht: het mandeïsme.

College van rabbi’s
Een college in Babylon; in de eerste eeuwen van het christendom heel beroemd, maar die roem vervaagde snel toen de Helleense leraren, zoals Philo Judaeus, Josephus, Aristobulus, en anderen in Alexandrië verschenen. Eerstgenoemden wreekten zich op hun succesrijke rivalen door de Alexandriërs als theürgen en onreine profeten te bestempelen. Maar aanhangers van de thaumaturgie werden niet als zondaars en bedriegers beschouwd toen orthodoxe joden aan het hoofd van zulke scholen van ‘hazim’ stonden. Dit waren colleges voor onderricht in profetie en occulte wetenschappen. Samuel was het hoofd van zo’n school in Ramah; Elisa in Jericho. Hillel had een echte academie voor profeten en zieners, en juist deze Hillel, leerling van het Babylonische College, werd de grondlegger van de sekte van de farizeeën en de vooraanstaande orthodoxe rabbi’s.

Cyclus (Grieks, kuklos)
De Ouden verdeelden de tijd in talloze cyclussen, wielen binnen wielen; al die tijdperken zijn van verschillende duur, en elk geeft het begin of einde aan van een kosmische, aardse, fysische, of metafysische gebeurtenis. Er bestonden cyclussen van slechts enkele jaren, en cyclussen van enorme duur. De grote orfische cyclus, die 120.000 jaar beslaat, had betrekking op de etnologische verandering van rassen, en die van Cassandrus van 136.000 jaar bracht een volledige verandering teweeg in planetaire invloeden en hun relatie met mensen en goden – een feit dat de tegenwoordige astrologen geheel uit het oog hebben verloren.

D

Deïst
Iemand die de mogelijkheid van het bestaan van een god of goden erkent, maar beweert van geen van beiden iets te weten, en openbaring ontkent. Een agnosticus uit de oudheid.

Deva (Sanskriet)
Een god, een ‘luisterrijke’ godheid, deva (deus), van de wortel div, ‘schitteren’. Een deva is een hemels wezen – goed, slecht, of neutraal – dat ‘de drie werelden’, of de drie gebieden boven ons, bewoont. Er bestaan 33 groepen of 33 miljoen deva’s.

Devachan (Sanskriet)
De ‘verblijfplaats van de goden’. De toestand na de dood tussen twee aardlevens in, waarin het ego (atma-buddhi-manas, of de tot één gemaakte drie-eenheid) komt nadat het zich heeft losgemaakt van het kamarupa en nadat de lagere beginselen zijn ontbonden.

Dhammapada (Pali)
Een werk dat verschillende aforismen uit boeddhistische geschriften bevat.

Dhyana (Sanskriet)
Een van de zes paramita’s van volmaking. Een toestand van meditatie die de asceet die haar beoefent ver boven het gebied van zintuiglijke waarneming voert, weg van de wereld van de stof. Letterlijk ‘contemplatie’. De zes stadia van dhyana verschillen alleen in de graad waarin het persoonlijk ego zich heeft losgemaakt van het zintuiglijk leven.

Dhyani-chohans (Sanskriet)
Letterlijk ‘de heren van meditatie’. De hoogste goden, overeenkomend met de rooms-katholieke aartsengelen. De goddelijke intelligenties belast met het toezicht op de kosmos.

Draadziel
Hetzelfde als sutratman (zie manas sutratman).

Drie-eenheid of triade
De drie in één, in elke religie en filosofie.

Dubbel
Hetzelfde als het astraal lichaam of de ‘Doppelgänger’.


Sleutel tot de theosofie, blz. 247-65

© 2023 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag