Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoudsopgave pagina vooruit

1. Bijeenkomst 10 januari 1889

20.30, Lansdowne Road 17, Londen, W., voorzitter T.B. Harbottle.

De stanza’s van De geheime leer – deel 1

Stanza 1

Sloka 1. De eeuwige moeder (ruimte), gewikkeld in haar altijd onzichtbare gewaden, had opnieuw zeven eeuwigheden gesluimerd.


Vr. Het begrip ruimte, abstract beschouwd, wordt in de Proloog als volgt toegelicht:

. . . absolute eenheid kan niet overgaan in oneindigheid, want oneindigheid vooronderstelt de onbegrensde uitbreiding van iets, en de duur van dat ‘iets’. Het ene al is als de ruimte – die er op deze aarde of op ons bestaansgebied de enige verstandelijke en fysieke voorstelling van is – noch een object noch een subject van waarneming. Als men kon veronderstellen dat het eeuwige oneindige Al, de alomtegenwoordige eenheid, in plaats van in eeuwigheid te zijn, door periodieke manifestatie een veelvoudig heelal of een meervoudige persoonlijkheid werd, zou die eenheid ophouden er een te zijn. Locke’s opvatting dat ‘zuivere ruimte noch in staat is tot weerstand noch tot beweging’ is onjuist. Ruimte is noch een ‘onbegrensde leegte’ noch een ‘voorwaardelijke volheid’, maar beide: ze is immers op het gebied van de absolute abstractie de altijd onkenbare godheid, die alleen voor het eindige verstand leegte is, en op het gebied van mayavische waarneming het plenum, de absolute bevatter van al wat is, gemanifesteerd of niet: ze is dus dat absolute al. Er is geen verschil tussen het ‘In hem leven we, bewegen we, en zijn we’ van de christelijke apostel, en het ‘Het heelal leeft in, komt voort uit, en zal terugkeren tot Brahma (Brahma)’ van de hindoe-rishi: want brahma (onzijdig), het niet-gemanifesteerde, is dat heelal in abscondito, en Brahma, het gemanifesteerde, is de logos, mannelijk-vrouwelijk gemaakt in de symbolische orthodoxe dogma’s. De god van de apostel-ingewijde en van de rishi is zowel de onzichtbare als de zichtbare ruimte. Ruimte wordt in de esoterische symboliek de ‘eeuwige moeder-vader met zeven huiden’ genoemd. Deze bestaat van haar ongedifferentieerde tot haar gedifferentieerde oppervlak uit zeven lagen.

‘Wat is het dat was, is, en zal zijn, of er een heelal is of niet, of er goden zijn of niet?’ vraagt de esoterische Senzar catechismus. En het gegeven antwoord is: ruimte.1

1. De geheime leer, 1:38-9.

Maar waarom wordt de eeuwige moeder, ruimte, aangeduid als vrouwelijk?

Antw. Niet in alle gevallen, want in het bovenstaande fragment wordt ruimte de ‘eeuwige moeder-vader’ genoemd; maar wanneer deze zo wordt aangeduid, is de reden daarvoor dat, hoewel het niet mogelijk is parabrahman te definiëren, zodra we over dat eerste iets spreken waarvan we ons een voorstelling kunnen maken, we het moeten beschouwen als een vrouwelijk beginsel. In alle kosmogonieën werd de eerste differentiatie als vrouwelijk beschouwd. Ze is mulaprakriti, die parabrahman verbergt of versluiert; sefira het licht, dat het eerst emaneert uit ain sof; en bij Hesiodus is ze Gaia, die uit Chaos voortkomt en voorafgaat aan Eros.1 Dit wordt herhaald in alle eropvolgende en minder abstracte stoffelijke scheppingen; bijvoorbeeld Eva, die werd geschapen uit de rib van Adam, enz. De godin en godinnen komen altijd het eerst. De eerste emanatie wordt de onbevlekte moeder uit wie alle goden voortkomen, ofwel de scheppende krachten die als mens worden voorgesteld. We moeten in termen van mannelijk of vrouwelijk spreken, want het onzijdige het kunnen we niet gebruiken. In strikte zin kan uit het niets voortkomen, noch een uitstraling, noch een emanatie.

1. Hesiodus, Theogonie, 115ev.

Vr. Is deze eerste emanatie identiek met de Egyptische Neith?

Antw. In feite gaat ze Neith te boven, maar in een bepaalde betekenis of in een lager aspect is ze Neith.

Vr. Dan is dit het zelf niet de ‘eeuwige moeder-vader met zeven huiden’?

Antw. Beslist niet. Dit het is in de hindoefilosofie parabrahman, dat wat Brahma te boven gaat, of, zoals het nu in Europa wordt genoemd, ‘het onkenbare’. De ruimte waarover we spreken is het vrouwelijke aspect van Brahma, het mannelijke. Bij de eerste trilling van differentiatie emaneert het subjectieve, of valt als een schaduw in het objectieve, en wordt dat wat de  moedergodin werd genoemd, uit wie de logos voortkomt, die tegelijk de Zoon en de Vader God is, beiden ongemanifesteerd, de een potentialiteit, de ander de potentie. We moeten eerstgenoemde echter niet verwarren met de gemanifesteerde logos, die in alle kosmogonieën eveneens de ‘Zoon’ wordt genoemd.

Vr. Is de eerste differentiatie uit het absolute het altijd vrouwelijk?

Antw. Alleen bij wijze van spreken; zuiver filosofisch gezien is deze geslachtloos; maar naar menselijke begrippen neemt het eerst het vrouwelijke aspect aan, waarbij de verdere verstoffelijking ervan, in welke filosofie ook, afhangt van de mate van vergeestelijking van het ras of volk dat het filosofische stelsel ontwikkelde. Zo wordt het in de kabbala van de talmudisten ain sof genoemd, het eindeloze, het grenzeloze, het oneindige (de eigenschap is altijd ontkennend), maar dat absolute beginsel wordt toch Hij genoemd! Uit die grenzeloze cirkel van oneindig licht emaneert de eerste sefira, de kroon, die door de talmudisten ‘Torah’ wordt genoemd, de wet, waarbij wordt uitgelegd dat ze de echtgenote is van ain sof. Dit is een niet geringe antropomorfisering van het spirituele.

Vr. Is dat ook zo in de hindoefilosofieën?

Antw. Precies het tegenovergestelde. Want als we de hindoekosmogonieën raadplegen, zien we dat parabrahman daarin zelfs niet wordt genoemd, uitsluitend mulaprakriti. Deze laatste is als het ware de bekleding of het aspect van parabrahman in het onzichtbare heelal. Mulaprakriti betekent de wortel van de natuur of de stof. Maar parabrahman kan niet de ‘wortel’ worden genoemd, want het is de absolute wortelloze wortel van alles. We moeten daarom beginnen bij mulaprakriti, of de sluier van dit onkenbare. Ook hier zien we dat de eerste de moedergodin is, de weerspiegeling van de subjectieve wortel op het eerste gebied van de substantie. Dan volgt – voortkomend uit, of beter gezegd zetelend in, deze moedergodin – de ongemanifesteerde logos, hij die tegelijk haar zoon en haar echtgenoot is, die de ‘verborgen vader’ wordt genoemd. Uit deze komt de eerstgemanifesteerde logos voort, of de Geest, en de Zoon. Uit de substantie van deze komen de zeven logoi voort, van wie de synthese, gezien als één collectieve kracht, de architect van het zichtbare heelal wordt. Zij zijn de elohim van de joden.

Vr. Welk aspect van de ruimte of van de onbekende godheid, die in de Veda’sdat’ wordt genoemd en waarover verderop nog wordt gesproken, wordt hier de ‘eeuwige moeder’ genoemd?

Antw. De mulaprakriti van de Vedanta, en het svabhavat van de boeddhisten, of dat androgyne iets waarover eerder werd gesproken, dat zowel gedifferentieerd als ongedifferentieerd is. In zijn eerste beginsel is het een zuivere abstractie, die alleen dan gedifferentieerd wordt wanneer het in de loop van de tijd wordt getransformeerd tot prakriti. Vergeleken met de beginselen in de mens correspondeert het met buddhi, terwijl atman overeenkomt met parabrahman, manas met mahat, enz.

Vr. Wat zijn de zeven lagen van de ruimte; we lezen immers in de Proloog over de ‘moeder-vader met zeven huiden’?

Antw. Plato en Hermes Trismegistus zouden dit als het goddelijk denken hebben beschouwd, en Aristoteles zou deze ‘moeder-vader’ hebben opgevat als het ‘ontbreken’ van stof. Het is datgene wat de zeven gebieden van zijn zal worden, te beginnen met het spirituele en via het psychische naar het stoffelijke gebied. De zeven gebieden van het denken, of de zeven bewustzijnstoestanden, corresponderen met deze gebieden. Al deze zevenvoudigheden worden gesymboliseerd door de zeven ‘huiden’.

Vr. De goddelijke ideeën in het goddelijk denkvermogen? Maar het goddelijk denkvermogen bestaat nog niet.

Antw. Het goddelijk denkvermogen is er, en het moet er zijn, voordat de differentiatie plaatsvindt. Het wordt de goddelijke ideatie genoemd, die eeuwig is in haar potentialiteit en periodiek in haar potentie, wanneer ze mahat, anima mundi, of de universele ziel wordt. Bedenk echter dat elk van deze begrippen, welke benaming u ook eraan geeft, zowel diep metafysische als de meest stoffelijke en daartussen liggende aspecten heeft.

Vr. Wat is de betekenis van de uitdrukking ‘altijd onzichtbare gewaden’?

Antw. Dat is natuurlijk beeldspraak, zoals iedere allegorie in de oosterse filosofie. Het is misschien de hypothetische protyle, waarnaar prof. Crookes op zoek is, maar die beslist nooit op deze aarde of op dit gebied kan worden gevonden. Het is de niet-gedifferentieerde substantie of spirituele stof.

Vr. Is het wat ‘laya’ wordt genoemd?

Antw. De ‘gewaden’ en al het andere zijn in laya-toestand, het punt vanwaar of waarop de oersubstantie begint te differentiëren, en zo het heelal met alles erin geboren doet worden.

Vr. Worden de ‘onzichtbare gewaden’ zo genoemd omdat ze niet waarneembaar zijn voor een of andere differentiatie van bewustzijn?

Antw. Het is beter te zeggen dat ze onzichtbaar zijn voor een eindig bewustzijn, indien zo’n bewustzijn in dat stadium van evolutie zou kunnen bestaan. Mulaprakriti is zelfs voor de logos een sluier, de gewaden waarin het absolute wordt gehuld. Zelfs de logos kan het absolute niet waarnemen, zegt de Vedanta.1

1. Zie de vier lezingen van Subba Row in Notes on the Bhagavad Gita.

Vr. Is mulaprakriti de juiste term om te gebruiken?

Antw. De mulaprakriti van de Vedanta is de aditi van de Veda’s. De vedantafilosofie betekent letterlijk ‘de voltooiing of de synthese van alle kennis’. Er zijn zes scholen van hindoefilosofie die echter, wanneer men ze nauwkeurig onderzoekt, in essentie volledig met elkaar overeenstemmen. In de essentie zijn ze identiek, maar er is zo’n rijkdom aan namen, er zijn zoveel zijpaden, details, en verfraaiingen – sommige emanaties zijn hun eigen vader, en vaders geboren uit hun eigen dochter – dat men erin verdwaald raakt als in een oerwoud. Leg een of andere esoterische stelling voor aan een hindoe en als hij dat wenst kan hij deze vanuit zijn eigen specifieke stelsel weerleggen of tegenspreken. Elk van de zes scholen heeft haar eigen specifieke denkbeelden en terminologie. Dus als men tijdens een discussie niet de terminologie van één school gebruikt, is het gevaar groot dat er misverstanden zullen ontstaan.

Vr. Wordt dan dezelfde term in verschillende filosofische stelsels op verschillende manier gebruikt? Buddhi heeft bijvoorbeeld in de esoterische filosofie een bepaalde betekenis en een heel andere in de Sankhyafilosofie. Is dat niet zo?

Antw. Precies, en ze heeft weer een totaal andere betekenis in het Vishnu-Purana, waarin wordt gesproken over zeven prakriti’s die voortkomen uit mahat, en waarin de laatste mahabuddhi wordt genoemd. In wezen zijn de denkbeelden echter dezelfde, hoewel de bewoordingen per school verschillen, en de juiste betekenis verloren gaat in dit doolhof van personificaties. Het zou misschien het beste zijn om zo mogelijk voor onszelf een nieuwe terminologie te bedenken; maar omdat de Europese talen, vooral het Engels, arm zijn aan filosofische termen, zou dit een nogal moeilijke onderneming zijn.

Vr. Kan de term ‘protyle’ niet worden gebruikt om er de laya-toestand mee aan te geven?

Antw. Beslist niet; de protyle van prof. Crookes wordt waarschijnlijk gebruikt om homogene stof aan te duiden op het meest stoffelijke van alle gebieden, terwijl de substantie die wordt gesymboliseerd door de ‘gewaden’ van de ‘eeuwige moeder’, zich op het zevende gebied van de stof bevindt, naar boven geteld, of beter gezegd van buiten naar binnen gerekend. Dit kan nooit worden ontdekt op het laagste, dat wil zeggen het buitenste en meest stoffelijke, gebied.

Vr. Bestaat er dan op elk van de zeven gebieden stof die voor dat gebied relatief homogeen is?

Antw. Ja, maar die stof is alleen homogeen voor wie zich op hetzelfde gebied van waarneming bevindt; als de protyle van de moderne wetenschap ooit wordt ontdekt, zal ze dus alleen voor ons homogeen zijn. De illusie kan enige tijd aanhouden, misschien tot aan het zesde ras, want de mensheid verandert fysiek en mentaal en hopelijk ook spiritueel voortdurend, waarbij ze zich in elk ras en onderras meer en meer zal vervolmaken.

Vr. Zou het niet een grote vergissing zijn om een term te gebruiken die in de wetenschap al in een andere betekenis is gebruikt? Vroeger had protoplasma bijna dezelfde betekenis als protyle, maar de betekenis ervan is nu veel beperkter geworden.

Antw. Dat is zeker waar; maar de hyle (ὕλη) van de Grieken had beslist geen betrekking op de stof van dit gebied, want ze hadden deze overgenomen uit de Chaldeeuwse kosmogonie, waarin ze in een diep metafysische betekenis werd gebruikt.

Vr. Maar het woord hyle wordt nu door de materialisten gebruikt om vrijwel hetzelfde denkbeeld tot uitdrukking te brengen als dat waaraan wij de term mulaprakriti geven.

Antw. Dat is misschien waar, maar dr. Lewins en zijn half dozijn dappere hylo-idealisten huldigen nauwelijks deze opvatting, want in hun stelsel wordt de metafysische betekenis ervan volkomen genegeerd en uit het oog verloren.

Vr. Dan is laya misschien toch de beste term om te gebruiken?

Antw. Nee, want met laya wordt niet iets speciaals aangeduid en evenmin een of ander gebied, maar deze duidt een staat of toestand aan. Het is een Sanskrietwoord voor iets dat zich in een ongedifferentieerde en onveranderlijke toestand bevindt, een nulpunt waar alle differentiatie ophoudt.

Vr. De eerste differentiatie zou stof voorstellen op haar zevende gebied; moeten we dan niet veronderstellen dat de protyle van prof. Crookes ook stof op het zevende gebied is?

Antw. De denkbeeldige protyle van prof. Crookes is stof in de toestand die hij het ‘nulpunt’ noemt.

Vr. Met andere woorden: het laya-punt van dit gebied?

Antw. Het is helemaal niet duidelijk of prof. Crookes zich bezighoudt met andere gebieden of dat hij het bestaan ervan erkent. Het voorwerp van zijn onderzoek is het protylische atoom dat, omdat niemand het ooit heeft gezien, eenvoudig een nieuwe werkhypothese van de wetenschap is. Want wat is een atoom in feite?

Vr. Het is een geschikte definitie voor wat een molecule zou moeten zijn, of beter gezegd een geschikte term om een molecule op te splitsen.

Antw. Maar men moet nu toch wel tot de conclusie zijn gekomen dat het atoom evenmin als de ruim zeventig veronderstelde elementen een geschikte term is. Men lachte altijd om de vier of vijf elementen van de oudheid; maar nu is prof. Crookes tot de conclusie gekomen dat strikt genomen zoiets als een scheikundig element helemaal niet bestaat. En terwijl de ontdekking van het atoom nog ver weg is, heeft men in feite nog niet eens een afzonderlijke, enkelvoudige molecule kunnen aantonen.

Vr. Men moet bedenken dat Dalton, die het eerst over dit onderwerp heeft gesproken, het de ‘atoomtheorie’ heeft genoemd.

Antw. Heel juist; maar die term wordt door de moderne wetenschappelijke scholen op een verkeerde manier gebruikt, zoals door Sir W. Hamilton is aangetoond. Terwijl ze om de metafysica lachen, passen deze scholen zuiver metafysische termen toe op de natuurkunde, zodat de ‘theorie’ zich nu de rechten van een ‘axioma’ begint toe te eigenen.

Vr. Wat zijn de ‘zeven eeuwigheden’, en hoe kan er in pralaya zo’n indeling zijn, wanneer er niemand is om zich van tijd bewust te zijn?

Antw. Een astronoom van nu weet van de ‘wetten van de hemel’ in geen geval meer dan zijn broeder uit een grijs verleden. Als men hem zou vragen ‘of hij de Mazzaroth [dierenriem] op haar tijd zou kunnen voortbrengen’ (Job 38:32), ofwel of hij ‘hem’ vergezelde die ‘de hemel uitspreidde’, zou hij dit, evenals Job, bedroefd moeten ontkennen. Maar dat weerhoudt hem op geen enkele manier ervan te speculeren over de ouderdom van zon, maan, en aarde, en de geologische tijdperken te ‘berekenen’ vanaf de tijd dat er op aarde nog geen mensen leefden, al dan niet met bewustzijn. Waarom zouden we de Ouden dan niet hetzelfde voorrecht gunnen?

Vr. Maar waarom wordt de uitdrukking ‘zeven eeuwigheden’ gebruikt?

Antw. De uitdrukking ‘zeven eeuwigheden’ wordt gebruikt op grond van de onveranderlijke wet van analogie. Zoals een manvantara wordt verdeeld in zeven tijdperken, zo ook een pralaya; zoals de dag uit twaalf uren bestaat, zo ook de nacht. Kunnen we zeggen dat, omdat we tijdens de nacht slapen en het bewustzijn van tijd verliezen, de uren daarom niet verstrijken? Pralaya is de ‘nacht’ na de manvantarische ‘dag’. Daar is niemand bij, en het bewustzijn is in slaap, zoals al het andere. Maar omdat het bestaat en volledig actief is tijdens het manvantara, en omdat we doordrongen zijn van het feit dat de wet van analogie en periodiciteit onveranderlijk is, en dus in beide gevallen op dezelfde manier moet werken, waarom zou bovenstaande uitdrukking dan niet kunnen worden gebruikt?

Vr. Maar hoe kan een eeuwigheid worden geteld?

Antw. Deze vraag komt mogelijk voort uit het algemeen heersende misverstand over de term ‘eeuwigheid’. Wij westerlingen zijn zo dwaas om te speculeren over dat wat begin noch einde heeft, en we beelden ons in dat ook de Ouden dat moeten hebben gedaan. Maar dat deden ze niet: geen enkele filosoof in vroeger tijden vatte het woord ‘eeuwigheid’ op in de betekenis van begin- en eindeloze duur. Noch de eonen van de Grieken, noch de narossen hebben die betekenis. Ze hadden in feite geen woord om deze betekenis uit te drukken. Alleen parabrahman, ain sof, en zervan-akarana uit de Avesta geven zo’n eeuwigheid weer; alle andere tijdperken zijn eindig en betreffen hemellichamen, en zijn gebaseerd op zonnejaren en andere enorm lange cyclussen. Het woord eon, dat in de Bijbel wordt vertaald met eeuwigheid, betekent niet alleen een eindige periode maar ook een engel en een wezen.

Vr. Maar is het niet juist om te zeggen dat ook in pralaya de ‘grote adem’ bestaat?

Antw. Zeker: want de ‘grote adem’ houdt nooit op, en is zogezegd het universele en eeuwige perpetuum mobile.

Vr. Als dat zo is, is het onmogelijk haar in perioden te verdelen, want daarmee wordt het denkbeeld van een absoluut en volslagen niets weggevaagd. Het lijkt enigszins tegenstrijdig dat er over een ‘aantal’ tijdperken wordt gesproken, al zou men wel kunnen spreken over zoveel in- en uitademingen van de ‘grote adem’.

Antw. Dat zou het begrip absolute rust tenietdoen, ware het niet dat tegenover die absoluutheid van rust een absoluutheid van beweging staat. De ene uitdrukking is daarom gelijkwaardig aan de andere. Er is een prachtig gedicht over pralaya, geschreven door een rishi uit de oudheid, die de bewegingen van de grote adem tijdens pralaya vergelijkt met de ritmische bewegingen van de onbewuste oceaan.

Vr. De moeilijkheid ontstaat wanneer het woord ‘eeuwigheid’ wordt gebruikt in plaats van ‘eon’.

Antw. Waarom moet een Grieks woord worden gebruikt als er een meer bekende term bestaat, vooral omdat die in De geheime leer volledig wordt verklaard? U kunt het als u wilt een relatieve of een manvantarische en pralayische eeuwigheid noemen.

Vr. Is de verhouding tussen pralaya en manvantara geheel analoog aan die tussen slapen en waken?

Antw. Alleen in een bepaald opzicht; tijdens de nacht bestaan we allemaal als persoon en zijn als individu, hoewel we slapen en ons niet ervan bewust zijn dat we zo leven. Maar tijdens pralaya verdwijnt al het gedifferentieerde, evenals elke afzonderlijke eenheid, uit het heelal van de verschijnselen en gaat op in of beter gezegd wordt overgebracht naar het noumenale Ene. In feite is er dus een groot verschil.

Vr. De slaap wordt wel de ‘schaduwzijde van het leven’ genoemd; kan men pralaya de schaduwzijde van het kosmische leven noemen?

Antw. In zekere zin kan dat. Pralaya is het zichtbare opgelost in het onzichtbare, het heterogene opgegaan in het homogene, dus een tijd van rust. Zelfs de kosmische stof moet, hoewel ze in essentie onverwoestbaar is, een rusttijd hebben en terugkeren naar haar laya-toestand. De absoluutheid van de alomvattende ene essentie moet zich zowel in rust als in actie manifesteren.


Sloka 2. De tijd was niet, want hij lag in slaap in de oneindige schoot van de duur.

Vr. Wat is het verschil tussen tijd en duur?

Antw. Duur is; hij heeft begin noch einde. Hoe kunt u dat wat begin noch einde heeft, tijd noemen? Duur is beginloos en eindeloos; tijd is eindig.

Vr. Is duur dan het begrip voor het oneindige, en tijd de term voor het  eindige?

Antw. Tijd kan worden verdeeld; duur kan dat – tenminste in onze filosofie – niet. Tijd is deelbaar in de duur – of, zoals u het stelt, het ene is iets binnen tijd en ruimte, terwijl het andere buiten beide staat.

Vr. De enige manier waarop men tijd kan definiëren is op grond van de beweging van de aarde.

Antw. Maar we kunnen tijd ook definiëren met onze begrippen.

Vr. Bedoelt u duur?

Antw. Nee, tijd; want het is onmogelijk om duur in te delen of er oriëntatiepunten in aan te brengen. Voor ons is duur de ene eeuwigheid, niet relatief maar absoluut.

Vr. Kan men zeggen dat de essentiële idee van duur bestaan is?

Antw. Nee; bestaan heeft beperkte en begrensde perioden, terwijl duur, die noch begin noch einde heeft, een volmaakte abstractie is, waarin tijd besloten ligt. Duur is als ruimte, die ook een abstractie is en zowel zonder begin als zonder einde is. Alleen in concrete gevallen en in haar beperking wordt ze iets wat men zich voorstelt. Natuurlijk wordt de afstand tussen twee punten ruimte genoemd; deze kan enorm groot zijn of heel erg klein, toch zal het altijd ruimte zijn. Maar al dat soort specificaties zijn indelingen volgens menselijke begrippen. In feite is ruimte wat in de oudheid de ene onzichtbare en onbekende (nu onkenbare) godheid werd genoemd.

Vr. Dan is tijd hetzelfde als ruimte, en zijn ze, abstract gezien, één?

Antw. Als twee abstracties kunnen ze één zijn; maar dit slaat eerder op duur en abstracte ruimte dan op tijd en ruimte.

Vr. Ruimte is de objectieve en tijd de subjectieve kant van alle manifestatie. In werkelijkheid zijn ze de enige eigenschappen van het oneindige; maar eigenschap is misschien een verkeerde term om te gebruiken, omdat ze zogezegd dezelfde uitgebreidheid hebben als het oneindige. Hiertegen kan echter worden ingebracht dat ze niets anders zijn dan de scheppingen van ons eigen verstand; slechts de vormen door middel waarvan we ons de dingen nu eenmaal voorstellen.

Antw. Dat klinkt als een argument van onze vrienden de hylo-idealisten; maar we spreken hier over het noumenale en niet over het fenomenale heelal. In de occulte catechismus (zie De geheime leer, 1:41) wordt gevraagd: ‘Wat is het dat altijd is?’ Dat u zich niet kunt voorstellen als niet zijnde, wat u ook doet? Het antwoord is – ruimte. Want al is er misschien geen mens in het heelal die eraan denkt, geen oog dat haar waarneemt, geen enkel brein om haar te begrijpen, niettemin is ruimte, was ze altijd, en zal ze altijd zijn, en men kan haar niet tenietdoen.

Vr. Omdat we er wel aan moeten denken, misschien?

Antw. Of we eraan denken heeft hiermee niets te maken. Probeer eens of u aan iets kunt denken waarbij ruimte geen rol speelt, en u zult al snel merken dat zo’n gedachte onmogelijk is. Ruimte bestaat waar niets anders is, en ze moet als zodanig bestaan, of het heelal nu één absoluut vacuüm is of een vol pleroma.

Vr. Filosofen hebben het nu teruggebracht tot de stelling dat ruimte en tijd niets anders zijn dan eigenschappen, niets dan toevalligheden.

Antw. En ze zouden gelijk hebben als ze dat deden op grond van ware wetenschap in plaats van als resultaat van avidya en maya. We lezen dat ook Boeddha heeft gezegd dat zelfs nirvana welbeschouwd slechts maya of een illusie is. Maar Heer Boeddha baseerde wat hij zei op kennis en niet op theorie.

Vr. Maar zijn eeuwige ruimte en duur de enige eigenschappen van het oneindige?

Antw. Ruimte en duur kunnen, omdat ze eeuwig zijn, geen eigenschappen worden genoemd, want ze zijn slechts de aspecten van dat oneindige. Evenmin kan dat oneindige, als u daarmee het absolute beginsel bedoelt, enige eigenschappen bezitten, want alleen dat wat zelf eindig en afhankelijk is, kan in een of andere relatie tot iets anders staan. Dit alles is filosofisch gezien onjuist.

Vr. We kunnen ons geen stof voorstellen die geen omvang heeft, geen omvang die niet de omvang van iets is. Geldt dat ook voor de hogere gebieden? En zo ja, wat is dan de substantie waarmee de absolute ruimte is gevuld, en is ze identiek met die ruimte?

Antw. Al kan uw ‘getrainde verstand’ zich geen enkele andere soort stof voorstellen, misschien kan een verstand dat minder getraind maar meer ontvankelijk is voor spirituele waarneming dat wél. Uit wat u zegt volgt nog niet dat zo’n opvatting van de ruimte, zelfs op onze aarde, de enig mogelijke is. Want zelfs op ons gebied bestaan nog andere en verschillende soorten verstand, naast die van de mens, in zichtbare en onzichtbare schepselen, vanaf de denkvermogens van hoge en lage wezens op innerlijke gebieden, tot die van objectief waarneembare dieren en de laagste organismen, kortom ‘van de deva tot de olifant, van het elementaal tot de mier’. In verhouding tot zijn eigen gebied van begrijpen en waarnemen bezit de mier een verstand dat even goed is als het onze, zelfs beter; want hoewel ze zich niet in woorden kan uitdrukken, toont de mier behalve instinct grote verstandelijke vermogens, zoals we allemaal weten. Als we geloof hechten aan de leringen van het occultisme, vinden we op ons eigen gebied zoveel en zulke verschillende bewustzijnstoestanden en intelligentieniveaus, dat we niet het recht hebben om alleen ons eigen menselijke bewustzijn in aanmerking te nemen, alsof er behalve dat niets anders bestond. En als we niet kunnen beoordelen hoe ver het bewustzijn van een insect reikt, hoe kunnen we dan bewustzijn, waarover de wetenschap niets weet, tot dit gebied beperken?

Vr. Maar waarom niet? De natuurwetenschap kan toch alles ontdekken wat ontdekt moet worden, zelfs bij de mier?

Antw. Dat is uw opvatting; voor een occultist is zo’n vertrouwen echter misplaatst, ondanks het werk van Sir John Lubbock. De wetenschap kan theoretiseren, maar ze zal met de huidige methoden nooit in staat zijn de juistheid van zulke theorieën te bewijzen. Alleen als een wetenschapper een poosje een mier zou kunnen worden, als een mier zou kunnen denken, en zich zijn ervaringen zou kunnen herinneren bij terugkeer naar zijn eigen bewustzijnssfeer, zou hij met zekerheid iets weten over dit interessante insect. Zoals de zaken nu staan kan hij, als hij uit het gedrag van de mier conclusies trekt, alleen theoretiseren.

Vr. De voorstelling die een mier maakt van tijd en ruimte is niet de onze. Bedoelt u dat?

Antw. Precies; de mier heeft haar eigen voorstelling van tijd en ruimte, niet die van ons; een voorstelling die geheel en al op een ander gebied ligt; we hebben daarom niet het recht om bij voorbaat het bestaan van andere gebieden te ontkennen alleen omdat we ons er geen beeld van kunnen vormen, maar die niettemin bestaan – gebieden die veel gradaties hoger en lager liggen dan het onze, zoals de mier bewijst.

Vr. Het verschil tussen een dier en een mens schijnt vanuit dit gezichtspunt te zijn dat eerstgenoemde min of meer met al zijn vermogens wordt geboren en daar in het algemeen niet veel aan toevoegt, terwijl de mens geleidelijk aan leert en zich verbetert. Komt het niet daarop neer?

Antw. Juist; maar u moet niet vergeten waarom dat zo is: niet omdat de mens één ‘beginsel’ meer heeft dan het nietigste insect, maar omdat de mens een vervolmaakt dier is, het voertuig van een volledig ontwikkelde monade, en zelfbewust en doelgericht zijn eigen lijn van vooruitgang volgt, terwijl de hogere triade van beginselen in het insect, en zelfs in de hogere diersoorten, in een slaaptoestand verkeert.

Vr. Is er een bewustzijn, of een bewust wezen, dat zich bij de eerste trilling van manifestatie bewust is van tijd en een tijdsindeling maakt? In zijn lezing over de Bhagavad Gita schijnt Subba Row, wanneer hij de eerste logos bespreekt, te doelen op zowel bewustzijn als intelligentie.

Antw. Hij verklaarde echter niet welke logos werd bedoeld, en ik denk dat hij in het algemeen sprak. In de esoterische filosofie is de eerste de ongemanifesteerde, en de tweede de gemanifesteerde logos. Isvara staat voor die tweede en Narayana voor de ongemanifesteerde logos. Subba Row is een Advaiti en een geleerde aanhanger van de Vedanta, en gaf de verklaring vanuit zijn standpunt. Wij doen dat vanuit het onze. In De geheime leer wordt dat waaruit de gemanifesteerde logos wordt geboren vertaald door de ‘eeuwige moeder-vader’; terwijl het in het Vishnu-Purana wordt beschreven als het wereld-ei, dat is omgeven door zeven huiden, lagen, of zones. In dit gouden ei wordt Brahma, het mannelijke, geboren, en die Brahma is in werkelijkheid de tweede logos, of zelfs de derde, afhankelijk van de manier van tellen die wordt gehanteerd. Hij is beslist niet de eerste of hoogste, het punt dat overal en nergens is. In de esoterische interpretaties is mahat in werkelijkheid de derde logos en de synthese van de zeven scheppende stralen, de zeven logoi. Van de zeven zogenaamde scheppingen is mahat de derde, want het is de universele en intelligente ziel, de goddelijke ideatie, die alle ideële plannen en oervormen van alle dingen in zowel de gemanifesteerde objectief waarneembare wereld als de innerlijke wereld in zich verenigt. In de Sankhya-leringen en in de Purana’s is mahat het eerste voortbrengsel van pradhana, bezield door kshetrajña, ‘geest-substantie’. In de esoterische filosofie is kshetrajña de naam die aan onze bezielende ego’s wordt gegeven.

Vr. Is dat dan de eerste manifestatie in ons objectief waarneembare heelal?

Antw. Het is daarin het eerste beginsel, waarneembaar gemaakt voor goddelijke maar niet voor menselijke zintuigen. Beginnen we bij het onkenbare, dan is het echter het derde beginsel, corresponderend met manas, of beter gezegd met buddhi-manas.

Vr. De eerste logos is dus het eerste punt in de cirkel?

Antw. Het punt binnen de cirkel die grenzen noch beperkingen heeft, en evenmin een naam of eigenschap kan hebben. Deze eerste, ongemanifesteerde logos valt samen met de middellijn van de cirkel. De eerste lijn of diameter is de moeder-vader; daaruit komt de tweede logos voort, die het derde gemanifesteerde woord in zich bevat. In bijvoorbeeld de Purana’s wordt bovendien gezegd dat het eerste voortbrengsel van akasa geluid is, en geluid betekent in dit geval het ‘woord’, de uitdrukking van de onuitgesproken gedachte, de gemanifesteerde logos, de logos van de Grieken en platonisten en van Johannes. Dr. Wilson en andere oriëntalisten beschouwen deze opvatting van de hindoes als een absurditeit, want volgens hen zijn akasa en chaos identiek. Maar als ze wisten dat akasa en pradhana slechts twee aspecten van hetzelfde zijn, en zouden bedenken dat mahat, de goddelijke ideatie op ons gebied, dat gemanifesteerde geluid of de logos is, dan zouden ze om zichzelf en hun eigen onwetendheid lachen.

Vr. Welk bewustzijn neemt, in verband met het hierna volgende fragment, kennis van tijd? Is het bewustzijn van tijd beperkt tot het gebied van het wakende fysieke bewustzijn, of bestaat het op hogere gebieden? In De geheime leer (1:66-7) wordt gezegd: ‘Tijd is alleen maar een illusie, gewekt door de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden op onze reis door de eeuwige duur; hij bestaat niet waar er geen bewustzijn is . . .’

Antw. Hier wordt alleen bewustzijn op ons gebied bedoeld, niet het eeuwige goddelijke bewustzijn, dat wij het absolute noemen. Bewustzijn van tijd, in de huidige betekenis van het woord, bestaat zelfs niet in de slaap; en daarom kan het nog veel minder bestaan in het essentieel absolute. Kan van de zee worden gezegd dat ze enig begrip van de tijd heeft in haar ritmische gebeuk tegen de kust, of in de beweging van haar golven? Er kan van het absolute niet worden gezegd dat het een bewustzijn heeft, in ieder geval niet een bewustzijn zoals wij dat hier hebben. Het heeft noch bewustzijn noch verlangen, wens noch gedachte, omdat het het absolute denken is, absoluut verlangen, absoluut bewustzijn, absoluut ‘al’.

Vr. Is het datgene waarnaar wij verwijzen met het begrip zijn-heid, of sat?

Antw. Onze vriendelijke critici vonden het woord ‘zijn-heid’ heel amusant, maar er is geen andere mogelijkheid om de Sanskrietterm sat te vertalen. Er wordt niet ‘bestaan’ mee bedoeld, want bestaan kan alleen van toepassing zijn op verschijnselen, nooit op noumena, want de etymologie van het Latijnse woord voor ‘bestaan’, existere, is daarmee in tegenspraak, want ex betekent ‘vanuit’ of ‘uit’, en sistere ‘staan’; het is daarom iets wat verschijnt en dan is waar het tevoren niet was. Bestaan houdt bovendien iets in wat een begin en een einde heeft. Hoe kan die term dan worden toegepast op dat wat altijd was, en waarvan niet kan worden gezegd dat het ooit uit iets anders is voortgekomen?

Vr. De Hebreeuwse Jehovah was ‘Ik ben’.

Antw. Dat was ook het geval met Ormuzd, de Ahura-Mazda van de oude mazdeeërs. In die zin kan ieder mens, evengoed als elke god, zich op zijn bestaan beroemen, en zeggen ‘Ik ben die ik ben’.

Vr. Maar er is toch een verband tussen ‘zijn-heid’ en het woord ‘zijn’?

Antw. Ja maar ‘zijn-heid’ is niet het zijn, want het is evengoed het niet-zijn. We kunnen het niet bevatten, want ons verstand is eindig en onze taal is veel beperkter en meer aan voorwaarden gebonden dan onze denkvermogens. Hoe zouden we dus iets onder woorden kunnen brengen dat we ons slechts kunnen voorstellen door een reeks ontkenningen?

Vr. Een Duitser zou het gemakkelijker kunnen uitdrukken met het woord ‘sein’. ‘Das Sein’ zou een heel goed equivalent zijn voor ‘zijn-heid’. Deze uitdrukking klinkt misschien belachelijk in de oren van iemand die het voor het eerst hoort, maar ‘das Sein’ is voor een Duitser een volkomen vertrouwd woord en begrip. Maar we spraken over bewustzijn in ruimte en tijd.

Antw. Dit bewustzijn is eindig, omdat het een begin en een einde heeft. Maar wat is de term voor zo’n eindig bewustzijn dat als gevolg van maya denkt oneindig te zijn? Zelfs iemand in devachan is zich niet bewust van tijd. Alles is aanwezig in devachan; daar is geen verleden, anders zou het ego het zich herinneren en het betreuren; er is geen toekomst, of het ego zou deze willen kennen. Omdat devachan een toestand van gelukzaligheid is waarin alles in het nu is, zegt men dat degene die in devachan verblijft geen idee van tijd heeft; voor hem is alles als in een levendige droom, een werkelijkheid.

Vr. Maar in een droom kunnen we in een halve seconde een heel leven doormaken en ons bewust zijn van een opeenvolging van bewustzijnstoestanden, van gebeurtenissen die na elkaar plaatsvinden.

Antw. Alleen na de droom; zo’n bewustzijn bestaat niet terwijl men droomt.

Vr. Kunnen we de herinnering aan een droom niet vergelijken met iemand die een beschrijving geeft van een schilderij, en die alle onderdelen en details daarvan moet opnoemen, omdat hij niet het geheel voor het geestesoog van de luisteraar kan brengen?

Antw. Dat is een heel goede analogie.


Een toelichting op De Geheime Leer, blz. 3-18

© 2022 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag