Theosophical University Press Agency

pagina achteruit Inhoudsopgave pagina vooruit

De holle aarde. Door M.L. Sherman1

[‘The Hollow Globe. By M.L. Sherman’, The Theosophist, juli 1884, blz. 251-4]

1. Noot vert.: Boekbespreking van The Hollow Globe; or the World’s Agitator and Reconciler. A treatise on the physical conformation of the earth. Een boek dat volgens de titelpagina werd gechanneld door M.L. Sherman en geschreven door prof. W.F. Lyon.

We laten het punt van de veronderstelde oorsprong van dit boek als een bericht van een geest (de ‘geest’ was misschien een ‘adept’) even buiten beschouwing; de centrale gedachte ervan is dat onze aardbol is gebouwd in de vorm van een holle bol, met een korst van ongeveer 50 to 65 km dik, en dat het binnenoppervlak – een mooie wereld die in een hoger ontwikkelde toestand verkeert dan de buitenkant – bereikbaar is via een gekromd en spiraalvormig gat, dat kan worden gevonden in de nog niet verkende open Poolzee. In deze opening kan gemakkelijk worden genavigeerd door een breed en diep kanaal dat van het ene oppervlak naar het andere leidt, en de grootste schepen of stoomboten kunnen even gemakkelijk in beide richtingen varen als in elk ander bochtig of kronkelig kanaal.

Omdat de schrijver het binnenste van deze innerlijke wereld niet zelf heeft gezien, maar zijn details baseert op helderziende waarnemingen, en omdat tot nu toe geen enkele poolexpeditie de pool heeft bereikt – hoewel sommige expedities er dichtbij kwamen, en niets hen ervan leek te weerhouden die te bereiken, behalve misschien een of andere occulte kracht – kan de schrijver niet positief bewijzen dat de aardbol hol is en bewoond, maar hij doet dit negatief door te bewijzen dat het niet anders kan.

Hij toont eerst aan dat elke belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis in de juiste volgorde en op de juiste tijd en plaats heeft plaatsgevonden, in een regelmatige opeenvolging. Ze konden onmogelijk eerder plaatsvinden, of langer worden uitgesteld. Elke gebeurtenis was precies in overeenstemming met de toestand van de mens in de periode waarin deze zich voordeed. Buskruit, stoomschepen, drukpersen en elektrische telegrafie waren uitvindingen die voortvloeiden uit de tijd waarin ze noodgedwongen in het leven werden geroepen. Toen katholieke macht en intolerantie in heel West-Europa overheerste, was een onbekende jonge zeeman diep onder de indruk van een denkbeeld dat uiteindelijk leidde tot de ontdekking van wat een nieuwe wereld werd genoemd. Naarmate de landen in het oosten overbevolkt raakten, ging men zich steeds vaker vestigen in nieuwe westerse landen, en rolde de steeds grotere golf van emigranten gestaag verder van Centraal-Azië via het Europese continent en dan over de Atlantische Oceaan naar de oostkust van Amerika, door grote vlakten en woestijnen en over steile bergketens, tot ze het ruime water van de Stille Oceaan bereikte, met een dichtbevolkt land aan de overkant.

Evenals revoluties beweegt emigratie zich nooit achteruit. Als ze niet meer verder naar het westen kan dan moet ze zich naar het noorden en zuiden verspreiden. De aankoop van Russische bezittingen in Noord-Amerika door de Verenigde Staten is al een voorbode van de komende emigratie naar het noorden. Alaska lijkt het toekomstige station halverwege tussen Amerika en de Noordpool te zijn, waar grote scheepvaartroutes, die niet ver in de toekomst zullen worden geopend, hun voorraden steenkolen zullen inladen. Bij het huidige tempo van de bevolkingsgroei zal Amerika binnen 100 jaar een bevolking van meer dan 400 miljoen hebben en zal nieuw grondgebied moeten worden gevonden om hen te huisvesten. Zo’n gebied zal worden gevonden door de warme Kuroshio stroom van de Stille Oceaan door de Beringstraat naar de open Poolzee te volgen.

Na eenmaal te zijn doorgedrongen tot de koude zone, vinden we daar een oceaan van zo’n 1900 km in diameter met een gematigd klimaat. De mens lijkt onweerstaanbaar daartoe te worden aangetrokken, want ondanks alle mislukkingen, vooral veroorzaakt door ernstige blunders van wetenschappers, zullen poolexpedities worden voortgezet, totdat we uiteindelijk erin zullen slagen de betoverde cirkel te betreden die wordt begrensd door een bevroren zone van zo’n tien breedtegraden, in het algemeen van 70 tot 80 graden. Binnen deze cirkel kan het klimaat voor zijn temperatuur niet in hoge mate afhankelijk zijn van de wisselende seizoenen in het gebied ten zuiden van de ijsgordel die haar omringt, want als het daarvan afhankelijk zou zijn, zou het voor eeuwig opgesloten blijven in de bevroren omhelzing van uitgestrekte ijsvelden die van jaar tot jaar en van eeuw tot eeuw zouden groeien.

Die grote ijsformaties zouden natuurlijk de gematigde breedte zijn binnengedrongen, en zo hun gebied en diepte vergroten, totdat al het water aan het aardoppervlak daarheen zou zijn aangetrokken om de gletsjers van de Arctische gebieden te laten aangroeien. Alle invloeden van onder andere de zon die in de gematigde zone optreden, zouden de ramp niet hebben kunnen voorkomen, als de grote toezichthoudende geest het niet anders had bepaald door deze bol zo te organiseren dat er aan de pool ook een gematigd klimaat zou bestaan. Dit maakt een open Poolzee tot noodzaak, en het lijkt nogal vreemd dat zeelieden die nooit zijn opgevaren. Sommigen van hen verklaren dat niets zichtbaars hen in de weg stond, want zover ze met hun ogen of met een verrekijker naar het noorden konden zien, was de weg open. Er waren geen belemmeringen, maar ze gingen niet verder. Een of andere onverklaarbare reden verhinderde die mensen om verder te gaan terwijl de weg voor hen openlag, en heeft hun opvolgers verhinderd om een open vaarroute te vinden, en het grote geografische raadsel van onze aardbol is nog steeds onopgelost, en wacht daarvoor op een Columbus.

Kapitein Parry zag in 1810 geen zichtbare tekenen van ijs op de hoogste breedtegraad die hij had bereikt; Wrangle zag in 1820, ver ten noorden en oosten van de Beringstraat, geen ijs verschijnen, maar om verschillende vreemde redenen hebben deze zeelui hun expedities niet voortgezet. Walvisvaarders en anderen houden vol dat ze de open Poolzee hebben gezien, en de Kuroshio en de Golfstroom zijn duidelijke bewijzen voor het bestaan ervan. Zijn gematigde klimaat kan worden toegeschreven aan de longitudinale elektromagnetische stromen, die samenkomen in een gemeenschappelijk brandpunt op of nabij de pool en daar de aardkorst binnengaan. Deze convergerende werking, die door het water of de meer vaste aarde heengaat naar het binnenoppervlak, moet noodzakelijkerwijs een aanzienlijke hoeveelheid warmte opwekken, ongetwijfeld voldoende om bevriezing van het water van de hele poolcirkel te voorkomen.

De verdedigers van de theorie dat het binnenste van de aarde uit een gloeiende gesmolten massa bestaat, beschrijven haar als een enorme granaat, boordevol met gesmolten lava, omgeven door een korst van 40 tot 100 km dik. Ter ondersteuning van hun standpunten vertellen ze ons dat de temperatuur stijgt naarmate we omlaaggaan in de aarde, over de vorming van graniet als stollingsgesteente, over de veronderstelde invloed van heet water op de lagere sedimentaire gesteenten, over de grote omvang van het gebied dat door aardbevingen wordt getroffen, over de grote hoeveelheid lava die wordt uitgespuwd door vulkanen en over de voortdurende activiteit daarvan.

Een belangrijk argument voor het bestaan van deze wetenschappelijke hel was de stijging van de temperatuur naarmate we dieper in de aarde doordringen, in het algemeen ongeveer één graad per 15 of 20 meter; maar het is gebleken dat in diepe peilingen van de oceaan het water kouder werd naarmate het de zeebodem naderde. De oceaan heeft ons toegang gegeven tot een punt 11.000 meter dichter bij deze vreselijke denkbeeldige oven, maar die enorme diepte gaf geen enkele aanwijzing voor een stijgende temperatuur. Onlangs is in de stad St. Louis, Missouri, een put geboord tot een diepte van 1171 m, en daardoor is het vraagstuk van het toenemen van de temperatuur voor eens en altijd opgelost. Deze boring bevestigde de theorie van de inwendige warmte niet, maar bewees precies het tegenovergestelde, en vestigde de theorie van inwendige kou. In plaats van onder onze voeten de meest actieve en gevaarlijke stoffen te plaatsen, die voortdurend verstoringen veroorzaken, heeft de toezichthoudende intelligentie daar de meest inactieve geplaatst, die stil zouden liggen. Het bleek bij het boren van die put dat de warmte toenam tot een diepte van 923 m, waar de temperatuur 107 °F was. Daarna begon ze af te nemen en op 953 m was er een temperatuur van 106°, en op 1166 m daalde de thermometer naar 105°. In dit tempo komen we op een diepte van ongeveer 14 km op een temperatuur iets onder 0 °F. Nog dieper zullen we ongetwijfeld constateren dat de fundamenten van deze bol in een bevroren passieve toestand verkeren waardoor ze stil liggen, zodat alle grote voorbestemde veranderingen op en nabij het oppervlak, waarin is voorzien in het grote plan van het verleden en de toekomst van de geschiedenis van de wereld, kunnen plaatsvinden.

Als we een bol van 2 m in diameter construeren, in plaats van 12.800 km, met een korst van 1 cm dik, dan zouden we de relatieve verhoudingen van het binnenste van de aarde en haar korst hebben zoals die door onze vuurfilosofen wordt gegeven. Dan plaatsen we vloeibaar vuur van 7000 °F in het binnenste, en volgens prof. Hitchcock is dat voldoende om al het materiaal van de rotsen te laten smelten; en er is geen intelligent persoon die niet tot de conclusie zou komen dat de korst zelf al snel een vloeibare massa zou worden, omdat de hele inhoud ervan slechts 1⁄35 van het volume van het vuur binnenin is.

Men kan zich moeilijk een denkbeeld voorstellen dat voor ons weerzinwekkender en verschrikkelijker is dan de gedachte dat het enorme binnenste van onze aardbol, dat gemakkelijk zo groots en mooi had kunnen worden ingericht, en het schitterende doel van het voortbrengen en onderhouden van de menselijke intelligentie had kunnen dienen, zo jammerlijk is bedorven door het tot de rand te vullen met gloeiende lava.

We onderbreken de beschouwing van de veronderstelde vorming van graniet als stollingsgesteente, en komen bij die periode waarover gezegd wordt dat als gevolg van grote inwendige warmte het aardoppervlak een prachtige weelderige plantengroei van gigantische proporties voortbracht, zoals enorme boomvarens, calamites, sigillaria en allerlei plantensoorten die hun fossiele resten hebben achtergelaten bovenop het devoon en direct onder de steenkoolformaties. Deze immense flora werd gevonden bovenop een zeer uitgebreide formatie die weer ligt boven andere fossielhoudende rotsen waarin organische levende wezens ontelbare eeuwen hebben geleefd voordat deze plantengroei er was.

Het voortbrengen van de uitgebreide plantengroei is hier niet het probleem, maar de benodigde hoeveelheid warmte uit de inwendige bron om deze bossen om te zetten in bitumineuze steenkool en antraciet, terwijl planten en dieren toch blijven bestaan. Een warmte die voldoende is om zelfs houtskool voort te brengen, zou niet als bevorderlijk worden beschouwd voor hun ontwikkeling, en het is duidelijk dat deze levensvormen vele eeuwen vóór de steenkoolperiode bestonden en floreerden – iets waarvan alle paleozoïsche gesteenten getuigen. Nadat de korst zover is afgekoeld dat planten en dieren kunnen worden voortgebracht, zou het daarna vele eeuwen lang onmogelijk zijn om zoveel warmte te ontwikkelen dat de hele wereld een grote kolenmijn wordt. De oorzaken van de grote kolenvelden die nu onze fabrieken, stoommachines en woningen van brandstof voorzien, moeten in een andere richting worden gezocht, die door de schrijver wordt toegelicht, maar die we door ruimtegebrek hier niet kunnen bespreken.

Men neemt aan dat vulkanen ventilatiegaten of schoorstenen zijn die van het aardoppervlak naar het grote vuur in haar binnenste reiken, die fungeren als veiligheidskleppen waardoor een teveel aan gassen of gevaarlijke elementen kunnen ontsnappen. Niemand zal ontkennen dat een bol van gesmolten lava, met een oppervlakte van bijna 520.000.000 km², een temperatuur van ruim 7000 °F en alleen omsloten door een tere korst van ongeveer 65 km diep, op zijn minst alle open schoorstenen die ons in de vorm van actieve vulkanen op de wereld bekend zijn, nodig zou hebben. Maar deze actieve vulkanen zijn noch talrijk, noch gelijkmatig over de aarde verdeeld, en de verstoorde en explosieve elementen zijn op een dag misschien niet bereid om veel moeite te doen om een deel van de buitenwereld van dienst te zijn.

Een bekwame maar excentrieke geoloog vertelt ons dat een groot deel van de actieve vulkanen zijn gedoofd doordat de zee in de krater is gestroomd en het vuur heeft geblust. Om te laten zien dat hij het meent, suggereert hij dat er in New England mensen zijn die, voor een passende vergoeding, een ondergrondse tunnel zouden willen boren van de Middellandse Zee naar de Vesuvius, om voldoende water naar binnen te laten om dat helse monster uit te doven. Hij lijkt dus op een onbekwame machinist die op de veiligheidsklep van zijn machine zit om de druk van de stoom te verhogen. Als de theorie dat het binnenste van de aarde uit een gloeiende gesmolten massa bestaat juist is, dan kunnen we elk moment verwachten dat onze aardbol aan stukken zal worden gescheurd doordat een wetenschapper een blunder begaat.

Maar gelukkig bevinden we ons niet in zo’n precaire situatie. Er zijn andere en betere redenen om het bestaan van vulkanen en aardbevingen te verklaren. Ons wordt verteld dat vulkanen grote hoeveelheden dichte rook met afschuwelijke vlammen en massa’s as, slakken, modder, stoom, zand, gruis, rotsblokken van verschillende afmetingen, en lava uitbraken; en het is nogal opmerkelijk dat de lava niet volledig is gesmolten. Deze materialen moeten afkomstig zijn van afzonderlijke reservoirs, waar ze zich respectievelijk bevonden; ze konden niet zijn aangevoerd vanuit een plek waar zulke materialen niet bestaan, en we zien vaak dat wanneer zulke reservoirs zijn uitgeput, de berg in elkaar zakt in de lege ruimte die zo is ontstaan. Bovendien zijn veel van de uitgestoten stoffen brandbaar. Waarom zijn ze niet verbruikt bij een temperatuur van misschien wel 10.000°? Rook en sintels zijn het gevolg van de verbranding van organische stoffen, en er kan beslist geen organische substantie bestaan bij een temperatuur die granieten rotsen doet smelten. Deze stoffen moeten het resultaat zijn geweest van evolutie nadat het graniet werd gevormd. Ook kon daar geen water of modder zijn geweest.

De kracht die stenen tot wel 1800 m boven de top van Cotapaxi uitstoot, die bijna 5500 m hoog is, moet noodzakelijkerwijs worden ondersteund door iets dat vaster is dan een vloeibare bol van gesmolten graniet, want de explosieve kracht in een vulkaan moet op dezelfde manier werken als in een kanon; ze moet een stevige basis hebben om de terugslag te kunnen opvangen. Het is daarom duidelijk dat de oorsprong van vulkanen moet worden gezocht in de grote vuren die worden aangestoken in holtes in het binnenste van de aardkorst, en zulke holtes zijn ontdekt. Maar deze holtes hebben een stevige bodem, en ver daaronder bevindt zich het gebied van ongestoorde rust. De oorzaken van vulkanen zijn te vinden in de oliehoudende gesteenten, die volgens Prof. Denton een grote dikte en enorme omvang hebben, en sommige oliehoudende schalielagen zijn zo rijk dat er uit één ton 250 liter olie kan worden gedestilleerd.

Zoals de theorie over de gloeiende binnenkant van de aarde het bestaan van vulkanen niet kan verklaren, evenzo biedt ze geen verklaring voor aardbevingen. Als aardbevingen worden veroorzaakt door het beven van een inwendige bol van gesmolten lava, waarom komen ze dan niet gelijktijdig over het hele aardoppervlak voor? Waardoor worden ze in hun omvang beperkt? De ruimte belet ons om een gedetailleerde beschrijving van de oorzaken van aardbevingen te geven die door verschillende schrijvers worden genoemd, en die door hun absurditeit eerder amusant dan leerzaam zijn. Sommigen zeggen dat er zich enorme holtes bevinden tussen de golvende vurige massa en de daarop liggende korst, en dat er door een of andere dreigende oorzaak grote rotsblokken die miljoenen tonnen wegen, loskomen en in de kokende stroom eronder vallen, waarin ze naar het middelpunt van de aarde zinken, omdat het soortelijk gewicht van vast graniet groter is dan dat van een homogene gesmolten massa van hetzelfde materiaal.

Maar als dat zo is, hoe kon de vaste granieten korst dan ooit zijn gevormd, en zou in dat geval het binnenste van de hele aardbol niet vast moeten zijn, en de buitenkant vloeibaar vuur? Maar zonder op de details van zulke dwaasheden in te gaan, vinden we in de buitenste korst voldoende inherente krachten om alle oppervlakkige bevingen en trillingen te verklaren die ooit hebben plaatsgevonden. Wanneer de elektromagnetische stromen van onze aarde beter worden onderzocht, zullen ook de oorzaken van aardbevingen worden begrepen, evenals de oorzaken van donder en bliksem in de atmosfeer die niet langer onbekend zijn.

De schrijver spreekt vervolgens over de positieve en negatieve, mannelijke en vrouwelijke, stoffelijke en spirituele elementen en krachten. Hij laat zien dat ze het mineralen-, planten- en dierenrijk van onze wereld doordringen. Hij zegt dat er een andere kracht bestaat, sterker dan elektriciteit, die hij aura noemt, en waarvan we aannemen dat deze overeenkomt met het akasa van de occultisten. Als deze krachten niet zouden voortbestaan, zou onze wereld ophouden met draaien en zou beweging worden veranderd in inactiviteit. We moeten in gedachten houden dat deze tegengestelde elementen alle dingen doordringen, en dat al eeuwig hebben gedaan. De krachten die vooraf bestonden en vorm gaven aan de opeenhoping van gematerialiseerde deeltjes, kunnen, omdat ze voor ons onzichtbaar zijn, misschien terecht de spirituele essenties (elementalen) worden genoemd die in alle vormen van de stof bestaan, door middel waarvan ze zich voor ons zichtbaar maken. En als zulke krachten afzonderlijk en onafhankelijk van de zichtbare stoffelijke vormen kunnen bestaan, dan volgt daaruit dat zulke vormen of verzamelde atomen niet bijdragen aan de oorspronkelijke kracht van de voorafbestaande spirituele krachten.

Dus alle vormen of combinaties van stof moeten een spirituele (elementaire) essentie hebben gehad, die fungeerde als een vooraf bepaalde oorzaak voor het voortbrengen van de vorm, en als dat zo is, moet er een spirituele essentie of vorm zijn geweest van de wereld die we bewonen, die alle krachten bevat die nu daarin bestaan; en de deeltjes die onze wereld samenstellen hebben hun respectieve plaatsen ingenomen in overeenstemming met deze voorafbestaande krachten, en deze krachten werden bestuurd en geleid door een intelligente macht in een spirituele toestand, die wil uitoefent.

Magnetisme en elektriciteit zijn de twee grote positieve en negatieve krachten in de natuur. Ze zijn actief in alle substanties en komen voort uit het mineralenrijk. Het oorspronkelijke graniet bevat alles wat er in het heelal bestaat. Daarom zal het moeilijk zijn om de scheidslijn tussen stof en kracht te vinden; want beide zijn één en hetzelfde ondeelbare element (de positieve en negatieve polen van één eeuwig beginsel). De aura is duidelijk een element dat een heel nauwe relatie heeft met de bovengenoemde krachten, en omdat ze veel meer gesublimeerd van aard is, speelt ze verschillende rollen waar de magnetische en elektrische fluïden machteloos zouden zijn. Laatstgenoemde werken op een lager gebied, maar er zijn hogere taken die om meer verfijnde en etherische vermogens vragen. Men weet al lang dat het menselijk organisme is doortrokken van een element dat zenuwaura of odylische kracht wordt genoemd, die in de hersenen werkt en zich uitstrekt tot in de verste uithoeken van het fysieke lichaam. Deze etherische essentie is het voortbrengsel van het elektromagnetische fluïdum, en vertoont haar glorie vaak in de poolstreken van dit halfrond en staat bekend als de aurora borealis.

De schrijver bespreekt deze verschillende krachten en hun wisselwerkingen uitvoerig, en maakt ons geleidelijk bekend met het terrein van het leven. Hij laat zien dat waar gevolgen zijn voortgebracht, overeenkomstige oorzaken moeten zijn geweest om ze voort te brengen. Hij laat zien dat de wet van de eeuwige vooruitgang de hele natuur doordringt, en dat in de loop van eeuwen onze stoffelijke wereld meer verfijnd zal worden en de geschikte verblijfplaats zal zijn voor een hoger ontwikkelde mensheid. Hij onderzoekt de aard van de zwaartekracht, en toont aan dat ze slechts de zwakke arm is van die universele elektromagnetische krachten die de hele natuur doordringen. De zwaartekracht is geen reiziger die zich van planeet naar planeet haast om hemellichamen uit hun voorbeschikte baan te trekken. Ze is slechts een lagere kracht die inherent is aan de stof en een beperking daarvoor, die wordt veranderd, tegengewerkt en tenietgedaan door hogere krachten, zoals we elke dag zien bij de groei van planten en dieren, het opstijgen van damp, enz.

Elke stoffelijke samenklontering en elk moleculair organisme heeft een voorafbestaande elementaire vorm, en elke elementaire vorm heeft de inherente krachten in zich om de grovere materialen aan te trekken, door middel waarvan ze zich manifesteert aan het gezicht van de mens. Stof trekt stof aan, en er bestaat een sympathische band tussen de hemellichamen van de ruimte. Maar de vermogens die ten onrechte aan de zwaartekracht zijn toegeschreven, behoren tot de elektromagnetische invloeden, en de zwaartekracht kan niet bestaan totdat er een onderlinge band is gevormd tussen twee stoffelijke lichamen, waarbij de een blijkbaar invloed uitoefent op de ander als gevolg van een grotere omvang en dichtheid. Het grotere lichaam trekt het kleinere aan, en bij de zwaartekracht kan evenmin sprake zijn van een bijzonder geometrisch centrum van aantrekking als bij cohesie, want die kracht ligt in de algemene richting van de grootste opeenhoping van deeltjes, zoals blijkt uit experimenten met een slinger in de buurt van bergen.

Alle weegbare stoffen worden vastgehouden op het oppervlak van onze bol, of het nu een vaste bol is met maar één buitenoppervlak, of een bolvormige korst met zowel convexe als concave oppervlakken. Als u op het binnenoppervlak van de bolvormige korst van onze aardbol staat, staat u, wat de zwaartekracht betreft, evengoed op de bovenkant als wanneer u op de buitenkant van een vaste bol zou staan. Er zijn geen redenen om het geometrisch middelpunt van onze bol te beschouwen als een centraal bewegend punt van waaruit de zwaartekracht zou werken; en dat is evenmin het geval voor elk ander punt in de ruimte. Evenmin kan de veronderstelde zwaartekracht van de maan de oorzaak van de getijden zijn, zo legt de schrijver uit.

De schrijver onderzoekt vervolgens de aard van de zon, en toont aan dat de zon niet een vurige massa van gesmolten stof kan zijn. Hij onderzoekt de bronnen van licht en bewijst dat de emanatietheorie onjuist is, en dat de golftheorie alleen standhoudt binnen de grenzen van onze atmosfeer. Al deze theorieën stuiten op talloze problemen, maar als we terugvallen op de ontwikkelingstheorie, vinden we een harmonische verklaring. Alle bollen moeten hun carrière in een zwakke, kinderlijke toestand zijn begonnen, wat licht en warmte betreft, en zich heel geleidelijk uit die toestand ontwikkelen naar een meer gevorderd stadium, en daarom ontvangen alle bollen of planeten in al hun verschillende situaties precies zoveel als ze nodig hebben, en niet méér dan overeenkomt met hun verschillende omstandigheden.

De ontwikkeling van hun inherente krachten is zodanig dat ze de zonne-invloeden wijzigen, en deze zonne-invloeden worden eenvoudig veroorzaakt door de elektromagnetische betrekkingen tussen deze bollen en de zon. In de zon zien we een ontvouwing van die inherente krachten die wij bezitten, en altijd in latente toestand hebben bezeten, en die ons uiteindelijk minder afhankelijk zullen maken van die grote dagster, want we ontwikkelen dezelfde krachten die in al hun pracht en glorie in de zon bestaan. En als we erkennen dat we ons op een of andere manier hebben ontvouwd, dat we een deel van de weg hebben afgelegd van de elektrische toestand van de pasgevormde maan naar de schitterende magnetische glorie van de volledig ontwikkelde zon, wat zal ons dan beletten om de hele afstand af te leggen en zoals de zon volledig te vertrouwen op onze eigen bronnen van licht en warmte? Er kan geen twijfel over bestaan dat de wijsheid en kracht die het hele zonnestelsel tot stand hebben gebracht, uiteindelijk de middelen kunnen verschaffen voor de verlichting en opwarming van elke afzonderlijke planeet, want ze hebben precies dezelfde elementen in zich die de zon bevat.

Elektriciteit staat voor kou en inactiviteit. Magnetisme is een synoniem voor leven, warmte, en activiteit. Wanneer het negatieve element in enige mate wordt doordrongen met het positieve, dan verandert het en komt tot ontwikkeling; want het positieve en het negatieve, die mannelijk en vrouwelijk zijn, reproduceren zichzelf of wat met hen overeenkomt, en telkens wanneer de twee elementen met elkaar in contact komen, begint vanaf dat moment de verandering en ontwikkeling. Dus als werelden in een kinderlijke toestand verkeren en volledig elektrisch en negatief zijn, dan kan er weinig van het magnetische of positieve element in hen zijn waarmee de grote bron en het hoofd van die krachten zich kan verbinden om die activiteiten en wrijvingsprocessen voort te brengen die resulteren in warmte en licht. Daarom zien we dat Mercurius die jonger en minder ontwikkeld is, natuurlijk meer elektrisch is en meer koude, duisternis en inactiviteit heeft, en minder positieve actieve elementen heeft om af te stemmen op die in de zon; maar ze heeft een voordeel door haar afstand, en dat feit helpt om haar licht en warmte aan haar toestand aan te passen, en de kwantiteit en de kwaliteit van het licht, en ook van de warmte, hangt vrijwel uitsluitend af van de omstandigheden op de verschillende planeten.

De enige reden waarom duisternis ontstaat aan die kant van onze aarde die van de zon is afgewend, is eenvoudig omdat de positieve actieve elementen van het magnetisme en de aura, enz., niet voldoende ontwikkeld zijn om de noodzakelijke processen voort te brengen onafhankelijk van de stimulerende invloed van de krachten die zich in de zon bevinden. Maar over een miljard jaar of nog later, als de baan van onze aarde zich zal uitstrekken tot voorbij die van Jupiter nu, en de jaarlijkse baan van de aarde twaalf van onze jaren zal duren in plaats van één, zullen de elementen op deze aardbol die nu zwak licht voortbrengen, zijn ontwikkeld tot die toestand waarin ze de kracht bezitten om aan elke kant en op elke breedtegraad de nodige verlichting te verschaffen. Dit is reeds het geval bij andere hoger ontwikkelde planeten. Uranus en Neptunus zouden, volgens de op aarde bestaande omstandigheden, slechts eenmaal in respectievelijk 84 en 164 jaar een verandering van het seizoen kunnen ervaren, en deze veranderingen moeten op die planeten daarom onafhankelijk van zonne-invloeden plaatsvinden.

Als alle elementen van licht en warmte op onze aarde bestaan, en als op basis van analogieën in de natuur wordt aangetoond dat de binnenkant van onze aardkorst verder is ontwikkeld dan de buitenkant, dan zal voor het probleem van de verlichting en verwarming van het binnenoppervlak van de aardkorst een eenvoudige oplossing worden gevonden. Bovendien worden licht en duisternis als waarneembare toestanden op onze aarde door de bijzondere aard van de bouw van onze ogen op die manier aan ons kenbaar gemaakt en zijn ze slechts relatief. Een toekomstige mensheid in een hoger ontwikkelingsstadium zal afhankelijk zijn van hogere omstandigheden die we niet kunnen begrijpen, omdat we die niet hebben ervaren; hoewel ze in die prachtige wereld die door de sterfelijke mens nog niet is verkend, misschien toch allemaal bestaan.

Ons gehele fysieke organisme hebben we meegekregen van deze aarde; de aarde is onze moeder, zowel mannelijk als vrouwelijk, vader en moeder, en er kan niets in ons fysieke organisme bestaan dat niet op aarde bestaat. We kunnen de aarde dus in zekere zin beschouwen als een levend wezen van enorme afmetingen. Ze heeft functies analoog aan die van zo’n wezen, dezelfde inherente krachten van beweging, om haar as en rond de zon. Wij hebben een netwerk van elektrische draden in ons gestel, die ons zenuwstelsel vormen; de aarde heeft elektromagnetische stromen die in alle richtingen gaan. Wij hebben een bloedsomloop, en evenzo heeft de aarde een circulatie van water door rivieren en getijden, en de wind is een actief instrument om te helpen bij de voortdurende veranderingen. Er zijn stromingen in de oceaan en ook in het inwendige van de aarde.

In een levend wezen zijn er stromen die voortdurend van en naar het binnenste gaan, door openingen die voor dat doel zijn gemaakt, en de grote ouder moet een soortgelijk organisme hebben, en moet in haar binnenste daarvan zijn voorzien, en dezelfde elementen en krachten die hier bestaan moeten daar bestaan. We genereren in onszelf de kracht door middel waarvan we onze bewegingen uitvoeren, en dat doet de aarde ook. Ze had niet de arm van een almachtig wezen nodig om de machinerie op gang te brengen met een eigenaardige soort kracht die in het hele heelal niet voorkomt, want het genie en de wijsheid die een eeuwigdurende beweging konden ontwerpen en zoveel eeuwen lang door natuurlijke oorzaken gaande konden houden, moeten bekwaam genoeg zijn geweest om krachten aan te wenden om die machinerie op een natuurlijke manier op gang te brengen.

Het binnenoppervlak van de aarde, dat in een verder ontwikkelde staat verkeert dan de buitenkant, heeft zijn eigen licht kunnen voortbrengen volgens hetzelfde principe dat voor de hoger ontwikkelde planeten geldt, en het schouwspel van het noorderlicht dat men zo vaak vanuit de poolcirkel zag stralen, heeft tot dusver alle pogingen van de wetenschappers om het mysterie ervan te ontraadselen, verijdeld; terwijl een opening aan de pool, waardoor dit licht uitstraalt naar ons buitenoppervlak het verschijnsel volledig verklaart.

De opvattingen van de schrijver over de zonnevlekken, over de onzichtbare planeten die voorbij de baan van Uranus bestaan, en over de bouwers van de wereld, zijn onlangs tot op zekere hoogte bevestigd in sommige ‘Fragments of occult truth’ en andere leringen die in de Theosophist zijn gegeven, en daaraan is te zien dat ze uit dezelfde bron komen. Of dit nu wel of niet het geval is, ze vertonen ongetwijfeld een hoge mate van intelligentie, en hun conclusies zijn volkomen logisch; maar evenals andere werken van soortgelijke aard is dit boek verschenen vóór de wereld wijs genoeg was om het te begrijpen, en er zijn daarom maar relatief weinig mensen die het kennen en waarderen. De schrijver is nu een oude man, maar hij verwacht nog steeds (zo wordt ons verteld) om als één van de eersten het binnenste van de aarde te betreden via wat bekendstaat als het gat van Symmes, en we hopen dat hij dit zal doen, zo niet in zijn huidige incarnatie dan wel in de volgende, als lid van het zesde ras waarvan op dit buitenoppervlak van onze holle wereldbol al voorlopers zijn verschenen.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 403-15
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag