Het Theosofisch Genootschap

Leven voorbij de dood: bewijs voor overleving

David Pratt

februari 2020

[Vertaling van Life beyond death: evidence for survival, december 2019]

Deel 2 van 2


Inhoud

Deel 1

Deel 2


7. Mentaal mediumschap

Mentaal mediumschap verwijst naar communicatie met onzichtbare entiteiten – waarvan meestal verondersteld wordt dat ze geesten van de doden zijn – via een medium dat al dan niet in trance is. De entiteiten kunnen communiceren door de stem van het medium te gebruiken, of door klopgeluiden of een ouija-bord, of door automatisch schrijven. Sommige mediums komen niet rechtstreeks in contact met de entiteiten, maar via een ‘geleidegeest’ of ‘controlegeest’. Fysiek mediumschap, waaronder de materialisatie van ‘geest’-vormen, wordt in hoofdstuk 8 behandeld.

Spiritisme beleefde zijn hoogtijdagen van 1840 tot de jaren 20 van de vorige eeuw, en trok miljoenen belangstellenden. Het werd sterk tegengewerkt door de kerk, die gelooft dat communicatie met ‘gene zijde’ een satanische kunst is. Mediums dongen naar een betalend, en vaak nogal goedgelovig publiek, en bedrog kwam ongetwijfeld veel voor. Niettemin werden bepaalde opmerkelijke mediums, vooral die welke fysieke verschijnselen teweegbrachten, onder strikte voorwaarden getest zonder dat er enig bedrog werd ontdekt. Wetenschappers die de moeite namen om spiritistische verschijnselen te onderzoeken – bijvoorbeeld Sir William Crookes, Alfred R. Wallace, N. Camille Flammarion en Sir Oliver Lodge – concludeerden in het algemeen dat de orthodoxe wetenschap ze niet kan verklaren.

Veel boodschappen die via mediums worden ontvangen, zijn van het type ‘we maken het goed’. Maar soms wordt door de communicerende entiteiten voldoende gedetailleerde informatie verstrekt om de deelnemers aan de seance ervan te overtuigen dat hun overleden dierbaren echt aanwezig zijn. Sommige ‘geesten’ beweren overleden personen te zijn die niet bekend zijn bij de deelnemers en verstrekken informatie over hun identiteit die later wordt geverifieerd. Mediums die de stem, gebaren, maniertjes en spraakpatronen van een overleden persoon aannemen, maken grote indruk. Er zijn ook gevallen waarin mediums in een taal spreken die ze niet kennen, of over nieuwe vaardigheden beschikken, zoals het maken van muziek of het schrijven van poëzie of proza; soms beweren ze de inspiratie rechtstreeks te ontvangen van beroemde schrijvers of musici die nu dood zijn.

Wanneer er echt sprake is van communicatie met een overleden mens, zal dit waarschijnlijk zijn of haar astrale ziel betreffen in plaats van zijn of haar hogere menselijke ziel. Maar de informatie die door mediums wordt verstrekt, kan ook helderziend of telepathisch worden verkregen uit het denkvermogen van de deelnemers of andere levende mensen, en ook uit de enorme hoeveelheid informatie die op het astrale gebied is afgedrukt (de ‘akasische verslagen’). David Fontana betwist het denkbeeld van akasische verslagen, of een ‘kosmische geheugenbank’, en vraagt: ‘Wie of wat is verantwoordelijk voor het tot een samenhangend geheel ordenen van de miljarden stukjes ervaring die dagelijks door de wereldbevolking worden voortgebracht?’ (Fontana, 2005, 157). Het antwoord is dat niemand ze ordent; het is een natuurlijk, automatisch proces. Alles wat er gebeurt, laat een indruk achter op de substantie van de natuur, en gewone paranormaal begaafden kunnen lukraak toegang krijgen tot deze informatie, terwijl ervaren occultisten, die hun denkvermogen goed hebben afgestemd, dit nauwkeurig – en wanneer ze maar willen – kunnen doen.

In de tweede helft van de 20ste eeuw werd channeling erg populair. Nadat channelers in trance zijn gegaan, spreekt een of ander intelligent wezen via hen, vaak met een heel andere stem. Ze beweren niet alleen de ‘geesten’ van de doden te channelen, maar ook engelen, buitenaardse wezens, ‘opgestegen meesters’ en zelfs ‘God’! Ze bieden echter zelden bruikbare of verifieerbare informatie.

Praktijkgevallen

Trance-medium Leonora Piper (1857-1950) voerde seances uit waarbij ze de deelnemers vaak verbaasde en troostte met gedetailleerde mededelingen van overleden dierbaren. De informatie werd haar verstrekt door haar ‘controlegeest’, maar soms spraken de ‘geesten’ door middel van Pipers stemorgaan, waarbij ze vaak de stem en de manier van spreken van de overledene reproduceerden. Richard Hodgson, een onderzoeker van de Britse Society for Psychical Research (SPR), huurde detectives om uit te zoeken of ze op normale wijze informatie over haar cliënten kreeg, maar niets wees in die richting.

Een jonge kennis van Hodgson, George Pellew (GP), kwam om het leven bij een paardrij-ongeluk. Pellew had Hodgson beloofd dat als hij als eerste zou sterven, hij zou proberen met hem te communiceren. Binnen enkele weken na zijn dood begon een GP-persoon zich te manifesteren als de controlegeest van mw. Piper, en leverde overvloedig bewijs voor zijn identiteit. Ongeveer 30 vrienden van Pellew woonden de seances bij zonder zich bekend te maken, en GP herkende ze allemaal feilloos. Pellews familie en vrienden, en Hodgson zelf, raakten uiteindelijk overtuigd dat ze te maken hadden met de overleden Pellew (Grosso, 2004, 81-3).

Nadat Richard Hodgson was overleden, werd een entiteit die zichzelf ‘Hodgson’ noemde Pipers controlegeest. Stanley Hall en Amy Tanner woonden haar seances bij en vroegen naar een gestorven nicht, Bessie Beals. Na verloop van tijd verscheen er een persoonlijkheid die beweerde de overleden Bessie te zijn. Na verschillende gesprekken met haar te hebben gehad, zei Hall tegen ‘Hodgson’ dat ze Bessie hadden verzonnen, en dat ze niet echt bestond. ‘Hodgson’ hield echter koppig vol dat ze echt was, en dat er een vergissing moest zijn gemaakt (Grosso, 2004, 136). Dit geval toont aan dat voorzichtigheid geboden is bij het beoordelen van de beweerde identiteit van communicerende ‘geesten’.

De jongste zoon van Sir Oliver Lodge, Raymond, was in september 1915 in de strijd bij Ieper gesneuveld. ‘Raymond’ communiceerde via verschillende mediums en sprak over een groepsfoto waarop hijzelf zou staan, en verwees naar een wandelstok. De Lodge’s wisten niets van zo’n foto. Twee maanden later schreef de moeder van een collega-officier dat ze een groepsfoto had waarop ook Raymond stond. Voordat Lodge deze foto ontving, bezocht hij een medium dat mw. Osborne Leonard heette, en ‘Raymond’ zei, via haar controlegeest, ‘Freda’, dat de foto buiten was gemaakt, dat iemand op hem had willen leunen, en dat er een zwarte achtergrond te zien was met verticale lijnen. Toen de foto een paar dagen later werd ontvangen, bleek de beschrijving min of meer nauwkeurig te zijn (Inglis, 1984, 48-52). Lodge zag dit en andere boodschappen van ‘Raymond’ als bewijs dat zijn zoon de dood had overleefd. Het zou nauwkeuriger zijn om te zeggen dat zulke boodschappen in overeenstemming zijn met het overleven, in plaats van het te bewijzen.

Raymond Lodge

Raymond Lodge is de tweede van rechts op de voorste rij.

Frederick Bligh Bond was een kerkarchitect, en kreeg in 1908 de leiding over het werk om de ruïnes van Glastonbury Abbey in Groot-Brittannië bloot te leggen. Het jaar daarvoor begonnen hij en zijn vriend kapitein John Allen Bartlett informatie over de abdij te ontvangen door middel van automatisch schrift. De paranormale bron identificeerde zichzelf als een groep lang overleden monniken, die zich ‘het gezelschap van Avalon’ noemde en beweerde de abdij te hebben gebouwd en erin te hebben gewoond. De boodschappen werden ontvangen tot 1920. Ruim een dozijn persoonlijkheden, waaronder abten, ridders, middeleeuwse tollenaars en een boer, communiceerden, ieder in een ander handschrift. Op basis van deze informatie, waarvan hij de oorsprong aanvankelijk geheimhield, deed Bond een reeks belangrijke ontdekkingen, waaronder de Edgar-kapel en de overblijfselen van twee grote torens aan de westkant, waarvan het bestaan niet eerder werd vermoed.

Broeder Johannes Bryant verscheen bij de tweede sessie en werd een prominente bron van informatie. In 1911 sprak een andere bron over hem als volgt: ‘Johannes was overweldigd door de schoonheid van Glastonbury Abbey en schonk daaraan zijn hart zoals iemand zijn hart schenkt aan een geliefde minnares; en dus klampt zijn geest, aan de aarde gebonden door die liefde, zich in dromen vast aan het verdwenen visioen dat de ogen van zijn geest nog steeds zien.’ In augustus 1912 spreekt een andere monnik opnieuw voor Johannes en zegt: ‘Johannes is nu ver weg in de zin dat de kracht zwakker is ... maar de zwakte hier betekent kracht die wordt verzameld voor andere doeleinden.’ Dit impliceert dat Johannes, door zijn gesprekken met Bond, van zijn obsessie voor de abdij was bevrijd, zodat hij verder kon. Bond zelf raakte steeds meer ervan overtuigd dat hij, in plaats van contact te maken met de persoonlijkheden van dode monniken, toegang had tot een soort universele geheugenbank met gepersonaliseerde gedachtevormen, waarvan hij gebruik kon maken als gevolg van zijn eigen passie voor de abdij (Schwartz, 1978, 1-56).

Een geest die zich ‘William James’ noemde vroeg een medium in Ierland om contact op te nemen met onderzoeker James Hyslop en hem te vragen of hij zich een rode pyjama herinnerde. William James, een bekende Amerikaanse psycholoog die in 1910 stierf, was met Hyslop overeengekomen dat degene die het eerst stierf, moest proberen met de ander te communiceren. In eerste instantie zei de boodschap over een rode pyjama Hyslop niets, maar toen herinnerde hij zich dat toen hij en James jong waren, ze samen naar Parijs gingen. Omdat hun bagage nog niet was aangekomen, ging Hyslop een pyjama kopen, maar hij kon alleen een felrode vinden. James plaagde Hyslop dagenlang met zijn slechte smaak voor pyjama’s. Maar Hyslop was het incident al lang vergeten. Hyslop was ervan overtuigd dat het rode-pyjama-bericht afkomstig was van de gestorven William James (Wilson, 1987, 144).

De ‘kruiscorrespondenties’ waren boodschappen die via verschillende mediums (met behulp van automatisch schrift) op verschillende continenten werden ontvangen van entiteiten die zich identificeerden als verschillende oprichters van de Britse Society for Psychical Research (SPR), onder wie Frederick Myers, Henry Sidgwick, Edmund Gurney, en later Henry Butcher en A.W. Verrall, die allemaal begaafde classici waren. Sommige mediums, zoals mw. Verrall, waren ook classici. Myers had tijdens zijn leven vaak opgemerkt dat communicerende entiteiten zouden kunnen bewijzen dat ze de geesten van de doden zijn door bijvoorbeeld afzonderlijke stukjes van een boodschap aan verschillende mediums te geven, zodat die alleen betekenis krijgen wanneer ze worden samengevoegd. De communicaties begonnen in 1901 en gingen door tot ongeveer 1930. De ontvangen boodschappen zijn uiterst vaag en dubbelzinnig en ongelooflijk ingewikkeld. De woordspelingen en puzzels kunnen alleen worden opgelost door mensen met een erudiete kennis van Griekse en Latijnse klassieke teksten en Engelse poëzie (Grosso, 2004, 95-101; Fontana, 2005, 175-85). Het is mogelijk dat het denkvermogen van sommige overleden geleerden uit Cambridge erbij betrokken was, maar zoals Brian Inglis (1992, 417) opmerkt: ‘Het enige wat de kruiscorrespondenties redelijkerwijs aantonen, is dat als Sidgwick, Gurney en Myers werkelijk probeerden te communiceren, dit voor hen heel moeilijk bleek te zijn ...’

In 1937 communiceerde een entiteit die grove taal gebruikte en zijn identiteit niet wilde onthullen, via het IJslandse medium Hafsteinn Björnsson tijdens een seance in Reykjavik. Op de vraag wat hij wilde, antwoordde hij: ‘Ik ben op zoek naar mijn been. Ik wil mijn been hebben.’ Dit ging zo door, vele sessies lang, totdat een nieuwe deelnemer, Ludvig Gudmundsson, bij de groep kwam. Ludvig bezat een visverwerkende fabriek en een huis in Sandgerdi, een dorp op 60 km van Reykjavik. De ‘geest’ zei blij te zijn om Ludvig te ontmoeten, en na een paar zittingen zei hij dat zijn been zich in het huis van Ludvig bevond. Kort daarna onthulde hij dat zijn naam Runolfur Runolfsson was geweest, en dat hij in 1879 was verdronken. Toen hij langs de kust naar huis liep, was hij gestopt om te drinken, in slaap gevallen, en door het getij meegevoerd. Zijn lichaam spoelde later aan op de kust, ‘waar honden en raven me in stukken scheurden’. Drie maanden na zijn verdwijning werden zijn uiteengereten ledematen gevonden en zijn stoffelijk overschot werd in 1880 begraven.

In 1940 werd een lang dijbeen gevonden tussen de binnen- en buitenmuren van het huis van Ludvig. Hoewel bekend was dat Runolfur een zeer lange man was, is het onmogelijk om zeker te weten wiens dijbeen het was. Het werd begraven op het kerkhof van de oude parochie van Runolfur, en Runolfur betuigde zijn dank op de volgende seance. De vele details die Runolfur over zijn leven gaf, konden alleen worden geverifieerd op basis van drie verschillende bronnen: de parochieverslagen in het nationale archief, een obscuur manuscript dat pas lang na de betreffende seances werd gepubliceerd, en informatie verkregen van zijn kleinzoon (Haraldsson, 2008; Grosso, 2004, 87-8).

In 1972 besloot een groep van acht leden van de Toronto Society for Psychical Research een denkbeeldige geest te verzinnen om te zien of hij dan zou communiceren. Ze gaven hem de naam Philip en bedachten voor hem een gedetailleerde levensgeschiedenis. Een jaar lang probeerden ze hem te laten communiceren door over hem te mediteren, maar zonder succes. Op een avond zaten ze vrolijk gestemd rond de tafel toen de tafel begon te trillen, dus vroegen ze of dit het werk van Philip was. Eén klop op het tafelblad betekende ‘ja’, en vanaf dat moment begon Philip hun vragen te beantwoorden. Op een gegeven moment begon de tafel te zweven terwijl niemand hem aanraakte en achtervolgde een van de deelnemers door de kamer. De tafel sloeg de maat wanneer de deelnemers een lied zongen, en Philip produceerde op verzoek gekleurde lichten. De vertoning werd in 1974 live gefilmd door Toronto City Television (Fontana, 2005, 112). Misschien werden alle verschijnselen voortgebracht door de collectieve paranormale krachten van de groepsleden, maar het is ook mogelijk dat ondeugende elementalen en de astrale resten van overleden persoonlijkheden tot de seances werden aangetrokken.

ITC

Tegenwoordig wordt mediumschap met behulp van apparaten – of instrumentele transcommunicatie (ITC) – steeds populairder. Daarbij probeert men boodschappen van de doden op te pikken, of foto’s van hen, op allerlei elektronische apparaten, waaronder bandrecorders, faxapparaten, telefoons, televisietoestellen en computers. Sommige mensen denken dat ze vage woorden of zinnen kunnen onderscheiden die boven de ruis uitkomen van een radio die is afgestemd op een frequentie zonder uitzendingen; dit is een van de technieken die worden gebruikt voor elektronische stem-verschijnselen. Gedetailleerde studies van ITC hebben gemengde resultaten opgeleverd, maar er is informatie ontvangen die later is geverifieerd – wat de echte bron ervan ook is (Fontana, 2005, 352-81).

Foto overleden Freddy Jackson

Deze foto van het squadron van Air Vice-Marshal Sir Victor Goddard werd kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog gemaakt. Het vage gezicht van Freddy Jackson, een vliegtuigmonteur, is te zien – zonder pet en glimlachend – glurend vanachter de vierde man van links in de bovenste rij (zie de uitvergroting rechts van de foto). Drie dagen eerder werd Jackson op dezelfde asfaltbaan op slag gedood toen hij tegen de draaiende propeller van een vliegtuig aan liep (Inglis, 2004, 85-6).

8. Fysiek mediumschap

Fysiek mediumschap verwijst naar het voortbrengen van fysiek waarneembare manifestaties op seances met behulp van zogenaamde ‘spirituele’ entiteiten en krachten, ondersteund door de aanwezigheid van een medium (vaak in trance). De verschijnselen omvatten luide klopgeluiden, het geluid van rinkelende belletjes, stemmen zonder lichaam, apports (het verschijnen van voorwerpen zoals bloemen en sieraden uit het niets), beweging van voorwerpen, levitatie van mensen of voorwerpen, onverklaarbare lichten, halfstoffelijk ectoplasma dat uit een medium vloeit, en materialisatie van ‘geest’-lichamen of -lichaamsdelen zoals handen (soms zichtbaar, soms alleen voelbaar).

De meeste mediums die fysieke verschijnselen teweegbrachten, deden dit in het donker, want licht zou de subtielere astrale stoffen en krachten die daarbij een rol spelen, verstoren. Natuurlijk is duisternis ook een goede dekmantel voor iedereen die bedrog wil plegen. Niettemin leveren de strenge tests die door competente onderzoekers zijn uitgevoerd, vaak bij goed licht, overtuigend bewijs dat er inderdaad uitzonderlijke verschijnselen hebben plaatsgevonden – en nog steeds plaatsvinden.

Daniel Dunglas Home (1833-86)

Het meest opmerkelijke medium van de 19de eeuw was Daniel Dunglas Home (uitgesproken als ‘Hume’), die zijn verbluffende prestaties op klaarlichte dag verrichtte en nooit geld heeft aangenomen (Inglis, 1992, 225-32, 243-6; Fontana, 2005, 247-58). Hij behield zijn vermogens meer dan een kwart eeuw, met uitzondering van een periode van één jaar waarin de ‘geesten’ besloten hem te straffen. Geen van de verschijnselen vond plaats in zijn eigen huis en de voorwerpen die hij liet bewegen of zweven, waren niet van hem. Hij werd tientallen keren door wetenschappers en andere sceptici getest, en er werd nooit bedrog ontdekt. Beroemde goochelaars kwamen naar zijn seances in de hoop hem te betrappen, maar ze gingen allemaal teleurgesteld weg.

Bij de seances van Home ging de tafel meestal beven voordat hij zich ging verplaatsen, zich op twee poten verhief, en de lucht in ging, terwijl de vingertoppen van de aanwezigen er bovenop lagen en deze licht aanraakten, of zonder enig contact. Eens ging een tafel met een kaars erop op twee poten staan terwijl de kaarsvlam niet van richting veranderde, alsof de kaars nog steeds op een horizontaal vlak stond. Er verschenen vaak handen zonder lichaam die cirkelden rond de tafel; de aanwezigen konden ze aanraken en schudden, maar als iemand ze probeerde vast te pakken, smolten ze weg. In 1857 liet Home een tafel zweven terwijl prins Murat, een scepticus, de tafelpoot vasthield, en Napoleon III, zelf een amateur-goochelaar, van bovenaf toekeek. Keizerin Eugénie en de keizer voelden allebei de gematerialiseerde hand van haar dode vader, die ze herkenden aan een karakteristiek gebrek. Bij een andere seance verscheen een hand zonder lichaam, nam een ​​potlood, en schreef ‘Napoleon’ in Bonaparte’s eigen handschrift.

Soms leviteerde Home zelf, en zweefde boven de hoofden van de aanwezigen. Hij zweefde eens uit een raam op de derde verdieping in het maanlicht, en keerde terug via een raam in de kamer ernaast. Soms leek hij wel 25 cm langer te worden of te krimpen. Hij speelde met vuur, en porde de hete kolen op met zijn handen, droeg ze rond, en bedekte zelfs zijn gezicht ermee. Op één seance plaatste hij een gloeiende kool op het hoofd van een man, die zei dat het warm aanvoelde maar niet heet. Hij liet ook bloemen verschijnen en naar de aanwezigen brengen, kon de geur aan bloemen onttrekken, en liet zijn hoofd of handen lichtgevend worden. De wetenschapper William Crookes begon vanaf 1871 Home en verschillende andere mediums onder streng gecontroleerde omstandigheden te onderzoeken, en kwam tot de conclusie dat een onbekende ‘psychische kracht’ aan het werk was, aangestuurd door een of andere vorm van intelligentie (Crookes, 1874).

Kooi met accordeon experiment Home

In een experiment ontworpen door William Crookes hield Home een accordeon vast met één hand in een speciale kooi onder een tafel, en deze begon te spelen. Het instrument bleef melodieën spelen, zelfs toen hij zijn hand verwijderde, en men kon het zien rondzweven in de kooi. Wanneer elektriciteit door de kooi werd geleid, beïvloedde dit de prestaties van de accordeon niet (Crookes, 1874, 10-4).

In het huis van mw. Jauvin d’Attainville vond in 1863 de volgende seance plaats; onder de gasten bevonden zich prinses Metternich en haar echtgenoot, de Oostenrijkse ambassadeur (Wilson, 1987, 110-1). De 15 gasten zaten aan een tafel in de helder verlichte salon, terwijl Home een paar meter verderop in een leunstoel zat. Nadat hij in een lichte trance was gegaan, vroeg hij of zijn geleidegeest, Bryan, aanwezig was. Felle klopgeluiden kwamen uit de tafel, de kroonluchters begonnen te zwaaien, en een stoel schoof door de kamer en stopte vlak voor de gasten. Op hetzelfde moment schreeuwde prinses Metternich, toen ze een krachtige maar onzichtbare hand de hare voelde vastgrijpen. Anderen voelden ook dat handen hen licht aanraakten. Het tafelkleed vloog de lucht in en er leek daaronder iets naar hen toe te bewegen. Prins Metternich dook onder het kleed en probeerde het ‘wezen’ te pakken, maar er was niets. Een andere man trok het kleed weg, terwijl anderen onder de tafel doken om de bron van de klopgeluiden te vinden; ze werden opnieuw teleurgesteld. Terwijl ze weer onder de tafel vandaan kwamen, klonk er een salvo van klopgeluiden, alsof ze bespot werden. Home wees op een corsage van viooltjes op de piano en vroeg om die naar hen toe te brengen. De viooltjes gleden over de piano, zweefden wiebelend door de kamer en vielen in de schoot van de prinses. Prins Metternich schoot naar voren en pakte ze, maar ontdekte geen draad waaraan ze bevestigd waren. Home vroeg vervolgens om een accordeon, en de prinses stond in haar eentje in het midden van de kamer, terwijl ze het instrument hoog boven haar hoofd hield. Er werd een ruk aan de accordeon gegeven, en deze begon zich open en dicht te vouwen en een zachte, ontroerende melodie te spelen. Toen eindigde de seance.

Eusapia Palladino (1854-1918)

Een ander opmerkelijk medium was de Italiaanse boerin Eusapia Palladino (Inglis, 1992, 379-95, 419-32; 1984, 23-7). Gedurende 20 jaar, van 1890 tot 1910, hebben tientallen vooraanstaande wetenschappers in Italië, Polen, Duitsland en Frankrijk haar aan tests onderworpen onder streng gecontroleerde omstandigheden, en in licht dat goed genoeg was om te zien wat ze aan het doen was. De meesten van hen moesten met tegenzin concluderen dat haar verschijnselen echt waren.

De tafel in de seancekamer schoof vaak rond, ging op één poot staan, ​​en kwam vaak geheel van de vloer, ook al werden haar handen en voeten vastgehouden; soms leviteerde ze, en leek op de lege lucht te liggen zoals op een sofa. Voorwerpen op enige afstand van de aanwezigen gingen bewegen en vlogen rond boven hun hoofden; er klonken muziekinstrumenten (hoewel ze niet zo goed speelden als voor Home); ze produceerde klopgeluiden, koude briesjes en lichtbronnen (soms in de vorm van een hand of andere ledematen); de aanwezigen hadden het gevoel dat ze werden geprikt of geknepen door (meestal onzichtbare) handen, die hun bril verwijderden en hun das of schoenveters losmaakten; ze kon het beeld van een hand of gezicht afdrukken op een laag klei die op enige afstand van haar was geplaatst; en in het volle zicht legden knopen zich vanzelf in een stuk touw en maakten zich vanzelf weer los. Op een keer, toen men meer licht aandeed, bleek ze een jas te dragen die van een van de onderzoekers was, ook al had men haar handen vastgehouden. Terwijl haar ledematen werden vastgehouden, zag men soms andere ledematen (uitvloeiingen van haar astrale lichaam, ook bekend als ‘pseudopodia’) die uit haar lichaam staken of daarin weer terugsmolten. Ook tijdens seances met Home en verschillende andere mediums merkten waarnemers soms op dat een hand die voorwerpen droeg of aantekeningen maakte, met het lichaam van het medium verbonden leek te zijn – hoewel er nooit fysieke apparaten werden gevonden.

seance met Eusapia Palladino

Levitatie van een tafel tijdens een seance met Eusapia Palladino in 1892. (tumblr.com)

Het was bekend dat Eusapia Palladino bedrog pleegde wanneer ze maar kon, en stuntelig tafels met haar voeten liet ‘leviteren’. Maar ze zei dat ze zich tijdens een trance niet bewust was van wat ze deed, en dat haar onderzoekers haar bewegingen maar onder controle moesten houden. Toen Eusapia werd uitgenodigd om in Cambridge haar vermogens te demonstreren, liet Richard Hodgson haar in een test vals spelen en beweerde vervolgens haar als bedriegster te hebben ‘ontmaskerd’. Ook tijdens tests in de VS lieten de onderzoekers toe dat Eusapia een vastgehouden voet bevrijdde, en verklaarden daarna triomfantelijk dat dit al haar verschijnselen ongeldig maakte. Een van de onderzoekers gaf toe dat voordat ze werd betrapt, de verschijnselen heel indrukwekkend waren geweest: het was haar gelukt om, terwijl haar handen stevig werden vastgehouden, een bevrijde voet onder haar stoel door en omhoog achter het gordijn langs achter hun rug te plaatsen, zonder de minste verandering in haar lichaampositie, en vervolgens had ze zijn heup, arm en nek met haar tenen vastgegrepen. Om deze prestatie te bereiken, zou Eusapia, die toen een dikke, oudere dame was, een uitzonderlijk slangenmens moeten zijn, in staat om de lengte van haar been bijna te verdubbelen en haar tenen te gebruiken alsof ze haar vingers en duim waren!

Carlos Mirabelli (1889-1951)

Carlos Mirabelli werd geboren in Brazilië (zijn ouders waren Italianen), en werd in de jaren 20 van de vorige eeuw heel beroemd (Dingwall, 1930; Inglis, 1984, 221-7, 297-8; Braude, 2017; Nahm, 2017; fortunecity.com). Hij werkte als zakenman toen zijn mediumschap zich begon te manifesteren, waardoor hij zijn baan verloor. Hij bracht vervolgens enige tijd door in een psychiatrische inrichting, waar artsen ervan overtuigd raakten dat zijn manifestaties echt waren. Ze deden zich vaak spontaan in het openbaar voor. Eens, tijdens het vieren van een nationale feestdag, hoorde men in zijn bijzijn het geluid van trommels en trompetten; flessen en glazen die bij elkaar stonden, begonnen vervolgens tegen elkaar te slaan en een bekende militaire mars te spelen. In 1926 publiceerde de Academia de Estudos Psychicos Cesare Lombroso een verslag van 392 sessies met Mirabelli; op 337 daarvan vonden er verschijnselen plaats.

Als hij in trance was, produceerde hij in hoog tempo automatisch schrift in 28 verschillende talen, waaronder drie dode talen, of sprak in 26 talen, waaronder zeven dialecten, over een breed scala van onderwerpen, ondanks dat hij weinig formeel onderwijs had genoten. Hij geloofde dat de geesten van verschillende beroemde figuren, zoals Galileo, Dante en Jezus, hem beheersten. Het meest indrukwekkend waren de door hem teweeggebrachte materialisaties van overleden personen die bekend waren bij de toeschouwers. Hij deed dit bij helder daglicht of fel kunstlicht voor talloze onderzoekers en honderden getuigen. Hij stond toe dat hij werd uitgekleed en gefouilleerd; vervolgens werd hij vastgebonden in zijn stoel, waar hij tijdens de seances voor alle getuigen duidelijk zichtbaar bleef. De kamers werden voor en na de seances doorzocht en bleven tijdens de sessies op slot en verzegeld. Zijn lichamelijke toestand vertoonde de volgende afwijkingen: grote veranderingen in temperatuur (36,2 tot 40,2 °C) en hartslag (48 tot 155 slagen per minuut), dramatische veranderingen in ademhaling, gevoelloosheid van huid en organen, samentrekking en ontspanning van spieren, tremoren, opvallende bleekheid, een glazige blik, overvloedig stromend speeksel, koude rillingen en katalepsie.

Mirabelli leviteerde vaak en bleef dan minutenlang zweven. Bij één sessie steeg een stoel met Mirabelli erin twee meter de lucht in en bleef daar twee minuten hangen. Een andere keer liet een tafel drie tikken horen, en de stem van een kind riep ‘Papa’. Een van de onderzoekers herkende deze als de stem van zijn dochter die net aan griep was overleden. Haar gestalte materialiseerde zich geleidelijk, in de jurk waarin ze was begraven, en haar huilende vader omhelsde haar. Ze zag er precies zo uit als toen ze nog leefde, maar doodsbleek, en sprak een half uur met haar vader met een droevige, eentonige stem. Ze werd gefotografeerd en zweefde daarna de lucht in waar ze dematerialiseerde. Toen gebeurde het volgende:

Er kwam een geluid uit een kast, alsof er iets tegen de deuren bonkte; ze gingen open en er kwam een schedel tevoorschijn, die zweefde en geleidelijk botten verzamelde tot er een compleet skelet was gevormd, dat toen door de kamer begon te strompelen. De botten waren hard en voelden vochtig aan, en het skelet stonk als een lijk. Na twintig minuten begon het skelet geleidelijk te verdwijnen, waarna de schedel op een tafel neerdaalde.

Toen kwam er een zoete geur van rozen, gevolgd door de vorming van een gloeiende mist in de kamer, die plotseling verdween en een gematerialiseerde bisschop onthulde die niet lang daarvoor bij een schipbreuk was verdronken. Ook hij reageerde op medisch onderzoek alsof hij leefde, voordat hij langzaam dematerialiseerde. (Inglis, 1984, 225)

Mirabelli lijkt te leviteren

Op bovenstaande foto, ondertekend door Mirabelli, lijkt hij te leviteren. In 1990 werd een originele afdruk gevonden (zie hieronder), waarop duidelijk te zien is dat de afbeelding is geretoucheerd om de ladder waarop hij stond te verbergen. Het is ironisch dat Mirabelli deze foto aan Theodore Besterman gaf, een SPR-onderzoeker die hem van fraude had beschuldigd. (Braude, 2017)

geretoucheerde foto Mirabelli

Bij een andere seance leek Mirabelli zelf te dematerialiseren, en werd later in een andere kamer gevonden, hoewel de zegels op zijn boeien intact waren, evenals de zegels op alle deuren en ramen van de seancekamer. Tijdens een seance in 1934 begonnen bloemen zich te materialiseren, flessen, een stoel en sleutels verplaatsten zich door de kamer heen, en een schilderij werd van de muur getild, zweefde door de lucht en raakte een van de toeschouwers tegen het hoofd. Terwijl dit aan de gang was, schreef Mirabelli een essay van bijna 2000 woorden in het Frans.

Materialisatie Giuseppe Parini tijdens seance Mirabelli

De verontruste blik op het gezicht van dr. Carlos de Castro (rechts) is te danken aan het feit dat een overleden dichter, Giuseppe Parini (midden), tijdens een testseance in de Academia de Estudos Psychicos Cesare Lombroso zojuist tussen hem en de in trance verkerende Mirabelli (links) is gematerialiseerd. (Braude, 2017)

De Scole-groep

Halverwege de jaren 90 van de vorige eeuw onderzochten verschillende onderzoekers van paranormale verschijnselen de activiteiten van een mediamieke groep in Scole (Norfolk, Verenigd Koninkrijk) die beweerde een breed scala aan fysieke verschijnselen teweeg te brengen met hulp van een team van ‘geesten’ (Fontana, 2005, 324-47; thescoleexperiment.com). Later werden seances gehouden in Nederland, Duitsland, Zwitserland, Spanje en Californië. Twee leden van de groep (een echtpaar) traden op als mediums, en bleven tijdens de hele sessie in diepe trance. De sessies stopten uiteindelijk omdat de ‘geesten’ zeiden dat een bepaalde kracht de experimenten verstoorde en een gevaar vormde.

De dialoog die de deelnemers met de ‘geesten’ voerden, was intelligent, geestig en technisch nauwkeurig. De ‘geesten’ waren altijd vriendelijk, beleefd en geduldig; ze hadden allemaal een eigen karakter, stem, accent en manier van spreken. Ze communiceerden meestal via de twee mediums, maar soms werden hun lichaamloze stemmen gehoord op specifieke plaatsen midden in de lucht. Bewegende lichten werden vaak gezien, meestal ter grootte van een erwt, maar soms groter. Montague Keen, een SPR-onderzoeker, schrijft:

Er verschenen lichtpunten van bovenaf, die met grote snelheid door de kleine kamer schoten, ingewikkelde patronen in de lucht maakten, op ons hoofd neerdaalden, vaak op gesproken of onuitgesproken verzoeken reageerden, lichamen leken binnen te gaan, een duikvlucht maakten naar het tafelblad en dit met een schelle ‘ping’ raakten en dan daaronder weer tevoorschijn kwamen ... Op een keer streek een licht neer op een kristal dat vlakbij onze handen balanceerde op de rand van de tafel; het verspreidde zijn glans door het hele kristal, dat vervolgens voor onze ogen werd geleviteerd en voorzichtig op de bodem van een doorschijnende keukenschaal werd geplaatst. Ellison, die rechts van mij zat, werd vervolgens gevraagd om het kristal daaruit te halen en weer terug te leggen. Dit deed hij. Toen hem werd gevraagd dit nog eens te doen, merkte hij dat zijn vingers de vorm en essentie van het kristal omsloten, maar niet de substantie ervan, en zijn vingers raakten elkaar. (Keen, 2001, 169)

De volgende verschijnselen deden zich ook voor: verplaatsing van meubels en andere voorwerpen; een enorm scala aan apports; materialisaties van bewegende en lopende vormen en lichaamsdelen; tikken, klopgeluiden en constante aanrakingen door gematerialiseerde vingers en handen; zwevende ‘engelachtige’ vormen die langs de handen en gezichten van de aanwezigen streken; trompetgeluiden van een instrument waarvan het mondstuk was verwijderd; en het produceren van onverklaarbare beelden op films. Alle verschijnselen traden op in het donker, afgezien van een zwak rood licht. Maar veel van de ‘geest’-lichten waren voldoende helder en constant om redelijk goed in de seancekamer te kunnen kijken, en groepsleden droegen lichtgevende armbanden vastgemaakt met klittenband. Goochelaar James Webster getuigde dat zelfs topgoochelaars de verschijnselen die hij in Scole zag, niet konden dupliceren, zelfs niet na langdurige en kostbare voorbereidingen.

Toneelgoochelaars

Goochelaars staan in het algemeen heel afwijzend tegenover seancekamer-verschijnselen, maar gaan meestal niet verder dan te speculeren over hoe bedrog in theorie zou kunnen plaatsvinden. Hoewel bekwame goochelaars veel van de verschijnselen kunnen reproduceren als ze hun apparatuur vooraf in de seancekamer mogen installeren en achteraf opruimen, zijn dit niet de omstandigheden waaronder mediums werken die door serieuze onderzoekers als echt worden bestempeld.

In 1873 gaf John Maskelyne, de oprichter van de beroemde Maskelyne-dynastie van toneelgoochelaars, toe dat sommige spiritistische manifestaties echt waren. Hij zei later dat hij en een groep vrienden tijdens een seance waarbij geen medium aanwezig was, zonder enig bedrog een zware tafel hadden laten bewegen. Hij dacht dat dit te danken was aan een soort paranormale kracht, maar voegde eraan toe: ‘er is geen enkel bewijs dat geesten van overledenen niets beter te doen hebben dan meubels optillen’. De Franse goochelaar J.E. Robert-Houdin verklaarde dat ‘levitaties zonder contact zoals voortgebracht in aanwezigheid van mediums prestaties waren die het vermogen van een professionele goochelaar volstrekt te boven gaan’ (Blavatsky Collected Writings, 3:237). Over een seance met Home schreef hij dat ‘ik zo verbaasd was als maar kan, en ervan overtuigd dat het volkomen onmogelijk is om zulke prachtige resultaten door toeval of behendigheid tot stand te brengen’ (Fontana, 2005, 321).

De goochelaar en boeienkoning Harry Houdini schreef een boek om mediums in diskrediet te brengen, maar het bevatte weinig meer dan speculatie. Hij was betrokken bij het testen van een medium bekend als ‘Margery’ (Mina Crandon), die opgesloten zat in een speciale kist die hij had ontworpen, waaruit alleen haar hoofd en handen staken. Maar hij stopte stiekem een klein gummetje in een bel om het voor het medium moeilijker te maken om die te laten rinkelen. Het bedrog werd onmiddellijk ontmaskerd door Margery’s controlegeest, ‘Walter’, die beweerde haar overleden oudere broer te zijn, die Houdini in niet voor publicatie geschikte bewoordingen uitschold. Margery werd opnieuw in de kist opgesloten, maar ‘Walter’ begon nogmaals tegen Houdini te vloeken en beschuldigde hem van het plaatsen van een liniaal in de kist – dit bleek opnieuw juist. Het doel was om het eruit te laten zien alsof Margery deze misschien had gebruikt om de bel te laten rinkelen na mogelijk een hand te hebben bevrijd (Inglis, 1984, 163-9). Maar ook Houdini gaf privé toe dat een materialisatie waarvan hij getuige was geweest tijdens een seance met een ander medium, echt moet zijn geweest (Fontana, 2005, 322).

Occulte krachten en vermogens

Sommige onderzoekers beweren dat fysieke mediamieke verschijnselen het bestaan van ‘geesten’ bewijzen, omdat het menselijk denken op zich niet in staat is zulke manifestaties teweeg te brengen. Dit is een zwak argument. Zulke verschijnselen bewijzen het bestaan van occulte, elementale krachten, maar er is geen reden om ervan uit te gaan dat die alleen door ontlichaamde ‘geesten’ kunnen worden gebruikt. Een groot aantal lagere, semi-intelligente astrale entiteiten kan ook daarbij betrokken zijn, waarbij de ‘magnetische aura’ van het medium nodig is om fysieke effecten te laten plaatsvinden. Zoals reeds vermeld, zijn er aanwijzingen dat sommige verschijnselen het gevolg zijn van het feit dat mediums in trance onbewust gebruik kunnen maken van hun eigen astrale ledematen. Bovendien zijn sommige mensen in staat om bewust gebruik te maken van occulte krachten.

Veel reizigers en zendelingen zijn teruggekomen met verslagen van paranormale verschijnselen van fakirs en wonderdoeners uit de hele wereld. Louis Jacolliot, opperrechter in Frans Oost-India in de jaren 60 van de 19de eeuw, onderzocht bijvoorbeeld verschillende fakirs onder strikte omstandigheden. Een van hen liet de ene kant van een weegschaal zakken door er een veer op te plaatsen, terwijl er aan de andere kant een gewicht van 80 kg lag. Covindasamy, de meest bekende fakir, zorgde ervoor dat een enorme bronzen vaas vol water heen en weer schommelde en zich vervolgens van de ene plek naar de andere verplaatste overeenkomstig de instructies van Jacolliot, terwijl ze geluiden maakte alsof er met een stok op werd geslagen. Hij kon ook leviteren, met gekruiste benen, tot een hoogte van 60 cm, terwijl zijn enige contact met de grond een dunne bamboestok van Jacolliot was, die zijn gewicht niet had kunnen dragen. Bovendien materialiseerde hij bloemen en ook handen, die er menselijk uitzagen en aanvoelden (Inglis, 1992, 289).

Enkele tientallen jaren heeft Helena Petrovna Blavatsky (1831-91) verbazingwekkende occulte verschijnselen teweeggebracht, volledig bewust en in het volle licht, vaak op specifiek verzoek van getuigen, zonder dat ze zich kon voorbereiden. Ze produceerde klopgeluiden, belgeluiden, muziek, geuren en lichtverschijnselen; ze precipiteerde handschriften en afbeeldingen; gaf blijk van opmerkelijke helderziende vermogens; en materialiseerde, dematerialiseerde, dupliceerde, verplaatste, leviteerde en teleporteerde voorwerpen (zie Incidents in the Life of Madame Blavatsky; Occult World; Caldwell, 2000). In 1885 publiceerde de Britse SPR een uiterst gebrekkig, bevooroordeeld en vijandig rapport van Richard Hodgson (die toen net aan zijn carrière was begonnen), waarin hij Blavatsky bestempelde als charlatan, oplichtster en Russische spionne, en haar beschuldigde van het teweegbrengen van frauduleuze paranormale verschijnselen, het verzinnen van de mahatma’s, en het ‘vervalsen’ van hun brieven met behulp van medeplichtigen. Zoals veel schrijvers hebben aangetoond, zijn de beschuldigingen gebaseerd op ongegronde speculaties, en worden ze tegengesproken door een grote hoeveelheid tegenbewijzen die meestal niet worden genoemd (zie bijvoorbeeld Harrison, 1997; Gomes, 2005, Endersby, 1969).

Blavatsky was van jongs af aan erg paranormaal begaafd, en het kostte haar tientallen jaren, met hulp van haar adept-leraren, om haar occulte vermogens volledig onder controle te krijgen. Als jonge vrouw bracht ze soms berichten over – door middel van ‘klopgeluiden van geesten’ of direct schrift – voor vrienden en familie, hetzij in antwoord op hun vragen of in de vorm van boodschappen van de doden (bijv. beroemde schrijvers), hoewel ze nooit beweerde dat deze afkomstig waren van de echte geesten van de doden. Hiervoor las ze de gedachten van de aanwezigen, die ze meestal rond hun hoofd zag hangen, en gebruikte ze haar wilskracht om de klopgeluiden voort te brengen. Soms gaf ze de semi-intelligente elementalen meer ruimte om de gedachten van de aanwezigen weer te geven, in welk geval de berichten minder serieus werden. In zeldzame gevallen gebruikte ze een andere methode, die veel diepzinniger berichten opleverde, ‘niet gemaakt door maar in de geest van de edele overleden figuur in wiens naam ze [werden] gegeven’ (Incidents, 94-5, 109-11; Blavatsky Collected Writings, 14:477, 480-1; Cranston, 2008, 65-78):

Ze werd kalm, en met haar ogen gesloten zocht ze in het astrale licht naar die stroom die de echte indruk van een bekende overleden entiteit bewaarde; ze identificeerde zich tijdelijk daarmee en, door de klopgeluiden te leiden, liet ze de informatie uitspellen die ze vanuit de astrale stroom had opgepikt. Dus als de kloppende ‘geest’ beweerde een Shakespeare te zijn, dan was het niet echt die grote persoonlijkheid, maar alleen de echo van de echte gedachten die zich ooit in zijn hersenen hadden voorgedaan en zich zogezegd hadden gekristalliseerd in zijn astrale sfeer, waaruit zelfs zijn schil al langgeleden was vertrokken – alleen de onvergankelijke gedachten bleven achter. Elk woord en elke zin die door de klopgeluiden werd gespeld, werd eerst gevormd in haar hersenen, die op hun beurt een getrouwe kopie maakten van wat haar spirituele oog in de stralende verslagen van gestorven mensen had gevonden. (Incidents, 109-10)

In 1874 woonde Blavatsky de seances bij van de mediums William en Horatio Eddy in Chittenden, Vermont. Daar ontmoette ze voor het eerst Henry S. Olcott, die enkele maanden lang de verschijnselen van de gebroeders Eddy onderzocht (zie People from the Other World). De Eddies waren arme, bijna analfabete boeren, en de enige betaling die ze van bezoekers ontvingen was een kleine vergoeding voor eten en onderdak. Terwijl William in een kleine kast zat, kwam er een reeks gematerialiseerde ‘geesten’ – mannen, vrouwen en kinderen – tevoorschijn die met de aanwezigen spraken, en soms voor de ogen van de toeschouwers oplosten. De figuren waren meestal indianen, Amerikanen of Europeanen, maar na de komst van Blavatsky begonnen andere nationaliteiten te verschijnen: bijvoorbeeld haar vroegere Georgische bediende uit de Kaukasus; een moslimhandelaar uit Tiflis; een Russisch boerenmeisje; een Koerdische krijger gewapend met kromzwaard, pistolen en lans; een Afrikaanse magiër met een gekleurde band rond zijn hoofd, waaruit vier oryxhoorns met bellen aan hun uiteinden staken; en Blavatsky’s overleden oom.

gematerialiseerde indianenvrouw, Light-Heart

Tekening van een gematerialiseerde indianenvrouw, Light-Heart, die geleidelijk aan het verdwijnen is. (People from the Other World, 148a)

Koerdische krijger Afrikaanse magiër

Materialisaties van een Koerdische krijger (links) en Afrikaanse magiër (rechts), beide bekend bij Blavatsky. (People from the Other World, 322, 329)

In die tijd was Olcott nog steeds een ‘fanatieke spiritist’, zoals Blavatsky hem noemde (Collected Writings, 1:34), en geloofde dat de verschijningen de ‘geesten van de doden’ waren. Hij weigerde de verklaring van Blavatsky te accepteren dat zulke verschijningen werden voortgebracht door het astrale dubbel dat uit het lichaam van het medium ontsnapte en zich met andere uiterlijke vormen bekleedde. Omdat hij niets wist van de plastische aard van het dubbel, dacht hij dat dit de wisselende lengte en grootte en het wisselende uiterlijk van de figuren niet kon verklaren. Blavatsky vertelde hem later dat ze sommige van de verschijningen zelf had opgeroepen door middel van haar eigen paranormale vermogens (Old Diary Leaves, 1:7-10; Collected Writings, 1:53). Ze legde uit dat de gematerialiseerde vorm van haar oom een beeld was dat door haar eigen denkvermogen was gestuurd: ‘Het was een soort leeg uiterlijk omhulsel van mijn oom dat ik op het astrale lichaam van het medium leek te werpen’ (Incidents, 132-3; Collected Writings, 14:482-3). Ze riep ook Michalko op, haar vroegere Georgische bediende, van wie ze dacht dat hij dood was, maar die later nog in leven bleek te zijn. ‘De identitieit van ‘geesten’ is dus lastig vast te stellen’, zei ze (Collected Writings, 6:291).

gematerialiseerde ‘geest’, Michalko Guegidze

Tekening van een gematerialiseerde ‘geest’, Michalko Guegidze, die Georgisch sprak en op een gitaar Georgische liedjes speelde. De echte Michalko bleek later nog te leven. (People from the Other World, 296)

Tijdens de seances kon Blavatsky zien hoe de ‘schaduwen’ van de doden, ‘waaruit in de meeste gevallen ziel en geest al lang geleden waren vertrokken’, zich voedden met de levensenergie van het medium en de bezoekers.

De manier waarop de spiritisten deze schaduwen verwelkomden was echt een spektakel! Ze huilden en juichten rondom het medium, dat gehuld was in deze lege gematerialiseerde schaduwen. ... [Het] deed mijn hart bloeden voor hen. ... Als ze eens wisten dat deze simulacra van mannen en vrouwen volledig uit de aardse begeerten, ondeugden en wereldse gedachten bestaan, uit de resten van de persoonlijkheid van vroeger; ... Soms zag ik een van deze fantomen het astrale lichaam van het medium verlaten, zich op een van de aanwezigen storten, groter worden totdat het hem of haar volledig omhulde, en vervolgens langzaam in het levende lichaam verdwijnen alsof het door elke porie ervan werd opgezogen. (Incidents, 178-9; Collected Writings, 14:491-2)

Elementaren, zegt ze, ‘worden door sentimentele onwetenden bijna als goden behandeld’ (Collected Writings, 7:208).

Blavatsky bracht, met hulp van mahatma M, ook materialisaties voort tijdens seances die onder testomstandigheden werden gehouden door een ander medium, mw. Holmes, maar opnieuw zonder dit feit op dat moment bekend te maken. Dat verklaart waarom mw. Holmes, die vaak haar toevlucht nam tot bedrog, zo geschrokken was – ze wist dat deze verschijningen echt waren (Old Diary Leaves, 1:13-4; Collected Writings, 1:73, 120).

Vanuit een theosofisch perspectief zijn er drie mogelijke verklaringen voor materialisatie van een ‘geest’ (Oceaan van theosofie, 50-1, 174-5; Theosofische inzichten, 151-5, 327-32):

  1. Het astrale lichaam vloeit uit het medium vandaan en neemt het uiterlijk aan van een overleden persoon door zijn of haar astrale beeld te weerspiegelen, en wordt zichtbaar door deeltjes uit de lucht en de lichamen van de aanwezigen te verzamelen.
  2. De astrale schil van een overleden persoon wordt zichtbaar en zelfs tastbaar wanneer de toestand van lucht en ether zodanig is dat de trillingen van zijn moleculen voldoende worden veranderd.
  3. Een onzichtbare hoeveelheid scheikundige, elektrische en magnetische stof wordt verzameld uit de atmosfeer, het medium of andere aanwezige mensen, en een beeld van een gewenst persoon, levend of dood, wordt hierop afgedrukt vanuit het astrale licht.

9. Geesten en astrale schillen

Spiritisten hebben vaak banale onzin klakkeloos aanvaard als een boodschap van de ‘geesten van de doden’. In 1928 publiceerde Eerw. Charles Drayton Thomas bijvoorbeeld een boek over zijn contacten met zijn overleden vader en zus via mediums. De boodschappen bevatten het volgende:

We hebben wegen, maar het oppervlak is anders dan de stenen of macadamwegen van Engeland. ... Het lijkt enigszins op natuurlijke grond, maar zonder modder of iets onaangenaams. ... We hebben Londen, maar het is niet jouw Londen. ... Er is enige gelijkenis met de parken en prachtige gebouwen, maar bij ons zijn ze allemaal mooier. ... Ik heb hier geen slangen of leeuwen gezien. ... We hebben paarden, honden en katten maar heel weinig apen.

De vader en zus beschrijven ook een interview met Jezus zelf, die – nogal voorspelbaar – ‘een grote majesteit, en ook grote vriendelijkheid en bescheidenheid’ uitstraalde (Wilson, 1987, 230-1).

In 1916 publiceerde Sir Oliver Lodge een boek getiteld Raymond over de boodschappen die hem ervan hadden overtuigd dat zijn zoon zijn dood in de Eerste Wereldoorlog had overleefd. ‘Raymond’ legt uit dat het hiernamaals niet zo heel anders is dan het aardse leven. De meeste mensen, zegt hij, dragen witte gewaden, hoewel velen liever een pak dragen. Ze kunnen ook eten als ze dat willen, en zelfs een sigaar roken of een whisky-soda drinken. ‘Er zijn hier laboratoria en daar produceren ze allerlei dingen’, wordt ons verteld (Wilson, 227). Het klinkt allemaal nogal dwaas.

Via een medium zijn berichten ontvangen van iemand die beweert de Britse legerofficier T.E. Lawrence te zijn, beter bekend als Lawrence van Arabië (Wilson, 231-2). Volgens ‘Lawrence’ vertelde een geest genaamd Mitchell, die zijn mentor was geworden, hem dat omdat hij op aarde een monnikachtig leven had geleid, het nu tijd was om ‘echt los te gaan’ en te experimenteren met alle ervaringen die hij had gemist – waaronder vrouwen. Hij wordt meegenomen op een rondje langs hemelse bordelen en wordt verteld: ‘Deze meisjes zijn geen prostituees ... het zijn vrouwen die tijdens hun aardse leven seksuele ervaringen hebben gemist en dit gebrek moeten wegwerken vóór ze zich verder kunnen ontwikkelen.’ ‘Lawrence’ wordt dan lyrisch: ‘Wij tweeën hebben heerlijk rondgezworven in een betoverd land en de genoegens van intieme omgang verkend, bekroond door de magie van geslachtsgemeenschap.’ Wie of wat ook verantwoordelijk is voor zulke onzin, het is onwaarschijnlijk dat het de echte geesten van de doden zijn.

In het oktobernummer van The Theosophist van 1882 vertelde een Indiase correspondent een verhaal over een jong nichtje dat onlangs aan een ziekte was overleden. Kort voor haar dood zagen twee van zijn zussen een verschijning van hun overleden broer, en de stervende nicht riep dat ze snel bij zijn zus zou zijn – d.w.z. bij haar eigen moeder, die jaren geleden was gestorven, toen het meisje slechts vier dagen oud was. Na de begrafenis van het nichtje hoorde de correspondent iemand fluisteren of proberen met hem te praten, en zijn jongste zus hoorde voetstappen in de kamer ernaast, terwijl ze ziek en schijnbaar in trance was. De volgende nacht hoorde zijn moeder het dode meisje zeggen dat ze zich moest omdraaien; zijn oudere zus werd gewekt door iemand die haar naam noemde en zag en voelde de hand van het meisje op haar eigen hand; de opa van het dode meisje zag haar duidelijk, gekleed in de jurk die ze altijd droeg; de correspondent zag het hoofd en de schouders van het meisje; en er werden vreemde lichten in de kamer gezien. De volgende dag verlieten ze hun woonplaats en gingen naar Allahabad. Op de eerste nacht raakte de jongste zus van de correspondent opnieuw in trance en zag haar overleden nicht gekleed in een lichtgevend gewaad.

H.P. Blavatsky zegt dat deze verschijnselen het gevolg kunnen zijn van verschillende oorzaken, en alleen een adept met zekerheid zou kunnen zeggen wat hiervoor de verklaring is (Collected Writings, 4:243-50). Ze wijst erop dat een menselijke ziel die net uit haar lichamelijke gevangenis is ontsnapt in een versufte toestand verkeert en waarschijnlijk niet in staat is om doelbewust te handelen. Dit is ook niet nodig om de gebeurtenissen te verklaren. De laatste gedachten van het stervende meisje betroffen waarschijnlijk de mensen om haar heen. De trances van de jongste zus van de correspondent wijzen erop dat ze mediamiek was en hielp de verschijnselen teweeg te brengen – het horen van de ‘astrale’ echo van de stem van het meisje en het waarnemen van haar ‘astrale spiegelbeeld’.

Het julinummer van The Theosophist van 1883 bevatte een brief van ‘M.A. (Oxon.)’, een pseudoniem van het medium William Stainton Moses, die het oneens was met het theosofische standpunt dat het meestal astrale schillen zijn die op seances communiceren (Collected Writings, 4:583-98). Hij vertelt een verhaal over een ‘geest’ die hij ‘John Lilly’ noemt, en die enkele decennia geleden was overleden. De ‘geest’ communiceerde voornamelijk door een heel karakteristiek klopgeluid op een tafel voort te brengen, en verschafte verschillende autobiografische details die Moses kon verifiëren. Het aantal berichten naam geleidelijk af en toen hoorde Moses niets meer van hem. Enkele jaren later, terwijl hij bij een vriend logeerde, werd hij gewekt door kloppen en geluiden overal in de kamer, maar ontving geen boodschap. De klopgeluiden klonken zoals die van Lilly, en de volgende ochtend hoorde Moses dat Lilly ooit in het huis had gewoond. Hij concludeerde dat de beste verklaring hiervoor was dat het hier de echte geest van de overleden John Lilly betrof.

Blavatsky sprak dit tegen en zei dat de astrale schil van ‘John Lilly’ alle verschijnselen had kunnen voortbrengen, omdat deze nog steeds zijn ‘grovere persoonlijke bewustzijn en geheugen’ bezat, en die werden opnieuw geactiveerd bij elk contact met de hersenmoleculen van het medium, die als een galvanische batterij werkten. Ze zegt dat het veel waarschijnlijker is dat wanneer een echte ontlichaamde geest over de helderziendheid en het spirituele bewustzijn van een voortreffelijk medium kan beschikken, hij zou vermijden om via een tafel te communiceren. En waarom stierven de vertrouwde klopgeluiden geleidelijk weg in plaats van abrupt te eindigen, zoals misschien het geval zou zijn bij een ‘geest’ die een echte opdracht moest uitvoeren? ‘Waarom zou een onsterfelijke semi-stoffelijke, volledig bewuste entiteit zulke excentrieke methoden gebruiken?’ vraagt ze. En waarom heeft hij tijdens het slaapkamerincident niet door klopgeluiden meegedeeld wat hij wilde zeggen in plaats van Moses half wakker te houden en ‘zijn slaap herhaaldelijk door kloppen en geluiden te verstoren met het risico hem een ​​zware hoofdpijn te bezorgen’? Lilly had de slaapkamer tijdens zijn leven doordrenkt met zijn emanaties, en zijn vervagende astrale schil werd opnieuw in staat gesteld hoorbare geluiden voort te brengen door de aanwezigheid van Moses, door wiens organisme hij zich al jaren in stand hield.

Tot slot citeert Blavatsky het verhaal over een spookhuis, zoals verteld door een spiritist. Een familie verhuisde naar een woning waar soms onverklaarbare geluiden, knallen, voetstappen en stemmen werden gehoord. In de nacht na de dood van de echtgenoot, een gepassioneerd muziekliefhebber, begon de piano zachtjes het laatste stuk te spelen dat hij had gecomponeerd. Na de begrafenis werden er in het huis klopgeluiden gehoord, en de kinderen hoorden hun vader tegen hen spreken. Enkele nachten achter elkaar werd de oudste jongen gillend wakker omdat iemand hem op zijn schouder had getikt. Tijdens een bezoek voelde een vriendin dat er aan haar beddengoed werd getrokken, en de geluiden zorgden ervoor dat ze vertrok. Kort daarna werd een bediende ziek als gevolg van de spookachtige gebeurtenissen. Op een nacht ging de vrouw de studeerkamer van haar man binnen en stak een kaars aan. Toen leek er een briesje door de kamer te gaan, blies haar kaars uit en sloot de deur. Doodsbang vertrok ze snel. Ze sloot zich op in de slaapkamer van haar kinderen, maar hoorde al snel een geluid als van een gong die tegen de raamstijlen sloeg, vervolgens een gerommel vergezeld van klopgeluiden en stemmen. Ze hoorde haar man tegen haar zeggen: ‘Kom hierheen’, maar ze antwoordde dat ze wilde leven omwille van haar kinderen. De deuren door het hele huis sloegen toen dicht, en er werden voetstappen gehoord die de trap op en af gingen tot het dag werd. Blavatsky vraagt zich af of het aannemelijker is dat zulke capriolen door de goede geest van een liefhebbende echtgenoot en vader worden uitgehaald dan door een kwaadaardige, halfgekke astrale schil.

Het december-januarinummer van The Theosophist van 1883-84 (Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:361-5) bevatte het volgende verslag: Twee ongehuwde Duitse broers woonden samen in het ouderlijk huis. De oudere broer merkte dat aanzienlijke bedragen uit zijn geldkist verdwenen. Hoewel de jongere broer een losbandig leven leidde, werd hij niet verdacht omdat zijn broer hem zoveel geld gaf als hij maar wilde. De jongere broer werd vervolgens gedood in een duel. Terwijl zijn nicht, mw. A, alleen was met het lijk in de rouwkamer, zag ze dat de gordijnen die over de deur naar het privévertrek van de overledene hingen opzij werden geschoven, en daarachter kwam een oude heer tevoorschijn met een boek onder zijn arm. Hij ging aan de voet van de kist staan en zei: ‘Moge je zonde je vergeven worden omwille van je moeder!’ Hij scheen de jonge vrouw niet op te merken en liep naar de muur aan de andere kant van de kamer en drukte op een verborgen knop, waardoor een nis vol boeken en documenten zichtbaar werd. Hij schreef iets op een pagina die hij uit het boek scheurde dat hij bij zich had, legde het boek en het papier in de nis en sloot deze. Toen keerde hij terug naar de kamer waar de overledene lag. De ouders van de jonge vrouw vertelden haar dat de man die ze had beschreven de vader van de twee broers was, die al lang was overleden. Ze openden de voorheen onbekende nis, en ontdekten dat het briefje dat hij had geschreven onthulde dat de echte dief de dode broer was. Het eindigde met het uitdrukkelijke verzoek aan de overlevende broer om een schuld aan iemand in een andere stad af te betalen en zo de familie-eer te redden. Het boek dat het fantoom bij zich droeg, was het persoonlijke kasboek van de jongere broer en bevestigde alles.

In haar commentaar op dit geval zegt Blavatsky dat de vader zich ten tijde van zijn dood misschien grote zorgen maakte over de toekomst van zijn jongste zoon, vooral omdat zijn moeder al dood was, en ze merkt op dat ‘angst of grote zorg om alles wat op aarde wordt achtergelaten een schil, die anders zou zijn uiteengevallen, langer in de atmosfeer van de aarde kan vasthouden dan bij een rustige dood’. De jongeman die zo tragisch aan zijn einde kwam, was waarschijnlijk een medium voor zijn vaders schil, en informeerde die schil zo over alle gebeurtenissen in zijn losbandige en zondige leven. De vrouw die getuige was geweest van de gematerialiseerde schil, moet zelf ook helderziend zijn geweest, en hielp zo het verschijnsel te laten plaatsvinden. Blavatsky concludeert dat het berouw van de stervende jongeman over zijn slechte leven en zijn bezorgdheid om de familie-eer te redden krachtig werden weerspiegeld door de astrale schil van de vader, en leidden tot alles wat er volgde.

Meesters en mediums

Het Engelse medium William Eglinton bezocht India in 1882 en bracht enige tijd door met Alice Gordon en haar echtgenoot, Lt.-kol. W. Gordon – twee spiritisten en theosofen. In een brief aan A.P. Sinnett, ontvangen op 18 maart 1882, zei mahatma KH dat Eglinton mw. Gordon aan het twijfelen had gebracht of ze door de theosofen was misleid aangezien hij het bestaan van de mahatma’s (of ‘broeders’) ontkende, en zijn ‘geleidegeesten’ leken nog nooit van hen te hebben gehoord. Maar bij een volgende gelegenheid veranderden de ‘geesten’ plotseling van mening, en KH legt uit dat mahatma M (Morya) zich in zijn mayavirupa onder de ‘bonte menigte’ van kamarupische spoken had begeven en ze ‘bij hun keel’ had gegrepen, wat leidde tot de onverwachte erkenning dat de mahatma’s bestonden (Mahatma brieven, 273). Mw. Gordon was geamuseerd toen een van Eglintons gidsen sprak over ‘de illustere’ – een pseudoniem dat aan mahatma M werd gegeven. Ze meldt dat toen Eglinton uit trance kwam en werd verteld wat hij had gezegd, hij ‘helemaal niet blij was dat er een geloof in de ‘broeders’ aan hem was opgedrongen, aangezien hun vermeende superioriteit ten opzichte van mediums een nogal pijnlijk punt tussen ons is!’ (Damodar, 187). Zijn gidsen kondigden ook aan dat de broeders, na zijn vertrek uit India, nog enkele occulte verschijnselen zouden teweegbrengen.

Op 22 maart 1882 bezocht KH in zijn mayavirupa Eglinton aan boord van de Vega, het schip dat hem naar Engeland terugbracht. Op de 24ste, tijdens de reis, schreef Eglinton een brief aan Alice Gordon, waarin hij zei dat KH’s bezoek hem had gedwongen te aanvaarden dat de broeders levende personen zijn (jaren later veranderde hij van gedachten en zei dat hij waarschijnlijk een ongewone ‘spontane materialisatie’ had gezien!). Door occulte middelen en met hulp van de mahatma’s werd deze brief, samen met één aan Blavatsky, vrijwel onmiddellijk naar Blavatsky en andere getuigen in Bombay overgebracht. De brief aan mw. Gordon werd daarna bij een bericht van Blavatsky (geschreven op drie kaarten) gebonden en dit pakje verdween om een paar seconden later neer te vallen bij een groep mensen in Calcutta, bestaande uit dhr. en mw. Gordon en kolonel Olcott; laatstgenoemde zag KH en M in hun mayavirupa’s voor het raam, en een van hen wees naar de lucht boven het hoofd van mw. Gordon toen het pakje vanaf het plafond viel. Het bevatte de brief van Eglinton, de kaarten van Blavatsky en ook een grote kaart (zoals door Eglinton tijdens zijn seances werd gebruikt) met opmerkingen van KH en M, allemaal aan elkaar geregen met een stuk blauw naaigaren (Occult World, 169-75; Damodar, 185-95; Caldwell, 2000, 174-8).

Op een keer toen de geestelijke C.W. Leadbeater, die belangstelling voor theosofie begon te krijgen, Eglinton in Engeland bezocht, sprak ‘Ernest’, de controlegeest van laatstgenoemde, met grote eerbied over de mahatma’s en zei dat hij het voorrecht had gehad ze bij verschillende gelegenheden te zien. Leadbeater vroeg of Ernest bereid was een boodschap of brief aan hen te overhandigen, en Ernest zei dat hij deze bij de eerste gelegenheid zou bezorgen. Ze werd echter nooit bezorgd. Enkele jaren later schreven sommige spiritisten dat de mahatma’s onmogelijk konden bestaan omdat Ernest tegen hen had gezegd dat ze niet bestonden. Dit toon aan, zegt Leadbeater, hoe onbetrouwbaar entiteiten zoals ‘Ernest’ zijn, omdat ze vaak de gedachten van de vraagsteller weerspiegelen (Masters & Men, 128vn).

In een brief die Sinnett in januari 1884 ontving, vertelt mahatma M over zijn aanwezigheid bij een van Eglintons seances. Deze werd gehouden in het huis van de Amerikaanse theosoof Sam Ward in Londen, en werd ook bijgewoond door Sinnett (Mahatma brieven, 479-81; Masters & Men, 206-10). De seance trok de aandacht van M toen de astrale ‘spoken’, of bhuta’s, het handschrift van Blavatsky begonnen te vervalsen, en vervolgens een boodschap produceerden die van hemzelf afkomstig zou zijn. Hij zegt dat hij niet in Ladakh was, zoals de boodschap vertelde, maar in Lhassa. Hij reisde onmiddellijk astraal naar de seancekamer, onzichtbaar voor iedereen behalve de ‘spoken’. Hij nam een vel van Sam Wards briefpapier mee, waarop zijn huidige brief was geschreven, om te laten zien dat hij daar was geweest. Hij zei dat Eglintons ‘astrale parasieten’ de brief van ‘M’ hadden vervalst omdat hij de vurige wens had om lid te worden van de London Lodge van de Theosophical Society. M zegt dat Sinnett had moeten beseffen dat de boodschap vals was omdat de specifieke wachtwoorden die ze hadden afgesproken er niet aan voorafgingen. M zegt dat de ‘spoken het opmerkelijk goed deden, en niet door mijn aanwezigheid in verlegenheid werden gebracht’; hun werk werd gehinderd doordat er te veel licht uit een zijstraat van Piccadilly scheen, maar de emanaties van een boekwinkel beneden hielpen veel. M noemt Eglinton een ‘arme gebiologeerde stakker’ en een ‘epilepticus die last heeft van aanvallen’, maar zegt dat hij ‘op zijn manier echt eerlijk is en te beklagen’, omdat twee elementaren ‘zich als zeepokken aan hem hebben vastgehecht’.

Het medium William Stainton Moses had een ‘geleidegeest’ genaamd Imperator (soms aangeduid met ‘+’). In juli 1882 vertelde Blavatsky aan Sinnett dat Imperator in de begintijd van het mediumschap van Moses een mahatma was, maar dat gold niet voor de huidige Imperator (Letters of Blavatsky, 22; Mahatma brieven, 225-6, 315-6). Laatstgenoemde was een ‘hoge ontlichaamde schil’ en soms Moses’ eigen hoger zelf (Mahatma brieven, 48-9, 188).

Het medium Mary Hollis-Billing had een ‘controlegeest’ die bekendstond als Ski. In januari 1879 woonde Olcott een seance bij waarin Ski erkende dat hij een boodschapper van de mahatma’s was en de namen van verschillende van hen noemde (Old Diary Leaves, 2:7). In een in januari 1883 ontvangen brief vertelt KH aan Sinnett dat Ski ‘meer dan eens als bode en zelfs spreekbuis voor verschillende van ons heeft dienstgedaan’, en dat de ‘tekortkomingen en vergrijpen’ van verschillende andere ‘Ski’s’ aan de echte Ski waren toegedicht (Mahatma brieven, 464-5; Letters of Blavatsky, 84-5). KH erkende dat zijn eigen astrale vorm af en toe door helderzienden was gezien, en dat hij een medium had ‘beheerst’, maar geeft niet aan wie het was (Blavatsky Collected Writings, 4:19).

William Q. Judge schrijft: ‘Vele keren zijn geleerde levende occultisten de wereld van mediums binnengegaan en hebben hen gedwongen de waarheid te vertellen ...’ (Theosofische inzichten, 152). Als voorbeeld noemt hij een van de gidsen van mw. Hollis-Billing, bekend als Jim Nolan, die, zegt hij, niet de ‘geest’ van een dode man of een elementaal was (155), maar

de geest van een verstandig, levend mens die probeerde om bijna op het laagste punt van de cyclus van ‘spiritisme’ een nieuwe methode te introduceren en zo mogelijk een opleving van werkelijk onderzoek naar paranormale verschijnselen teweeg te brengen in een groep mensen die daarop al grotendeels waren voorbereid. Maar hij werd verloochend en genegeerd. (Theosofische inzichten, 331)

Nolan maakt duidelijk dat materialisaties van ‘geesten’ geen echte geesten zijn; deeltjes uit de atmosfeer en van het medium en andere deelnemers worden verzameld, en hiermee wordt, gebruikmakend van beelden die op het astrale gebied zijn vastgelegd, een oppervlak gemaakt waarop gezichten van verschillende overleden mensen worden weerspiegeld, of een vorm waaraan verschillende verschijningen of ‘coatings’ kunnen worden gegeven en die door een astrale entiteit kan worden bezield. Zoals Judge zegt, worden degenen die seances bijwonen ‘beloond door spoken, demonen, vampiers, verstandeloze zwevende gedaanten, nutteloze beelden en weerspiegelingen van menselijke gedachten en handelingen waar het reusachtige reservoir van het astrale licht vol mee zit’ (Theosofische inzichten, 151-5, 327-32; Echoes of the Orient, 3:135-7). Er vindt dus veel misleiding plaats, niet in de zin dat er niets occults plaatsvindt, maar in de zin dat de ‘geesten’ die zich manifesteren of communiceren en als overleden familieleden of andere figuren worden herkend, vrijwel nooit zijn wat ze lijken te zijn.

Hoewel er gelegenheden zijn geweest waarbij de mahatma’s via mediums hebben gewerkt, maande Blavatsky (in 1889) tot voorzichtigheid:

De namen van twee van de meesters zijn aan grove ontheiliging blootgesteld. Er is bijna geen medium dat niet heeft beweerd ze te hebben gezien. Uit commerciële overwegingen beweert tegenwoordig elke onzin verkopende vereniging te worden geleid en bestuurd door ‘meesters’, die vaak geacht worden veel hoger te staan dan de onze! (Sleutel tot de theosofie, 280)

Tegenwoordig wordt het internet overspoeld met ‘gechannelde’ boodschappen die afkomstig zouden zijn van ‘opgestegen meesters’, onder wie Blavatsky’s leraren Kuthumi en Morya (of ‘El Morya’ zoals hij zich nu zou noemen). Een van de talloze gechannelde berichten van Kuthumi begint als volgt:

Ik treed vandaag naar voren op de blauwe Christusstraal, vermengd met de gouden straal van God. Deze dag is een heel gezegende dag, de dag waarop ik Kuthumi, Maha Chohan, Sanat Kumara en Ra Mu hebben besloten om met jullie te praten, om te vertellen over de grootsheid van de nieuwe energieën – de Gouden Draaikolk van Licht – die nu voor jullie beschikbaar is. De planetaire energieën hebben geholpen bij jullie voorbereiding. Nu, in jullie tijd, beginnen de energieën zich te verenigen, in voorbereiding op een monumentale zonsverduistering. enz., enz.

Deze dweperige onzin staat in schril contrast met de echte brieven die door KH en M in de jaren 80 van de 19de eeuw zijn geschreven en de diepzinnige filosofische werken die ze inspireerden, in het bijzonder De geheime leer.

Een andere channeler vertelt ons dat El Morya ‘van de planeet Mercurius kwam om de wil van God te vertegenwoordigen’. Ze zegt dat hij in een vorige incarnatie Abraham was, vader van het Hebreeuwse volk; 2000 jaar geleden was hij Melchior, een van de drie wijzen; daarna was hij koning Arthur, en leidde hij drie bloedige kruistochten; toen incarneerde hij als Thomas Becket, die in 1170 als aartsbisschop van Canterbury werd vermoord; en later werd hij een Ierse dichter, Thomas Moore. Iedereen die behoefte heeft aan verdere ‘onthullingen’ van deze channeler kan ze voor £40 per uur krijgen!

Theosofie en spiritisme

Helena Blavatsky zegt dat de Theosophical Society is opgericht met de bedoeling een bondgenoot van de spiritistische beweging te worden door haar te helpen haar hogere, meer filosofische aspecten te ontwikkelen (Blavatsky Collected Writings, 12:127). De TS probeerde de spiritisten te helpen begrijpen dat de spirituele wereld ver boven de astrale wereld ligt, dat hun zomerland een vage en vervormde intuïtie van devachan is, en dat de ‘terugkerende geesten’ de astrale overblijfselen van mensen zijn – maar ze wilden niet luisteren (Bron van het occultisme, 642-3). In plaats daarvan werden de spiritisten bittere vijanden van de TS, omdat de meerderheid niet bereid was hun overtuiging te laten varen dat de meeste boodschappen die via mediums worden ontvangen, afkomstig zijn van de geesten van de doden en dat er na de dood een eeuwige persoonlijke hereniging met onze geliefden plaatsvindt.

Blavatsky schrijft: ‘Theosofen geloven niet minder in geesten dan de spiritisten, maar in geesten die evenveel verscheidenheid vertonen als de vliegende dieren in de lucht. Daartoe behoren bloeddorstige haviken en vampiervleermuizen, naast duiven en nachtegalen’ (Blavatsky Collected Writings, 12:190). Ze benadrukt dat zowel het westerse occultisme als de oosterse filosofie vanuit de verre oudheid tot ons zijn gekomen. En oosterse overleveringen, neoplatonische geschriften en de geschriften van middeleeuwse theosofen getuigen allemaal van ‘de zeer uiteenlopende, en vaak gevaarlijke, aard van al die genii, demonen, goden, lares, en ‘elementaren’, die nu allemaal met elkaar worden verward en op een hoop gegooid onder de naam ‘geesten’’ (Collected Writings, 12:197).

Ze vervolgt: ‘Theosofen geven slechts het resultaat van de ervaring van de grijze oudheid; spiritisten houden zich aan hun eigen opvattingen, die zo’n veertig jaar geleden zijn ontstaan en gebaseerd zijn op hun emoties en niet aflatende enthousiasme.’ Er is geen verschil, zegt ze, tussen de ‘vampierbruid’ of succubus (Apollonius van Tyana zou een jonge vriend hebben bevrijd van een nachtelijke schim die hem langzaam aan het doden was), en de ‘geest’-echtgenotes en -echtgenoten met wie sommige mediums geslachtsgemeenschap beweerden te hebben. Blavatsky voegt eraan toe dat er naast elementalen, astrale schillen en elementaren ook ‘edele geesten’ zijn die met stervelingen kunnen communiceren – maar de boodschappen van mediums vertonen weinig sporen van zulke contacten. De meeste boodschappen zijn gewoon ‘onzinnig gebazel’, zegt G. de Purucker (Aspecten van de occulte filosofie, 616), of ‘idiote dwaasheden’, zoals mahatma KH ze noemt (Mahatma brieven, 265).

Mediumschap is niet zozeer een geschenk als wel een handicap, omdat mediums meestal hulpeloze instrumenten worden die door een externe macht of bewustzijn worden beheerst. Blavatsky noemt mediumschap ‘een van de gevaarlijkste zenuwziekten’ (Blavatsky Collected Writings, 12:372), en stelt het tegenover het adeptschap, dat staat voor volledige, bewuste controle over paranormale vermogens en krachten. Ze zegt dat heilige figuren zoals Apollonius, Iamblichus, Plotinus en Porphyrius ‘een atmosfeer van goddelijke weldaad’ uitstraalden, waardoor boze geesten voor hen wegvluchtten; dankzij de ‘kracht van hun eigen ziel in nauwe harmonie met hun geest’, hun ethische gedrag en de heiligheid van hun leven, waren ze actieve middelaars in plaats van passieve mediums (Isis ontsluierd, 1:609-11).

G. de Purucker zegt dat het echte spiritualisme niets te maken heeft met necromantie, maar stelt dat de wereld één enorm organisme is, samengesteld uit kosmische geesten, en dat ieder mens in zijn binnenste een kosmische geest is en door middel van zijn eigen innerlijke god moet proberen in verbinding te treden met de spirituele gebieden (Bron van het occultisme, 646). Zoals W.Q. Judge zegt: ‘Inspiratie van of door het eigen hoger ego is geen mediumschap; ze is verlichting. Ze kan alleen worden verkregen door discipline, altruïsme, menslievendheid, diepe liefde en de hoogste aspiratie’ (Echoes of the Orient, 2:367).

10. Reïncarnatie

Volgens de theosofie evolueert elke monade (of bewustzijnscentrum), ongeacht het natuurrijk waarin ze zich manifesteert, door middel van vele wederbelichamingen, dat wil zeggen door periodiek nieuwe voertuigen of lichamen aan te nemen, fysiek of niet-fysiek. In het mensen- en het dierenrijk wordt dit proces reïncarnatie genoemd (letterlijk: ‘nieuwe vleeswording’). In elk opeenvolgend rijk ontwikkelt de ego-ziel zich verder; in het mensenrijk bereikt individualisatie haar hoogtepunt en wordt zelfbewustzijn verkregen, waardoor zelfgeleide evolutie mogelijk wordt.

Reïncarnatie is een grondbeginsel van het boeddhisme, hindoeïsme, jainisme, taoïsme en sikhisme. Ze maakt ook deel uit van de meeste westerse religieuze tradities, hoewel ze grotendeels wordt beperkt tot hun mystieke of esoterische takken. Ze werd onderwezen door Orpheus, Pythagoras, Socrates en Plato, en vervolgens verworpen door Aristoteles, maar ze werd nieuw leven ingeblazen door neoplatonisten zoals Plotinus. Ze werd onderwezen door de gnostici en door vele christelijke kerkvaders, maar werd in de 6de eeuw door de kerkelijke autoriteiten verworpen. Sommige christelijke sekten, zoals de katharen (of Albigenzen) bleven geloven in reïncarnatie, en sommige moderne christelijke theologen hebben er sympathie voor. In het jodendom wordt reïncarnatie (‘gilgul’) onderwezen in de kabbala en door het moderne chassidisme. In de islam wordt ze onderwezen door de soefi’s, die beweren de esoterische betekenis van de koran te kennen (Head & Cranston, 1991; Algeo, 1990; Rosen, 2004).

In het Oosten zijn 4 van de 5 mensen ervan overtuigd dat reïncarnatie een feit is. In het Westen neemt het aantal aanhangers toe. Een onderzoek uit 2003 wees uit dat 27% van de bevolking van de Verenigde Staten in reïncarnatie gelooft, een cijfer dat steeg tot 40% bij mensen van 25 tot 29 jaar. In Groot-Brittannië en Nederland gelooft eveneens respectievelijk 27% en 26% van de bevolking daarin (dbk.gesis.org).

Theosofie ontkent dat het gebruikelijk is dat mensen als dieren worden wedergeboren. Mensen kunnen zich beestachtig gedragen, maar dat betekent niet dat ze als dieren zullen worden wedergeboren, zoals veel orthodoxe hindoes en boeddhisten geloven. Mensen bezitten zelfbewustzijn en zijn daarom verantwoordelijk voor hun daden, terwijl dieren op basis van hun natuurlijk instinct handelen. Als men dus zegt dat beestachtige mensen ‘niet beter zijn dan dieren’ dan belastert men de dieren; alleen mensen kunnen doelbewust wreed zijn. Mensen gaan alleen terug naar het dierenrijk als ze aanhoudend uitzonderlijk boosaardig zijn. Wanneer ons fysieke en ons astrale lichaam na de dood uiteenvallen, kunnen de atomen waaruit ze bestaan wél worden aangetrokken door lichamen of entiteiten in zowel het mineralen-, planten- en dierenrijk als ook het mensenrijk.

In het mineralenrijk vindt wederbelichaming vrijwel onmiddellijk plaats. In het plantenrijk gebeurt dit binnen enkele ogenblikken of een paar dagen, of zodra de wisselende seizoenen dat toelaten. Dierlijke monaden reïncarneren na een periode van enkele dagen tot ongeveer een jaar (Bron van het occultisme, 686-8). In het mensenrijk is de algemene regel, als gevolg van het ontwaken van zelfbewustzijn, dat de periode tussen twee levens 100 keer zo lang duurt als de eraan voorafgaande incarnatie (Bron van het occultisme, 662-3). In werkelijkheid varieert de periode enorm van persoon tot persoon, en in verschillende tijdperken, afhankelijk van de eigenschappen en behoeften van verschillende zielen en de heersende omstandigheden op aarde. Daarom is de menselijke bevolking verre van constant (zie Reincarnation and population growth). In uitzonderlijke gevallen kunnen mensen binnen enkele jaren reïncarneren (Mahatma brieven, 115, 138).

Om van leven tot leven vooruit te gaan moet er een logisch, oorzakelijk verband zijn tussen ons huidige leven en onze vorige levens. Volgens de leer van karma oogsten we wat we in eerdere incarnaties hebben gezaaid, en we oogsten ook waar we hebben gezaaid – hier op aarde, niet in een andere sfeer. En niet alleen individuen worden geconfronteerd met de gevolgen van hun handelingen, maar ook gezinnen, gemeenschappen, volkeren, rassen, enz. Onze zielen, die geslachtloos zijn, nemen een mannelijk of vrouwelijk lichaam aan overeenkomstig hun karmische behoeften, en incarneren in het meest geschikte volk en ras en onder de meest passende maatschappelijke omstandigheden. Mensen die we eerder kenden, ontmoeten we onvermijdelijk opnieuw, maar in nieuwe situaties en onderlinge betrekkingen. De uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd en de ervaringen die we opdoen zijn uiteindelijk onze eigen verantwoordelijkheid en bieden een kans om van fouten uit het verleden te leren, onze edelere kwaliteiten – zoals altruïsme, vergevensgezindheid en mededogen – verder te ontwikkelen, en geleidelijk ons verstandelijke en spirituele potentieel volledig te ontvouwen.

Omdat we wedergeboren worden met nieuwe fysieke en astrale lichamen en hersenen, herinneren we ons onze vorige levens meestal niet. Dit is een zegen omdat het ons in staat stelt om een nieuw begin te maken, in plaats van achtervolgd te worden door bewuste herinneringen aan fouten, tegenslagen, conflicten en rancunes uit het verleden. Mensen met ontwikkelde helderziende vermogens hebben toegang tot informatie over hun eigen vorige levens en die van anderen; mahatma KH zei echter dat hij niet graag gebruikmaakte van dat vermogen (Mahatma brieven, 157). Bovendien is onze nieuwe persoonlijkheid niet een volledig nieuwe creatie; ze weerspiegelt de eigenschappen, gewoonten, impulsen, capaciteiten en andere neigingen die we in vorige incarnaties hebben verworven en ontwikkeld, of op zijn minst die welke relevant zijn voor het karma dat we in ons huidige leven moeten uitwerken. Dus in die zin ‘herinneren’ we ons wél onze incarnaties uit het verleden.

Spontane herinnering

In zeldzame gevallen lijken sommige mensen – vooral kinderen – zich hun vorige levens te herinneren, en verstrekken details die kunnen worden geverifieerd.

In The Cathars and Reincarnation (1970) beschrijft de Britse psychiater Arthur Guirdham zijn behandeling van een patiënt genaamd Claire Mills, die in haar tienerjaren werd gekweld door levendige dromen en visioenen van wat een eerder bestaan ​​leek te zijn als een kathaar (Albigens) in de Languedoc (een regio in Zuid-Frankrijk) in de vroege 13de eeuw. Ze gaf nauwkeurige beschrijvingen van de levens en gebruiken van de katharen en vertelde over hun afslachting; ook beschreef ze levendig hoe ze zelf op de brandstapel werd verbrand. Veel details die ze verstrekte werden geverifieerd in middeleeuwse archieven, waaronder namen en beschrijvingen van mensen, plaatsen en gebeurtenissen. Ze maakte ook nauwkeurige tekeningen van oude Franse munten, sieraden en de indeling van gebouwen. Ze zei dat ze gevangen werd gehouden in de crypte van een bepaalde kerk. Deskundigen beweerden dat deze nooit voor dat doel was gebruikt, maar nader onderzoek toonde aan dat sommige mensen daar ooit werden vastgezet omdat de gevangenissen vol waren. Ze hield vol dat kathaarse priesters zowel donkerblauw als zwart droegen. Dit was niet eerder bekend maar werd bevestigd in de verslagen van de inquisitie. Ze herinnerde zich verschillende middeleeuwse Franse liedjes, en vier daarvan werden gevonden in archieven en bleken woord voor woord te kloppen. Guirdham vond vervolgens bewijzen dat ook hij een rol had gespeeld in het katharenleven van zijn patiënt, net als zes andere mensen met wie ze in contact kwamen (Head & Cranston, 1991, 398-401; Fontana, 2005, 435-6).

In Born Twice (1974) vertelt Edward Ryall over zijn leven als Fletcher, een boer die in 1645 in Somerset, Engeland, werd geboren en in 1685 door een cavalerist in het leger van koning Jacobus II werd gedood (Head & Cranston, 403-7). Ryall werd geboren in 1902, 217 jaar later. Zijn herinneringen maakten deel uit van zijn waakbewustzijn, en – wat ongewoon is – zijn herinneringen namen tijdens zijn leven toe in plaats van te vervagen. Toen hij een jongen was, had zijn vader hem aan de hemel de komeet van Halley aangewezen. Toen de jongen opmerkte dat hij deze al eerder had gezien, werd hij door zijn vader streng terechtgewezen. Daarna vertelde Ryall jarenlang niemand over zijn herinneringen tot hij 60 werd. Tegen die tijd waren zijn vader en andere oudere familieleden met wie hij – volgens eigen zeggen – over zijn herinneringen had gesproken, gestorven. Ryalls beschrijving van het leven in het 17de-eeuwse Engeland bleek heel nauwkeurig te zijn en bevatte veel weinig bekende details die alleen in zeldzame studies over die periode worden vermeld. Zijn uitspraken over de verschijningsdatum van de komeet van Halley drie jaar voor zijn dood als Fletcher werden geverifieerd, evenals de data en dagen van de week voor beschreven gebeurtenissen, de namen van lokale geestelijken en andere notabelen, zijn beschrijvingen van talloze gebruiken, munten, agrarische, commerciële en huishoudelijke voorwerpen, en woorden en uitdrukkingen waarvan hij beweerde dat ze in dat gebied en in die periode gangbaar waren. Het verhaal van Ryall bevat echter ook verschillende fouten en anachronismen. De seksuele voorvallen die hij zich herinnerde zijn melodramatisch en tamelijk sensationeel, en zijn voor die tijd en plaats ook onwaarschijnlijk (Algeo, 1990, 72-3).

Ian Stevenson (die in 2007 is overleden) en zijn medewerkers hebben ruim 3000 gevallen gedocumenteerd van kinderen die zich spontaan vorige levens herinneren. Zulke kinderen treft men vooral aan in landen en culturen waarin men gelooft in reïncarnatie, maar ze komen ook voor in Europa en Noord-Amerika. De kinderen beginnen meestal op een leeftijd van 2 tot 4 jaar over een vorig leven te praten. Ze geven details over de levens van hun eerdere persoonlijkheden die vervolgens worden geverifieerd, vertonen gedragspatronen die overeenkomen met hun vorige levens, maar die niet passen bij hun huidige omstandigheden, en hebben soms moedervlekken of aangeboren afwijkingen die overeenkomen met verwondingen, vaak fatale, die in hun vorige leven zijn toegebracht. Meer dan de helft van de betreffende kinderen herinnert zich dat ze een gewelddadige dood stierven, vaak op vrij jonge leeftijd.

Reïncarnatieherinneringen kunnen bepaalde kenmerken van menselijk gedrag verklaren, zoals sympathieën en antipathieën (waaronder fobieën), talenten en genderverwarring. Verschillende kinderen die beweerden in hun vorige leven te zijn verdronken, vertoonden duidelijke fobieën voor water. Een meisje in Sri Lanka had er bijvoorbeeld als baby zo’n hekel aan om in bad te gaan dat drie volwassenen haar moesten vasthouden. Toen ze zes maanden oud was, vertoonde ze ook een sterke fobie voor bussen. Later beschreef ze het leven van een meisje in het dorp en vertelde dat ze over een smalle weg tussen overstroomde rijstvelden liep, een stap achteruit deed om voor een langsrijdende bus uit te wijken, in het water viel, en verdronk. Veel Birmese kinderen vertelden over een leven als Japanse soldaat die in Birma tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gedood; ze vertoonden gedrag dat in Birma ongewoon was, maar typerend voor Japanners, waaronder het willen dragen van Japanse kleding en het willen eten van rauwe of gedeeltelijk gekookte vis in plaats van pittig Birmaans voedsel. Sommige kinderen die zich een vorig leven als lid van het andere geslacht herinneren, hebben een duidelijke neiging getoond zich te kleden en zich te gedragen op een manier die past bij dat geslacht en enkelen zijn homoseksueel geworden.

Moedervlekken en aangeboren afwijkingen worden over het algemeen toegeschreven aan toevallige genetische mutaties. Ze worden soms veroorzaakt door sterke emotionele ervaringen van de moeder tijdens de zwangerschap, maar de reguliere wetenschap negeert dit verschijnsel tegenwoordig omdat er geen conventioneel fysiek mechanisme is om het te verklaren (zie Astral bodies, hfst. 5). Bijvoorbeeld een zwangere vrouw die op straat een man met verminkte voeten zag, werd bang dat haar kind met verminkte voeten zou worden geboren; haar baby werd later geboren met voeten waarvan een deel ontbrak. Reïncarnatie lijkt voor sommige gevallen een verklaring te bieden. Bijvoorbeeld een jongen die zich herinnerde dat hij in zijn vorige leven was vermoord doordat zijn keel werd doorgesneden, had in zijn nek een lange roodachtige streep die op een litteken leek. Een jongen die zich herinnerde dat hij in zijn vorige incarnatie zelfmoord had gepleegd door zich door het hoofd te schieten, had twee littekens aan beide zijden van zijn hoofd. Een andere jongen had een moedervlek die leek op een chirurgisch litteken compleet met een lijn rode vlekken die op hechtwonden leken precies op de plek waar zijn vorige persoonlijkheid was geopereerd (Talbot, 1991, 218).

In een streek met veel criminaliteit in Uttar Pradesh, India, droomde een vrouw over een man, genaamd Maha Ram, die onlangs was vermoord en haar vertelde dat hij naar haar toe zou komen; toen ging hij op een bed liggen en de droom eindigde. Kort daarna, in 1955, beviel de vrouw van een zoon, Hanumant, die werd geboren met een grote moedervlek op zijn borst. Op 3-jarige leeftijd begon hij te zeggen dat hij Maha Ram was en in zijn borst was geschoten. Deze man was per ongeluk gedood toen hij in september 1954 voor een theewinkel stond. Uiteindelijk ging Hanumant terug naar Rams buurt en herkende mensen en plaatsen die Ram kende. Ian Stevenson was in de gelegenheid om Rams medische dossiers en autopsierapport te bestuderen, waaruit bleek dat de kogels hem onder in de borst hadden geraakt in een patroon dat vrijwel exact overeenkwam met de plaats van de moedervlek van Hanumant (Grosso, 2004, 116).

A.L. werd in 1983 in de buurt van Loei in het noordoosten van Thailand geboren. Kort voor zijn moeder zwanger van hem werd, had ze een droom waarin haar overleden schoonvader, W.L., zei dat hij als haar kind wedergeboren wilde worden. W.L. was dodelijk gewond geraakt bij een verkeersongeluk in 1981, toen hij 64 jaar was. Een motorfiets raakte zijn aanhanger, en de botsing sloeg hem van zijn fiets waardoor hij enige afstand op zijn buik werd voortgesleurd. Minstens één handvat van de fiets werd in zijn buik gedreven, en hij bloedde hevig. De onderstaande foto’s, gemaakt in 1997, tonen uitgebreide gebieden van verhoogde pigmentatie en littekenachtige vlekken op A.L.’s buik en onderborst. Of reïncarnatie in dit geval de verklaring is, is niet zeker, omdat A.L. nooit over een vorig leven heeft gesproken. Toen hij een keer een foto van W.L. te zien kreeg, keek hij er lang naar, glimlachte maar zei niets (Pasricha e.a., 2005).

littekens AL

A.L.’s onderborst en buik (links) en rechterzijde (rechts) op 14-jarige leeftijd, met littekenachtige vlekken.

Mahatma KH noemt de volgende mogelijkheid: ‘een kind kan worden geboren van wie de uiterlijke kenmerken en gelaatstrekken grote gelijkenis vertonen met iemand anders die zich op duizenden kilometers afstand bevindt, geen familie van de moeder is, en nooit door haar werd gezien, maar wiens voorbijzwevende beeltenis op het geheugen van haar ziel werd afgedrukt tijdens de slaap of zelfs overdag, en gereproduceerd op de gevoelige plaat van levend vlees die ze in zich draagt’ (Mahatma brieven, 316).

N.K. werd in 1982 geboren in het dorp Kharwa in Rajasthan, India. Hij had een langwerpige plek met abnormale huid links aan de voorkant van zijn hoofd. Toen hij nog een peuter was en een standje kreeg, liep hij weg van het huis van zijn familie, en zei dat hij naar zijn dorp, Sarnia (6,5 km verderop), ging. Hij zei ook dat zijn echte naam Babu was, zijn vrouw Dakho heette, en zijn zoon Madan. Hij sprak over het leven van Babu tot hij 5 of 6 jaar was, ondanks dat zijn familie dit afkeurde. Hij vertelde dat rovers Babu hadden gedood door met een bijl op hem in te slaan. De details kwamen overeen met het leven en de dood van een man genaamd Babu die in 1978 was vermoord doordat er met een bijl op zijn hoofd en elders was geslagen, toen hij van zijn theewinkel in Sarnia terugkeerde naar zijn geboortedorp Gwadia. N.K.’s familie wist van de moord, maar de twee families maakten pas kennis met elkaar nadat Babu’s familie de verklaringen van N.K. hoorde. N.K. herkende spontaan vijf leden van Babu’s familie toen ze hem ontmoetten. Volgens het autopsierapport omvatte de fatale wond botbreuken aan de linkerkant van de schedel met een diepe penetratie in de hersenen; dit kwam overeen met het gebied van abnormale huid aan de linkerkant van het hoofd van N.K. (Pasricha e.a., 2005).

moedervlek op het hoofd van N.K.

De moedervlek op het hoofd van N.K. (1998) laat een haarloze, gerimpelde huid zien met plekken die uitzonderlijk ruw zijn.

In een ander geval werd een jongen, I.A., in 1982 in Kanoi, Uttar Pradesh, geboren met ernstig misvormde vingers en tenen. Tijdens zijn kinderjaren bloedden deze soms en raakten geïnfecteerd, en één vinger moest worden geamputeerd. Nadat hij had leren praten, zei I.A. dat hij uit Dapta Balia kwam, en beschreef hij zijn leven en dood aldaar. Hij zei dat hij een dakoit (bandiet) was geweest die veel mensen had gedood, en dat zijn eigen bendeleden hem ervan hadden verdacht hen te bedriegen bij de verdeling van de buit; daarom martelden ze hem door zijn vingers en tenen af ​​te hakken met een groot mes, verstikten hem, en lieten hem achter om te sterven. De persoon die werd beschouwd als de vorige persoonlijkheid van I.A. was een dakoit genaamd Jagan, die op 1 km afstand van Dapta Balia had gewoond. De meeste mensen dachten echter dat hij door dorpelingen was vermoord. I.A. verwierp zijn huidige familie en wilde graag terugkeren naar Dapta Balia; hij zei dat hij zijn begraven schat wilde terugvinden en zijn dochters wilde uithuwelijken. Hij gaf ook blijk van een verrassende bekendheid met de geografie van het gebied rond Dapta Balia. Hij mopperde omdat hij zich in een moslimgezin bevond, en beschouwde zichzelf als een hindoe van een vrij hoge kaste. Hij weigerde vlees te eten en moslimgebeden op te zeggen tot hij 8 was, maar miste nooit een kans om deel te nemen aan hindoefeesten. Toen hij 3 of 4 was, speelde hij rovertje, gebruikte een tak als pistool en organiseerde zijn vrienden in een bende, met zichzelf als leider. Hij toonde soms berouw omdat hij als dakoit zoveel mensen had gedood (Pasricha e.a., 2005).

misvormingen vingers
misvormingen tenen

Ernstige misvormingen van I.A.’s vingers en tenen.

In veel gevallen waarin kinderen zich vorige levens lijken te herinneren, kan de vorige persoonlijkheid niet worden geïdentificeerd. Er zijn ook gevallen waarin verschillende mensen de ‘reïncarnatie’ van dezelfde persoonlijkheid uit het verleden lijken te zijn – wat erop wijst dat reïncarnatie niet altijd de verklaring is. Onder de Gitxsan, een indianenstam in British Columbia, Canada, werden bijvoorbeeld 12 mensen lokaal beschouwd als de wedergeboorte van een bepaalde ouderling die tegelijkertijd als verschillende mensen wilde terugkomen. Het is natuurlijk mogelijk dat bevooroordeelde waarnemingen hierbij een rol hebben gespeeld. In een Turks geval gaven twee kinderen tamelijk gedetailleerde informatie over dezelfde overleden persoon, en op een gegeven moment erkenden familieleden van die persoon beide kinderen als reïncarnaties, hoewel ze later alleen het kind erkenden dat hen het eerst had bezocht. Er zijn ook gevallen waarin het ‘wedergeboren’ kind een paar dagen of weken vóór het overlijden van de ‘vorige persoonlijkheid’, werd geboren, en het lijkt onwaarschijnlijk dat al deze gevallen aan een onjuiste registratie van de overlijdensdatum zijn toe te schrijven (Keil, 2010). In enkele gevallen werd iemand binnen een paar weken of zelfs dagen na de dood van zijn of haar vermoedelijke vorige persoonlijkheid geboren, wat betekent dat die persoon al was verwekt vóór de vorige persoonlijkheid was overleden.

Sommige onderzoekers zijn van mening dat gevallen waarin mensen zich vorige levens lijken te herinneren, door buitenzintuiglijke waarneming te verklaren zijn in plaats van door reïncarnatie. Het is zeker mogelijk om helderziend toegang te krijgen tot informatie over de vorige levens van mensen. Maar kinderen die zich een vorig leven lijken te herinneren, vertonen meestal geen tekenen dat ze over een buitenzintuiglijk waarnemingsvermogen beschikken, en het is onduidelijk waarom ze alleen over één overleden persoon informatie zouden oppikken. Bovendien zouden ze super-psi moeten hebben om zo’n groot aantal juiste details over het leven, de familieleden en omstandigheden van een bepaalde overleden persoon te verkrijgen. Het zou nog opmerkelijker zijn als zo’n vermogen hen ook in staat zou stellen om het gedrag en de vaardigheden van die persoon te vertonen, en om moedervlekken en misvormingen te hebben die overeenkomen met verwondingen die deze had opgelopen, vooral omdat moedervlekken en misvormingen zich tijdens de ontwikkeling van het embryo al beginnen te vormen.

Het vermogen om zich vorige levens te herinneren is nu voor de meeste mensen zeker niet gebruikelijk. Vanuit theosofisch gezichtspunt is reïncarnatie binnen weken, maanden of slechts een paar jaar verre van normaal, maar wanneer dit gebeurt, is de kans groter dat details van vorige levens worden herinnerd. Stevenson benadrukt dat het zich herinneren van een vorig leven bijna nooit een prettige ervaring is, omdat de betrokken kinderen vaak in verwarring verkeren over hun identiteit, en soms in een innerlijke tweestrijd over hun loyaliteit aan hun huidige en vroegere familie. Gelukkig vervagen hun herinneringen aan een vorig leven meestal tussen hun 5de en 8ste levensjaar.

Als regel geldt dat hoe jonger mensen sterven, of hoe materialistischer ze zijn, of hoe minder ze verstandelijk en spiritueel ontwikkeld zijn, des te korter de tijd die nodig is om het zojuist geëindigde leven te verwerken en des te sneller ze reïncarneren. Als de periode tussen levens extreem kort is, is er een grotere kans dat zielen opnieuw worden aangetrokken tot de cultuur en omgeving van hun vorige leven om de onderbroken ervaring te voltooien. Gewoonlijk heeft de persoonlijkheid (het kamarupa en astrale modellichaam) de tijd om uiteen te vallen vóór we worden wedergeboren. Als dit niet gebeurt, zijn de overeenkomsten tussen het karakter en het gedrag van de vorige persoonlijkheid en de huidige persoonlijkheid waarschijnlijk meer uitgesproken.

Hypnotische regressie

Een andere methode om ‘herinneringen’ aan vorige levens op te roepen is hypnose, maar deze aanpak is heel onbetrouwbaar. Onder hypnose is het denken vrijer om zich dingen te herinneren die al zijn vergeten, maar het is ook vrijer om te fantaseren, dingen te verzinnen en toneel te spelen en misschien zelfs op paranormale manier andere informatiebronnen aan te boren. John Algeo (1987, 70) schrijft:

Over het algemeen raadt de theosofische traditie af om lichtvaardig gebruik te maken van elke methode – zoals hypnose, drugsgebruik of mediumschap – waarbij het bewuste denken kunstmatig wordt omzeild en het onderbewustzijn een passieve ontvanger wordt van invloeden uit welke bron dan ook. We verbeteren onze greep op de werkelijkheid niet door het denken te verdoven.

De intense emoties die mensen onder hypnose kunnen vertonen, bewijzen niet dat ze een authentieke ervaring meedelen (zie UFO’s, hfst. 8); door hypnotische regressie kunnen individuen heel emotioneel betrokken raken bij levens die overduidelijk historisch onnauwkeurig zijn. Net als bij waarnemingen van ‘vorige levens’ door helderzienden, zijn de meeste door hypnose verkregen verhalen over vorige levens te vaag en onduidelijk om grondig te kunnen worden geverifieerd. Het wordt echter algemeen erkend dat regressies naar ‘vroegere levens’ soms therapeutisch en heilzaam zijn en mensen kunnen helpen om met hun huidige psychische problemen om te gaan.

Onder hypnose beleefde Matthew, een 26-jarige man, een vroeger leven als Franse piloot, Jacques Gionne Trecaultes, die in 1914 boven België door een Duits vliegtuig werd neergeschoten. Het Frans dat hij af en toe gebruikte was gebrekkig, en duidelijk dat van een buitenlander. Hoewel hij een indrukwekkende hoeveelheid informatie gaf over de Eerste Wereldoorlog, de technische details van vroegere militaire luchtvaart en de geografie van Frankrijk, bevatten zijn beschrijvingen twee keer zoveel feitelijke fouten als juiste verklaringen. Al zijn ‘hits’ hadden betrekking op informatie die algemeen beschikbaar is, terwijl zijn ‘missers’ vrij gelijk verdeeld waren over algemeen beschikbare feiten en die welke alleen in moeilijk toegankelijke bronnen te vinden zijn. Dus in dit geval heeft Matthews onderbewustzijn de persoonlijkheid van de Franse piloot misschien verzonnen en nader uitgewerkt met nauwkeurige informatie verkregen uit openbare bronnen en met denkbeeldige details (Algeo, 65).

Een ander geval van regressie naar vorige levens betreft een man, geboren en getogen in Canada, die als kind een onverklaarbaar Brits accent had.

Hij had ook een irrationele angst om zijn been te breken, een fobie voor vliegreizen, een vreselijk nagelbijt-probleem, een obsessieve fascinatie voor martelpraktijken, en als tiener had hij – nadat hij tijdens een rijexamen de pedalen van een auto had bediend – een kort en raadselachtig visioen waarin hij zich in een kamer met een nazi-officier bevond. Onder hypnose herinnerde de man zich dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog een Britse piloot was. Tijdens een missie boven Duitsland werd zijn vliegtuig geraakt door een regen van kogels, waarvan er één de romp binnendrong en zijn been brak. Hierdoor verloor hij de controle over de voetpedalen van het vliegtuig, en moest toen een noodlanding maken. Hij werd vervolgens door de nazi’s gevangengenomen, gemarteld voor informatie door het uitrukken van zijn nagels, en stierf kort daarop. (Talbot, 1991, 214-5)

Dit is een plausibel verhaal, maar zonder verdere verificatie levert het geen sterk bewijs voor reïncarnatie.

Onder hypnose beginnen sommige mensen talen te spreken die ze niet kennen.

Terwijl een 37-jarige gedragswetenschapper een vermeend vorig leven als Viking opnieuw beleefde, riep hij woorden die taalgeleerden later als Oudnoors identificeerden. Na onder hypnose te zijn teruggebracht naar een leven in het oude Perzië, begon dezelfde man in een soort krabbelig, Arabisch schrift te schrijven dat een expert in talen uit het Nabije Oosten identificeerde als een authentieke weergave van het Sassanidische Pahlavi, een lang uitgestorven Mesopotamische taal die tussen 226 en 651 n.Chr. veel werd gebruikt. (Talbot, 215)

Soms wordt de kritiek geuit dat mensen zich alleen vorige levens als beroemde of historische figuren herinneren. Helen Wambach voerde echter talloze hypnotische regressies uit, vaak in groepen, en stelde vast dat slechts 7% van haar proefpersonen aangaf dat ze tot de hogere klasse behoorden, terwijl ongeveer 23% aangaf dat ze tot de middenklasse behoorden en 70% tot de lagere klasse. Niemand herinnerde zich beroemd te zijn geweest, en de meesten beschreven nogal sombere en ongelukkige levens. Haar proefpersonen waren heel nauwkeurig als het om historische details ging, zelfs weinig bekende. Hoewel veel vrouwen vertelden over levens als man, en veel mannen over levens als vrouw, waren de percentages 50,3% voor mannen en 49,7% voor vrouwen – ongeveer de werkelijke geslachtsverhouding bij geboorte (Fontana, 2005, 432-4). Men heeft niet geprobeerd om dit werk op grote schaal te herhalen. In ieder geval lijkt hypnose mensen in staat te stellen informatiebronnen aan te boren waartoe ze normaal gesproken geen toegang hebben.

Wanneer mensen naar de periode tussen levens worden teruggebracht, melden ze dat ze zich in een vredig, met licht gevuld gebied bevonden waarin er ‘niet zoiets is als tijd of ruimte zoals wij ze kennen’. Hier hadden ze een scherp zelfbewustzijn, een hoger moreel besef en leerden ze van hun vorige leven zonder hun fouten weg te redeneren. Sommigen meldden dat ze in gezelschap verkeerden van gestorven familieleden en vrienden. Mensen beschreven ook het plannen van hun volgende leven, waarbij ze soms kiezen voor onaangename ervaringen of om wedergeboren te worden met mensen die ze in een vorig leven onrecht hadden aangedaan (Talbot, 215-6; Fontana, 434-5). Het idee dat we zelfbewust ons volgende leven plannen, is nogal onwaarschijnlijk. Het zou uitgebreid overleg en coördinatie vergen met alle andere zielen die in ons volgende leven een sleutelrol moeten spelen. Het is veel gemakkelijker om te geloven dat dit een automatisch proces is, gebaseerd op karmische behoeften en aantrekkingen, waardoor we feilloos op het juiste moment met de juiste mensen op de juiste plek terechtkomen.

Mensen zijn onder hypnose ook naar toekomstige levens gebracht. Sommige mensen beschreven een vreugdeloze, steriele toekomst waarin de meeste mensen in ruimtestations leven en synthetisch voedsel eten. Sommigen meldden een gelukkiger, natuurlijker en harmonischer leven dat gewijd is aan leren en spirituele ontwikkeling. Anderen beschreven een sombere, mechanische toekomst waarin mensen in ondergrondse steden leven of in steden die door een koepel worden omsloten. En anderen beschreven zichzelf als de overlevenden van een wereldramp (Talbot, 224-5). Dat lijkt dus de belangrijkste mogelijkheden op te sommen!

Het doel van het leven

Proberen iets te weten te komen over onze vorige levens is een zinloze afleiding. Alles wat we over ons verleden moeten weten, kunnen we ontdekken door ons eigen karakter en gedrag, onze motieven en aspiraties, hier en nu, eerlijk te beoordelen. Onze verschillende sterke en zwakke punten zijn namelijk grotendeels het product van onze gedachten en daden in vorige levens. Ons huidige leven biedt ons de mogelijkheid om onze evolutiereis actief voort te zetten: om meer te weten te komen over de aard van de werkelijkheid en onze plaats daarin, onszelf ten goede te veranderen, en de mensen om ons heen op alle mogelijk manieren te helpen. We kunnen ons potentieel alleen volledig verwezenlijken als we de spirituele eenheid van alle levende wezens erkennen en universele broederschap tot de grondtoon van ons leven maken.

11. Bronnen

Aspecten van de occulte filosofie, G. de Purucker, Den Haag: Theosophical University Press Agency (TUPA), 1999

H.P. Blavatsky Collected Writings, Wheaton, IL: Theosophical Publishing House (TPH), 1950-91

H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, deel 2 en deel 3, TUPA, 2016-17

Bron van het occultisme, G. de Purucker, TUPA , 2006

Damodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, Sven Eek, TPH, 1965

Dialogen van G. de Purucker, A.L. Conger (red.), TUPA, 2005

Echoes of the Orient, W.Q. Judge, Pasadena, CA: Theosophical University Press (TUP), 2de ed., 2009-10

De esoterische traditie, G. de Purucker, TUPA, 2001

De geheime leer, H.P. Blavatsky, TUPA, 2019

Incidents in the Life of Madame Blavatsky, A.P. Sinnett, New York: Arno Press, 1976 (1886)

Isis ontsluierd, H.P. Blavatsky, TUPA, 2010

The Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, TUP, 1975 (1925)

De mahatma brieven aan A.P. Sinnett, A.T. Barker (samenst.), TUPA, 1979

Masters and Men, Virginia Hanson, TPH, 1980

The Occult World, A.P. Sinnett, TPH, 9de ed., 1969 (1881)

Oceaan van theosofie, W.Q. Judge, TUPA, 2013

Old Diary Leaves (series 1-6), H.S. Olcott, TPH, 1900-1941

People from the Other World, Henry S. Olcott, Rutland, VE: Charles E. Tuttle Co., 1972 (1875)

De sleutel tot de theosofie, H.P. Blavatsky, TUPA, 1985

Theosofische inzichten, W.Q. Judge, TUPA, 2012

Ray Aldridge-Morris, Multiple Personality: An exercise in deception, Hove, East Sussex: Lawrence Erlbaum Associates, 1989

John Algeo, Reïncarnatie in kaart gebracht, Amsterdam: Uitgeverij der Theosofische Vereniging in Nederland, 1990

Ralph B. Allison & Ted Schwarz, Minds in Many Pieces: Revealing the spiritual side of multiple personality disorder, New York: M.D., Rawson/Wade, 1980

Stephen E. Braude, ‘Survival or super-psi?’, plus reactie van Ian Stevenson, Journal of Scientific Exploration, 6:2, 1992, 127-44

Stephen E. Braude, ‘The mediumship of Carlos Mirabelli (1889-1951)’, Journal of Scientific Exploration, 31:3, 2017, 435-56

Richard S. Broughton, Parapsychology: The Controversial Science, New York: Ballantine Books, 1991

Daniel H. Caldwell (red.), The Esoteric World of Madame Blavatsky, Wheaton, IL: Quest Books, 2000

Sylvia Cranston, & Carey Williams, HPB: Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky, TUPA, 2de herz. druk, 2008

William Crookes, Researches in the Phenomena of Spiritualism, Londen: J. Burns, 1874; herdruk: Pomeroy, WA: Health Research, geen jaartal

E.J. Dingwall, ‘An amazing case: the mediumship of Carlos Mirabelli’, Journal of the American Society for Psychical Research, deel 24, 1930, 296-306

James M. Donovan, ‘Multiple personality, hypnosis, and possession trance’, Yearbook of Cross-Cultural Medicine and Psychotherapy 1994, Berlijn: Verlag für Wissenschaft und Bildung, 1996, 99-112

Victor A. Endersby, The Hall of Magic Mirrors, New York: Hearthstone, 1969

Peter Fenwick & Elizabeth Fenwick, The Art of Dying: A journey to elsewhere, Londen: Continuum, 2008

A.B. Finlay, Exorcism – the hidden truth, geen jaartal, tonyfinlay.co.uk

David Fontana, Is There an Afterlife? A comprehensive overview of the evidence, Blue Ridge Summit, PA: Books, 2005

Douglas Fox, ‘Light at the end of the tunnel’, New Scientist, 14 okt. 2006, 48-50

Michael Gomes, The Coulomb Case, Fullerton, CA: Theosophical History, 2005

Bruce Greyson, ‘Ian Stevenson’s contributions to near-death studies’, Journal of Scientific Exploration, 22:1, 2008, 54-63

Michael Grosso, ‘Afterlife research: evidence, problems, paradigms’, Human Nature, deel 1, nr. 1, sep. 1999, 11-25

Michael Grosso, Experiencing the Next World Now, New York: Paraview Pocket Books, 2004

Rosemary Ellen Guiley, The Encyclopedia of Demons and Demonology, New York: Facts On File, 2009

Erlendur Haraldsson, ‘Ian Stevenson’s contributions to the study of mediumship’, Journal of Scientific Exploration, 22:1, 2008, 64-72

Vernon Harrison, H.P. Blavatsky en de SPR: Een onderzoek van het Hodgson Rapport uit 1885, TUPA, 1998

Joseph Head & Sylvia Cranston, Reincarnation: The phoenix fire mystery, San Diego, CA: Point Loma Publications, 1991

Brian Inglis, Science and Parascience: A history of the paranormal, 1914-1939, Londen: Hodder and Stoughton, 1984

Brian Inglis, The Paranormal: An encyclopedia of psychic phenomena, Londen: Paladin, 1985

Brian Inglis, Natural and Supernatural: A history of the paranormal from earliest times to 1914, Bridport, Dorset: Prism, 2de ed., 1992

Montague Keen, ‘The Scole investigation: a study in critical analysis of paranormal physical phenomena’, Journal of Scientific Exploration, 15:2, 2001, 167-82

Jürgen Keil, ‘Questions of the reincarnation type’, Journal of Scientific Exploration, 24:1, 2010, 79-99

Pim van Lommel, Eindeloos Bewustzijn: Een wetenschappelijke visie op de bijna-dood ervaring, Kampen: Ten Have, 2008

John Michell, The Dimensions of Paradise: The proportions and symbolic numbers of ancient cosmology, Kempton, IL: Adventures Unlimited Press, 2001

Michael Nahm, ‘Selected aspects of Carlos Mirabelli’s mediumship’, Journal of Scientific Exploration, 31:3, 2017, 457-66

Alex Owen, The Place of Enchantment: British occultism and the culture of the modern, Chicago, IL: University of Chicago Press, 2004

Satwant K. Pasricha, ‘Cases of the reincarnation type in northern India with birthmarks and birth defects’, Journal of Scientific Exploration, 12:2, 1998, 259-93

Satwant K. Pasricha, Jürgen Keil, Jim B. Tucker & Ian Stevenson, ‘Some bodily malformations attributed to previous lives’, Journal of Scientific Exploration, 19:3, 2005, 359-83

Kenneth Ring, The Omega Project: Near-death experiences, UFO encounters, and mind at large, New York: William Morrow and Company, 1992

Steven J. Rosen, The Reincarnation Controversy: Uncovering the truth in the world religions, New Delhi: New Age Books, 2004

Stephan A. Schwartz, The Secret Vaults of Time: Psychic archeology and the quest for man’s beginnings, Charlottesville, VA: Hampton Roads Publishing Company, 1978

Barbara N. Starr, The spirit world: descriptions by early spiritualists, 2000, intuitive-connections.net

Ian Stevenson, Bewijzen van reïncarnatie, Deventer: Ankh-Hermes, 2000

Michael Talbot, The Holographic Universe, New York: HarperPerennial, 1991

Jim B. Tucker, ‘Ian Stevenson and cases of the reincarnation type’, Journal of Scientific Exploration, 22:1, 2008, 36-43

Colin Wilson, Afterlife: An investigation of the evidence for life after death, Londen: Grafton Books, 1987

Leven voorbij de dood: Inhoud


© 2020 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag