Het Theosofisch Genootschap

Leven voorbij de dood: bewijs voor overleving

David Pratt

februari 2020

[Vertaling van Life beyond death: evidence for survival, december 2019]

Deel 1 van 2


Inhoud

Deel 1

Deel 2


1. Inleiding

In vrijwel elke cultuur en etnische groep, van de prehistorie tot op heden, bestaat een wijdverbreide overtuiging dat een hoger deel van ons de dood van het lichaam overleeft. Uit recente enquêtes blijkt bijvoorbeeld dat ongeveer 62% van de Amerikanen, 53% van de Nederlanders en 46% van de Britten geloven in leven na de dood (rasmussen; trouw; comresglobal). Sommige mensen zijn ervan overtuigd dat geloof in een hiernamaals slechts een primitief bijgeloof is. In een verhit debat over de onsterfelijkheid van de ziel, besloot een professor ooit zijn betoog door te verklaren: ‘Zoiets bestaat niet, en als ik sterf zal ik terugkomen en het bewijzen!’

Materialisten beweren vaak dat mensen in een hiernamaals gaan geloven op grond van wensdromerij en omdat ze niet kunnen accepteren dat de dood het einde is. Maar men zou net zo goed kunnen beweren dat materialisten zo gehecht zijn aan hun eigen overtuigingen dat ze niet in staat zijn om gegevens die hun opvatting tegenspreken objectief te beoordelen. De omvangrijke literatuur over paranormale, mediamieke en andere ‘abnormale’ bewustzijnsgerelateerde verschijnselen levert sterke aanwijzingen voor onzichtbare werelden bewoond door gewoonlijk onzichtbare wezens, waaronder ijlere lichamen of zielen van levende en dode mensen.

Dit artikel geeft een overzicht van enkele van deze bewijzen, maar begint met het schetsen van drie verschillende standpunten over de aard van het hiernamaals: christelijke theologie, spiritisme en theosofie.

2. Hemel, hel en zomerland

Hemel en hel

Volgens het orthodox-christelijke geloof wordt elke ziel door God geschapen, heeft één enkel leven op aarde, en wordt daarna beoordeeld en voor de rest van de eeuwigheid naar de hemel of de hel gestuurd. Sommige christenen geloven dat er een laatste oordeel zal zijn aan het einde van de wereld, wanneer Christus terugkeert om alle levenden en doden te oordelen, waarna de ziel zal worden herenigd met haar opgestane lichaam.

Protestanten geloven dat het om in de hemel te komen voldoende is om Jezus Christus als hun redder te aanvaarden; ze zullen dan hun zonden worden vergeven, want Christus zou aan het kruis zijn gestorven om voor onze zonden te boeten. Rooms-katholieken, en ook sommige anglicanen, geloven dat mensen eerst moeten worden gezuiverd van hun dagelijkse zonden (vergeefbare overtredingen van morele wetten) door het lijden van het vagevuur door te maken. Doodzonden (waarvan wordt gezegd dat ze ‘spirituele dood’ veroorzaken), daarentegen, kunnen alleen worden vergeven door berouw tijdens het leven op aarde.

De hemel zou een plaats zijn van eeuwige vreugde en gelukzaligheid, vrij van pijn en verdriet. Het is de woonplaats van God, Jezus, engelen en de uitverkorenen. Johannes’ visioen van het Nieuwe Jeruzalem in het boek Openbaring wordt vaak gezien als een beschrijving van hoe de hemel eruitziet.

De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. ... De muur was gemaakt van jaspis en de stad zelf was van zuiver goud, zo helder als glas. De grondstenen van de stadsmuur waren versierd met allerlei edelstenen. ... De twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas. ... De stad heeft het licht van de zon of de maan niet nodig: over haar schijnt Gods luister, en het lam [Jezus] is haar licht. ... De poorten zullen overdag nooit gesloten worden, en nacht zal het er niet meer zijn. (21:11-25)

Het is vermeldenswaard dat de Openbaring, een kabbalistisch geschrift, ook de afmetingen van de stad geeft, en deze afmetingen versleutelen veel aspecten van heilige geometrie (zie Michell, 2001, 11-46).

Het Nieuwe Jeruzalem

Het Nieuwe Jeruzalem.

Wat de hel betreft, de Openbaring noemt het een ‘vuurpoel met brandende zwavel’, een ‘meer van vuur’, bevolkt door ‘hen die laf en trouweloos zijn geweest, die zich hebben ingelaten met gruwelijke dingen, met moord, ontucht, tovenarij of afgodendienst, [en] allen die de leugen hebben gediend’, samen met alle anderen die niet in het ‘boek van het leven’ blijken te staan (21:8, 20:15). Daar zullen de duivel / het beest, zijn aanbidders en valse profeten ‘dag en nacht worden gepijnigd, tot in de eeuwigheid’ (14:11, 20:10). De bijbelse Jezus zegt dat ‘de vervloekten’ ‘eeuwige straf’ zullen ondergaan in ‘het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen’ (Mattheus 25:41, 46). De hel wordt ook wel ‘de duisternis’ genoemd, ‘waar men jammert en knarsetandt’ (Mattheus 8:12, 22:13).

Jesus is savior

(jesus-is-savior.com)

De bijbelse Jezus biedt het volgende ‘praktische’ advies:

Als je hand of je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af. Je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen of twee voeten in eeuwig vuur geworpen worden. En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit. Je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in het vuur van de hel geworpen worden. (Mattheus 18:8-9; Marcus 9:43-49)

Jezus waarschuwt ook dat ‘iedereen die ‘Jij dwaas!’ zegt, ‘voor het vuur van de hel zal komen te staan’ (Mattheus 5:22). Maar hij geeft niet het goede voorbeeld, want hij vertelt een gelijkenis over een rijke man die door God wordt toegesproken met de woorden: ‘Jij dwaas!’ (Lucas 12:20).

Middeleeuwse illustratie van de hel

Middeleeuwse illustratie van de hel in een manuscript van Herrad van Landsberg (rond 1180). (en.wikipedia.org)

De Amerikaanse pastor Tim Keller zei: ‘Als Jezus, de Heer van liefde en mededogen vaker over de hel sprak, en op een krachtiger, bloedstollender manier dan wie dan ook, dan moet ze een essentiële waarheid zijn.’ Een alternatieve conclusie is dat, aangezien geen enkele echte wijze zou proberen mensen bang te maken met idiote verhalen over eeuwige pijn en lijden, de Bijbel duidelijk een zekere hoeveelheid onzin bevat – vooral als hij letterlijk wordt genomen.

Bijbelse geleerden zien de hel over het algemeen als een staat van ‘eeuwige scheiding van God’. Hoewel de meeste theologen gewoonlijk geloven dat de hel een plaats is van oneindige bewuste kwelling, geloven sommigen nu dat het lijden niet eeuwig zal duren, maar zal eindigen met de vernietiging van de ziel.

Onder de christenen en moslims geloven meer mensen in de hemel dan in de hel. Volgens een enquête uit 2014 gelooft 89% van de Amerikanen in God, 72% in de hemel en 58% in de hel. Volgens een enquête uit 2003 verwacht 64% van de Amerikanen naar de hemel te gaan, maar minder dan 1% denkt dat ze misschien naar de hel zullen gaan. Volgens een enquête uit 2017 gelooft 39% van de Britten in God, 32% in de hemel en 21% in de hel.

De traditionele denkbeelden van een hemel en een hel kan men moeilijk serieus nemen. Hoe kan iets wat in één enkel leven op aarde wordt gedaan een eeuwigheid van volmaakte gelukzaligheid of een eeuwigheid van ondraaglijke pijn rechtvaardigen? Het is absurd om te zeggen dat mensen naar de hel moeten worden gestuurd eenvoudig omdat ze niet in Jezus geloven, ongeacht hoeveel goede en edele daden ze in hun leven misschien hebben verricht. Of dat mensen die vreselijke wreedheden hebben begaan, rechtstreeks naar de hemel mogen gaan, eenvoudig omdat ze zich tot Jezus wenden voordat ze sterven. Dit staat haaks op het denkbeeld van een volmaakte, liefhebbende en rechtvaardige God, en lijkt meer op iets wat bedacht is door onwetende theologen en machtsbeluste priesters.

Sommige theologen beweren dat de hel verenigbaar is met Gods rechtvaardigheid en genade omdat God zich niet bemoeit met de vrije keuze van de ziel. Maar aangezien God onze ziel zelf zou hebben geschapen, en bepaalt in welke omstandigheden mensen worden geboren, draagt hij duidelijk enige verantwoordelijkheid voor hoe mensen zich uiteindelijk ontwikkelen. Omdat hij verondersteld wordt alwetend te zijn, moet hij van tevoren weten hoe goed of slecht de zielen die hij schept zullen zijn en of ze in hem zullen geloven. En omdat hij ook geacht wordt almachtig te zijn, zou hij zielen van betere kwaliteit kunnen scheppen als hij dat wilde.

De engel Lucifer, die later viel en de duivel werd, was ook een van Gods scheppingen die geen groot succes was. De ene keer wordt gezegd dat de duivel in de hel lijdt, en de andere keer dat hij zich bezighoudt met het martelen van zondaars. Maar als mensen naar de hel gaan omdat ze het werk van de duivel hebben gedaan, dan zou de duivel hen logischerwijs moeten belonen, en niet bestraffen. Tenzij hij stiekem voor God werkt!

De straf van de goddelozen in de hel

De straf van de goddelozen in de hel. Detail van een schilderij van Georgios Klontzas dat de wederkomst van Christus voorstelt (eind 16de eeuw). (wikimedia.org)

Gezien het feit dat de God van de theologen het hele universum uit het niets zou hebben geschapen, dat hij regelmatig boos wordt en mensen vermoordt (zoals is gedocumenteerd in het Oude Testament – zie The laughing Jesus), en dat hij sterk geïinteresseerd is in het ondergoed van zijn priesters, dat volgens hem ‘van de heupen tot de dijen’ moeten reiken (Exodus 28:42), is hij duidelijk het product van een verwrongen verbeelding. Zo’n bizar wezen staat ver af van het pantheïstische denkbeeld van een allesdoordringende goddelijke intelligentie (zie God and religion).

Als er een hiernamaals is, zou het verschillende niveaus moeten hebben om het brede spectrum van mensen een plaats te geven. Het Griekse woord ‘hades’ (‘sheol’ in het Hebreeuws) wordt in de Bijbel vaak vertaald als ‘hel’, maar het lijkt te verwijzen naar een tussenliggende toestand tussen hemel en hel, in sommige opzichten vergelijkbaar met het latere begrip vagevuur; het heeft hogere en lagere delen voor verschillende zielen (Deuteronomium 32:22). De Oosters-orthodoxe kerk gelooft dat de hemel verschillende niveaus heeft, gebaseerd op de uitspraak: ‘In het huis van mijn Vader zijn veel kamers’ (Johannes 14:2). Paulus spreekt over een ‘derde hemel’ (2 Corinthiërs 12:2), terwijl de kabbala, de esoterische traditie van de joden, zeven hemelen noemt.

Het spiritistische zomerland

De opvattingen van spiritisten over het hiernamaals zijn gebaseerd op helderziende visioenen in trance en op berichten van wezens die volgens hen de ‘geesten’ van de doden zijn, meestal verkregen via mediums. De ontvangen informatie is soms tegenstrijdig, wat wordt toegeschreven aan de tekortkomingen van mediums, de onwetendheid van sommige communicerende entiteiten of de moeilijkheid om berichten tussen de twee werelden over te brengen. Hieronder volgt een algemeen overzicht van spiritistische overtuigingen (Starr, 2000).

Spiritisten geloven dat wanneer het fysieke lichaam sterft, onze ‘ziel’ of ‘geestlichaam’ in de ‘geestenwereld’ blijft bestaan en zich verder ontwikkelt. De zielen van de doden worden opgehaald door geesten die hen het geestenrijk laten zien, waar huizen, dorpen en steden zouden zijn. Als we sterven, worden we niet plotseling volmaakt en wijs; we behouden dezelfde persoonlijkheid, gewoonten, neigingen, kennis en herinneringen. De geestenwereld zou verdeeld zijn in verschillende niveaus of sferen van toenemende volmaaktheid (vaak worden er zeven genoemd); we worden aangetrokken tot het niveau dat overeenkomt met onze spirituele ontwikkeling, en tijdens de rest van de eeuwigheid ontwikkelen we ons en gaan we door de andere niveaus heen. Er wordt beweerd dat niets in verval raakt, sterft of gewond raakt in de geestenwereld. Spirituele lichamen zijn jong en mooi, en blijven dat voor altijd; ze tonen geen van de gebreken of verwondingen die de overeenkomstige fysieke lichamen misschien hadden.

De eerste sfeer, die het dichtst bij de aarde ligt, wordt soms vergeleken met de hel. Ze zou donker en verlaten zijn, zonder bloemen of bomen, en het verblijf van ‘aardgebonden geesten’, die egoïstische levens hebben geleid, gehecht aan aardse genoegens. Onder hen bevinden zich moordenaars en degenen die zichzelf door ongezonde uitspattingen hebben gedood. Ze vechten vaak, ervaren mentale pijn en lijden, en vinden het moeilijk om hun spirituele lichaam op te bouwen. De tweede sfeer is etherischer maar nog steeds somber, en het enige voedsel is fruit van slechte kwaliteit. In de eerste twee sferen kan lijden door hogere geesten worden opgelegd om spijt en berouw op te wekken.

Het grootste deel van de mensheid zou rechtstreeks naar de derde sfeer gaan, bekend als het zomerland (hoewel deze term soms wordt gebruikt voor de hogere sferen in het algemeen). De meeste mededelingen van de doden zouden uit deze sfeer komen, die veel mooier is dan de aarde. Er zijn comfortabele huizen en boerderijen, veel soorten fruit van goede kwaliteit, en hogere soorten vogels en andere dieren. Mensen die bovengemiddeld deugdzaam zijn gaan rechtstreeks naar de vierde sfeer.

Er zijn veel meningsverschillen tussen communicerende ‘geesten’ over bepaalde details van het hiernamaals. De meesten zijn het erover eens dat je kunt gaan waarheen je wilt eenvoudig door te denken, maar ook door te wandelen, te zweven, te varen of te vliegen. Gebouwen kunnen worden opgericht door gedachten, maar ook door daadwerkelijke arbeid met echte materialen, vooral in de lagere sferen. Huizen die niet langer nodig zijn, worden voor iemand anders achtergelaten of in de atmosfeer opgelost. Tuinen, huizen en meubilair komen overeen met de mentale toestand van geesten.

Hoe lager de sfeer, des te meer de kleding zou lijken op wat op aarde wordt gedragen. Een persoon kan zijn eigen kleding een tijdje dragen, maar gewoonlijk krijgen nieuwkomers kleding (meestal loshangende gewaden), die door geest-werkers is gemaakt. Kleding slijt nooit, wordt nooit vuil en hoeft nooit te worden gerepareerd. Hoe verfijnder een geest is, en hoe hoger hij ontwikkeld is, des te minder voedsel zou hij nodig hebben. De variatie aan voedsel en de kwaliteit ervan hangen af van de sfeer. In de vierde sfeer worden drie maaltijden per dag geserveerd in de eetkamer, met meer dan 20 soorten fruit en met water en ongefermenteerde wijn erbij! Sommige schrijvers beweren dat de geur van het fruit voldoende is als voeding, maar het kan indien gewenst worden opgegeten.

Er wordt beweerd dat ‘geesten’ vroeg of laat een soulmate vinden, die in sommige gevallen hun echtgenoot op aarde kan zijn geweest. Het huwelijk in de geestenwereld is voor intellectueel en spiritueel gezelschap; er is geen lichamelijk verlangen of contact omdat voortplanting niet nodig is. Zielen zijn nooit inactief. Elke geest heeft een beroep, en geesten gaan vaak door met de beroepen en interesses die ze op aarde hadden. Dienstbaarheid aan anderen, leren, contemplatie, spirituele groei, en gebed zijn de belangrijkste activiteiten. Onderwijzen, zorgen voor kinderen, zorgen voor de stervenden op aarde, en het helpen van aardgebonden geesten zijn belangrijke bezigheden; er wordt zelfs gezegd dat er psychiatrische ziekenhuizen zijn waar bepaalde geesten worden behandeld. Er zijn ook scholen voor kunst en muziek, kleuterscholen, universiteiten, bibliotheken, onderzoekslaboratoria, en collegezalen. Recreatieve bezigheden zijn wandelen, zeilen, naar het theater gaan, naar feesten gaan, lezen en paardrijden. Er wordt gezegd dat ‘Gods liefde’ de geestenwereld doordringt, en dat de enige rechter het eigen geweten is.

Kortom, de spiritisten willen ons laten geloven dat de meeste mensen na de dood hun volledige bewustzijn behouden en een soort verheerlijkte versie van het leven op aarde ervaren – in de geestenwereld. Helena P. Blavatsky noemt het zomerland terecht ‘slechts iets natuurlijker dan het ‘Nieuwe Jeruzalem’, maar even belachelijk’ (Sleutel tot de theosofie, 139). William Q. Judge noemt het ‘onlogisch en materialistisch’ (Theosofische inzichten, 219). Er lijkt enige verwarring te bestaan over de vraag of de vegetatie, dieren, huizen, meubels, kleding, enz., in de ‘geesten’-wereld echt zijn of denkbeeldig. Het is een curieus idee dat geesten in stevige huizen wonen en op stevige bedden slapen – misschien gemaakt van hun eigen verstarde gedachtevormen!

Spiritisten erkennen tenminste wel dat het hiernamaals verschillende niveaus heeft. Maar het lijkt onlogisch om het heelal in slechts twee basisrijken te verdelen: een fysieke sfeer, waar dingen vergaan en sterven, en een geestenwereld (bestaande uit de rest van oneindigheid?), die geen verval en dood kent. Het lijkt ook niet waarschijnlijk dat we slechts één leven, of hoogstens een paar levens, op aarde zouden doorbrengen en dan de rest van de eeuwigheid in de fabelachtige ‘geestenwereld’. Het verdelen van de menselijke constitutie in niets anders dan een fysiek lichaam en een spiritueel lichaam gaat niet ver genoeg. Een belangrijke tekortkoming is dat de spiritisten geen onderscheid maken tussen de ontlichaamde persoonlijkheid (of dierlijk-menselijke ziel) en de spirituele individualiteit (of menselijk-spirituele ziel). Dit onderscheid is cruciaal als men wil begrijpen waarom de meeste boodschappen van ‘gene zijde’ uit een ‘enorme hoeveelheid onzin’ en ‘een hoop gezwam’ bestaan, zoals een spiritist eerlijk toegaf (Inglis, 1992, 295).

3. Theosofische leringen

Theosofie is een moderne presentatie van de tijdloze wijsheidstraditie, waarvan echo’s in alle belangrijke wereldreligies en -filosofieën terug te vinden zijn. Het theosofische wereldbeeld is het resultaat van occult onderzoek naar de innerlijke sferen door talloze generaties van zieners en adepten. Ze stelt dat het universum bestaat uit oneindige bewustzijn-substantie die in ontelbare verschillende trillingsgraden kan verkeren, en zo een eindeloze reeks van elkaar doordringende bestaansgebieden vormt. Het bewustzijnscentrum, of de monade, die de diepste essentie van elke entiteit vormt, evolueert door een reeks natuurrijken, van lager dan een mineraal (elementaal) tot bovenmenselijk (spiritueel-goddelijk), op elke bol van een planeet of zon die ze bewoont in de loop van haar oneindige bestaan; en elke bol bestaat uit zeven gebieden, van de meest stoffelijke (fysieke) gebieden, via de tussenliggende (astrale) rijken, tot en met de hoogste, spirituele rijken (of akasa). Onze huidige evolutie als mens verloopt op het dichtste, fysieke gebied van deze aardbol en omvat een lange reeks incarnaties in de loop van zeven ronden, die miljarden jaren beslaan (zie Evolutie in de vierde ronde).

Na elke incarnatie op onze fysieke aarde scheidt onze zevenvoudige constitutie zich in zijn samenstellende lichamen of zielen, die uiteenvallen in of allerlei reizen maken door de innerlijke sferen, voordat ze zich opnieuw verzamelen en nieuwe vormen aanmaken voor het volgende leven (zie Our after-death journey). In de periode tussen twee levens ontwikkelen we ons niet meer bewust; het leven op aarde en het hiernamaals zijn analoog aan respectievelijk waken en slapen. Het hiernamaals is in wezen een periode van rust, waarin we de ervaringen die zijn opgedaan in het net geëindigde leven verwerken. Onze karakters, omstandigheden en ervaringen in elke incarnatie worden deels bepaald door onze gedachten en daden in vorige levens, en deels door onze eigen vrije wil in het heden (hoewel de sterkte van onze wilskracht en hoe we deze gebruiken een afspiegeling zijn van onze vroegere ontwikkeling). Reïncarnatie en karma gaan daarom hand in hand, en maken het mogelijk om van onze fouten te leren en onze hogere verstandelijke en spirituele vermogens geleidelijk te ontplooien.

Het fysieke lichaam sterft wanneer de verbinding met het astrale modellichaam (Sanskriet: lingasarira) wordt verbroken. Deze ‘eerste dood’ gaat gepaard met een panoramisch overzicht van het net geëindigde leven. Het denkvermogen (Sanskriet: manas) is tweeledig. De zetel van het lagere, grotendeels instinctieve denken is een nog etherischer astrale vorm, soms de dierlijke of lagere menselijke ziel genoemd, of kamarupa (Sanskriet voor ‘begeertelichaam’). Na de dood vallen het astrale lichaam en kamarupa uiteen op verschillende niveaus van de astrale wereld die onze fysieke bol omringt en doordringt, en zich uitstrekt van het middelpunt van de aarde naar de maan. Crematie van het fysieke lichaam stelt het astrale lichaam en kamarupa in staat zich sneller te bevrijden en te desintegreren. Het astrale lichaam heeft ongeveer 10 jaar nodig om in zijn samenstellende levensatomen uiteen te vallen (Esoterische traditie, 439).

Het hogere denkvermogen of ego zetelt in de reïncarnerende ziel, die niet aan hetzelfde relatief snelle verval onderworpen is als onze lagere voertuigen. Het wordt op zijn beurt overschaduwd door ons spiritueel-goddelijke zelf of onze monade. Na de dood van het fysieke lichaam vindt een ‘tweede dood’ plaats, wanneer de reïncarnerende ziel zich scheidt van het kamarupa en opstijgt naar meer etherische sferen, waarbij ze alle hogere verstandelijke en spirituele kwaliteiten van de overleden persoon met zich meedraagt. Daar komt ze in een rustgevende, dromerige bewustzijnstoestand terecht, bekend als devachan (Tibetaans voor ‘gelukkige toestand’), waarin ze zich voorstelt dat ze alle onzelfzuchtige en edele verlangens en aspiraties verwezenlijkt die tijdens het leven niet volledig tot uitdrukking waren gekomen. Na de tweede dood beginnen kamarupa’s uiteen te vallen in kamaloka (de ‘begeertewereld’), een proces dat enkele maanden tot enkele eeuwen kan duren, afhankelijk van de kwaliteit van het voorafgaande leven; voor de gemiddelde mens duurt het een decennium of twee (Bron van het occultisme, 650; Esoterische traditie, 439-40). Deze astrale lijken of schillen, die grotendeels verstoken zijn van actieve intelligentie, worden door mediums vaak ten onrechte aangezien voor de echte zielen van de doden.

De kamaloka, een van de laagste niveaus van het astrale gebied, komt ruwweg overeen met de Sheol van de oude Hebreeën, de Hades van de oude Grieken, de Orcus of de Onderwereld van de Romeinen, en het vagevuur of de limbus van de rooms-katholieken. Devachan komt ruwweg overeen met de sukhavati van de boeddhisten, de svarga van de hindoes, de Amenti van de oude Egyptenaren, de Elysese velden van de oude Grieken en de joods-christelijke hemel.

Als een ziel reïncarneert voordat haar vroegere kamarupa volledig is gedesintegreerd, hecht laatstgenoemde zich aan en verenigt het zich meestal met het nieuwe kamarupa, en oefent een ongezonde invloed uit op de nieuwe persoonlijkheid. De kamarupa’s van andere overleden mensen kunnen ook een negatief effect hebben op levende mensen van wie de zwakheden hen ontvankelijk maken voor zulke invloeden. De kamarupa’s van mensen die een bijzonder egoïstisch, grof en wreed leven hebben geleid, vormen de grootste bedreiging; ze worden soms elementaren genoemd (een term die soms verwijst naar kamarupa’s in het algemeen). Terwijl de meeste mensen na hun dood vrijwel onbewust door kamaloka gaan, geldt dit niet voor elementaren. Degenen die voortijdig zijn gestorven als gevolg van een ongeluk of moord (‘legaal’ of illegaal), en degenen die hun leven kunstmatig hebben afgebroken door zelfmoord te plegen, kunnen na de dood ook een zekere mate van bewustzijn behouden, vooral als hun hogere verstandelijke en spirituele leven relatief onontwikkeld was; ze blijven aan de aarde gebonden en ‘betreden’ kamaloka pas op het moment dat hun leven op een natuurlijke manier zou zijn geëindigd (Mahatma brieven, 117-23).

De meest weerzinwekkende kamarupa’s worden ‘psychische vampiers’, die zich voeden met de levens-, emotionele en mentale energie van mensen tot wie ze worden aangetrokken, en met de emanaties van plaatsen waartoe ze worden aangetrokken, waardoor hun eigen aardse gewaarwordingen en genoegens langer aanhouden. Terwijl onzuivere kamarupa’s tot de levenden kunnen worden aangetrokken ‘door een hevig verlangen om zich te voeden met hun levenskracht’, kunnen andere worden aangetrokken door verheven emoties zoals onzelfzuchtige liefde. Een dodenbezweerder of krachtig medium kan kamarupa’s ook dwingen ons te naderen. Het oproepen van ‘zeer zondige’ kamarupa’s is echter gevaarlijk voor de levenden, terwijl het afdwingen van een verschijning van degenen die voortijdig zijn gestorven wreed wordt genoemd omdat de grovere moleculen van de astrale ziel dan met geweld, in plaats van natuurlijk, van de fijnere moleculen worden gescheiden, en dan lijdt de ziel behoorlijk, alsof ze ‘levend wordt gevild’ (Bron van het occultisme, 644-6; Blavatsky Collected Writings, 6:106-8).

Theosofie ontkent daarom dat de meeste mensen na de dood hun volledige bewustzijn behouden. De menselijke ziel wordt meestal volstrekt onbewust; hoe lang deze toestand aanhoudt, hangt af van de betrokken persoon. Als de persoon erg spiritueel was, is er vrijwel geen menselijk bewustzijn in kamaloka. Als de persoon grof en slecht was, is er een tamelijk intens bewustzijn, en het menselijk ego wordt zich snel ervan bewust dat het dood is en zich in de astrale wereld bevindt, en lijdt daardoor. Volledig zelfbewustzijn wordt alleen behouden door adepten, omdat ze hogere centra van hun constitutie tot ontwaking hebben gebracht. Voor de meeste mensen is het bewustzijn dat ze het leven in kamaloka heel gering, meer als een vage droom, die duurt tot de tweede dood (Bron van het occultisme, 637-41).

Degenen die morele en edele levens hebben geleid, gaan heel snel door kamaloka en gaan kort daarop devachan binnen, terwijl degenen die slechte en egoïstische levens hebben geleid, nog lang in kamaloka blijven en rusteloze dromen hebben die de ondeugden weerspiegelen waaraan ze zich tijdens het leven op aarde hebben overgegeven. William Q. Judge zegt: ‘In kamaloka krijgen alle oude gedachten [van de overledene] vorm, en ze kwellen de ziel als het leven slecht is geweest, of ze houden haar alleen maar tijdelijk vast als het tegenovergestelde het geval is geweest’ (Echoes of the Orient, 2:305). De periode tussen de eerste en tweede dood kan enkele uren tot 100 à 200 jaar duren (Dialogen van G. de Purucker, 2:962-4).

We zijn ons dus normaal gesproken niet bewust van wat er na de dood om ons heen gebeurt, hoewel er uitzonderingen zijn. De toestand van de overledene in kamaloka is over het algemeen zoals die van ‘een persoon die door een hevige klap verdoofd en versuft is, en tijdelijk zijn zinnen heeft verloren. Vandaar dat in kamaloka vrienden of familieleden gewoonlijk niet worden herkend (afgezien van gevallen waarin plaatsvervangend leven en bewustzijn door contact met mediums zijn opgewekt) ...’ (Blavatsky Collected Writings, 9:164). In sommige gevallen kunnen twee wezens die zich in een vergelijkbare kamalokische toestand bevinden elkaar vaag herkennen. Maar het belangrijkste proces dat daar plaatsvindt is de scheiding van de hogere menselijke ziel van de astrale ziel, en normaal gesproken gebeurt dit min of meer onbewust (Echoes of the Orient, 2:305).

Helena P. Blavatsky schrijft:

Kamaloka kan worden vergeleken met de kleedkamer van een acteur, waar hij de kleding voor de laatste rol die hij speelde uittrekt voordat hij weer zichzelf wordt – het onsterfelijke ego of de pelgrim die zijn cyclus van incarnaties doorloopt. Nadat het eeuwige ego in kamaloka van zijn lagere aardse beginselen, met hun begeerten en verlangens, wordt ontdaan, gaat het devachan binnen. (Blavatsky Collected Writings, 9:164)

Devachan is een subjectieve toestand van volmaakte vrede en gelukzaligheid, waar al onze persoonlijke, onvervulde spirituele verlangens en aspiraties onmiddellijk worden verwezenlijkt. Het duurt gewoonlijk ten minste vele honderden, zo niet duizenden jaren, hoewel devachani’s het verstrijken van tijd niet ervaren zoals wij op aarde. Voor mensen die een heel egoïstisch en grof leven hebben geleid of zich verstandelijk en spiritueel niet ver hebben ontwikkeld, is de devachanische ervaring korter en minder intens. Devachan is ‘een geïdealiseerde en subjectieve voortzetting van het aardse leven’ (Sleutel tot de theosofie, 145). Terwijl we deze bewustzijnstoestand ervaren, stellen we ons voor dat we onze vrienden en geliefden ontmoeten, maar dit is geen werkelijke ontmoeting met andere menselijke zielen – in tegenstelling tot spiritistische leringen.

Het gelukzalige dromen van de reïncarnerende ziel tussen twee levens duurt voort totdat de spirituele impulsen die tijdens de vorige incarnatie werden voortgebracht, zijn uitgeput. De aantrekking tot het aardse leven begint dan weer sterker te worden. De dorst naar het stoffelijke leven en het verlangen om terug te keren naar vertrouwde taferelen en herenigd te worden met vroegere kameraden zorgen ervoor dat we steeds weer op aarde incarneren. Terwijl de reïncarnerende ziel opnieuw naar de aardbol afdaalt, beginnen zich nieuwe astrale voertuigen te vormen; ze worden opgebouwd uit veel van zijn vroegere levensatomen, en omdat deze de karmische indruk van de vorige persoonlijkheid dragen, zullen veel van dezelfde persoonlijke kenmerken (‘skandha’s’ in het Sanskriet) zich manifesteren. De ziel vormt een verbinding met de geslachtscellen in de lichamen van haar toekomstige ouders, en wordt ten slotte wedergeboren met een fysiek lichaam en in een familie die overeenstemmen met haar karmische behoeften (zie Sex and sexuality, hfst. 3).

Als algemene regel kunnen de astrale lichamen, kamarupa’s en spirituele zielen van de doden dus niet zien wat er op ons fysieke gebied gebeurt; ze nemen niet bewust waar wat er om hen heen gebeurt en ze communiceren niet met elkaar. Blavatsky zegt dat als, zoals sommige spiritisten beweren, de ‘geesten’ van de doden alles zouden kunnen zien wat er op aarde gebeurt, ook in hun eigen huis, ze geen gelukzaligheid zouden ervaren, omdat ze gedoemd zouden zijn om getuige te zijn van de fouten en het lijden van degenen van wie ze door de dood werden gescheiden. De gelukzaligheid van de devachani ‘bestaat in zijn stellige overtuiging dat hij de aarde nooit heeft verlaten’; het postmortale spirituele bewustzijn van een moeder bijvoorbeeld ‘geeft haar het gevoel dat ze omringd is door haar kinderen en allen die ze liefhad’ (Sleutel tot de theosofie, 135-40). Elke devachani gaat op in zijn eigen gelukzalige, dromerige verbeelding; devachan is geen ‘zomerland’, waar zielen rondwandelen en met elkaar kletsen en van het uitzicht genieten.

Blavatsky benadrukt dat de door ongetrainde mediums en helderzienden verstrekte informatie over de toestanden na de dood onbetrouwbaar is omdat deze door hun hersenen wordt gefilterd en met hun eigen vooroordelen gekleurd. Alleen gevorderde occultisten kunnen nauwkeurig waarnemen en begrijpen wat er na de dood gebeurt. Zoals mahatma Kuthumi (KH) zegt: ‘Om de gelukzaligheid in devachan of de ellende in avichi [een rijk lager dan kamaloka] te kunnen beseffen, moet u ze in u opnemen – zoals wij dat doen’ (Mahatma brieven, 212).

Communicatie met de doden

De menselijk-spirituele zielen in devachan kunnen niet naar seancekamers worden aangetrokken om met de levenden te communiceren. Mensen op aarde kunnen echter in nauw contact komen met hun geliefden in devachan als hun bewustzijn wordt verheven naar het hogere, spirituelere niveau van die zielen, iets wat onbewust kan gebeuren tijdens dromen. Zuiver levende mediums kunnen af en toe hetzelfde doen in trance, hoewel ze moeite hebben om zich precies te herinneren wat ze hebben gezien en gehoord. Adepten kunnen de zielen in devachan niet alleen bereiken en met hen communiceren, maar ze ook helpen om sneller naar de aarde terug te keren als dit van algemeen belang wordt geacht (Sleutel tot de theosofie, 139-40; Oceaan van theosofie, 133-4).

Hoewel spiritisten beweren contact te hebben met de ‘geesten van de doden’, komen ze meestal in contact met de astrale overblijfselen van overleden mensen – overwegend verstandeloos en zonder geweten. Er worden ook boodschappen voortgebracht door het denkvermogen van het medium en de andere deelnemers, en die weerspiegelen hun herinneringen, kennis en overtuigingen, samen met andere informatie die op het astrale gebied (of in het ‘astrale licht’) aanwezig is. De astrale wereld wordt ‘het geheugen van de natuur’ en ‘de beeldengalerij van de natuur’ genoemd omdat ze een verslag bevat van alles wat ooit op aarde heeft bestaan of is gebeurd. Soms worden mediums bijgestaan door een ‘geleidegeest’ of ‘controlegeest’ – wat een hoger of lager aspect van hun eigen innerlijke constitutie kan zijn of een afzonderlijke entiteit van vergelijkbare kwaliteit als zijzelf; sommige mediums hebben toegegeven dat hun ‘controlegeesten’ hen soms misleiden en aanzetten tot bedrog (Oceaan van theosofie, 174).

Communicerende ‘geesten’ zijn het vaak oneens met elkaar over de aard van het hiernamaals. Ze zijn het ook in hoge mate oneens over reïncarnatie. In de 19de eeuw, toen de leer van reïncarnatie in het Westen door weinig mensen werd aanvaard, werd ze door de meesten van hen ontkend. Tegenwoordig geloven veel meer mensen in reïncarnatie, en veel meer communicerende entiteiten zeggen nu dat ze wel bestaat.

Boodschappen van een astrale schil die op het punt staat om uiteen te vallen zullen veel onsamenhangender zijn dan die van een astrale ziel ‘in haar eerste stadium van ontbinding, wanneer het grootste deel van de fysieke intelligentie en vermogens nog helder zijn en nog niet zijn begonnen te desintegreren, of te vervagen’ (Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 2:25). In zeldzame gevallen kan communicatie met de spirituele individualiteit plaatsvinden in de dagen onmiddellijk na de dood, wanneer ‘de intensiteit van het verlangen van de stervende om voor een of ander doel terug te keren, het hogere bewustzijn dwingt wakker te blijven’ (Sleutel tot de theosofie, 140-1). Mensen die een redelijk onberispelijk leven hebben geleid, maar sterven terwijl ze geheel in beslag worden genomen door een bepaald denkbeeld, kunnen pas verdergaan als de gedachte of het verlangen in kwestie zwakker wordt en verdwijnt (Blavatsky Collected Writings, 6:101-2). Het is voor hoogontwikkelde mensen (bijv. adepten en bodhisattva’s) – of ze nu op aarde leven of aanwezig zijn in de astrale sfeer van de aarde (als nirmanakaya’s) – ook mogelijk om bepaalde mensen te inspireren of met ze te communiceren voor het algemeen belang. Maar het is veelzeggend dat de meeste boodschappen die mediums van ‘geesten’ ontvangen banaal en onbenullig zijn en geen intellectuele of spirituele waarde hebben (Oceaan van theosofie, 173-4).

Als een medium eenmaal een kanaal met een kamarupa heeft gevormd, wekken etherische natuurkrachten of elementalen de schil tot kunstmatig leven, zodat ze op een slaapwandelaar gaat lijken (Geselecteerde artikelen, 3:308-9; Oceaan van theosofie, 119-21). Hierdoor zijn de schillen in staat om, ‘net als machines, klanken voort te brengen, te herhalen waarmee ze vroeger bezig zijn geweest, en de ooit levende en bezielde persoon te imiteren’. Spiritisten willen veel te graag aannemen dat communicerende entiteiten de ‘geesten’ van hun geliefden zijn als ze hun kennis en kenmerken vertonen. Maar zoals Judge opmerkt: ‘We zouden evengoed kunnen zeggen dat een aantal gedresseerde papegaaien die in een verlaten huis zijn achtergelaten, de zielen zijn van de mensen die daar ooit woonden en de eigenaar van die vogels waren’ (Theosofische inzichten, 281, 380-1).

Wanneer mediums zich inlaten met de kamarupa’s van de doden, verstoort en vertraagt dit ​​de natuurlijke processen die plaatsvinden in kamaloka. Het versterkt aardse gehechtheden en remt de ontwikkeling van de ziel. Daarom wordt necromantie, of het oproepen van de ‘geesten’ van de doden, altijd verboden door spirituele leraren. Het staat in India al eeuwen bekend als bhuta-verering. ‘Bhuta’ is een van de Sanskriettermen voor kamarupa’s, vooral elementaren; andere namen zijn ‘preta’s’ en ‘pisacha’s’. In Tibet worden ze ‘ro-langs’ genoemd. De Chinezen noemden ze ‘houens’, de Egyptenaren ‘khou’s’, en de Grieken ‘eidõla’, terwijl de Romeinen ze ‘larven’, ‘lares’, ‘lemures’, ‘umbrae’ en ‘simulacra’ noemden (Geselecteerde artikelen, 2:514, 517, 525-7; Collected Writings, 7:201-7). De joden zeiden dat Sheol (kamaloka) bevolkt was door ‘refaim’ (letterlijk ‘zonder ruggengraat’), d.w.z. lege kamarupische ‘schimmen’. Cornelius Agrippa zei, evenals Paracelsus en andere middeleeuwse occultisten en christelijke kabbalisten, dat de ziel of geest terugkeert naar God, en dat de zielen van hen die kwaad hebben gedaan, zonder verstand ronddwalen en onderworpen zijn aan ongecontroleerde begeerten. Wat hij het ‘idolum’ (eidõlon) noemt, is de astrale schil of elementaar (Collected Writings, 4:591, 594-5). Amerikaanse indianen geloven dat bij de dood onze goede essentie naar de volgende wereld vertrekt, terwijl de slechte een tijdje bij het lichaam blijft als een schimmige entiteit, en een gevaar kan vormen voor de levenden (Fenwick & Fenwick, 2008, 174-5). Spiritisten zouden er goed aan doen meer aandacht aan deze universele leringen te schenken.

4. Visioenen en visitaties

Sterfbedvisioenen

Mensen die de dood nabij zijn, hebben vaak visioenen van mensen (vooral overleden familieleden) of religieuze figuren die volgens hen zijn gekomen om hen te troosten tijdens het stervensproces en hen te begeleiden voorbij de grenzen van de dood. Deze ervaringen leiden vaak tot een gevoel van vervoering en helpen mensen om vreedzaam te sterven. De meeste visioenen vinden plaats terwijl mensen lucide zijn, en medicijnen hebben eerder de neiging ze te onderdrukken dan te bevorderen. Er zijn veel verhalen over stervenden die in de war of dement zijn en dan vlak voor de dood plotseling helder worden en een onzichtbare bezoeker begroeten. Soms vertellen ze dat ze met hun gidsen een gebied bezoeken dat doordrongen is van licht, liefde en mededogen.

Sterfbedvisioenen worden gedeeltelijk door culturele factoren bepaald. In veel oude verslagen of middeleeuwse schilderijen die de dood afbeelden, wordt de stervende meestal door een religieuze figuur opgehaald. In hedendaagse verhalen in het Westen zijn het meestal familieleden die dat doen. In een Britse enquête werden religieuze figuren, zoals engelen of een Christusachtig wezen, in slechts 2% van de gevallen gezien, en gestorven familieleden in 70%. In de VS, waar religieuze orthodoxie wijder verspreid is, verschenen religieuze figuren in 13% van de gevallen, dode familieleden en vrienden in 70%, en levende mensen in 17%. In Indiase ervaringen daarentegen verschijnen religieuze figuren zoals de yamdoot (boodschapper van de hindoegod van de dood) in 50% van de gevallen, terwijl gestorven familieleden of vrienden in 29% verschijnen, en levende mensen in 21% (Fenwick & Fenwick, 2008, 26, 90). In tegenstelling tot westerse visioenen, jagen de yamdoots vaak schrik aan en sleuren de stervende weg, waardoor deze om hulp gaat roepen (Grosso, 2004, 40-1).

In een geval uit het VK was een 32-jarige vrouw die aan borstkanker stierf, zich de laatste dagen van haar leven bewust van een donker dak boven haar hoofd en een fel licht. Ze ging naar een wachtplaats waar ze wezens zag, onder wie haar grootvader, die haar vertelde dat alles goed zou komen. Ze ging dit gebied in en uit, en stond erop dat het geen droom was. In een ander geval hoorde men een stervende man heel boos tegen iemand in zijn kamer praten. Toen zijn dochter vroeg met wie hij sprak, zei hij dat hij de engelen vertelde dat hij nog niet klaar was om te gaan. Hij was vastbesloten om in leven te blijven totdat zijn andere dochter was gekomen (Fenwick & Fenwick, 2008, 9, 27).

In een kraamkliniek in Londen was een vrouw (mw. B) aan het bevallen en haar hart begon te falen. Ze zei dat het ‘donker werd’ maar keek toen naar een ander deel van de kamer en zei dat ze een ‘mooie heldere plek’ zag en ook haar vader. Toen haar baby naar haar kamer werd gebracht, vroeg ze: ‘Denk je dat ik moet blijven om voor de baby te zorgen?’ Nadat ze naar haar ‘vader’ had gekeken, zei ze: ‘Ik kan niet blijven.’ Toen haar man in het ziekenhuis aankwam, keek ze naar de andere kant van de kamer en zei: ‘Daar is Vida!’ Vida was haar jongere zus, die twee weken eerder was gestorven, maar men had haar dit niet verteld om haar niet van streek te maken. Mw. B stierf kort daarop (Wilson, 1987, 140-1).

Het is duidelijk dat deze visionaire ervaringen niet geheel objectief zijn. We hoeven dus niet te geloven dat engelen of yamdoots of dode familieleden (of zelfs levende familieleden!) ons echt komen ophalen als we sterven. De ervaringen bereiden ons voor op de dood, en worden deels gekleurd door onze overtuigingen en verwachtingen.

Professionele verzorgers en familieleden van de stervenden zien vaak een vorm of gedaante die het lichaam op het moment van overlijden verlaat, meestal uit de mond, borst of door het hoofd, of soms door de voeten. Ze wordt afwisselend beschreven als rook, een grijze of witte mist, of een sliertachtige witte vorm. Soms zweeft ze boven het lichaam voordat ze opstijgt en door het plafond verdwijnt. Het komt ook vaak voor dat stervenden beschrijven dat ze een helder licht zien dat gevoelens van liefde en mededogen oproept, en soms zien verzorgers het ook. Niet iedereen die aanwezig is ziet deze dingen, en ze verdwijnen vaak als mensen de kamer binnenkomen of beginnen te praten (Fenwick & Fenwick, 10, 160).

Gottfried de Purucker legt uit dat wanneer we sterven, elke lichaamsopening zijn eigen specifieke deel van het astrale lichaam uitscheidt als een dampwolk; het hogere verstandelijke en spirituele deel vertrekt via de bovenkant van het hoofd (de brahmarandhra, zoals de oude hindoes het noemden), in de buurt van de pijnappelklier. Uit elke opening stromen ook de overeenkomstige pranische levensenergieën, of levenselektriciteit, en de prana’s die door elk atoom en elke molecule van het lichaam worden uitgestoten, veroorzaken op het moment van overlijden een explosie van etherisch licht (Bron van het occultisme, 609-10).

Geestverschijningen van de doden en stervenden

Het komt vaak voor dat mensen zich plotseling bewust worden dat iemand met wie ze een hechte band hebben is gestorven, en dat ze later ontdekken dat dit gevoel zich voordeed op het moment dat de ander stierf. Soms ervaren ze kwellende fysieke symptomen die enkele minuten aanhouden en die lijken te weerspiegelen wat de stervende persoon voelde. Soms zien mensen de stervende of dode persoon, soms wanneer ze klaarwakker zijn, maar meestal in een droom of tijdens de slaperige toestand tussen slapen en waken. De verschijning spreekt zelden, maar degenen die deze zien hebben meestal het gevoel dat ze is gekomen om afscheid te nemen, ook al worden sommige bezoeken als verontrustend of zelfs beangstigend ervaren. Zulke verschijnselen komen met name veel voor tot 12 uur vóór of na het tijdstip van overlijden. Hoewel zulke visitaties vaak worden geïnterpreteerd als een doelbewust bezoek door de ziel van een overleden of stervende persoon, kunnen ze ook een automatisch proces zijn dat wordt veroorzaakt door de laatste gedachten van de persoon wiens verschijning wordt gezien.

Op een nacht in 1991 werd Tina Myer, die in Australië woonde, plotseling wakker en zag het gezicht, in het wit, van haar broer, die toen in Londen was, haar snel naderen vanaf het voeteneind van het bed. Ze was ervan overtuigd dat het geen droom of verbeelding was. Ze hoorde vervolgens dat haar broer die nacht was overleden aan een bronchiale longontsteking. Ze merkt op: ‘Ik kan alleen maar aannemen dat hij, terwijl hij wegzakte, aan mij aan het denken was en dat zijn ziel daardoor ogenblikkelijk bij mij was’ (Fenwick & Fenwick, 2008, 65).

In een geval uit Petrograd, Rusland, zaten vijf kinderen en drie volwassenen in een woonkamer toen de hond luid begon te blaffen en naar de kachel keek. Alle aanwezigen zagen een jongen van ongeveer vijf jaar oud, die ze herkenden als de zoon van de melkboer. Ze hoorden later dat de jongen was overleden op het moment dat ze zijn geestverschijning zagen (Grosso, 2004, 28-9).

Een vrouw bleef na de dood van haar vader dromen dat hij levend was begraven. Vervolgens had ze een heel andere droom, waarin haar vader levend en gezond verscheen en haar vertelde dat het goed met hem ging, dat hij gelukkig was en bij zijn oom verbleef. Daarna had ze geen slechte dromen meer. Haar zus vertelde haar later dat ze precies dezelfde droom had gehad, mogelijk in dezelfde nacht (Fenwick & Fenwick, 124-5). Deze gedeelde ervaring zou volledig door het denkvermogen van de twee zussen kunnen zijn voortgebracht. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat we na de dood bij onze overleden familieleden logeren tot er in een hemelse woonwijk een geschikt huis voor ons kan worden gevonden!

Een Roemeense man zag een geestverschijning van zijn neef twee maanden nadat deze was overleden. Op de vraag wat hij wilde, antwoordde de verschijning: ‘Leg me er goed in; de doodkist is smal; de kist is kort.’ Een jaar later ontmoette de man de vrouw die voor zijn zieke neef had gezorgd, die onthulde dat de kist zo smal en kort was dat toen de dode neef erin werd gelegd de botten kraakten (Grosso, 1999, 15). In dit geval kan de behandeling van het lijk zijn geregistreerd in de astrale ziel van de overledene, en de hechte band tussen de oom en zijn neef kan ervoor gezorgd hebben dat hij deze informatie kon oppikken. Bezorgdheid over hun eigen stoffelijk overschot is heel gebruikelijk in overleveringen over geesten, en veel verhalen vertellen over schimmen die zich druk maken om onregelmatigheden rond hun begrafenis.

Vreemde gebeurtenissen

Vreemde fysieke gebeurtenissen die soms in verband staan met de dood, zijn onder meer het stoppen van klokken, foto’s die van de muur vallen, soms met de afbeelding naar beneden, telefoons die onverklaarbaar rinkelen, lichten die aan en uit gaan, onverklaarbare voetstappen, en klopgeluiden.

Jennie Stiles vertelde dat ze, nadat haar tante plotseling onder tragische omstandigheden was gestorven, naar het appartement van de tante in Londen ging en ontdekte dat elke klok op het moment van haar dood was gestopt. Peter Turnbull beschreef hoe een kleine batterijklok van zijn vader stopte op het moment van de dood van zijn vaders tweelingbroer. Ze werd opnieuw opgestart zonder de batterijen te vervangen, liep daarna perfect totdat zijn vader dement begon te worden, en begon toen te versnellen; tegen het einde van het leven van zijn vader liep ze ongeveer twee keer zo snel als normaal. Ze stopte op een ochtend om 4.37, 8 minuten voor het officiële tijdstip van overlijden van zijn vader (Fenwick & Fenwick, 2008, 134-7).

Lucie Green en haar oom zaten naast het ziekenhuisbed waarin haar vader in een coma lag. Plots werd het tv-beeld zwart, het geluid verdween en een verpleegster rende de kamer binnen en vroeg waarom ze op de alarmbel hadden gedrukt. Op dat moment stierf Lucie’s vader. Niemand had op de alarmbel gedrukt, maar ze rinkelde in het kantoor van de verpleegster. Kort daarna deed de tv het weer gewoon. De verpleegster zei dat het alarm vaak afging als iemand stierf (Fenwick & Fenwick, 132). John Farr werd gewekt door de telefoon toen zijn vader stierf; hij hoorde geen stem, alleen muziek – zijn vader was musicus geweest (53).

Andere verschijningen en spookverschijnselen

Studies in de VS en het VK tonen aan dat tussen 10 en 17% van de bevolking een verschijning heeft gezien (Talbot, 1991, 203). Soms wordt een ‘geest’, ‘spook’ of ‘fantoom’ slechts één keer gezien, gehoord of geroken, en soms zien verschillende mensen op verschillende tijden dezelfde verschijning rondspoken, die vaak steeds hetzelfde gedrag vertoont. Sommige verschijningen worden tegelijkertijd door meerdere mensen gezien. Spookverschijnselen doen zich meestal voor op locaties waar een of andere vreselijke gewelddaad of een andere zeer hevige emotionele gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Verschijningen lijken soms eerder te zweven dan te lopen, en worden soms beschreven als fysiek onvolledig, zonder gezicht of onderste ledematen. Verschijningen zoeken zelden interactie met de waarnemers en meestal lijken ze hun aanwezigheid zelfs niet op te merken. Ze zijn vaak volledig in zichzelf gekeerd, en slechts zelden lijken ze doelbewust te handelen en volledig zelfbewust te zijn (zie Visitors from the twilight zone, hfst. 3).

De ‘Brown Lady’ in Raynham Hall in Engeland

De ‘Brown Lady’ in Raynham Hall in Engeland. In 1936 zag een fotograaf van het tijdschrift Country Life deze geest en maakte een foto, enkele seconden voordat het verdween. Toen deze foto werd ontwikkeld, was daarop een vage figuur te zien die zwevend de trap afkwam. (paranormal.about.com)

Een verschijning kan veel dingen zijn. Ze kan zuiver in de verbeelding worden gezien (d.w.z. een ‘hallucinatie’), en worden voortgebracht door het eigen onderbewustzijn van de getuige, mogelijk beïnvloed door de aanwezigheid van astrale wezens of door een helderziend bewustzijn van gebeurtenissen die zich ooit op de desbetreffende plek hebben voorgedaan, of door telepathisch contact met een levende of een pas overleden persoon. Een verschijning kan ook een astrale entiteit zijn die helderziend wordt gezien of, wanneer ze voldoende is gematerialiseerd, met de fysieke ogen worden gezien – sommige zien er halfdoorzichtig uit, terwijl andere er stevig uitzien en stevig aanvoelen. De astrale entiteit kan een astraal lichaam of kamarupa van een overleden persoon zijn (in zeldzame gevallen nog steeds verbonden met de hogere menselijke ziel), een elementaal die beelden in het astrale licht nabootst, of de mayavirupa (‘illusoir lichaam’ of gedachtelichaam) van een levend persoon. Alleen een gevorderd occultist zou in een specifiek geval kunnen zeggen wat de echte verklaring is. Enkele voorbeelden van verschijningen worden hieronder gegeven.

Mw. K was een poesje op haar schoot aan het aaien toen het plotseling onrustig werd, opstond, spuugde en zijn rug kromde van angst. In een stoel naast haar zag mw. K een oude vrouw met een gerimpeld gezicht die haar boos aanstaarde. Het poesje werd wild en sprong als een gek tegen de deur. Mw. K was doodsbang en riep om hulp. Het fantoom bleef vijf minuten zichtbaar, maar tegen de tijd dat haar moeder arriveerde, was het verdwenen. Later werd ontdekt dat een oude vrouw zich in diezelfde kamer had opgehangen (Grosso, 2004, 29).

Nadat de familie Morton in 1882 naar een nieuwe woning was verhuisd, werd het spook van een lange, in het zwart geklede dame zeven jaar lang waargenomen door familieleden, de kok, tuinman, werkster, dienstmeid en vrienden. Rose Morton, een student geneeskunde, probeerde ertegen te spreken, maar zonder succes; de dame leek altijd op het punt te staan om te spreken, maar deed dat nooit. Rose probeerde haar aan te raken, maar ze glipte weg, en ze probeerde haar te fotograferen, maar dat lukte niet. Ze zag ook dat het spook door touwtjes heen liep die ze aan de trap had vastgemaakt. Een normaal rustige hond (een retriever) kromp ineen van angst bij het zien ervan. Het spook verscheen echter nooit wanneer leden van het huishouden dat wilden. De vrouw kwam overeen met beschrijvingen van een persoon die ooit in het huis had gewoond (Grosso, 2004, 56-8).

Een verkoper die druk bezig was met het noteren van bestellingen zag plotseling een verschijning van zijn zus, die al negen jaar dood was. Ze keek hem recht aan op zo’n natuurlijke manier dat hij vol vreugde naar voren sprong, maar het spook verdween. Het fantoom had een rode kras op haar rechterwang. De man hoorde later van zijn moeder dat ze per ongeluk het gezicht van haar dochter had bekrast toen ze het lichaam gereedmaakte voor de begrafenis, maar de kras met poeder had verborgen en dit geheim had gehouden. Een paar weken later stierf zijn moeder, in de gelukkige overtuiging dat ze weer bij haar dochter zou zijn in een betere wereld (Grosso, 2004, 50).

In juni 1925 zag James Chaffin uit North Carolina een verschijning van zijn vader bij zijn bed staan. Hij droeg een oude zwarte overjas, en zei tegen hem: ‘Je vindt het testament in mijn jaszak.’ James wist op dat moment niet zeker of hij wakker was of nog dutte. De vader, James L. Chaffin, was vier jaar eerder overleden, en had zijn boerderij aan zijn derde zoon, Marshall, nagelaten, en niets aan zijn vrouw en drie andere zonen. James vond de overjas en ontdekte een papierrolletje genaaid in de voering van de binnenzak. Daarin stond: ‘Lees hoofdstuk 27 van Genesis in de oude Bijbel van mijn vader.’ James nam een buurman mee als getuige en vond de oude Bijbel in het huis van zijn moeder. In hoofdstuk 27 van Genesis lag een ander, later testament waarin de bezittingen gelijkelijk over zijn vier zonen werden verdeeld, en waarin aan hen werd opgedragen om voor hun moeder te zorgen. Marshall was inmiddels gestorven; zijn vrouw en zoon waren van plan het nieuwe testament te betwisten, maar gaven hun verzet op toen 10 getuigen verklaarden dat het in het handschrift van de vader was geschreven. Hoofdstuk 27 van Genesis bevat het verhaal over hoe Jakob zijn blinde vader Isaak misleidde om de erfenis van zijn broer Esau aan hem toe te kennen. Het is interessant dat de verschijning zich vergiste door te zeggen dat het testament zelf in zijn zwarte overjas zat. Nadat het nieuwe testament was gevonden, zag James Chaffin een andere verschijning van zijn vader; deze keer was hij opgewonden, en vroeg: ‘Waar is mijn oude testament?’ Dit wijst erop dat het geheugen van de overledene aan het vervagen was (Fontana, 2005, 52-3; Inglis, 1984, 212-14).

Poltergeist-verschijnselen – ook wel terugkerende spontane psychokinese genoemd – omvatten allerlei onverklaarbare daden van vandalisme, zoals het gooien met servies en andere voorwerpen of het omverwerpen van meubels. De ongebruikelijke banen en de langzame of golvende vluchten van voorwerpen tarten de wetten van de fysica en ook de kunsten van goochelaars (Broughton, 1991, 228-30). Soms worden de verstoringen in verband gebracht met de aanwezigheid van een psychisch gestrest individu, vaak een puber, maar waarschijnlijk werkt die persoon slechts als een kanaal voor elementale en kamarupische entiteiten met een verlangen om kattenkwaad uit te halen. Poltergeist-uitbraken duren zelden langer dan een paar maanden en daarbij raakt maar zelden iemand gewond.

5. Buitenlichamelijke en bijna-doodervaringen

BLE’s

Tijdens een buitenlichamelijke ervaring (BLE) hebben mensen een sterk gevoel dat hun denkvermogen zich van hun lichaam heeft gescheiden; ze zweven vaak boven hun lichaam en kunnen naar andere plaatsen vliegen. Ze vertellen soms dat ze door muren en andere obstakels kunnen kijken, en er zelfs doorheen kunnen gaan. Hun pogingen om de aandacht van mensen te trekken mislukken, hoewel dieren zich soms bewust van hen lijken te zijn. BLE’ers komen soms terug met informatie die erop wijst dat ze inderdaad hun lichaam hebben verlaten. In enkele gevallen melden mensen die zich op een plek bevonden die de BLE’er had ‘bezocht’ dat ze een verschijning van hem of haar hadden gezien of daar toen een soort ‘aanwezigheid’ hadden gevoeld.

BLE’s zijn meestal spontaan en komen vooral voor tijdens slaap, meditatie, ziekte en tijdens een trauma, zoals een grote operatie (onder narcose) of ernstige ongevallen. Een BLE kan eindigen met het gevoel plotseling naar zijn of haar lichaam terug te keren, door daarin terug te ‘schieten’ of daarin ‘getrokken’ of ‘gezogen’ te worden, vaak omdat de BLE’er bang wordt dat hij of zij daarin niet zal kunnen terugkeren. Veel BLE’s vervagen tot een droomtoestand of eindigen wanneer de BLE’er plotseling wakker wordt. Onderzoeken geven aan dat tussen 10 en 25% van de bevolking op enig moment in hun leven een buitenlichamelijke ervaring heeft gehad.

Veel BLE’ers hebben het gevoel dat ze een ‘lichaamloos bewustzijn’ zijn. Anderen ontdekken dat ze zich in een fantoomlichaam bevinden dat een exacte replica van hun fysieke lichaam is. Enkelen van hen kunnen opstaan en weglopen, maar het komt vaker voor dat het secundaire lichaam door de lucht zweeft. Sommigen zien een astraal koord dat hen met hun fysieke lichaam verbindt, maar anderen niet. Sommigen omschrijven het fantoomdubbel als gekleed, terwijl anderen zeggen dat het naakt is, maar dat het onmiddellijk kleren aanheeft als er een gevoel van schaamte ontstaat. Mensen die in hun fysieke leven rolstoelgebonden zijn, bevinden zich dan in een gezond lichaam zonder handicap. Geamputeerden hebben steevast hun ledematen terug. Negen van de tien BLE’ers die blind waren, verklaarden dat ze tijdens hun ervaring normaal konden zien.

buitenlichamelijke ervaring

De uitdrukking ‘buitenlichamelijke ervaring’ werd in 1943 ingevoerd als een neutraal alternatief voor ‘astrale projectie’ en ‘astrale reizen’, die impliceren dat iets zich losmaakt van het lichaam. Theosofisch gezien kan het bewustzijn van een persoon tijdens een BLE inderdaad verschuiven naar zijn astrale modellichaam (dat niet ver van zijn fysieke lichaam kan reizen) of naar een gedachtelichaam of een illusoir lichaam (mayavirupa) dat naar verafgelegen plaatsen kan reizen. Maar er is geen reden om aan te nemen dat elke gemelde BLE echte astrale projectie inhoudt. Misschien ziet iemand helderziend verafgelegen plaatsen of verkrijgt telepathisch informatie daarover. In sommige gevallen is de ervaring misschien niet meer dan een lucide droom, een fantasie of een hallucinatie. Maar veel BLE’ers zijn ervan overtuigd dat ze niet dromen, en vertellen dat ze zich alerter en levendiger voelen dan tijdens het normale waakbewustzijn.

Er is bij ‘astrale reizen’ volop ruimte voor zelfbedrog. Een bekend 19de-eeuws trance-medium dat zichzelf Hélène Smith noemde, geloofde bijvoorbeeld dat ze regelmatig astraal naar Mars reisde. Ze beschreef de inwoners ervan als identiek aan de aardbewoners, behalve dat beide geslachten een uniform droegen; ze gebruikten wagens zonder paarden en hadden huizen met dakfonteinen (Inglis, 1992, 377). Aan het einde van de 19de eeuw ‘bezochten’ Annie Horniman en Frederick Leigh Gardner, verbonden aan de occulte groep die bekendstaat als de Golden Dawn, vele planeten en spraken ze met de inwoners. Ze landden eens op een bergtop op Saturnus en ontmoetten een lange, waardige, gevleugelde man deels in wapenrusting, die hen vertelde over de geavanceerde beschaving van die planeet (Owen, 2004, 158-60).

Getrainde adepten kunnen hun mayavirupa’s naar verre plaatsen projecteren. Ook andere personen beweren dat ze een BLE kunnen teweegbrengen wanneer ze maar willen, hoewel dit moeilijk te verifiëren is. Ingo Swann werd bijvoorbeeld uitgebreid getest door zowel de American Society for Psychical Research als door SRI International. In een van de experimenten kon hij met succes voorwerpen identificeren die zo hoog boven de grond op een stellage waren geplaatst dat ze alleen vanaf het plafond konden worden gezien. Hij kon zich ook naar verafgelegen plekken ‘projecteren’, waarvan hij alleen de geografische coördinaten had gekregen, en nauwkeurige informatie geven over wat hij had gezien (Fontana, 2004, 414).

Ook de Amerikaanse zakenman Robert Monroe scheen BLE’s te kunnen teweegbrengen. Bij één gelegenheid bezocht hij een vriendin op vakantie, in een verafgelegen landhuis. Hij trof haar aan pratend met een vriend, maar kon haar aandacht niet trekken, dus probeerde hij haar een speelse kneep te geven. Ze schrok op alsof ze iets had gevoeld. Toen ze thuiskwam, vroeg hij haar of ze zich herinnerde iets te hebben gevoeld, en ze liet hem een kleine blauwe plek zien waar hij haar had geknepen (Inglis, 1985, 57).

In 1881 besloot een student genaamd S.H. Beard zich over een afstand van 5 km naar het huis van zijn verloofde, L.S. Verity, te projecteren. Hij deed de poging nadat hij op een zondagavond naar bed was gegaan. De volgende donderdag ging hij haar opzoeken, en ze vertelde hem dat ze doodsbang was toen ze hem afgelopen zondag naast haar bed zag staan. Toen de verschijning naar haar toe kwam, schreeuwde ze en maakte haar 11-jarige zus wakker, die deze ook zag (Wilson, 1987, 155-6).

Op 13 oktober 1863 droomde S.M. Wilmot, die op een stoomboot van Liverpool naar New York onderweg was, dat zijn vrouw in haar nachthemd naar zijn kamer kwam. Na een poosje bij de deur te aarzelen en naar de andere man in de kamer te hebben gekeken, ging ze naar haar man, boog zich voorover en kuste hem. De volgende ochtend zei de andere man dat hij ’s nachts een dame Wilmot had zien bezoeken – hij had precies gezien wat Wilmot had gedroomd. Bij zijn aankomst in New York vroeg mw. Wilmot haar man of hij in die nacht waarin ze niet had kunnen slapen vanwege berichten over stormen op de Atlantische Oceaan, bezoek van haar had ontvangen. Ze zei dat ze een andere man in de kamer had gezien, waardoor ze aarzelde voordat ze naar het bed van haar man ging en hem kuste (Grosso, 2004, 16-7).

Tijdens een bijna-doodervaring verliet een vrouw haar lichaam en ging naar de lobby van het ziekenhuis waar ze haar zwager hoorde vertellen aan een vriend dat het erop leek dat hij een zakenreis zou moeten annuleren om in plaats daarvan een van de baardragers van zijn schoonzuster te worden. Na haar herstel vermaande de vrouw haar verbaasde zwager omdat hij haar zo snel had afgeschreven (Talbot, 1991, 241).

Charles Tart onderzocht een mw. Z, die beweerde meerdere keren per week BLE’s te hebben tijdens de slaap. Op een nacht had ze een vliegdroom waarin ze scheen te praten met haar zus, die later vertelde dat ze op hetzelfde moment over Z had gedroomd. De volgende nacht zweefde Z tijdens de slaap uit haar lichaam en las correct een vijfcijferig getal dat op een plank 1,65 m boven haar hoofd was geplaatst. Een EEG liet zien dat haar hersengolfpatroon niet overeenkwam met waken of slapen. Het vertoonde lagere alfa-ritmes, die worden geassocieerd met sensorische isolatie en Zen-toestanden die in Japanse laboratoria zijn onderzocht. Ook de afwezigheid van snelle oogbewegingen (REM) geeft aan dat ze niet aan het dromen was (Grosso, 2004, 18-20).

In 1980 voerde de American Society for Psychical Research BLE-experimenten uit met een Libanese man genaamd Alex Tanous. Hij moest zichzelf naar een specifieke locatie projecteren waar een apparaat stond dat willekeurig geselecteerde visuele doelen (beelden) weergaf. Een rekstrook-sensor werd ernaast geïnstalleerd om de minste beweging of trilling te detecteren. In een reeks van 197 proeven gedurende 20 sessies slaagde hij erin om het beeld 58% van de tijd goed te raden. Bovendien had de sensor op het moment dat hij de beelden correct had geraden, beweging geregistreerd (Grosso, 2004, 20-1). Resultaten zoals deze zouden ook kunnen worden verklaard door helderziendheid en psychokinese, zonder enige astrale projectie.

Verschillende mogelijke fysiologische verklaringen zijn aangereikt voor buitenlichamelijke ervaringen. BLE-achtige ervaringen zijn teweeggebracht door elektrische stimulatie van delen van de hersenen en door camera’s te gebruiken om het denkvermogen voor de gek te houden zodat men denkt dat het lichaam ergens is waar het niet is. Het feit dat sommige BLE’s optreden tijdens bijna-doodervaringen van patiënten met een hartstilstand, wanneer de persoon hersendood is, vormt voor alle materialistische theorieën echter een groot probleem.

Een vrouw genaamd Maria, die tijdens een operatie in een ziekenhuis in Seattle een hartstilstand kreeg, verliet haar lichaam en bevond zich buiten het gebouw waar ze een tennisschoen buiten in een raamkozijn op de derde verdieping zag staan. De schoen, die vanaf de grond niet zichtbaar was, werd later opgehaald, en de details die Maria over de positie en het uiterlijk ervan gaf, werden geverifieerd. Maria beschreef enige slijtage aan de teen van de schoen die alleen zichtbaar was vanuit een positie buiten het raam en niet van binnenuit het ziekenhuis (Fontana, 2004, 388).

Michael Sabom ontdekte dat 26 van de 32 patiënten die een BLE hadden gehad tijdens een hartstilstand en die zagen hoe ze werden gereanimeerd, geen fouten maakten in hun beschrijvingen van de procedure, terwijl 20 van de 25 controlepatiënten met een medische achtergrond die nog nooit een BLE hadden gehad ten minste één grote fout maakten in hun beschrijvingen van wat zij dachten dat er gebeurde; drie gaven nauwkeurige maar beperkte beschrijvingen en twee bleken helemaal geen kennis van reanimatieprocedures te hebben. Enkele BLE-patiënten gaven beschrijvingen van mensen, voorwerpen en gebeurtenissen buiten het gezichtsveld van hun lichaam (Grosso, 2004, 44-5).

Tijdens een operatie om een gezwollen bloedvat te verwijderen, werden de hersenen van Pamela Reynolds tot een biologische stilstand gebracht zodat ze officieel hersendood was. Toch was haar denkvermogen helderder dan ooit. Ze meldde dat ze haar lichaam had verlaten, door een tunnel was gegaan, een fel licht had gezien, en een verschijning van haar overleden grootmoeder had ontmoet. Tijdens de operatie waren haar ogen dichtgeplakt en kleine luidsprekers in haar oren gestoken zodat ze niets kon horen. Niettemin hoorde ze een van de chirurgen zeggen dat er een probleem was met de pomp en haar kleine bloedvaten, en ze hoorde ook een vreemd zoemend geluid en zag dat iemand van de medische staf aan haar hoofd werkte met een instrument dat leek op een elektrische tandenborstel. Deze waarnemingen waren nauwkeurig (Grosso, 2004, 45-7).

Kolonel Henry S. Olcott, een van de oprichters van de Theosophical Society, vertelt hoe hij op een avond in 1876, na met H.P. Blavatsky aan een hoofdstuk van Isis ontsluierd te hebben gewerkt, naar zijn appartement terugkeerde, maar wenste dat hij aan de laatste zin nog drie woorden had toegevoegd. Hij besloot te proberen in zijn astrale dubbel de trap af te gaan door zich daarop te focussen terwijl hij in slaap viel. De volgende ochtend, toen hij Blavatsky op weg naar zijn werk bezocht, vertelde ze hem dat ze gisteravond had gezien dat zijn astrale lichaam door de muur en naar het kantoor ging, en ze hem toen met de papieren had horen rommelen. Toen ze dit controleerden, ontdekten ze dat Olcott twee van de drie beoogde woorden had geschreven en het begin van het derde, dat eindigde in een krabbel (Old Diary Leaves, 1:385-6).

Olcott beschrijft ook een astraal bezoek van Blavatsky’s Indo-Tibetaanse leraar, Morya (M), die plotseling in zijn kamer in New York verscheen, minstens 1,95 m lang was, en witte oosterse kleding en een tulband droeg. Hij zat op een stoel tegenover Olcott en ze spraken ongeveer een half uur. Olcott wenste dat hij een tastbaar object had om te bewijzen dat M er echt was geweest, en M, die zijn gedachte las, liet voor hem zijn tulband achter en verdween (Old Diary Leaves, 1:377-81). Later, in India, ontmoette Olcott M in zijn fysieke vorm en zag hem ook vele keren in zijn astrale vorm (blavatskyarchives.com).

Bij een andere gelegenheid werd een leerling van mahatma KH, Damodar K. Mavalankar, die toen in Bombay was, geholpen om zijn mayavirupa te projecteren. Hij kwam terecht in Kashmir aan de voet van de Himalaya, nabij het huis van KH. Ze liepen vervolgens door een ondergrondse gang naar een open vlakte waar een groot gebouw stond dat voor inwijdingsceremonieën werd gebruikt. Terug in zijn lichaam vroeg Damodar zich af of de ervaring een droom was geweest, maar op dat moment viel een briefje van KH uit de lucht om te bevestigen dat het echt was gebeurd (Damodar, 60-2). Damodar was al snel in staat om zelf zijn mayavirupa te projecteren, hoewel hij het niet volledig kon materialiseren. Een door getuigen bevestigd verslag van een van zijn astrale reizen werd gepubliceerd in het decembernummer van The Theosophist van 1883 (Damodar, 355-8; zie ook 344-9, 482-3).

De ‘Brown Lady’ in Raynham Hall in Engeland

Op deze foto, gemaakt op een theosofische conventie in Bombay in 1882, zit H.S. Olcott links van H.P. Blavatsky, en Damodar zit rechts van haar op de grond.

De 19de-eeuwse katholieke schrijver R.G. des Mousseaux citeert een zaak uit de gerechtelijke archieven van Engeland. Het betrof Jane Brooks, die een kind genaamd Richard Jones achtervolgde door hem in haar astrale vorm te bezoeken. Bij één gelegenheid schreeuwde het kind dat Jane’s fantoomdubbel aanwezig was en raakte het met zijn vinger aan. Een getuige genaamd Gilson hakte met een mes erop in, hoewel hij het niet kon zien. Met de vader van het kind en een politieagent bezocht hij vervolgens het huis van de vrouw; ze zat op een kruk en probeerde haar bebloede hand te verbergen die de verwonding vertoonde die Gilson – volgens het kind – aan de hand van het fantoom had toegebracht. Dit is een geval van ‘terugslag’, waarbij een klap, steek of ander letsel dat wordt toegebracht aan het geprojecteerde astrale dubbel, terugslaat op het fysieke lichaam (Old Diary Leaves, 1:388-9).

BDE’s

Een bijna-doodervaring (BDE) begint vaak met een buitenlichamelijke ervaring, waarbij mensen ervaren dat ze naar hun eigen lichaam kijken. Een ander terugkerend kenmerk is een gevoel van snel bewegen van een gebied van duisternis naar een stralend licht te reizen, soms door een tunnel of nauwe doorgang. BDE’ers ontmoeten dan vaak ‘wezens van licht’ of religieuze figuren die bij hun eigen geloof horen, en communiceren met hen (soms telepathisch). Ze kunnen ook gestorven familieleden en vrienden ontmoeten, die soms aan de andere kant van een grens worden gezien, in een prachtige tuin of een natuurlijk landschap. Soms wenken de familieleden hen om hun rijk binnen te gaan of laten hen weten dat hun tijd nog niet is gekomen. Sommige mensen krijgen een levensoverzicht, waarin ze hun vroegere daden beoordelen. Op een bepaald moment kiezen BDE’ers ervoor om terug te keren naar het leven, vaak uit liefde voor hun familie, of ze worden tegen hun wil teruggestuurd, en schieten terug in hun lichaam. Daarna zijn ze vaak opgetogen over hun ervaring, maar soms zijn ze gedeprimeerd omdat ze weer in de gewone wereld moeten leven.

Voor de meeste mensen is een BDE een heel levendige, diepgaande en onvergetelijke ervaring. BDE’ers hebben meestal een verhoogde staat van bewustzijn, voelen geen pijn, en zijn vervuld van vrede, vreugde en mededogen. Zelfs als ze geen specifiek religieus geloof hebben, keren de meesten terug in de overtuiging dat de dood niet het einde is. Bijna iedereen zegt dat ze hun angst voor de dood hebben verloren, hun leven meer waarderen, en een nieuwe zingeving en spiritueel bewustzijn ervaren. Kinderen hebben meestal heel beperkte BDE’s. Eén jongen bijvoorbeeld had in zijn BDE gewoon een gesprek met zijn broer, en een meisje maakte een praatje met haar moeder. Een 7-jarig meisje bevond zich in een tuin met grote kleurrijke bloemen, en zei dat een onzichtbaar wezen naar haar toe kwam, en ze voelde liefde en volmaakte vrede.

Tussen 1 en 15% van de BDE’s zijn verontrustende en beangstigende ervaringen. Eén vrouw zweefde voorbij de sterren naar een eindeloze leegte waar stemmen haar tergden met de donkere eeuwigheid die zou komen. Een man werd gekweld door ‘demonen’ die, nadat hij zich had opgehangen, ‘als merels kwetterden’ over zijn bungelende lichaam.

Tijdens bijna-doodervaringen wordt heel vaak een levensoverzicht gezien, hoewel het stadium waarin dat gebeurt varieert. Daarin ziet een persoon een groot deel van zijn of haar levensgeschiedenis in chronologische volgorde en tot in detail snel voorbijkomen. Zelfs als het overzicht plaatsvindt in het bijzijn van niet-aardse wezens, hebben BDE’ers het gevoel dat ze zichzelf beoordelen, objectief en in alle eerlijkheid.

Volgens de theosofie gebeurt er iets soortgelijks bij de echte dood. Iedereen ziet zijn hele leven tot in de kleinste details aan zich voorbijtrekken. Het persoonlijke zelf wordt kort één met het spirituele zelf, en we zien de hele aaneenschakeling van oorzaken die tijdens ons leven hebben gewerkt. We zien onszelf zoals we werkelijk zijn, ‘ongeflatteerd, en vrij van zelfbedrog’, en begrijpen de rechtvaardigheid van alles wat ons is overkomen. Een minder levendig en volledig panoramisch overzicht vindt plaats bij de tweede dood. Ten slotte, wanneer de periode van postmortale rust voorbij is en het tijd is om naar het aardse leven terug te keren, krijgt de reïncarnerende ziel een visioen van het komende leven, en van de oorzaken die ertoe hebben geleid, maar we zien alleen de grote lijnen en zijn vrij om zelf de details in te vullen (Sleutel tot de theosofie, 150; Mahatma brieven, 184-5; Bron van het occultisme, 613-9).

Hoewel BDE’s verschillende belangrijke elementen gemeen hebben, zijn geen twee ervaringen precies identiek; ze lijken deels te worden beïnvloed door onze vooroordelen en verwachtingen, en er zijn ook diepgaande culturele verschillen. Tijdens een BDE lopen sommige mensen naar een hemelse stad, sommigen bevinden zich in een bloemrijke weide, anderen voelen zich aangetrokken tot een hemelse toegangspoort of een draaikolk van licht. BDE’ers in westerse culturen komen vaak in het hiernamaals via een tunnel, terwijl ze in andere culturen over een weg lopen of het water oversteken.

In december 1943 lag dr. George Ritchie in een ziekenhuis in Texas met een luchtweginfectie. Hij begon bloed te spuwen en verloor het bewustzijn; toen hij wakker werd, zag hij zijn lichaam op het bed liggen. Op de gang buiten zijn kamer liep een verzorger dwars door hem heen, en een man die hij op de schouder tikte negeerde hem. Hij probeerde terug in zijn lichaam te komen, maar zonder succes. Toen werd de kamer ‘helderder dan duizend booglampen’ en ‘Jezus’ verscheen. Na een rondleiding door een grote stad waarin hem de gevolgen van zonde werden getoond, werd hij wakker in zijn lichaam, ervan overtuigd dat hij was gestorven. Hij hield vol dat de ervaring heel anders dan een droom was (Wilson, 1987, 241-2).

In 1984 verloor een 43-jarige vrouw veel bloed na een bevalling en raakte een half uur later bewusteloos. Ze verliet haar lichaam via de kruin van haar hoofd en zweefde dicht bij het plafond terwijl ze het medische personeel observeerde dat haar weer probeerde bij te brengen. Ze voelde geen pijn en was opgelucht dat ze vrij was van haar lichaam. Ze voelde compassie voor haar man en dochter, maar had geen spijt dat ze hen had verlaten. Ze werd vervolgens via een lange donkere gang naar een helder wit licht getrokken, waar ze herenigd werd met bekende maar ondefinieerbare entiteiten, en volledige vrede ervoer. Op de vraag of ze gereed was, zei ze: alleen als haar man voor haar kind zou kunnen zorgen. Op dat moment en met een afschuwelijke plof keerde ze via het hoofd terug in haar lichaam (Ring, 1992, 89-90).

Middeleeuwse illustratie van de hel

Opstijging naar de hemel door Jheronimus Bosch (1500-04). (en.wikipedia.org)

Op een nacht in 1945, toen de 12-jarige Wayne Thornton een ernstige longontsteking had, ervoer hij dat hij naar een lichtpunt toe reisde, dat snel groter werd. Met een gevoel van absolute vrede ging hij het licht binnen. Toen hij weer daaruit kwam bevond hij zich naast een beek, niet ver van zijn huis. Hij stapte naar de overkant en de beek begon zich onmiddellijk te verbreden tot ze een mijl breed leek en hij op een soort vlakte stond. Hij zag een man met een lang gewaad en een lange herdersstaf met bovenaan een haak, en realiseerde zich dat het een van zijn grootvaders was die vóór zijn geboorte was gestorven. De man vertelde hem dat zijn tijd nog niet was gekomen, en dat hij nog werk te doen had (Ring, 1992, 100-1).

In tegenstelling tot westerse gevallen zien BDE’ers in India normaal gesproken geen tunnels of lichten. Meestal zien ze ook niet hun fysieke lichaam nadat ze ervan zijn gescheiden, maar ze vermelden soms dat er na de BDE sporen te zien zijn op het fysieke lichaam – iets wat in het Westen niet vaak voorkomt. Indiase BDE’ers vertellen meestal dat ze door boodschappers worden meegenomen naar een spirituele arbiter (Chitragupta), die vaststelt dat hun dood een vergissing was en dat ze naar het leven moeten terugkeren. Amerikaanse BDE’ers vertellen vrijwel nooit dat ze naar het leven terugkeren omdat er een fout is gemaakt.

Ongeveer 1 op de 3 personen die een bijna-dood-gebeurtenis overleven, vertelt later dat hij of zij een BDE heeft gehad. Kenneth Ring stelde vast dat mensen die BDE’s hebben meegemaakt, evenals mensen die UFO-ontmoetingen hebben meegemaakt, meestal gevoeliger zijn voor andere bewustzijnstoestanden en zich kunnen afstemmen op alternatieve werkelijkheden (Ring, 1992, 146-7).

Orthodoxe wetenschappers hebben verschillende neurologische en scheikundige verklaringen voor BDE’s naar voren gebracht, maar geen daarvan is erg overtuigend. Eén theorie is dat BDE’s illusies zijn die worden voortgebracht door de stervende hersenen. Maar als de hersenen sterven, en het denkvermogen identiek is aan de hersenen, zouden ervaringen steeds chaotischer moeten worden, terwijl BDE’ers grotere mentale helderheid ervaren. Soms wordt gezegd dat BDE’s hallucinaties zijn die worden veroorzaakt door medicijnen of zuurstofgebrek. Maar slechts een kleine minderheid van BDE’ers gebruikt medicijnen op het moment van hun ervaringen, en hallucinaties die worden ervaren door patiënten die buiten bewustzijn raken door medicijnen zijn verward en ongeordend en gaan gepaard met angst, terwijl BDE’s levendig en samenhangend zijn en gepaard gaan met diepgaande gevoelens van vreugde en vrede. Bovendien zijn hallucinaties heel individueel, terwijl bijna-doodervaringen bepaalde basiskenmerken gemeen hebben. Hoewel een beperkt aantal aspecten van BDE’s kunnen worden opgewekt door medicijngebruik of elektrische stimulatie van specifieke hersengebieden, komt geen van de gerapporteerde ervaringen overeen met een volledige BDE.

Een andere theorie is dat dalende bloeddruk en bloedzuurstofspiegels of stijgende koolstofdioxidewaarden in het bloed de nervus vagus stimuleren, die hart en longen verbindt met de hersenstam, en dat hierdoor de REM-centra in de hersenstam worden geactiveerd zodat we tegelijkertijd in REM-slaap en gedeeltelijk wakker zijn (Fox, 2006). Maar REM-verstoring veroorzaakt meestal angstaanjagende ervaringen; een voorbeeld hiervan is slaapverlamming, waarbij we wakker worden en merken dat we ons niet kunnen bewegen, en een zware druk op de borst voelen.

Slechts ongeveer 7% van de patiënten met een hartstilstand wordt met succes gereanimeerd, en de meesten van hen lopen hersenschade op. Ongeveer 10 tot 20% van de mensen die herstellen van een hartstilstand vertellen dat ze een BDE hebben gehad. Maar tijdens deze ervaring zijn ze klinisch dood – het hart functioneert niet meer, de ademhaling stopt, en de hersengolven veranderen snel in een vlakke lijn. Als het denkvermogen identiek was aan de hersenen, zoals de mainstream wetenschap nog steeds beweert, zou het onmogelijk zijn om tijdens een hartstilstand een BDE te hebben: ‘De hersenen kunnen dan geen beelden maken, dus zou het onmogelijk moeten zijn om duidelijk gestructureerde en heldere ervaringen te hebben; en omdat het geheugen niet werkt, zouden eventuele ervaringen niet worden onthouden’ (Fenwick & Fenwick, 2008, 207). En als een BDE zou optreden tijdens de geleidelijke terugkeer tot bewustzijn, zou deze verward zijn, en niet samenhangend en helder.

Een studie in Nederland door Pim van Lommel en zijn collega’s met 344 patiënten met een hartstilstand die na de klinische dood werden gereanimeerd, liet zien dat 18% van hen een BDE meldde, ondanks dat ze klinisch dood waren met geen enkele hersenstamactiviteit. Van Lommel concludeert dat bewustzijn niet wordt voortgebracht door neuronale activiteit in de hersenen, maar onafhankelijk daarvan bestaat, en dat onze hersenen werken als een ontvangststation voor informatie die daarbuiten is opgeslagen, ongeveer zoals een radio of televisie. Hij probeert BDE’s te verklaren door zich te beroepen op verschillende irrationele denkbeelden van de mainstream kwantumfysica, zoals het idee dat fysieke deeltjes zich oplossen in ‘waarschijnlijkheidsgolven’ wanneer ze niet worden waargenomen en vervolgens weer tot deeltjes ‘ineenstorten’ bij de volgende waarneming, en het idee dat twee deeltjes die zich ver van elkaar af bevinden informatie absoluut ogenblikkelijk kunnen uitwisselen zonder enige overdracht van energie (ook bekend als niet-lokale verbindingen) (zie The farce of modern physics). Hij voegt hieraan het idee van een ‘niet-lokaal bewustzijn’ toe, dat bestaat in een ‘multidimensionale niet-lokale ruimte’, in een ‘dimensie waarin tijd en afstand geen rol spelen’, waarin informatie wordt opgeslagen in de vorm van ‘waarschijnlijkheidsgolven’, waarvan sommige ‘ineenstorten’ tot deeltjes in onze hersenen om ons individuele waakbewustzijn voort te brengen (Lommel, 2008, 241-58).

De bewering van Van Lommel dat deze denkbeelden een BDE verklaren, kan niet serieus worden genomen: een reeks wiskundige abstracties aan elkaar rijgen verklaart niets. Alleen het occulte model biedt een realistisch kader voor het begrijpen van zulke verschijnselen, omdat het echte, maar niet-fysieke, substanties, energieën, krachten en entiteiten naar voren brengt, in plaats van lege abstracties. Het beweert dat de fysieke wereld door subtielere gebieden van bewustzijn-substantie wordt doordrongen, en dat onze fysieke lichamen door subtielere lichamen/zielen worden bestuurd en in leven gehouden.

De officiële definitie van overlijden is: geen ademhaling, geen hartslag en geen hersenstamreflexen. Theosofisch gezien is een persoon die klinisch dood is niet echt dood totdat het koord van levensenergie dat het fysieke en het astrale lichaam verbindt, breekt (Isis ontsluierd, 1:602-3; Geheime leer, 1:612-3; Bron van het occultisme, 607-9, 637-8). Sommige BLE’ers en BDE’ers vertellen dat ze dit koord hebben gezien. Het Oude Testament zegt dat wanneer de dood plaatsvindt ‘het zilveren koord wordt doorgesneden’ (Prediker 12:6), en dit proces is helderziend waargenomen (Cranston, 2008, 527). De echte dood wordt gewoonlijk gevolgd door een periode van onbewustheid, net als wanneer we in slaap vallen. Dus een BDE is, zelfs tijdens een hartstilstand, niet echt een ‘tijdelijke dood-ervaring’ (TDE). Ze toont echter wel aan dat het denkvermogen onafhankelijk van de hersenen kan functioneren.

Peter en Elizabeth Fenwick zeggen dat zowel visioenen aan het einde van het leven als TDE’s ‘een glimp geven van een transcendent rijk doordrongen van liefde en licht’ (2008, 211). Deze beschrijving komt overeen met de spirituele, akasische rijken waarin ons stralende hoger zelf woont; de lagere astrale, kamalokische rijken zijn daarentegen een zee van wervelende stromingen, een wirwar van gedachten en beelden, met een massa entiteiten die in alle richtingen bewegen of ronddrijven. De meeste BDE’ers lijken voorbij de grenzen van hun hersenbewustzijn te gaan en een meer direct kanaal naar hogere delen van hun wezen te openen. Dit wordt aangetoond door het feit dat alle lichamelijke pijn verdwijnt wanneer een BDE begint; BDE’ers voelen geen paniek, en hebben geen spijt of angst dat ze hun geliefden misschien niet meer zullen zien; ze kunnen hun leven objectief beoordelen; en zijn vervuld van een overweldigend gevoel van liefde en vrede. Bepaalde aspecten van de ervaring weerspiegelen hun overtuigingen en verwachtingen, en een BDE vertelt ons niet veel over wat er zal gebeuren als we echt sterven. De oude wijsheidstraditie zegt dat de ‘dood’, d.w.z. de periode tussen opeenvolgende aardse levens, analoog is aan de slaap: slaap is een onvolmaakte dood, en dood is een volmaakte slaap (Bron van het occultisme, 677-9). Zelfs in devachan zullen we geen gesprekken voeren met overleden vrienden en familieleden, ‘Jezus’ of zelfs ‘God’ – behalve misschien in onze verbeelding.

6. Meervoudige persoonlijkheid en bezetenheid

Meervoudige persoonlijkheidsstoornis (MPS), ook bekend als dissociatieve identiteitsstoornis (DIS), is een aandoening waarbij iemand herhaaldelijk wordt overgenomen door een aantal duidelijk onderscheiden persoonlijkheden (bekend als alter ego’s), en zich later weinig of niets herinnert van de alter ego’s en van wat er gebeurde terwijl zij in controle waren. Het wisselen van de persoonlijkheden (of persoonlijkheidsfragmenten) is onvrijwillig. Alternatieve persoonlijkheden kunnen verschillende geslachten en leeftijden hebben, zich op heel verschillende manieren gedragen en denken, een breed scala aan artistieke, literaire en andere vaardigheden bezitten, een ander handschrift vertonen en met een andere hand schrijven; ze vertonen ook verschillende patronen van hersenactiviteit (EEG’s). Men denkt dat meervoudige persoonlijkheid verband houdt met een ernstig trauma tijdens de vroege kinderjaren, meestal langdurig lichamelijk, emotioneel of seksueel misbruik, en ook met emotionele verwaarlozing als kind en een aangeboren vermogen om bepaalde herinneringen buiten het bewustzijn te plaatsen.

De overgrote meerderheid van de DIS-diagnoses komt uit Noord-Amerika, en sommige werkers in de geestelijke gezondheidszorg betwisten of DIS echt bestaat. Ze beweren dat de symptomen worden veroorzaakt door therapeuten die bepaalde behandelingstechnieken gebruiken (bijvoorbeeld hypnose) bij beïnvloedbare patiënten, en wijzen erop dat sommige patiënten geen seksueel misbruik melden of alter ego’s manifesteren tot de behandeling is begonnen. Maar niet alle gevallen van meervoudige persoonlijkheid kunnen zo gemakkelijk worden weggeredeneerd.

Het gemiddelde aantal persoonlijkheden voor een MPS-patiënt is ongeveer 13. Christine Sizemore (haar leven is verfilmd in The three faces of Eve, 1957) had maar liefst 40 alter ego’s. Ze was allergisch voor nylon, maar zodra een van haar alter ego’s haar overnam, verdween de nylon-uitslag. Ze was bijziend, terwijl haar alter ego perfect kon zien zonder bril. Toen ze een keer onder narcose was, nam het alter ego haar over en werd totaal niet gehinderd door de verdoving (Wilson, 1987, 159).

Gevallen van vermeende bezetenheid door ‘demonen’ en ‘geesten’ werden vroeger als ‘manie’ of ‘hysterie’ gediagnosticeerd, maar tegenwoordig worden ze meestal toegeschreven aan een meervoudige persoonlijkheidsstoornis. Demonische bezetenheid omvat verschillende abnormale en onvrijwillige soorten gedrag en ervaring, waaronder gewiste herinneringen of persoonlijkheden, stuiptrekkingen, flauwvallen, toegang tot verborgen kennis en vreemde talen, drastische veranderingen in stemgeluid en gelaatsuitdrukking, plotseling verschijnen van verwondingen zoals schrammen en bijtsporen, en onnatuurlijke kracht.

Wanneer alter ego’s ondervraagd worden over hun identiteit, beweert 29% ‘demonen’ te zijn. Artsen zien dit als een psychische aandoening, die demonomanie of demonopathie wordt genoemd. Het is opvallend dat gerapporteerde gevallen van bezetenheid vaker vrouwen betreffen dan mannen. De meeste MPS-patiënten zijn ook vrouwen, en soms is de verhouding 5 op 1.

Materialistische wetenschappers hebben geen andere keuze dan te proberen elk psychologisch verschijnsel in hun ‘denkvermogen = hersenen’-kader te persen. Orthodoxe behandelingen voor psychische stoornissen omvatten wijdverbreid medicijngebruik en ook psychotherapie. De overtuiging van de kerk dat er bij bezetenheid ‘boze geesten’ betrokken zijn en dat uitdrijvingsrituelen kunnen helpen om ze uit te bannen, wordt zonder meer verworpen. Vanuit een theosofisch perspectief kunnen aardgebonden kamarupa’s en elementaren betrokken zijn bij sommige gevallen van meervoudige persoonlijkheidsstoornis en bezetenheid, naast verschillende onderbewuste aspecten van iemands eigen meerlagige zelf.

Praktijkgevallen

In september 1824 vermoordde Sörgel, een Duitse epilepticus, een oude houthakker in een bos. Hij hakte het hoofd en de voeten van de man af met zijn bijl, en dronk zijn bloed. Terug in de stad sprak hij openlijk over wat hij had gedaan, en zei dat bloed drinken een middel tegen epilepsie is. Hij stond al bekend als een Jekyll-en-Hyde-persoonlijkheid die na zijn aanvallen criminele neigingen ontwikkelde. Toen hij een week later voor de rechtbank verscheen, was hij al teruggekeerd naar de stille, beleefde Jekyll-persoonlijkheid, zonder de minste herinnering aan de moord. Hij werd niet schuldig bevonden en werd naar een psychiatrische inrichting gestuurd (Wilson, 1987, 147).

In 1873 werd Louis Vivé op 10-jarige leeftijd naar een kindertehuis gestuurd, nadat hij door zijn dronken, gewelddadige moeder was misbruikt. Hij was rustig, timide en gehoorzaam, totdat hij vier jaar later een angstaanjagende ontmoeting had met een adder, die een shocktoestand veroorzaakte. Hij begon vervolgens epileptische aanvallen te krijgen en zijn benen raakten verlamd. Hij werd ter observatie naar een psychiatrische inrichting gestuurd, en werkte de twee maanden erna rustig als kleermaker. Toen kreeg hij een aanval die twee dagen duurde met hevige stuiptrekkingen en extatische gemoedstoestanden. Toen hij wakker werd, was de verlamming verdwenen en was hij een ander mens. Hij was gewelddadig, oneerlijk en ongemanierd, en kon zich niets herinneren van wat er sinds de adderaanval was gebeurd. De vroegere Louis was een geheelonthouder, terwijl de nieuwe niet alleen dronk maar ook de wijn van andere patiënten stal. Nadat hij in de marine had gediend en wegens diefstal enige tijd in de gevangenis had doorgebracht, werd hij naar een psychiatrische inrichting gestuurd. Ondanks dat hij erg stotterde, was hij een non-stop prater en predikte atheïsme en gewelddadige revolutie. Hij leed ook aan een verlamming van de rechterkant van zijn lichaam. Toen zijn artsen uitprobeerden om zijn rechterbovenarm met staal te bestrijken, bracht dit de verlamming direct over naar de linkerkant van zijn lichaam. Onmiddellijk kwam de oude, zachtaardige Louis terug. Hij had geen herinnering aan de persoon die hij na de lange epileptische aanval was geworden (Wilson, 148-9).

In 1898 begon neuroloog Morton Prince met de behandeling van een introverte 23-jarige student, Clara Fowler, tegen hoofdpijn, chronische vermoeidheid en apathie. Nadat hij haar onder hypnose had gebracht, verscheen er een compleet nieuwe persoonlijkheid – een extraverte, ondeugende vrouw, genaamd Sally, die ernstig stotterde. Clara was zich niet bewust van Sally, terwijl Sally Clara graag voor de gek hield, en haar overnam als ze daar zin in had. Sally trok bijvoorbeeld al haar kleren uit en nam in haar kamer de pose van een model aan, en ‘vertrok’ dan wanneer Clara, die zich enorm schaamde, ‘terugkeerde’. Ze sprak ook af met vriendjes die Clara niet langer wilde zien. Een keer leende Sally Clara’s lichaam wekenlang en ging naar een andere stad; ze kreeg een baan als serveerster maar gaf die uiteindelijk op, waarna Clara zelf moest zien thuis te komen. Tijdens hypnotherapie verscheen nog een ander alter ego: een kinderlijke, knorrige persoonlijkheid, die ook vaak het slachtoffer van Sally’s grappen werd. Prince slaagde er uiteindelijk in de verschillende persoonlijkheden opnieuw te integreren (Wilson, 149-50; Aldridge-Morris, 1989, 4-5).

In 1972 kreeg de Californische psychotherapeut Ralph Allison te maken met een geval van meervoudige persoonlijkheid. In haar tienerjaren was Carrie het slachtoffer van groepsverkrachting geweest, en daarna kreeg ze black-outs waarin een andere persoonlijkheid haar overnam. Ze was ook betrokken geweest bij amateurhekserij, en als therapeutisch middel probeerde Allison exorcisme onder hypnose, en dat werkte. Allison dacht dat dit aan suggestie kon worden toegeschreven. Maar later kwam hij gevallen van meervoudige persoonlijkheid tegen waarbij hij niet kon aannemen dat de andere ego’s subpersoonlijkheden waren, omdat ze voor de patiënt geen middel leken te zijn om met een moeilijke emotie of situatie om te gaan.

Een van zijn patiënten, Elise, pakte alle problemen in haar leven aan door alter ego’s te creëren en ze had er meer dan 30. Eens, toen Elise onder hypnose was, verscheen er een mannelijk alter ego dat Dennis heette. Dennis leek geen psychisch doel te dienen; hij beweerde een overleden effectenmakelaar te zijn die tijdens een overval was gedood. Hij zei dat hij eerder andere mensen had ‘bewoond’, en nu bezit had genomen van Elise omdat hij seksueel geïnteresseerd was in een andere persoonlijkheid van haar, een vrouw genaamd Shannon, die was begonnen te verschijnen toen Elise door het verlies van een baby aan vermoeidheid en depressie leed. Dennis legde uit dat hij de liefde met Elise bedreef door de lichamen van mannen binnen te gaan met wie Shannon een relatie had. Het lichaam van Elise was natuurlijk hetzelfde als dat van Shannon, maar Dennis was er blijkbaar niet in geïnteresseerd als Elise het beheerste. Shannon bevestigde wat Dennis had gezegd.

Kort daarna verscheen er een ander alter ego, Michelle genaamd, en ook zij hield vol dat ze geen subpersoonlijkheid was, maar een ‘geest’. Een paar dagen later, nadat Elise hevige stuiptrekkingen had ervaren, vertelde een van de subpersoonlijkheden tegen de psychotherapeut dat Dennis, Michelle en een andere ‘geest’ nu waren vertrokken. Enige tijd later vertelde een subpersoonlijkheid hem dat ook Shannon een ‘bezitnemende geest’ was – de geest van Elise’s dode baby. Shannon bevestigde dit en zei, na enig verzet, dat ze bereid was te ‘vertrekken’. Elise werd wakker uit de sessie met geheugenverlies en Shannon keerde nooit meer terug (Allison, 1980, hfst. 8; Wilson, 262-4).

Het medium Pearl Curran, die geen geleerde was en geen blijk gaf van literaire vaardigheden, begon plotseling een gestage stroom van poëzie, romans en intelligente en geestige gesprekken te produceren via een ouija-bord. Het materiaal zou afkomstig zijn van een persoon genaamd Patience Worth, die beweerde een 17de-eeuwse Engelse vrouw te zijn. Haar veelgeprezen gedichten en romans en haar levendige persoonlijkheid toonden een intelligentie en psychologische stijl die heel anders is dan die van Pearl. Patience gaf weinig biografische informatie, en er is nooit bevestigd dat zo iemand ooit heeft bestaan. Veel van de woordenschat van Patience paste bij de 17de tot 19de eeuw, maar een deel leek tot een periode van enkele eeuwen eerder te behoren. En ondanks het feit dat ze een pre-Victoriaanse schrijfster was, was een van haar werken een Victoriaanse roman.

Sommige onderzoekers beweren dat Patience Worth, in plaats van een persoonlijkheid van een overledene, een opzichzelfstaande persoonlijkheid van Pearl was, en dat dit geval aantoont dat we in een gedissocieerde toestand latente vaardigheden kunnen losmaken of ze misschien kunnen verkrijgen door een soort van super-psi. Ian Stevenson maakte het bezwaar dat Pearl tijdens de manifestaties van Patience Worth nooit in een volledig gedissocieerde toestand verkeerde, maar zich scherp bewust bleef van alles om haar heen. Hij dacht dat het vermeende leven van Patience Worth en haar literaire producten misschien zijn ontleend aan Pearls herinneringen aan vorige levens (Braude, 1992). Het is zeker mogelijk dat iemand in een mediamieke toestand nieuwe vaardigheden en talenten kan manifesteren door als kanaal te dienen voor de astrale overblijfselen van een of meer overleden persoonlijkheden (meestal niet die van de persoon zelf), of clusters van elementalen (skandha’s) die bepaalde vaardigheden vertegenwoordigen; en in hogere vormen van ‘mediumschap’ kan een persoon een kanaal vormen voor zijn eigen hoger zelf, met zijn schat aan kennis en vaardigheden.

Het volgende geval van ‘bezetenheid’ betrof Theobald en Joseph Bruner uit Illfurt, Elzas (Guiley, 2009, 44-5). In 1865 begonnen de twee broers abnormaal gedrag te vertonen, en moesten de volgende twee jaar veel in bed blijven. Ze draaiden hun benen vaak zo strak in de knoop dat geen menselijke kracht ze kon losmaken. Ze stonden urenlang op hun hoofd, bogen zich volledig achterover, verstijfden, en hadden braakaanvallen, waarbij ze grote hoeveelheden geel schuim, zeewier en stinkende veren uitstootten. Ze leviteerden ook geregeld, en soms werd hun moeder, die op het bed zat terwijl het van de vloer omhoogkwam, ervan afgeworpen. Hun kamer was onaangenaam warm, hoewel deze nooit werd verwarmd, maar het sprenkelen van wijwater herstelde een normale temperatuur. Meubels vlogen door de kamer, de gordijnen vielen vanzelf naar beneden, de ramen schoten open, en het hele huis trilde. De jongens tekenden duivelse gezichten op de muren naast hun bed en praatten met hen. Heilige voorwerpen veroorzaakten bij de jongens hysterische aanvallen en godslasterlijk geschreeuw. Als een geestelijke hun huis bezocht, probeerden ze zich te verbergen. Ze spraken ook in vreemde talen die ze niet kenden, waaronder Engels, Latijn en verschillende Spaanse dialecten, en gaven blijk van helderziendheid door te weten wat er in de buitenwereld gebeurde.

Tijdens een uitdrijvingsritueel werd Theobald door drie mannen vastgehouden en gedwongen om voor het altaar te staan; twee of drie dagen lang zweeg hij en kwijlde dik geel schuim. Op de vierde dag brulde hij: ‘Ik ben de Heer van de duisternis!’ Hij werd vervolgens in een dwangbuis gestopt, omdat hij zijn kleren begon te verscheuren en alles binnen handbereik kapot maakte. Ten slotte, nadat de exorcist opnieuw de Maagd Maria had aangeroepen, schreeuwde Theobald van pijn en viel voorover in een diepe slaap. Toen hij wakker werd, was hij weer zichzelf en had hij geen herinneringen aan de drie voorafgaande dagen. Tijdens zijn exorcisme worstelde en schreeuwde Joseph drie uur lang als een razende voordat de ‘duivel’ hem losliet. Ook hij herinnerde zich later niets van zijn beproeving. Theobald stierf twee jaar later, op 16-jarige leeftijd, terwijl Joseph stierf toen hij 25 was.

Een van de best gedocumenteerde gevallen van demonische bezetenheid van de 20ste eeuw is dat van Anna Ecklund, die rond 1882 werd geboren in het Amerikaanse Midwesten, en als vrome katholiek werd opgevoed (Guiley, 71-2). Toen ze 14 was, begon ze de ‘symptomen van bezetenheid’ te vertonen, waaronder een afkeer van heilige voorwerpen, een onvermogen om de kerk binnen te gaan, en verontrustende gedachten over ‘onuitsprekelijke seksuele handelingen’. Tegen 1908 werd gedacht dat ze volledig bezeten was. Pater Theophilus Riesinger heeft in 1912 met succes de ‘duivel’ uit haar verdreven, maar ze viel opnieuw ten prooi aan hem. In 1928, toen Anna 46 was, deed pater Theophilus een nieuwe poging. Ze werd op een bed gelegd en verschillende nonnen hielden haar vast. Terwijl pater Theophilus zijn bezweringen begon, raakte Anna bewusteloos. Ze leviteerde toen snel uit het bed en maakte zich vast aan de muur boven de deur, en moest met geweld naar beneden worden getrokken.

Het exorcisme duurde in totaal 23 dagen, verdeeld over drie sessies, in augustus, september en december. Anna bleef de hele tijd bewusteloos, maar hoewel haar mond nooit bewoog, klonken er stemmen uit haar, vergezeld van geschreeuw, gehuil en onaardse dierengeluiden. Anna’s fysieke toestand verslechterde totdat ze bijna overleed.

Ze at geen voedsel maar slikte slechts kleine hoeveelheden melk of water door. Niettemin braakte ze enorme hoeveelheden stinkend afval, dat vaak op tabaksbladeren leek, en ze spuugde buitensporig. Haar gezicht werd vreselijk misvormd en verwrongen, en vaak bloedrood, terwijl haar hoofd opzwol en langwerpig werd, haar ogen uitpuilden en haar lippen, naar men zegt, zo groot als handen werden. Haar buik zwol op tot deze bijna barstte, kromp dan weer, maar werd zo hard en zwaar dat het ijzeren ledikant onder het enorme gewicht doorboog.

Anna was in staat om talen te verstaan die ze eerder niet kende, deinsde terug voor heilige woorden en voorwerpen, en gaf blijk van helderziende kennis door de geheime jeugdzonden van de andere aanwezigen te onthullen. Een van de exorcisten, pater Steiger, werd door de ‘demonen’ getergd en kreeg een auto-ongeluk dat ze hadden voorspeld. Horden kleinere duivels en wrekende geesten beweerden dat Anna door hen werd bezeten, maar haar belangrijkste kwelgeesten waren ‘Beëlzebub’, die met pater Theophilus een sarcastische theologische discussie aanging, ‘Judas Iscariot’, die zei dat hij er was om Anna te kwellen om zelfmoord te plegen zodat ze naar de hel zou gaan, en de ‘geesten’ van haar vader, Jacob, en zijn minnares, Anna’s tante Mina. Haar ‘vader’ zei dat hij, omdat Anna had geweigerd om aan zijn incestueuze avances toe te geven, haar had vervloekt en de duivel had opgeroepen haar te verleiden. Haar ‘tante’ beweerde vier van haar eigen kinderen te hebben vermoord.

De ‘duivels’ begonnen uiteindelijk te verzwakken en te kreunen in plaats van te schreeuwen, terwijl pater Theophilus zijn inspanningen voortzette. Het hoogtepunt kwam op een avond toen Anna zich plotseling oprichtte en rechtop in bed ging staan. Pater Theophilus zegende haar en brulde: ‘Vertrek, jullie duivels van de hel! Verdwijn, Satan, de leeuw van Juda regeert!’ Terwijl Anna op het bed terugviel, galmde er een schreeuw van ‘Beëlzebub, Judas, Jacob, Mina’ en ‘Hel, hel, hel’ door de kamer, die in de verte leek weg te sterven. Anna opende haar ogen, glimlachte, loofde Christus, en begon te huilen. Een vreselijke stank vulde vervolgens de kamer, zodat alle ramen moesten worden geopend. Maar de bezetenheid was voorbij. In dit geval waren de bezeten vrouw en de exorcisten katholiek, dus het is niet verwonderlijk dat sommige van de bezitnemende entiteiten zich uitgaven voor fictieve bijbelse figuren.

Uit The Exorcist (1973)

Uit The Exorcist (1973).

Een hedendaagse exorcist, Tony Finlay (hfst. 8), schrijft: ‘Mijn ervaring is dat niet alle binnendringende geesten vijandig of kwaadaardig zijn. Ze zijn misschien gewoon ‘op zoek naar een thuis’, en willen de banden die ze ooit met de wereld van de levenden hadden niet loslaten. Zulke wezens veroorzaken misschien geen gewelddadig of verwerpelijk gedrag bij het ‘slachtoffer’ maar ze doorbreken niettemin het normale gedragspatroon van die persoon. Als zodanig moeten ze toch worden verwijderd.’ Hij merkt op dat de behoefte aan exorcisme toeneemt, en brengt dit in verband met de groeiende neiging om zich met het occulte bezig te houden.

Een van de gevallen waarbij Finlay betrokken was, betrof een tiener, Terry, die volgens zijn buren bezeten was. Hij zou met verschillende stemmen spreken, sommige schril, sommige ruw en schrapend. Hij sprak ook in wat een oude taal bleek te zijn. De reguliere geneeskunde en psychiatrische sessies konden hem niet helpen. Op basis van de verschillende stemmen dacht Finlay dat Terry door vijf ‘demonen’ bezeten was. Hij voerde vervolgens de exorcisme-rituelen van de katholieke kerk uit en verzocht de demonen te vertrekken in naam van ‘de Heer’. Soms werden zijn eigen woorden spottend herhaald en hoorde hij ‘duivels gelach’. Soms werden zijn woorden voorzien en kwamen ze uit Terry’s mond nog voordat hij ze kon uitspreken. Tijdens de rituelen viel Terry een aantal keren flauw. Na zware inspanningen die enkele dagen duurden, dacht Finlay dat hij alle demonen, op één na, had verwijderd.

De ontknoping was dramatisch. Terry schreeuwde hard en slaagde erin de zware stoel waaraan hij nu was vastgebonden omver te werpen. Hij kronkelde korte tijd op de vloer en ontsnapte op de een of andere manier uit zijn boeien. Toen stond hij op en leek volledig hersteld. Hij sprak met zijn normale stem. ... Hij werd daarna nooit meer gekweld. (Finlay, hfst. 8)

Zoals Finlay zegt, exorcisme is in wezen een ‘krachtmeting tussen willen’. Op basis van zijn katholieke geloof beweert hij dat het een strijd is tussen ‘Satan’ en ‘God’. Maar de echte strijd is tussen het denkvermogen van de exorcist (en welke positieve occulte krachten hij ook kan uitoefenen) en de astrale entiteiten die bij de bezetenheid betrokken zijn, waarbij de uitkomst ook afhankelijk is van de goede en slechte eigenschappen van het slachtoffer.

Leven voorbij de dood: Deel 2


© 2020 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag