Het Theosofisch Genootschap

Zwaartekracht en antizwaartekracht

David Pratt

januari 2020

[Vertaling van Gravity and antigravity, oktober 2019]

Deel 1 van 2


Inhoud

Deel 1

Deel 2

5. Levitatie en technologie
6. Levitatie van de mens
7. Theosofische geschriften


1. Zwaartekracht en massa

Er wordt gezegd dat toen Isaac Newton rond 1665 een appel van een boom zag vallen, hij het idee kreeg dat de kracht die een appel naar de aarde trekt dezelfde is als die welke de maan in haar baan om de aarde houdt. De maan valt niet op de aarde omdat haar beweging om de aarde voor een tegenwerkende kracht zorgt. Als de maan zou ophouden om de aarde te draaien, zou de versnelling als gevolg van de zwaartekracht die ze zou ervaren aan het aardoppervlak 9,8 m/s² zijn – dezelfde als die welke wordt ervaren door een appel of een ander object in vrije val.

Newtons universele wet van de zwaartekracht stelt dat de zwaartekracht tussen twee lichamen evenredig is met het product van hun massa en omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand tussen hen. Om de zwaartekracht (F) te berekenen, worden hun massa’s (m1 en m2) vermenigvuldigd met de gravitatieconstante (G) en wordt het resultaat gedeeld door het kwadraat van de afstand (r) tussen de twee lichamen: F = Gm1m2/r².

Volgens de theorie van Newton is de zwaartekracht tussen twee of meer lichamen dus afhankelijk van hun massa. De zwaartekrachtversnelling van een aangetrokken lichaam is echter niet afhankelijk van zijn massa: als een tennisbal en een kanonskogel op hetzelfde moment uit een toren vallen, en als de luchtweerstand wordt genegeerd, zullen ze tegelijkertijd de grond raken. Dit wordt verklaard door middel van de tweede bewegingswet van Newton, die stelt dat de op een lichaam uitgeoefende kracht gelijk is aan de massa van het lichaam vermenigvuldigd met zijn versnelling (F = ma); dit houdt in dat als de massa twee keer zo groot is, de zwaartekracht ook twee zo groot is waardoor de valversnelling hetzelfde kan zijn.

Als Newtons twee krachtvergelijkingen worden gecombineerd (F = ma = Gm1m2/r²), kan men afleiden dat, om de vergelijking in evenwicht te brengen, de gravitatieconstante (G) de nogal merkwaardige dimensies m³/kg·s² moet hebben (volume gedeeld door massa vermenigvuldigd met tijd in het kwadraat).

Newton uitgedaagd

In haar boek Gravitational Force of the Sun1 bekritiseert Pari Spolter de orthodoxe theorie dat zwaartekracht evenredig is aan de hoeveelheid of dichtheid van inerte massa. Ze beweert dat er geen reden is om een term voor massa op te nemen in de beide krachtvergelijkingen. Ze wijst erop dat Newton de massa van de aarde en van de maan niet hoefde te weten of te schatten om uit het aarde-maanstelsel af te leiden dat de zwaartekracht een wet van het omgekeerde kwadraat volgt (d.w.z dat de sterkte ervan afneemt met het kwadraat van de afstand tot het aantrekkende lichaam). Het enige wat hij hoefde te weten was: de versnelling als gevolg van de zwaartekracht aan het aardoppervlak, de straal van de aarde, de omloopsnelheid van de maan, en de afstand tussen de aarde en de maan. En zoals reeds gezegd, de zwaartekrachtversnelling van een lichaam in vrije val is onafhankelijk van zijn massa – iets wat met een hoge mate van precisie is geverifieerd.2

Spolter verwerpt de tweede wet van Newton (F = ma) als een willekeurige definitie of conventie, en beweert dat het niet kracht is die gelijk is aan massa maal versnelling, maar gewicht. Haar vergelijking voor ‘lineaire’ kracht is F = ad (versnelling maal afstand). Haar vergelijking voor ‘circulaire’ kracht (inclusief zwaartekracht) is F = aA, waarbij a de versnelling is en A de oppervlakte van een cirkel met een straal gelijk aan de gemiddelde afstand tussen het centrale lichaam en het lichaam dat eromheen draait. Ze is van mening dat de versnelling als gevolg van de zwaartekracht afneemt met het kwadraat van de afstand, maar dat de zwaartekracht van de zon, de aarde, enz., hetzelfde is voor elk lichaam dat eromheen draait. In de theorie van Newton varieert de zwaartekracht daarentegen met zowel de massa van het lichaam in een baan als de afstand tot het centrale lichaam.

Spolters theorie bevat verschillende gebreken. Ten eerste is haar poging om een verband tussen kracht en massa te ontkennen niet overtuigend. Ze twijfelt niet aan de vergelijking voor de impuls van een lichaam (impuls = massa maal snelheid), maar een impuls met een herhalingsfrequentie vormt een kracht, die daarom niet onafhankelijk kan zijn van massa. Bovendien is gewicht een soort kracht, in plaats van een volledig opzichzelfstaand verschijnsel. Ten tweede wil Spolter ons laten geloven dat er twee soorten kracht en energie zijn – een lineaire en een circulaire – met verschillende dimensies: ze geeft ‘lineaire’ kracht de dimensies m² per s², terwijl ‘circulaire’ kracht de dimensies m³ per s² krijgt. Maar er is geen goede reden om twee vormen van kracht en energie te verzinnen en uniforme dimensies te verlaten.

Ten derde is het definiëren van ‘circulaire’ kracht op een zodanige manier dat de zwaartekracht van een ster of planeet exact hetzelfde blijft, ongeacht hoever we ervan verwijderd zijn, contra-intuïtief, zo niet absurd. Bovendien is het onterecht van Spolter om te zeggen dat haar vergelijking impliceert dat versnelling omgekeerd evenredig is met het kwadraat van de afstand. Als het waar zou zijn dat a = F/A, met kracht (F) evenredig met r³ (zie hieronder) en oppervlakte (A = πr²) evenredig met r², dan zou versnelling in feite recht evenredig zijn met r³/r² = r.

Spolter gelooft dat haar zwaartekrachtvergelijking het mysterie van Keplers derde wet van planetaire beweging oplost: deze wet stelt dat de verhouding tussen de derdemacht van de gemiddelde afstand (r) van elke planeet tot de zon en het kwadraat van haar omlooptijd (T) altijd hetzelfde getal is (r³/T² = een constante). Haar zwaartekrachtvergelijking kan worden herschreven als: F = 2²π³r³/T². Zoals elders wordt uitgelegd, is de factor 2²π³ volledig willekeurig, en Spolter heeft de echte betekenis van Keplers constante slechts verdoezeld.3

Zwaartekracht houdt niet in dat een bepaalde (gemiddelde) oppervlakte rond de zon wordt versneld, zoals Spolters vergelijking impliceert. Het gaat veeleer om een koppeling van de massa-energie van de zon en planeten, samen met hun bijbehorende zwaartekrachtenergie. En ze werkt niet door lege ruimte maar door een energetische ether – iets wat evenzeer ontbreekt in de fysica van Spolter als in de orthodoxe fysica (zie hoofdstuk 3). Zoals in de volgende hoofdstukken wordt aangetoond, hoeft de netto zwaartekracht niet direct evenredig te zijn met de inerte massa, omdat eigenschappen zoals spin en lading de zwaartekrachteigenschappen van een lichaam kunnen wijzigen.

Spolter stelt dat de rotatie van een ster, planeet, enz., op een of andere manier de zwaartekracht genereert en ervoor zorgt dat andere lichamen eromheen gaan draaien – een denkbeeld dat naar voren werd gebracht door de 17de-eeuwse astronoom Johannes Kepler.4 Maar ze reikt geen mechanisme aan om uit te leggen hoe dit zou kunnen werken, of wat ervoor zorgt dat een hemellichaam überhaupt roteert. Ze laat zien dat de gemiddelde afstand van opeenvolgende planeetbanen vanaf het centrum van de zon, of van opeenvolgende maanbanen vanaf het centrum van een planeet, niet willekeurig is, maar een exponentiële wet volgt. Dit geeft aan dat zwaartekracht op macroschaal gekwantiseerd is (d.w.z. alleen bepaalde voorkeurswaarden kan aannemen), net zoals elektronenbanen in een atoom op microschaal gekwantiseerd zijn. Er is ook geen algemeen aanvaarde theorie om dit belangrijke feit te verklaren.

The Devil’s Dictionary definieert zwaartekracht als: ‘De neiging van alle lichamen om elkaar te naderen met een kracht die evenredig is aan de hoeveelheid materie die ze bevatten, waarbij de hoeveelheid materie die ze bevatten wordt vastgesteld door de sterkte van hun neiging om elkaar te naderen.’5 Dat is de schijnbare cirkelredenering die ten grondslag ligt aan de standaard zwaartekrachttheorie. De cijfers die voor de massa’s en dichtheden van alle planeten, sterren, enz. worden gegeven, zijn zuiver theoretisch; niemand heeft er ooit een op een weegschaal geplaatst en gewogen. Men moet echter bedenken dat gewicht altijd een relatieve maat is, omdat een massa alleen kan worden gewogen in relatie tot een andere massa. Het feit dat waargenomen snelheden van kunstmatige satellieten overeenkomen met voorspellingen, wordt meestal beschouwd als bewijs dat de grondslagen van de theorie van Newton correct moeten zijn.

De massa’s van hemellichamen kunnen worden berekend met wat bekend staat als Newtons vorm van de derde wet van Kepler, die ervan uitgaat dat de constante verhouding van Kepler (r³/T²) gelijk is aan de inerte massa van het lichaam vermenigvuldigd met de gravitatieconstante gedeeld door 4π² (GM = 4π²r³/T²). Met deze methode blijkt de gemiddelde dichtheid van de aarde 5,5 g/cm³ te zijn. Omdat de gemiddelde dichtheid van de buitenste aardkorst 2,75 g/cm³ is, hebben wetenschappers geconcludeerd dat de dichtheid van de binnenste lagen van de aarde aanzienlijk moet toenemen met de diepte. Er zijn echter goede redenen om het standaard aarde-model in twijfel te trekken.6

Zwaartekrachtafwijkingen

De officiële (2018) waarde van CODATA voor de gravitatieconstante (G) is 6.67430 ± 0.00015 × 10-11 m3kg-1s-2. Hoewel de waarden van veel ‘fundamentele constanten’ tot op acht decimalen bekend zijn, verschillen experimentele waarden voor G vaak al na drie decimalen, en soms zijn ze het zelfs niet eens over de eerste; dit wordt beschouwd als een blamage in een tijd van grote precisie.1

Uitgaande van de juistheid van de zwaartekrachtvergelijking van Newton, kan G worden bepaald in experimenten van het Cavendish-type, door de zeer kleine afbuighoek te meten van een torsiebalans waaraan grote en kleine metalen bollen hangen, of de zeer kleine verandering in haar oscillatieperiode. Zulke experimenten zijn uiterst gevoelig en moeilijk uit te voeren. Elektrostatische aantrekking tussen de metalen bollen kan bijvoorbeeld de resultaten beïnvloeden: in één experiment waarbij de kleine massa platina met een dunne laag lak bedekt was, werden consistent lagere waarden van G verkregen.2 Variaties in de experimentele waarden van G hoeven niet te betekenen dat G zelf varieert; ze kunnen betekenen dat de lokale manifestatie van G, of de zwaartekracht aan het aardoppervlak (g), afhankelijk van omgevingscondities varieert. Wetenschappers hebben af en toe gespeculeerd of G wel echt constant blijft tijdens een heel lange periode, maar er is geen afdoend bewijs voor een geleidelijke toename of afname gevonden.3

In 1981 werd een artikel gepubliceerd dat aantoonde dat G-metingen in diepe mijnen, boorgaten en onder zee waarden gaven die ongeveer 1% hoger waren dan die welke momenteel worden aanvaard;4 en hoe dieper het experiment, des te groter de afwijking. Niemand schonk echter veel aandacht aan deze resultaten tot 1986, toen E. Fischbach en zijn collega’s de gegevens van een reeks experimenten van Eötvös in de jaren 20 van de vorige eeuw, die zouden hebben aangetoond dat zwaartekrachtversnelling onafhankelijk is van de massa of samenstelling van het aangetrokken lichaam, opnieuw analyseerden. Fischbach e.a. ontdekten dat er een consequente anomalie in de gegevens verborgen lag die was afgedaan als een willekeurige fout. Op basis van deze laboratoriumresultaten en de waarnemingen in mijnen, kondigden ze aan dat ze bewijs hadden gevonden voor een op korte afstand werkende en van de samenstelling afhankelijke ‘vijfde kracht’. Hun artikel veroorzaakte veel controverse en leidde tot een golf van experimentele activiteit in fysische laboratoria over de hele wereld.5

Bij de meeste experimenten kon geen bewijs worden gevonden voor een van de samenstelling afhankelijke kracht; bij één of twee gebeurde dat wel, maar dit wordt over het algemeen toegeschreven aan experimentele fouten. Verschillende eerdere onderzoekers hebben afwijkingen ontdekt die niet verenigbaar zijn met de theorie van de Newton, maar de resultaten zijn al lang vergeten. Charles Brush heeft bijvoorbeeld heel precieze experimenten uitgevoerd waaruit blijkt dat metalen met een hoog atoomgewicht en hoge dichtheid de neiging hebben om iets sneller te vallen dan elementen met een lager atoomgewicht en lagere dichtheid, ook al wordt dezelfde massa van elk metaal gebruikt. Hij meldde ook dat een constante hoeveelheid van bepaalde metalen aanzienlijk in gewicht kan worden veranderd door de fysieke toestand ervan te veranderen.6 Zijn werk werd door de wetenschappelijke gemeenschap niet serieus genomen, en de heel precieze techniek van vonkenfotografie die hij in zijn vrije-val-experimenten gebruikte, is nooit door andere onderzoekers gebruikt. Experimenten van Victor Crémieu toonden aan dat de zwaartekracht gemeten in water aan het aardoppervlak een tiende groter blijkt te zijn dan die berekend volgens de theorie van Newton.7

Onverwachte afwijkingen blijven opduiken. Mikhail Gersteyn heeft aangetoond dat ‘G’ met ten minste 0,054% varieert, afhankelijk van de oriëntatie van de twee testmassa’s ten opzichte van de vaste sterren.8 Gary Vezzoli heeft ontdekt dat de sterkte van zwaartekrachtinteracties varieert met 0,04 tot 0,05% als functie van de temperatuur, vorm en fase van een object.9 Donald Kelly heeft aangetoond dat als het absorptievermogen van een lichaam wordt verminderd door het te magnetiseren of elektrisch te laden, het met een snelheid van minder dan g tot de aarde wordt aangetrokken.10 Natuurkundigen meten g gewoonlijk op een gecontroleerde manier, waarbij men het absorptievermogen van lichamen niet van hun gebruikelijke toestand laat afwijken. Een team van Japanse wetenschappers heeft ontdekt dat een rechtsdraaiende gyroscoop iets sneller valt dan wanneer hij niet draait.11 Bruce DePalma ontdekte dat roterende objecten die in een magnetisch veld vallen een grotere versnelling hebben dan g.12

Zoals hierboven vermeld, zijn metingen van de zwaartekracht onder het aardoppervlak consequent hoger dan voorspeld op basis van de theorie van Newton.13 Sceptici gaan eenvoudig ervan uit dat daar verborgen gesteenten met een ongewoon hoge dichtheid aanwezig moeten zijn. Metingen in mijnen waar dichtheden goed bekend zijn, hebben echter dezelfde afwijkende resultaten opgeleverd, evenals metingen tot een diepte van 1673 meter in een homogene ijskap in Groenland, ruim boven het eronder liggende gesteente. Harold Aspden wijst erop dat in sommige van deze experimenten een soort kooien van Faraday rond de twee metalen bollen zijn geplaatst om ze elektrisch af te schermen. Hij stelt dat dit tot gevolg kan hebben dat er elektrische lading op de bollen wordt opgewekt en vastgehouden, wat op zijn beurt tot ‘vacuümspin’ (of beter gezegd etherspin) kan leiden, waardoor een instroom van etherenergie ontstaat die als overtollige warmte wordt afgegeven, resulterend in fouten van 1 of 2% bij metingen van G.14

Alle vrij vallende lichamen – zowel individuele atomen als macroscopische objecten – ervaren een zwaartekrachtversnelling (g) van ongeveer 9,8 m/s² nabij het aardoppervlak. De waarde van g varieert enigszins over de aarde omdat ze afwijkt van een volmaakte bol (door de equatoriale uitstulping en lokale topografie) en – in de conventionele theorie – door lokale variaties in de dichtheid van de korst en de bovenmantel. Men neemt aan dat deze ‘zwaartekrachtanomalieën’ volledig verklaarbaar zijn binnen de context van de theorie van Newton. De netto zwaartekracht is echter niet noodzakelijkerwijs evenredig met de inerte massa. In hoofdstuk 2 zal bewijsmateriaal voor zwaartekrachtafscherming, zwaartekrachtophefffing en antizwaartekracht worden behandeld.

Op basis van de theorie van Newton zou men kunnen verwachten dat de aantrekking van de zwaartekracht boven continenten, en met name bergen, groter zou zijn dan boven oceanen. In werkelijkheid is de zwaartekracht op de top van grote bergen kleiner dan verwacht op basis van hun zichtbare massa, terwijl deze boven oceaanoppervlakken onverwacht hoog is. Om dit uit te leggen, werd het begrip isostasie ontwikkeld: er werd gesteld dat 30 tot 100 km onder bergen gesteente met een lage dichtheid bestaat, waardoor ze omhoog drijven, terwijl 30 tot 100 km onder de oceaanbodem dichter gesteente bestaat. Deze hypothese is echter verre van bewezen. Natuurkundige Maurice Allais merkte op: ‘Er is een teveel aan zwaartekracht boven de oceaan en een tekort boven de continenten. De isostasietheorie bood hiervoor slechts een pseudoverklaring.’15

De standaard simplistische theorie van isostasie wordt tegengesproken door het feit dat in gebieden met tektonische activiteit verticale bewegingen vaak zwaartekrachtanomalieën versterken in plaats van het isostatische evenwicht te herstellen. De Grote Kaukasus, bijvoorbeeld, vertoont een positieve zwaartekrachtanomalie (gewoonlijk wordt dit toegeschreven aan overbelasting met extra veel massa), maar toch komt deze omhoog in plaats van dat ze daalt.

De zwaartekrachttheorie van Newton wordt uitgedaagd door verschillende aspecten van planeetbewegingen in ons zonnestelsel. De ringen van Saturnus vormen bijvoorbeeld een groot probleem.16 Er zijn tienduizenden ringen en ringetjes gescheiden door evenveel lege ruimtes waar materie ofwel minder dicht of zo goed als afwezig is. De mechanica van Newton lijkt niet in staat te zijn het complexe, dynamische karakter van de ringen te verklaren. De lege ruimtes in de asteroïdengordel vormen een vergelijkbare puzzel.

Verwijzingen

Newton uitgedaagd

  1. Pari Spolter, Gravitational Force of the Sun, Granada Hills, CA: Orb Publishing, 1993.
  2. Gravitational Force of the Sun, blz. 39-40, 141-7; ‘Equivalence principle passes atomic test’, physicsworld.com.
  3. Aetherometry and gravity: an introduction, hoofdstuk 10, davidpratt.info.
  4. Johannes Kepler, Epitome of Copernican Astronomy (1618-21), in Great Books of the Western World, Chicago: Encyclopaedia Britannica, Inc., 1952, deel 16, blz. 895-905.
  5. Ambrose Bierce, The Devil's Dictionary: Complete & unabridged, New York: Dover, 2011, blz. 111.
  6. Zie Mysteries of the inner earth, davidpratt.info.

Zwaartekrachtafwijkingen

  1. D. Kestenbaum, ‘The legend of G’, New Scientist, 17 jan. 1998, blz. 39-42; Vincent Kiernan, ‘Gravitational constant is up in the air’, New Scientist, 26 apr. 1995, blz. 18.
  2. Spolter, Gravitational Force of the Sun, blz. 117; Pari Spolter, ‘Problems with the gravitational constant’, Infinite Energy, 10:59, 2005, blz. 39.
  3. Rupert Sheldrake, Seven Experiments that Could Change the World, Londen: Fourth Estate, 1994, blz. 176-8.
  4. F.D. Stacey en G.J. Tuck, ‘Geophysical evidence for non-newtonian gravity’, Nature, deel 292, 1981, blz. 230-2.
  5. Seven Experiments that Could Change the World, blz. 174-6; Gravitational Force of the Sun, blz. 146-7.
  6. Charles F. Brush, ‘Some new experiments in gravitation’, Proceedings of the American Philosophy Society, deel 63, 1924, blz. 57-61.
  7. Victor Crémieu, ‘Recherches sur la gravitation’, Comptes Rendus de l’académie des Sciences, dec. 1906, blz. 887-9; Victor Crémieu, ‘Le problème de la gravitation’, Rev. Gen. Sc. Pur. et Appl., deel 18, 1907, blz. 7-13.
  8. Mikhail L. Gershteyn, Lev I. Gershteyn, Arkady Gershteyn en Oleg V. Karagioz, ‘Experimental evidence that the gravitational constant varies with orientation’, Infinite Energy, 10:55, 2004, blz. 26-8.
  9. G.C. Vezzoli, ‘Materials properties of water related to electrical and gravitational interactions’, Infinite Energy, 8:44, 2002, blz. 58-63.
  10. Stephen Mooney, ‘From the cause of gravity to the revolution of science’, Apeiron, 6:1-2, 1999, blz. 138-41; Josef Hasslberger, ‘Comments on gravity drop tests performed by Donald A. Kelly’, Nexus, dec. 1994-jan. 1995, blz. 48-9.
  11. H. Hayasaka e.a., ‘Possibility for the existence of anti-gravity: evidence from a free-fall experiment using a spinning gyro’, Speculations in Science and Technology, deel 20, 1997, blz. 173-81; keelynet.com/gravity/gyroag.htm.
  12. The Home of Primordial Energy (Bruce DePalma), depalma.pair.com; Jeane Manning, The Coming Energy Revolution: The search for free energy, NY: Avery, 1996, blz. 82-6.
  13. S.C. Holding en G.J. Tuck, ‘A new mine determination of the newtonian gravitational constant’, Nature, deel 307, 1984, blz. 714-16; Mark A. Zumberge e.a., ‘Results from the 1987 Greenland G experiment’, Eos, deel 69, 1988, blz. 1046; R. Poole, ‘‘Fifth force’ update: more tests needed’, Science, deel 242, 1988, blz. 1499; Ian Anderson, ‘Icy tests provide firmer evidence for a fifth force’, New Scientist, 11 aug. 1988, blz. 29.
  14. Harold Aspden, ‘Gravity and its thermal anomaly’, Infinite Energy, 7:41, 2002, blz. 61-5.
  15. M.F.C. Allais, ‘Should the laws of gravitation be reconsidered?’, deel 2, Aero/Space Engineering, deel 18, okt. 1959, blz. 52.
  16. W.R. Corliss (samenst.), The Moon and the Planets, Glen Arm, MD: Sourcebook Project, 1985, blz. 282-4.

2. Afscherming, elektrozwaartekracht, antizwaartekracht

Zowel de zwaartekracht als het elektromagnetisme voldoen aan de omgekeerde kwadratenwet, d.w.z. hun sterkte neemt af met het kwadraat van de afstand tussen op elkaar inwerkende systemen. In andere opzichten lijken ze echter sterk te verschillen. De zwaartekracht tussen twee elektronen is bijvoorbeeld 42 ordes van grootte (1042) zwakker dan hun elektrische afstoting. De reden dat elektromagnetische krachten de zwaartekracht in de wereld om ons heen niet volledig overweldigen, is dat de meeste dingen zijn samengesteld uit een gelijke hoeveelheid positieve en negatieve elektrische ladingen waarvan de krachten elkaar opheffen. Terwijl elektrische en magnetische krachten duidelijk bipolair zijn, wordt er in het algemeen van uitgegaan dat de zwaartekracht altijd aantrekt, zodat er geen soortgelijke opheffing van krachten optreedt.

Een ander verschil is dat de aanwezigheid van materie elektrische en magnetische krachten en elektromagnetische straling kan wijzigen of afschermen, terwijl er, naar men zegt, geen verzwakking van de zwaartekracht is gemeten door materie tussen twee lichamen te plaatsen; en men gaat ervan uit dat dit waar is ongeacht de dikte van de materie in kwestie. Sommige experimenten hebben echter wél gegevens opgeleverd die wijzen op zwaartekrachtafscherming of op afwijkingen van de omgekeerde kwadratenwet.

Zwaartekrachtafscherming

In de loop van een lange reeks zeer gevoelige experimenten in de jaren 20 van de vorige eeuw ontdekte Quirino Majorana dat het plaatsen van kwik of lood onder een hangende bol van lood werkte als een scherm en de zwaartekracht van de aarde enigszins verminderde. Er zijn geen pogingen gedaan om zijn resultaten met dezelfde experimentele technieken te reproduceren. Andere onderzoekers hebben op basis van andere gegevens geconcludeerd dat als zwaartekrachtabsorptie bestaat, deze minimaal vijf ordes van grootte kleiner moet zijn dan de experimenten van Majorana aangeven.1 Tom Van Flandern stelde dat afwijkingen in de bewegingen van bepaalde kunstsatellieten tijdens eclipsseizoenen kunnen worden veroorzaakt door afscherming van de zwaartekracht van de zon.2

Verschillende onderzoekers hebben tijdens zonsverduisteringen zwaartekrachtafwijkingen ontdekt die niet verenigbaar zijn met de zwaartekrachtmodellen van Newton of van Einstein, terwijl anderen zulke afwijkingen niet hebben gemeten.3 De experimentele opstelling en/of de omstandigheden van een eclips verschillen echter per geval. Tijdens zonsverduisteringen in 1954 en 1959 ontdekte natuurkundige Maurice Allais (1911-2010), die in 1988 de Nobelprijs voor economie won, verstoringen in het oscillatievlak (zwenkrichting) van een paraconische slinger (d.w.z. een die aan een bal hangt) – dit werd het Allais-effect genoemd.4 Tijdens de zonsverduistering op 15 februari 1961 ontdekten Gheorghe Jeverdan, Gheorghe Rusu en Virgil Antonescu dat de oscillatieperiode van een Foucault-slinger veranderde, een verschijnsel dat nu bekendstaat als het Jeverdan-Rusu-Antonescu-effect.5 Erwin Saxl en Mildred Allen maten tijdens een zonsverduistering in 1970 aanzienlijke variaties in de periode van een torsieslinger. Ze ontdekten ook onverwachte dagelijkse en seizoensgebonden variaties van de slinger.6

Een vergelijkbare anomalie werd gemeten met behulp van een twee-slinger-systeem tijdens de syzygie van aarde, zon, Jupiter en Saturnus in mei 2001.7 Tijdens de totale zonsverduistering in 1997 voerde een Chinees team metingen uit met een uiterst nauwkeurige gravimeter. In tegenstelling tot Allais ontdekten ze echter een afname van de zwaartekracht van de aarde. Bovendien trad het effect onmiddellijk vóór en na de eclips op, maar niet tijdens zijn hoogtepunt.8 Tijdens waarnemingen die sinds 1987 zijn uitgevoerd, hebben Shu-wen Zhou en zijn medewerkers het optreden van een abnormale kracht m.b.t. horizontale oscillatie bevestigd wanneer zon, maan en aarde op één lijn stonden, en hebben aangetoond dat deze invloed heeft op het patroon van de structuurvorming in kristallen, de spectrale golflengten van atomen en moleculen, en de snelheid van atoomklokken.9

Dimitrie Olenici en zijn collega’s hebben verschillende anomalieën ontdekt tijdens zons- en maansverduisteringen, en conjuncties, opposities, en overgangen van planeten – d.w.z. tijdens verschillende soorten syzygieën.10 Op 26 januari 2009 vertoonden twee torsinds (ultralichte schijf-torsiebalansen) in Kiev, Oekraïne, en een paraconische slinger in Suceava, Roemenië, gecorreleerde verstoringen tijdens een zonsverduistering, hoewel deze niet zichtbaar was op die locaties, maar alleen in de Indische Oceaan.11 Een Foucault-slinger en een torsiebalans geïnstalleerd in een niet meer gebruikte zoutmijn in Cacica, Roemenië, waar ze zo min mogelijk last hadden van verstoringen, vertoonden een duidelijke reactie op de zonsverduistering op 6 januari 2011. Ook toen was de eclips op die geografische plaats niet zichtbaar.12 Tijdens de zonsverduisteringen op 13 november 2012 en 10 mei 2013 heeft men waargenomen dat de schijf van een torsind roteerde, en traden afwijkingen op in het vlak en de periode van oscillatie van een Foucault-slinger.13

Er zijn verschillende conventionele verklaringen gegeven voor zwaartekrachtafwijkingen tijdens verduisteringen, zoals instrumentfouten, zwaartekrachteffecten van dichtere lucht als gevolg van afkoeling van de hogere atmosfeer, seismische verstoringen veroorzaakt door belangstellenden die zich verplaatsen naar en van een locatie waar een eclips zichtbaar is, en het kantelen van de grond door afkoeling. Natuurkundige Chris Duif stelt dat geen daarvan overtuigend is. Een andere interpretatie is dat anomalieën tijdens zonsverduisteringen het gevolg zijn van het afschermen van de zwaartekracht van de zon door de maan, wat resulteert in een lichte toename van de aardse zwaartekracht. Duif gelooft dat ook zwaartekrachtafscherming de waarnemingen niet kan verklaren, omdat ze veel te zwak zou zijn (als ze überhaupt bestaat).14

Dimitrie Olenici en zijn medewerkers beweren dat de zwaartekracht de slingerafwijkingen niet kan verklaren omdat het zwaartekrachtpotentieel in de dagen vóór een zonsverduistering langzaam groeit en daarna geleidelijk afneemt zonder plotselinge variaties. Bovendien zijn torsinds niet gevoelig voor veranderingen in zwaartekrachtpotentieel. Het feit dat anomalieën ook diep in een Roemeense mijn zijn gemeten, geeft aan dat elektromagnetische straling ook geen rol speelt; de zon lijkt een onbekend soort vortexachtige energie uit te stralen.15

Miles Mathis stelt dat het ‘zwaartekrachtveld’ dat door de vergelijking van Newton wordt gedefinieerd in feite een samengesteld veld is, dat zowel een aantrekkend zwaartekrachtveld als een afstotend ‘fundamenteel elektromagnetisch veld’ (veroorzaakt door de beweging van fotonen afkomstig van de aarde) omvat. Hij beweert dat tijdens zonsverduisteringen de gedeeltelijke of volledige blokkering van de zonnewind leidt tot een toename van het elektromagnetische veld en dus tot een duidelijke afname van de ‘zwaartekracht’, waardoor veel afwijkende waarnemingen worden verklaard.16

Mogelijk bewijs van zwaartekrachtafscherming wordt geleverd door experimenten die Evgeny Podkletnov en zijn collega’s in de jaren 90 van de vorige eeuw uitvoerden. Als een keramische supergeleider magnetisch werd geleviteerd en men deze met hoge snelheid liet draaien in de buurt van een extern magnetisch veld, veranderde het gewicht van objecten die boven de roterende schijf werden geplaatst.* Er werden gewichtsreducties van 0,3 tot 0,5% verkregen, en toen de rotatiesnelheid langzaam werd verlaagd van 5000 tot 3500 omwentelingen per minuut, werd gedurende ongeveer 30 seconden een maximaal gewichtsverlies van ongeveer 2% bereikt.17 Gewichtsreducties van 5% zijn geregistreerd, maar niet met dezelfde herhaalbaarheid.

*Het gewicht van een lichaam is gelijk aan zijn massa vermenigvuldigd met de zwaartekrachtversnelling (W = mg). Strikt genomen weegt een object met een massa van 1 kg 9,8 newton op aarde. Gewichten worden echter meestal gegeven in kilogram, waarbij de zwaartekrachtversnelling van 9,8 m/s² op het aardoppervlak als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Als de zwaartekracht die op een lichaam werkt wordt verminderd, wordt zijn gewicht eveneens verminderd, terwijl zijn massa (in de zin van ‘hoeveelheid materie’) onveranderd blijft. Merk op dat het schijnbare gewicht van een lichaam zal veranderen als het wordt versneld door andere krachten dan de zwaartekracht die de werking van het lokale zwaartekrachtveld tegenwerken of versterken; een elektrodynamische kracht, bijvoorbeeld, kan worden gebruikt om de zwaartekracht op te heffen.

Andere onderzoekers vonden het erg moeilijk om het Podkletnov-experiment in zijn geheel te herhalen (Podkletnov heeft het exacte recept voor het maken van zijn supergeleiders niet onthuld), maar vereenvoudigde versies hebben kleine effecten teweeggebracht (in de orde van 1 op de 10.000).18 Van 1995 tot 2002 probeerde NASA’s Marshall Space Flight Center het volledige Podkletnov-experiment te herhalen, maar er was onvoldoende financiering. Een particulier gefinancierde herhaling werd in 2003 voltooid, maar er werd geen bewijs gevonden van een zwaartekracht-achtige kracht. NASA heeft geconcludeerd dat deze benadering geen levensvatbare kandidaat is voor een doorbraak op het gebied van de aandrijving van ruimtevaartuigen.19 In de theorie van Mathis koelt een supergeleider een klein deel van de atmosfeer tot bijna nul Kelvin, waardoor het elektromagnetische veld dat door de aarde wordt uitgezonden sneller door de atmosfeer of een voorwerp kan bewegen, zodat rook opstijgt, voorwerpen gewicht lijken te verliezen, enz.20

Zwaartekracht en elektromagnetisme

Verschillende experimentele resultaten lijken te wijzen op een verband tussen elektromagnetisme en zwaartekracht. Erwin Saxl ontdekte bijvoorbeeld dat wanneer een torsieslinger positief werd geladen, het langer duurde om één keer heen en weer te slingeren dan wanneer deze negatief werd geladen. Maurice Allais voerde in 1953 experimenten uit om de invloed van een magnetisch veld te onderzoeken op de beweging van een glazen slinger die binnen een solenoïde oscilleerde, en concludeerde dat er een verband was tussen elektromagnetisme en zwaartekracht.1 Bruce DePalma heeft talloze experimenten uitgevoerd die aantonen dat rotatie en roterende magnetische velden abnormale zwaartekracht- en traagheidseffecten kunnen hebben.2 Podkletnovs experimenten lijken dit te bevestigen.

John Searl, een Engelse elektrotechnicus, is een controversiële onderzoeker van elektrogravitatie.3 In 1949 ontdekte hij dat er een kleine spanning (of elektromotorische kracht) werd opgewekt in draaiende metalen voorwerpen. De negatieve lading bevond zich aan de buitenkant en de positieve lading lag rond het rotatiecentrum. Hij redeneerde dat vrije elektronen door de middelpuntvliedende kracht naarbuiten werden geslingerd, waardoor in het midden een positieve lading achterbleef.

In 1952 bouwde hij een generator, ongeveer een meter in doorsnee, die op dit beginsel gebaseerd was. Wanneer deze buiten werd getest, produceerde hij, naar men zegt, een krachtig elektrostatisch effect op nabijgelegen voorwerpen, vergezeld van knetterende geluiden en de geur van ozon. De generator kwam toen van de grond, terwijl hij steeds sneller ging draaien, en steeg naar een hoogte van ongeveer 15 m, waardoor de verbinding met de startmotor werd verbroken. Hij zweefde kort op deze hoogte terwijl de rotatiesnelheid verder toenam. Een roze halo verscheen eromheen, wat wees op ionisatie van de omringende atmosfeer. Dit leidde ook ertoe dat lokale radio-ontvangers uit zichzelf begonnen te werken. Uiteindelijk bereikte hij een andere kritische rotatiesnelheid, won snel hoogte en verdween uit het zicht.

Searl schijf

Fig. 2.1 Een Searl-schijf.

Searl heeft gezegd dat hij en zijn collega’s vervolgens meer dan 50 versies van zijn ‘levitatieschijf’, van verschillende grootte, bouwden, en leerden hoe ze deze onder controle moesten houden. Hij beweert te zijn achternagezeten door de autoriteiten, resulterend in een onrechtmatige gevangenisstraf en de vernietiging van het grootste deel van zijn werk, zodat hij opnieuw moest beginnen. Zijn bewering dat een van zijn luchtvaartuigen in het begin van de jaren 70 van de vorige eeuw meerdere keren de wereld rond vloog zonder te worden ontdekt, draagt niet bij aan zijn geloofwaardigheid.

Hoewel Searl wordt uitgemaakt voor een oplichter, zijn er aanwijzingen dat het ‘Searl-effect’ een echte anomalie betreft. Twee Russische wetenschappers, V.V. Roschin en S.M. Godin, voerden een experiment uit met een Searl-type generator die ze de magnetische energie-omzetter noemden. Ze hebben een gewichtsvermindering van 35%, luminescentie, een geur van ozon, afwijkingen in het magnetisch veld, en een temperatuurdaling waargenomen. Ze concludeerden dat de orthodoxe, etherloze fysica deze resultaten niet kan verklaren.4 Lucht- en ruimtevaartingenieur Paul Murad en zijn team hebben de ‘Morningstar Energy Box’ ontwikkeld, een aangepaste versie van de apparaten van Searl en Godin en Roshchin. Ze hebben verschillende bevindingen van de Russen geverifieerd, en maten een tijdelijk gewichtsverlies van meer dan 35%.5 Opgemerkt moet worden dat het scheiden van echte zwaartekrachtafwijkingen van elektrodynamische artefacten in zulke experimenten geen gemakkelijke taak is.

In de jaren 80 van de vorige eeuw ontwikkelde elektrotechnisch ingenieur Floyd Sweet een apparaat bestaande uit een stel speciaal geconditioneerde magneten, omwikkeld met draden, bekend als de vacuüm triode-versterker (VTA), dat is ontworpen om oscillatie in magnetische velden te veroorzaken. Het was in staat om veel meer energie uit te stoten dan het verbruikte, door energie uit het ‘vacuüm’ (d.w.z. etherenergie) op te vangen. In één experiment verloor het 90% van zijn oorspronkelijke gewicht voordat het experiment om veiligheidsredenen werd gestopt. Sweet slaagde er later in om de VTA te laten zweven en opwaarts te versnellen. Hij werd heel paranoïde na een vermeende moordaanslag, en stierf zonder alle geheimen van zijn uitvinding te onthullen.6

Het ‘Hutchison-effect’ verwijst naar een verzameling verschijnselen die per ongeluk zijn ontdekt door uitvinder John Hutchison in 1979. Elektromagnetische invloeden die zijn ontwikkeld door een combinatie van elektrische apparatuur, waaronder Tesla-spoelen, hebben levitatie van zware objecten veroorzaakt (waaronder een kanonskogel van 27 kg), fusie van ongelijksoortige materialen zoals metaal en hout, abnormale verwarming van metalen zonder materiaal in de directe omgeving te verbranden, spontaan afbreken van metalen en veranderingen in de kristallijne structuur en fysische eigenschappen van metalen. De effecten zijn goed gedocumenteerd op film en videoband, en zijn vele keren waargenomen door erkende wetenschappers en ingenieurs, maar zijn moeilijk consequent te reproduceren.7

Een Pentagon-team heeft in 1983 enkele maanden onderzoek gedaan naar het Hutchison-effect. Vier van de onderzoekers raakten ervan overtuigd dat het echt is, terwijl de vijfde alles wat er gebeurde eenvoudig afdeed als ‘rook en spiegels’. Veel verschijnselen werden waargenomen: een supersterke molybdeenstaaf werd in een S-vorm gebogen alsof het zacht metaal was; een langwerpig stuk koolstofstaal werd aan het ene uiteinde aan flarden gescheurd en aan het andere omgezet in lood; een stuk PVC-plastic verdween in het niets; stukjes hout raakten ingebed in stukken aluminium; en allerlei objecten begonnen te leviteren. Ook twee ruimtevaartbedrijven (Boeing en McDonnell Douglas) hebben het Hutchison-effect onderzocht. Het probleem is de willekeur en onvoorspelbaarheid ervan. Sommige onderzoekers denken zelfs dat het op zijn minst gedeeltelijk is toe te schrijven aan Hutchisons eigen onbewuste psychokinetische vermogens.8

Het gewichtsverlies van 2% dat Podkletnov met zijn supergeleiderapparaat heeft bereikt, is ongeveer 10 miljard keer zo groot als is toegestaan in de algemene relativiteitstheorie. In onofficiële gesprekken heeft Podkletnov beweerd dat als de supergeleiders 5 tot 10 keer sneller worden geroteerd dan de gebruikelijke snelheid van ongeveer 5000 toeren per minuut, de schijf zoveel gewicht verliest dat hij opstijgt.9 Joe Parr en Dan Davidson zeggen dat ze gewichtsverlies tot 50% hebben gemeten in een ‘zwaartekrachtwiel’ – een klein wiel met koperen driehoeken rond de omtrek, dat door een hogesnelheidsmotor op een as draait, tussen permanente magneten die aan beide zijden gemonteerd zijn.10

Naast zijn lopende onderzoek met roterende supergeleiders heeft Podkletnov ook experimenten uitgevoerd met stationaire hogetemperatuursupergeleiders: hij meldt dat ontladingen van een supergeleidende keramische elektrode gepaard gaan met de emissie van een krachtstraal die zonder merkbaar te verzwakken door verschillende materialen heen gaat, en een afstotende kracht uitoefent die voorwerpen in het laboratorium omver kan gooien en zelfs gaten in vaste materialen kan slaan. Ze lijkt op een zwaartekrachtimpuls omdat ze evenredig is met de massa van de objecten en onafhankelijk van hun samenstelling. Experimenten geven aan dat de impuls zich met ongeveer 64 keer de lichtsnelheid voortplant. Podkletnov zegt dat hij ook roterende magnetische velden heeft gebruikt om zonder supergeleiders een antizwaartekracht-effect te genereren.11

Etherwetenschappers Paulo en Alexandra Correa hebben aangetoond dat de zwaartekracht met elektrische middelen kan worden geregeld. In één experiment verloor een stuk bladgoud van 43 milligram, dat aan de arm van een houten balk hing en verbonden was met een gevoelige elektronische balans (ver naar de zijkant), snel 70% van zijn gewicht. Dit werd bereikt door een elektrische frequentie te gebruiken die overeenkwam met die van de antigraviton van goud (zoals deze wordt genoemd in het aetherometriemodel van de Correa’s). Deze techniek is in staat om 100% gewichtsreductie te veroorzaken in objecten met een bekende samenstelling en met een gewicht tot ongeveer 100 milligram.12

Er zijn wereldwijd naar schatting 2000 tot 3000 onderzoekers die onorthodox onderzoek doen naar technologieën die verder gaan dan de momenteel geaccepteerde wetenschappelijke paradigma’s, waaronder zwaartekrachtregeling en apparaten voor ‘vrije energie’.13 De Correa’s vallen op door hun rigoureuze experimentele aanpak. Ze zeggen dat ze gewichtsverlies hebben waargenomen met hun Pulsed Abnormal Glow Discharge (PAGD) reactoren, maar omdat de waarnemingen moeilijk te reproduceren waren, dachten ze dat ze de experimenten niet goed hadden beschermd tegen elektrodynamische artefacten in de toevoerdraden of in de opstelling van vloeibare geleiders. Niet alle alternatieve onderzoekers zijn zo voorzichtig en zelfkritisch, en de kwaliteit van onderzoek varieert nogal.

Biefeld-Brown effect

Natuurkundige en uitvinder Thomas Townsend Brown (1905-1985) wordt vaak genoemd als de pionier op het gebied van de elektrogravitatie. Het klassieke ‘Biefeld-Brown-effect’ verwijst naar zijn ontdekking dat als een elektrische condensator* die zwaar, diëlektrisch materiaal tussen zijn platen gebruikt, wordt geladen met tienduizenden tot honderdduizenden volt, deze in de richting van zijn positieve pool beweegt. Hij ontdekte dat hoe hoger de spanning en hoe groter de massa van het diëlektrische materiaal is, des te groter het effect. Hij schreef deze kracht in eerste instantie toe aan een elektrostatisch geïnduceerd kunstmatig zwaartekrachtveld dat tussen de platen van de condensator werkte.1

*Condensatoren zijn apparaten die elektrische lading opslaan in de ruimte tussen twee gescheiden, tegengesteld geladen elektroden. Hun capaciteit om elektrische energie op te slaan kan aanzienlijk worden vergroot door een vast diëlektrisch materiaal in de ruimte tussen de elektroden te plaatsen. Diëlektrica zijn materialen die slechte elektriciteitsgeleiders zijn (bijvoorbeeld keramiek).

In 1952 was een majoor van de luchtmacht getuige van een demonstratie waarbij Brown twee aerodynamische schijven van 45 cm liet vliegen, die aan tegenovergestelde uiteinden van een roteerbare arm opgehangen waren (fig. 2.2). Wanneer ze werden geëlektrificeerd met 50.000 volt, vlogen ze rond met een snelheid van 19 km/u. Later dat jaar schreef een onderzoeker van het Office of Naval Research echter een rapport waarin werd geconcludeerd dat de schijven werden voortgestuwd door de druk van negatieve ionen die de positieve elektrode raken (d.w.z. door een ionenwind), in plaats van door de zwaartekracht te wijzigen. Rond 1953 of 1954 organiseerde Brown een demonstratie in Pearl Harbor voor een aantal admiraals, met schijven van 1 meter in doorsnee. Paul LaViolette schrijft:

Aangedreven door een potentieel van 150 kilovolt vlogen de schijven rond in een baan met een diameter van 15 m met zo’n indrukwekkende snelheid dat het onderwerp top secret werd verklaard. De snelheid kan meer dan 160 km/u zijn geweest, omdat in het mei 1956 nummer van het Zwitserse luchtvaartmagazine Interavia werd verklaard dat de schijven snelheden van enkele honderden km/u konden bereiken wanneer ze werden geladen met enkele honderden kilovolt.2

Er is geen hard bewijs dat Browns werk ‘top secret’ werd verklaard of dat bij demonstraties snelheden van 160 km/u of meer werden bereikt. Bovendien zijn zulke snelheden minuscuul gezien het feit dat in 1956 ionenmotoren met een effectieve uitlaatsnelheid van 18.100 km/u waren bereikt. Brown dacht dat zijn schijven snelheden van meer dan 1930 km/u konden bereiken,3 maar een geheim rapport uit 1956 met de titel Electrogravitics Systems verklaarde dat een schotelvormige interceptor die ongeveer 3200 km/u (mach 3) kan vliegen, zoals voorgesteld door Brown, ‘tien of meer jaar intensieve ontwikkeling’ zou vereisen.4

Browns elektrokinetische vliegende schijven

Fig. 2.2 De opstelling van Browns elektrokinetische vliegende schijven.
Patent nr. 2.949.550, 16 augustus 1960.

In 1955-56 voerde Brown in een vacuümvat proeven uit die volgens hem aantoonden dat zijn apparaten zelfs als er geen ionenwind was een stuwkracht bleven ervaren. Maar zoals de Correa’s uitleggen, en zoals Brown zelf toegaf: ‘Men kan ionenstuwkracht in vacuümapparaten niet negeren.’5 In 1958 had Brown een koepelvormig schotelmodel met een diameter van 38 cm ontwikkeld dat, geladen met 50 tot 250 duizend volt, zichzelf verhief en in de lucht zweefde, terwijl het een extra massa van 10% van zijn gewicht meedroeg. Er is echter geen overtuigend bewijs dat Browns latere werk iets te maken had met antizwaartekracht. De Correa’s denken dat hij bezig was met ‘in wezen een ionenmotor met arcjet-eigenschappen die dus tot de elektrodynamische klasse behoorde’.6

LaViolette daarentegen gelooft dat Browns werk zijn eigen theorie ondersteunt dat negatieve ladingen zoals elektronen een antizwaartekrachtveld genereren (zie hoofdstuk 3). Hij schrijft:

De schijven van Brown waren geladen met een hoge positieve spanning op een draad die langs hun voorrand liep en een hoge negatieve spanning op een draad die langs hun achterrand liep. Wanneer de draden de lucht om zich heen ioniseerden, zou zich vóór het toestel een dichte wolk positieve ionen vormen en achter het toestel een overeenkomstige wolk negatieve ionen. Uit het onderzoek van Brown bleek dat deze ionenwolken, net als de geladen platen van zijn condensatoren, een zwaartekracht induceerden in de richting van min naar plus. Terwijl de schijf naar voren bewoog in reactie op zijn zelf gegenereerde zwaartekrachtveld, zou hij zijn positieve en negatieve ionenwolken met hun bijbehorende elektrozwaartekrachtgradiënt met zich meedragen. Daardoor zouden de schijven op hun voortsnellende zwaartekrachtgolf rijden, zoals surfers op een oceaangolf rijden.7

In zijn experimenten met elektrokinetische schotels waarbij de positieve en negatieve elektroden een verschillende grootte hebben, ontdekte Brown dat het apparaat altijd een stuwkracht in de richting van zijn grotere elektrode opwekte, ongeacht de polariteit, hoewel de stuwkracht groter was wanneer de grotere elektrode positief geladen was. Volgens LaViolette betekent dit dat ‘de elektrozwaartekracht wordt overheerst door de onevenwichtige elektrostatische stuwkracht die afhangt van de veldgeometrie in plaats van de polariteit van de elektroden’.8

Halverwege de jaren 50 van de vorige eeuw waren meer dan 10 grote vliegtuigfabrikanten actief betrokken bij onderzoek naar elektrogravitatie. Sindsdien is er geen publiciteit meer gegeven aan het werk op het gebied van elektro-antizwaartekracht dat het Amerikaanse leger misschien heeft verricht. Het is heel goed mogelijk dat pogingen om antizwaartekracht te bereiken totaal zijn mislukt. LaViolette speculeert echter dat de in het geheim ontwikkelde elektrogravitatietechnologie in de B-2 Stealth Bomber is gebruikt om een extra manier van aandrijving te bieden. Zijn opvatting is gebaseerd op de onthulling dat de B-2 zowel de voorrand van zijn vleugelachtige lichaam als zijn straaluitlaatstroom elektrostatisch met een hoge spanning laadt.

Positieve ionen die worden uitgestoten aan de voorrand van de vleugel zouden een positief geladen parabolisch ionenschild produceren vóór het vliegtuig, terwijl negatieve ionen die in de uitlaatstroom worden geïnjecteerd een negatieve lading van de ruimte er achter zouden veroorzaken met een potentieelverschil van meer dan 15 miljoen volt. . . . [Dit] zou een kunstmatig zwaartekrachtveld veroorzaken dat een reactievrije kracht op het vliegtuig zou uitoefenen in de richting van de positieve pool. Zo’n elektrogravitationele aandrijving zou de B-2 kunnen laten werken met een voortstuwingsefficiëntie van meer dan 100% bij het vliegen met supersonische snelheden.9

B-2 Stealth Bomber

Fig. 2.3 De B-2 Stealth Bomber.
Elk vliegtuig kost ruim twee miljard dollar.

B-2 piloten en ingenieurs hebben de speculaties van LaViolette openlijk belachelijk gemaakt. De officiële verklaring is dat het schild van statische elektriciteit dat de B-2 omhult is ontworpen om zijn radar- en thermische signatuur te verminderen en haar ultra-onopvallend te maken. Sommige schrijvers hebben gezegd dat het ook de luchtweerstand van het vliegtuig vermindert en daardoor de lift verbetert – maar dit wordt aerodynamisch bereikt in plaats van elektrogravitationeel.10

LaViolette gelooft dat het Amerikaanse leger verschillende andere soorten vliegtuigen heeft die gedeeltelijk worden aangedreven door elektrogravitatie. Van één type wordt gezegd dat het vliegt door een intense microgolfstraal op de grond te richten, een technologie die volgens hem sinds het begin van de jaren 50 van de vorige eeuw in het geheim is ontwikkeld. Net als veel andere onderzoekers gelooft hij dat geheime militaire vliegtuigen verantwoordelijk zijn voor sommige UFO-waarnemingen.11

De aard van het Biefeld-Brown (B-B)-effect blijft voor controverse zorgen. Volgens het klassieke B-B-effect is de kracht op een asymmetrische condensator (d.w.z. één waarbij de twee elektroden een verschillende grootte hebben) het grootst in de richting van de negatieve (grotere) elektrode naar de positieve (kleinere) elektrode. Thomas Bahder en Chris Fazi van het US Army Research Laboratory hebben geverifieerd dat wanneer een asymmetrische condensator (in de vorm van een ‘lifter’) onder een hoge spanning van ongeveer 30.000 volt wordt gezet, de condensator een netto kracht ondervindt naar de kleinere elektrode, maar ze constateerden dat de kracht onafhankelijk is van de polariteit van de gebruikte spanning.

Ze berekenen dat de bijdrage van de ionenwind minstens drie ordes van grootte te klein is om het hele effect te verklaren, en zeggen dat er meer experimenteel en theoretisch werk nodig is om een verklaring te vinden. Ze geloven niet dat het B-B-effect iets met antizwaartekracht te maken heeft of dat het een interactie tussen zwaartekracht en elektromagnetisme laat zien.12 Bahder vermoedt dat de asymmetrische elektrische velden die door een asymmetrische condensator worden gecreëerd, leiden tot een ladingsstroom van ionen rond de condensator, en dat de reactiekracht deze naar voren ‘stuwt’.

In 1996 voerde een onderzoeksgroep van het Honda R&D Institute in Japan experimenten uit m.b.t. het B-B-effect. Ook hier werd een opwaartse stuwkracht gecreëerd (zodat de condensator gewicht leek te verliezen) ongeacht de polariteit van de gebruikte spanning. Takaaki Musha denkt dat het effect misschien ontstaat omdat er door een hoogspanningsveld een nieuw zwaartekrachtveld in het atoom wordt gegenereerd, dat het gevolg is van een interactie tussen elektriciteit en zwaartekracht waarvan het mechanisme nog niet wordt begrepen.13

Het B-B-effect zou worden aangetoond door goedkope, lichtgewicht apparaten bekend als ‘lifters’, die zijn gemaakt van aluminiumfolie, balsahout en dunne draad, en worden aangedreven door een hoogspanningsbron op de grond.14 Honderden onafhankelijke onderzoekers over de hele wereld hebben met deze apparaten geëxperimenteerd. De onderste en grotere elektrode is een tussen balsahoutstijlen gespannen strook aluminiumfolie. De kleinere elektrode is een dunne strook draad die ongeveer een centimeter boven de aluminiumfolie gemonteerd is. Wanneer een lading van 30.000 volt wordt toegepast, is een sissend geluid hoorbaar en gaat de lifter de lucht in tot zover de ketting dat toelaat. Een stuwkracht treedt ook op wanneer de lifter horizontaal georiënteerd is, waaruit blijkt dat het effect geen zwaartekrachtafscherming betreft. De lifter werkt ongeacht of de positieve of negatieve aansluiting verbonden is met de draad (de leidende elektrode), hoewel de stuwkracht iets groter is als een positieve spanning wordt gebruikt.

Hexa-Lifter Naudin

Fig. 2.4

NASA beweert dat de beweging van geïoniseerde luchtmoleculen van de ene elektrode naar de andere het B-B-effect verklaart, en heeft het niet opgenomen in haar onderzoek naar nieuwe exotische aandrijftechnologieën. Dus als een elektro-antizwaartekrachttechnologie op basis van het B-B-effect echt in de B-2 is toegepast, lijkt NASA daarvan niets te weten. Ze heeft in 2002 echter wel een patent genomen op een buisvormige versie van de asymmetrische condensatorstuwer van Brown – maar zonder de naam Brown te vermelden. Zulke apparaten veroorzaken ongetwijfeld een ionenwind, want de wind kan worden gevoeld. Er zijn strengere tests nodig om te bepalen in hoeverre het effect in een vacuüm blijft bestaan, aangezien experimenten tot op heden niet overtuigend zijn geweest. Een experiment met een lifter in een vacuüm uitgevoerd aan de Purdue University gaf positieve resultaten, maar tests door andere onderzoekers hebben negatieve resultaten opgeleverd.15 Een belangrijke overweging is de sterkte van het vacuüm. Kortom, het is nog niet bewezen dat het ‘lifter’-verschijnsel meer inhoudt dan alleen elektrostatische en elektrodynamische effecten.

In hun eigen analyse van het B-B-effect, besteden16 Paulo en Alexandra Correa eerst aandacht aan de tegenstrijdige resultaten die zijn gerapporteerd. In het geval van een asymmetrische condensator met de koepelvormige kap naar boven gericht, constateerde Brown dat de condensator opstijgt of de kap nu positief of negatief geladen is (maar méér bij een positieve lading), terwijl Bahnson (zijn collega) constateerde dat de condensator alleen opstijgt als de kap positief geladen is, en valt als deze negatief geladen is. Brown constateerde ook dat de condensator valt als de condensator ondersteboven wordt gekeerd en de kap negatief wordt geladen, terwijl Bahder & Fazi meldden dat een naar beneden gerichte kap opstijgt of deze nu negatief of positief geladen is.

De Correa’s stellen dat, aangezien de kracht op de condensator onafhankelijk is van zijn oriëntatie ten opzichte van het aardoppervlak, ze niets te maken heeft met het zwaartekrachtveld van de aarde of met het elektrisch potentiaal van de atmosfeer van de aarde; het B-B-effect is daarom geen antizwaartekrachteffect en vertoont geen interactie tussen zwaartekracht en elektromagnetisme. Op basis van hun eigen systematische experimenten concluderen ze dat het oorspronkelijke B-B-effect is verward met abnormale verschijnselen die verband houden met elektronenemissie en kathodereactiekrachten. Maar hoewel ze ontkennen dat ladingen die gevangen zitten in conventionele condensatoren een antizwaartekrachteffect teweegbrengen en de speculaties van LaViolette afwijzen, beweren ze dat het B-B-effect een echt antizwaartekrachtverschijnsel maskeert dat verband houdt met afstoting tussen gelijke ladingen.

Gyroscopen: Newton in een spin

Draaiende vliegwielen of gyroscopen kunnen blijkbaar ‘antizwaartekracht’-effecten veroorzaken. In 1989 rapporteerden de Japanse wetenschappers H. Hayasaka en S. Tackeuchi in een toonaangevend tijdschrift dat een gyroscoop die om een verticale as in een vacuüm draait, een klein gewichtsverlies ondervindt dat recht evenredig is met de rotatiesnelheid. Het effect werd alleen waargenomen bij rotatie met de klok mee (van bovenaf gezien in hun laboratorium op het noordelijk halfrond). De afwijking werd begraven onder een lawine van overhaaste kritiek en gebrekkige pogingen om het experiment te herhalen.1 In 1997 rapporteerde het team van Hayasaka een experiment dat hun eerdere bevindingen bevestigde: toen men tussen twee laserstralen een gyroscoop 160 cm in een vacuüm liet vallen, duurde het 1/25.000 seconde langer om deze afstand te vallen wanneer deze met 18.000 toeren per minuut met de klok mee draaide (van bovenaf gezien), wat overeenkomt met een gewichtsreductie van 0.014%.2

Als men een vliegwiel of gyroscoop zo snel laat roteren dat het geforceerde precessie* vertoont, kan dit een aanzienlijk gewichtsverlies veroorzaken. Hoogleraar elektrotechniek Eric Laithwaite (overleden in 1997) gaf ooit een demonstratie aan het London Imperial College of Science and Technology met een vliegwiel van 8 kg aan een steunas van 2,7 kg, dat hij met zijn rechterarm nauwelijks van de grond kon tillen. Nadat men het vliegwiel snel liet draaien, kon hij het moeiteloos met zijn pink optillen, door een kracht van minder dan 1 kg uit te oefenen.

*‘Geforceerde precessie’ betekent dat men de gyroscoop sneller laat ronddraaien dan bij de normale zwaartekrachtwerking gebeurt. ‘Precessie’ betekent bijvoorbeeld dat terwijl het ene uiteinde van een as met de hand stabiel wordt gehouden, het uiteinde dat het roterende vliegwiel draagt een cirkel beschrijft, zodat de as een kegel beschrijft.

In een ander experiment werd een kleine jongen vastgebonden aan een paal op een draaischijf en werd hem een staaf van 1 meter overhandigd aan het einde waarvan een draaiende gyroscoop van 20,4 kg was bevestigd. Toen de rotatie van de draaischijf werd versneld, steeg de gyroscoop gemakkelijk de lucht in alsof de jongen een paraplu aan het openen was, en toen de draaischijf werd vertraagd, zakte de gyroscoop naar de grond. In welke richting de gyro ook bewoog, de jongen kon hem gemakkelijk dragen. Een ander opmerkelijk effect is dat als een rechtopstaand potlood in de baan van de as van een aangedreven vliegwiel wordt geplaatst, het de precessionele beweging van het vliegwiel kan stoppen zonder dat er een laterale kracht op het potlood ontstaat; met andere woorden, het vliegwiel produceert weinig of geen middelpuntvliedende kracht.

gyroscoopdemonstratie Eric Laithwaite

Fig. 2.5 Een van Eric Laithwaite’s gyroscoopdemonstraties. De top draait met 2000 toeren per minuut en beweegt zich vrij snel in een spiraalvormig pad omhoog.3

Aangezien er geen algemeen aanvaarde theorie is om dit verschijnsel te verklaren, gingen de meeste wetenschappers het negeren of ze probeerden het in diskrediet te brengen. Laithwaite werd door het wetenschappelijk establishment verbannen, vooral nadat hij in 1974 tijdens een lezing voor het Royal Institution aantoonde dat een snel draaiende gyroscoop lichter wordt en een hefkracht produceert zonder enige tegenovergestelde reactiekracht – iets wat in strijd is met de derde bewegingswet van Newton. Het Royal Institution kon het niet waarderen: voor het eerst in 200 jaar werd de gastlezing niet gepubliceerd, en Laithwaite werd geroyeerd als lid van de Royal Society. Hij bleef experimenteren met verschillende complexe gyroscopische opstellingen, en dacht dat hij een gloednieuw stuwkrachtloos aandrijfsysteem had ontdekt, bekend als ‘massaoverdracht’, waarvoor twee patenten werden verleend.

Verschillende andere uitvinders, zoals Sandy Kidd en Scott Strachan, hebben apparaten met gyroscopische aandrijving gebouwd die een reactieloze stuwkracht ontwikkelen. Kidd kreeg een tijdje financiële steun van een Australisch bedrijf (totdat het failliet ging) en van British Aerospace, en zijn prototypen vertoonden een kleine afwijkende kracht in strenge onafhankelijke tests. Hij bleef zijn apparaten ontwikkelen, en beweerde dat ze 7 kg stuwkracht konden leveren.4

Harold Aspden stelde dat er een onevenwichtige lineaire kracht wordt voortgebracht door gebruik te maken van de spin-energie van de gyroscoop, zodat behoud van energie nog steeds standhoudt. Hij verklaart het verschijnsel op basis van zijn ether-fysica-model: etherspin ontkoppelt het vliegwiel van de stroom etherische deeltjes die het normaal gesproken gewicht geven.5 Zijn theorie kan ook de hoeveelheid lift verklaren die in de Japanse gyroscoop-experimenten is gemeten. Als de theorie juist is, zou het nauwkeuriger zijn om te zeggen dat gyroscopen opheffing van de zwaartekracht, of gewichtneutralisatie, kunnen veroorzaken, in plaats van antizwaartekracht in de strikte betekenis van het woord.

Verwijzingen

Zwaartekrachtafscherming

  1. Q. Majorana, ‘On gravitation. Theoretical and experimental researches’, Phil. Mag., deel 39, 1920, blz. 488-504; Q. Majorana, ‘Sur l’absorption de la gravitation’, Comptes Rendus de l’académie des Sciences, deel 173, 1921, blz. 478-9; Q. Majorana, ‘Quelques recherches sur l’absorption de la gravitation par la matière’, Journal de Physique et le Radium, I, 1930, blz. 314-24; Matthew R. Edwards (red.), Pushing Gravity: New perspectives on Le Sage’s theory of gravitation, Montreal, Quebec: Apeiron, 2002, blz. 219-38, 259-66.
  2. Tom Van Flandern, ‘Possible new properties of gravity’, Astrophysics and Space Science, deel 244, 1996, blz. 249-61.
  3. Héctor A. Múnera (red.), Should the Laws of Gravitation Be Reconsidered? The scientific legacy of Maurice Allais, Montreal: Apeiron, 2011.
  4. M.F.C. Allais, ‘Should the laws of gravitation be reconsidered?’, delen 1 en 2, Aero/Space Engineering, deel 18, sep. 1959, blz. 46-52, en deel 18, okt. 1959, blz. 51-5, allais.maurice.free.fr/English/media10-1.htm; allais.info/allaisdox.htm.
  5. G.T. Jeverdan, G.I. Rusu en V. Antonescu, ‘Expérience à l’aide du pendule de Foucault pendant l’éclipse du soleil du 15 fevrier 1961’, Science et Foi, deel 15, 1999, blz. 36-44.
  6. E.J. Saxl, ‘An electrically charged torque pendulum’, Nature, deel 203, 1964, blz. 136-8; E.J. Saxl en M. Allen, ‘1970 solar eclipse as ‘seen’ by a torsion pendulum’, Physical Review D, deel 3, 1971, blz. 823-5; Journal of Scientific Exploration (scientificexploration.org), 10:2, blz. 269-79, en 10:3, blz. 413-16, 1996.
  7. Gary C. Vezzoli, ‘Gravitational data during the syzygy of May 18, 2001 and related studies’, Infinite Energy (infinite-energy.com), 9:53, 2004, blz. 18-27.
  8. Qian-shen Wang et al., ‘Precise measurement of gravity variations during a total solar eclipse’, Physical Review D, deel 62, 2000, 041101, arxiv.org; Xin-She Yang en Qian-Shen Wang, ‘Gravity anomaly during the Mohe total solar eclipse and new constraint on gravitational shielding parameter’, Astrophysics and Space Science, deel 282, 2002, blz. 245-53, eclipse2006.boun.edu.tr/sss/paper02.pdf.
  9. Shu-wen Zhou, ‘Abnormal physical phenomena observed when the sun, moon, and earth are aligned’, 21st Century Science and Technology, herfst 1999, blz. 55-61.
  10. D. Olenici en S. Olenici-Craciunescu, ‘Short history of our research into Allais’s and Jeverdan-Rusu-Antonescu’s effects’, in Múnera, Should the Laws of Gravitation Be Reconsidered?, blz. 207-22.
  11. A.F. Pugach en D. Olenici, ‘Observations of correlated behavior of two light torsion balances and a paraconical pendulum in separate locations during the solar eclipse of January 26th, 2009’, Advances in Astronomy, deel 2012, 263818, 2012, hindawi.com/journals/aa/2012/263818.
  12. D. Olenici en A. Pugach, ‘Precise underground observations of the partial solar eclipse of 1 June 2011 using a Foucault pendulum and a very light torsion balance’, International Journal of Astronomy and Astrophysics, deel 2, nr. 4, 2012, blz. 204-9, file.scirp.org/Html/3-4500094_26045.htm.
  13. D. Olenici, A.F. Pugach, I. Cosovanu, C. Lesanu, J.-B. Deloly, D. Vorobyov, A. Delets en S.-B. Olenici-Craciunescu, ‘Syzygy effects studies performed simultaneously with Foucault pendulums and torsinds during the solar eclipses of 13 November 2012 and 10 May 2013’, International Journal of Astronomy and Astrophysics, deel 4, nr. 1, 2014, blz. 39-53, file.scirp.org/Html/6-4500258_43416.htm.
  14. Chris P. Duif, ‘A review of conventional explanations of anomalous observations during solar eclipses’, 2004, arxiv.org; Chris P. Duif, ‘Conventional explanations of anomalous observations during solar eclipses’, in Múnera, Should the Laws of Gravitation Be Reconsidered?, blz. 265-82; Govert Schilling, ‘Shadow over gravity’, New Scientist, 27 nov. 2004, blz. 28-31.
  15. Pugach en Olenici, ‘Observations of correlated behavior of two light torsion balances and a paraconical pendulum in separate locations during the solar eclipse of January 26th, 2009’; D. Olenici et al., ‘Syzygy effects studies performed simultaneously with Foucault pendulums and torsinds during the solar eclipses of 13 November 2012 and 10 May 2013’.
  16. Miles Mathis, ‘The Allais effect and Majorana’, milesmathis.com/allais.html.
  17. E.E. Podkletnov, ‘Weak gravitation shielding properties of composite bulk YBa2Cu3O7-x superconductor below 70 K under e.m. field’, 1997, arxiv.org.
  18. Edwards, Pushing Gravity, blz. 315.
  19. Marc G. Millis, ‘Prospects for breakthrough propulsion from physics’, 2004, lerc.nasa.gov/WWW/bpp/TM-2004-213082.htm.
  20. Mathis, ‘The Allais effect and Majorana’.

Zwaartekracht en elektromagnetisme

  1. E.J. Saxl, ‘An electrically charged torque pendulum’, Nature, deel 203, 1964, blz. 136-8; Maurice Allais, ‘The action of a magnetic field on the motion of a pendulum’, 21st Century Science and Technology, zomer 2002, blz. 34-40.
  2. The Home of Primordial Energy (Bruce DePalma), depalma.pair.com; Jeane Manning, The Coming Energy Revolution: The search for free energy, NY: Avery, 1996, blz. 82-6.
  3. Rho Sigma (Rolf Schaffranke), Ether-Technology: A rational approach to gravity control, Lakemont, GA: CSA Printing & Bindery, 1977, blz. 73-82, 87-8, 108; John Davidson, The Secret of the Creative Vacuum, Saffron Walden, Essex: Daniel Company, 1989, blz. 200-16; The Searl Effect, searleffect.com.
  4. V.V. Roschin en S.M. Godin, ‘Experimental research of the magnetic-gravity effects’, rexresearch.com/roschin/roschin.htm.
  5. P.A. Murad, M.J. Boardman, J.E. Brandenburg, J. McCabe en W. Mitzen, ‘The Morningstar Energy Box – an unusual electromagnetic device’, 2012, americanantigravity.com; ‘Paul Murad’s Searl Effect Generator’, americanantigravity.com.
  6. The Coming Energy Revolution, blz. 74-6; Thomas E. Bearden, Energy from the Vacuum, Santa Barbara, CA: Cheniere Press, 2002, blz. 305-21, 436-8, 455, 459-64, 502-3.
  7. Mark A. Solis, ‘The Hutchison effect – an explanation’, geocities.com/ResearchTriangle/Thinktank/8863/HEffect1.html; ‘The Hutchison effect’, americanantigravity.com.
  8. Nick Cook, The Hunt for Zero Point, Londen: Arrow, 2002, blz. 377-87.
  9. The Hunt for Zero Point, blz. 342.
  10. Dan A. Davidson, ‘Free energy, gravity and the aether’, 1997, keelynet.com/davidson/npap1.htm; Dan A. Davidson, Shape Power, Sierra Vista, AR: RIVAS, 1997, blz. 98-104.
  11. ‘Eugene Podkletnov on antigravity’ (interview), americanantigravity.com; E. Podkletnov en G. Modanese, ‘Impulse gravity generator based on charged YBa2Cu3O7-x superconductor with composite crystal structure’, 2001, arxiv.org; E. Podkletnov en G. Modanese, ‘Investigation of high voltage discharges in low pressure gases through large ceramic superconducting electrodes’, Journal of Low Temperature Physics, deel 132, nr. 3, 2003, blz. 239-59, springer.com; E. Podkletnov en G. Modanese, ‘Study of light interaction with gravity impulses and measurements of the speed of gravity impulses’, in: Giovanni Modanese en Glen A. Robertson, Gravity-Superconductors Interactions: Theory and experiment, Bentham Science Publishers, 2012, blz. 169-82, eurekaselect.com; Paul A. LaViolette, Secrets of Antigravity Propulsion: Tesla, UFOs, and classified aerospace technology, Rochester, VE: Bear & Company, 2008, blz. 165-89.
  12. Eugene F. Mallove, ‘A matter of gravity’, Infinite Energy, 8:45, 2002, blz. 6-8, infinite-energy.comaetherometry.com/mallove_letter2.html; The New Aetherometric Technologies, aetherenergy.com.
  13. Davidson, ‘Free energy, gravity and the aether’.

Biefeld-Brown effect

  1. Paul A. LaViolette, Secrets of Antigravity Propulsion: Tesla, UFOs, and classified aerospace technology, Rochester, VE: Bear & Company, 2008, hfst. 1-3; Paul A. LaViolette, Subquantum Kinetics: A systems approach to physics and cosmology, Alexandria, VA: Starlane Publications, 2de ed., 2003, blz. 243-59 (etheric.com); Rho Sigma (Rolf Schaffranke), Ether-Technology: A rational approach to gravity control, Lakemont, GA: CSA Printing & Bindery, 1977, blz. 25-49.
  2. Secrets of Antigravity Propulsion, blz. 50-1; Intel, ‘Towards flight – without stress or strain or weight’, Interavia, 23 maart 1956; herdrukt in Thomas Valone (red.), Electrogravitics II, Washington, DC: Integrity Research Institute, 2004, blz. 77-83.
  3. T.T. Brown, ‘Project Winterhaven – For Joint Services R&D Contract’, geschreven okt. 1952, herzien jan. 1953, herdrukt in Thomas Valone (red.), Electrogravitics Systems: Reports on a new propulsion methodology, Washington, DC: Integrity Research Institute, 1999, blz. 102-14.
  4. Gravity Research Group, Special Weapons Study Unit, ‘Electrogravitics systems: an examination of electrostatic motion, dynamic counterbary and barycentric control’, Aviation Studies (International) Ltd., Report GRG-013/56, feb. 1956; herdrukt in Electrogravitics Systems, blz. 11-44.
  5. Paulo N. Correa en Alexandra N. Correa, The Gravitational Aether, Part II: Gravitational aetherometry (5), Concord: Akronos Publishing, 2005, monograph AS3-II.7, blz. 43-4 (aetherometry.com).
  6. Paulo N. Correa en Alexandra N. Correa, The Gravitational Aether, Part II: Gravitational aetherometry (6), Concord: Akronos Publishing, 2006, monograph AS3-II.8, blz. 43.
  7. Paul LaViolette, ‘The U.S. antigravity squadron’, in Electrogravitics Systems, blz. 82-101 (blz. 85); zie Secrets of Antigravity Propulsion, blz. 142-64.
  8. Secrets of Antigravity Propulsion, blz. 100-1.
  9. ‘The U.S. antigravity squadron’, blz. 82.
  10. Nick Cook, The Hunt for Zero Point, Londen: Arrow, 2002, blz. 194-200.
  11. Secrets of Antigravity Propulsion, hfst. 7-9.
  12. Thomas B. Bahder en Chris Fazi, ‘Force on an asymmetric capacitor’, Infinite Energy, 9:50, 2003, blz. 34-44, jlnlabs.imars.com/lifters/arl_fac/index.html.
  13. Takaaki Musha, ‘The possibility of strong coupling between electricity and gravitation’, Infinite Energy, 9:53, 2004, blz. 61-4.
  14. Infinite Energy, 8:45, 2002, blz. 6-8, 13-31, infinite-energy.com/iemagazine/issue45/thelifterphen.html; Jean-Louis Naudin, jnaudin.free.fr/lifters/main.htm.
  15. Gravitec Inc, foldedspace.com/corporate.html; Blaze Labs Research, blazelabs.com/l-vacuum.asp.
  16. The Gravitational Aether, Part II: Gravitational aetherometry (5).

Gyroscopen: Newton in een spin

  1. H. Hayasaka en S. Tackeuchi, ‘Anomalous weight reduction on a gyroscope’s right rotations around the vertical axis on the earth’, Physical Review Letters, 63:25, 1989, blz. 2701-4; Gary C. Vezzoli, ‘Gravitational data during the syzygy of May 18, 2001 and related studies’, Infinite Energy (infinite-energy.com), 9:53, 2004, blz. 18-27 (blz. 18).
  2. H. Hayasaka et al., ‘Possibility for the existence of anti-gravity: evidence from a free-fall experiment using a spinning gyro’, Speculations in Science and Technology, deel 20, 1997, blz. 173-81; keelynet.com/gravity/gyroag.htm.
  3. Alex Jones, Electronics & Wireless World, 93, 1987, blz. 64.
  4. Davidson, The Secret of the Creative Vacuum, blz. 258-74; gyroscopes.org/propulsion.asp; Sandy Kidd, Beyond 2001: The laws of physics revolutionised, Londen: Sidgwick & Jackson, 1990.
  5. H. Aspden, ‘The theory of antigravity’, Physics Essays, 4:1, 1991, blz. 13-19, in: Harold Aspden, Aether Science Papers, Southampton: Sabberton Publications, 1996, deel 2, blz. 69, artikel 13; H. Aspden, ‘Anti-gravity electronics’, Electronics & Wireless World, jan. 1989, blz. 29-31.

3. Verklaringen voor de zwaartekracht

Lege ruimte, gekromde ruimte en de ether

De zwaartekrachttheorie van Newton gaat ervan uit dat zwaartekracht zich onmiddellijk door de lege ruimte voortplant, d.w.z. men denkt dat het een vorm is van werking op afstand. Maar in een privébrief verwierp Newton zelf dit idee:

Dat zwaartekracht de materie aangeboren is, inherent aan haar is en tot haar wezen behoort, zodat het ene lichaam op een afstand door een vacuüm heen op het andere lichaam kan inwerken zonder bemiddeling van iets anders waardoor de werking van het ene op het andere kan worden overgedragen, komt me als zo’n grote absurditeit voor dat ik geloof dat niemand die op filosofisch gebied voldoende ontwikkeld is, dat ooit kan aannemen.1

Newton speelde geregeld met het idee van een allesdoordringende ether die zijn ‘absolute ruimte’ vult, en dacht dat de oorzaak van de zwaartekracht een spirituele macht moest zijn, die voor hem ‘God’ betekende.

De noodzaak van een ether wordt door G. de Purucker benadrukt:

We moeten ofwel het bestaan erkennen van [de] ether of ethers, dat wil zeggen van deze uiterst ijle en etherische substantie die alle ruimte vult, hetzij interstellair of interplanetair of inter-atomair en intra-atomair, of actio in distans aanvaarden – actie op afstand, zonder een tussenstof of medium om de kracht over te brengen; en zo’n actio in distans is volgens alle bekende wetenschappelijke normen onmogelijk. Rede, gezond verstand, logica . . . eisen het bestaan van zo’n universeel allesdoordringend medium, hoe we het ook noemen . . .2

Logischerwijs moet elk type kracht uiteindelijk worden voortgebracht door de activiteit van een soort stoffelijke – maar niet noodzakelijkerwijs fysieke – middelen, die met eindige, hoewel misschien superluminale, snelheden bewegen.

In 1905 verwierp Albert Einstein de ether als ‘overbodig’. Hij erkende echter dat zwaartekrachtvelden in alle gebieden van de ruimte aanwezig zijn, en een tijdlang sprak hij over een ‘zwaartekrachtether’, maar hij maakte hiervan een lege abstractie door energetische eigenschappen eraan te ontzeggen. Het feit dat ruimte meer dan 10 verschillende kenmerken heeft – diëlektrische constante, elasticiteitsmodulus, magnetische permeabiliteit, magnetische susceptibiliteit, geleidbaarheidsmodulus, impedantie van elektromagnetische golven, enz. – is een duidelijk teken dat deze verre van leeg is. Maar het is logischer om ruimte te beschouwen als samengesteld uit energiesubstantie, in plaats van eenvoudig ermee ‘gevuld’ te zijn.

In 1915 publiceerde Einstein zijn algemene relativiteitstheorie, die in wezen een zwaartekrachttheorie is. Hij betwistte het Newtoniaanse denkbeeld dat inerte massa de oorzaak van de zwaartekracht is niet. Maar terwijl Newton de aantrekking van de zwaartekracht toeschreef aan de dichtheid van materie, ging Einstein ervan uit dat dezelfde hoeveelheid materie (‘zwaartekrachtmassa’) op een of andere manier het hypothetische vierdimensionale ‘ruimte-tijd-continuüm’ kromde, en dat deze misvorming de planeten in een baan om de zon laat draaien. Met andere woorden, zwaartekracht wordt niet beschouwd als een kracht die zich voortplant, maar zou ontstaan doordat massa’s het ‘weefsel van ruimtetijd’ in hun omgeving op een wonderbaarlijke manier vervormen. Dus, in plaats van aangetrokken te worden door de zon, veronderstelt men dat de aarde het dichtstbijzijnde equivalent van een rechte lijn volgt dat beschikbaar is door de gekromde ruimtetijd rond de zon.

Relativisten schrijven het afbuigen van sterrenlicht dat in de buurt van de zon passeert voornamelijk toe aan de kromming van de ruimte. Op Jupiters afstand zou de buiging slechts 0,00078 boogseconden zijn – en we moeten geloven dat deze minuscule vervorming van ‘ruimtetijd’ een planeet ter grootte van Jupiter om de zon kan laten draaien. Bovendien is ‘gekromde ruimtetijd’ eenvoudig een geometrische abstractie – of beter gezegd een wiskundig waanidee – en kan op geen enkele manier als een verklaring voor de zwaartekracht worden beschouwd. Hoewel vaak wordt beweerd dat de relativiteitstheorie door waarnemingen is bevestigd, zijn er alternatieve – en veel zinniger – verklaringen voor alle experimenten die ter ondersteuning ervan worden genoemd.3

De algemene relativiteitstheorie beweert dat materie, ongeacht haar elektrische lading, alleen een aantrekkende zwaartekracht veroorzaakt, en staat slechts minimale zwaartekrachtafscherming of antizwaartekrachteffecten toe. Bovendien voorspelt ze geen enkele koppeling tussen elektrostatische en zwaartekrachtvelden. Townsend Browns baanbrekende artikel uit 1929, dat de mogelijke ontdekking van elektrozwaartekracht meldde, werd in feite door de Physical Review afgewezen omdat het in strijd was met de algemene relativiteitstheorie.

Velden, snaren, branen

Volgens de kwantumveldentheorie ontstaan de vier erkende krachten – zwaartekracht, elektromagnetisme, en de zwakke en sterke nucleaire krachten – doordat materiedeeltjes voortdurend verschillende soorten krachtdragende ‘virtuele’ deeltjes (bekend als bosonen) uitzenden en absorberen, die onophoudelijk verschijnen en weer verdwijnen. De zwaartekracht zou tot stand worden gebracht door gravitonen – hypothetische massaloze, ongeladen, oneindig kleine deeltjes die met de lichtsnelheid reizen. Aangezien gravitonen blijkbaar identiek zouden zijn met hun antideeltjes, lijkt ook deze theorie antizwaartekracht uit te sluiten, en ze kan evenmin de elektrozwaartekracht verklaren.

Experimentele ondersteuning voor deze deeltjesuitwisselingstheorieën ontbreekt, en het is niet duidelijk hoe de impact van deeltjes zowel aantrekkende als afstotende krachten kan veroorzaken. Soms wordt gezegd dat bosonen een ‘boodschap’ dragen die materiedeeltjes vertelt of ze zich naar elkaar toe of uit elkaar moeten bewegen – maar dit verklaart helemaal niets. Bovendien worden in het standaardmodel krachtdragende deeltjes, evenals fundamentele materiedeeltjes, beschouwd als oneindig kleine, nul-dimensionale puntdeeltjes – wat duidelijk absurd is. Als gevolg van deze geïdealiseerde denkbeelden worden kwantumberekeningen vaak geplaagd door oneindigheden, die moeten worden verwijderd door een truc die ‘renormalisatie’ wordt genoemd.

Tijdens de laatste 40 jaar van zijn leven probeerde Einstein de geometrische begrippen van de algemene relativiteit uit te breiden zodat ze ook elektromagnetische interacties omvatten, en de wetten van zowel de zwaartekracht als het elektromagnetisme te verenigen in een verenigde veldtheorie. Veel andere wiskundigen werkten ook aan dit onderwerp, en sommige van deze theorieën introduceerden een vierde, opgerolde dimensie. Geen van deze pogingen had succes, en de zoektocht naar een verenigde theorie duurt voort.

Sommige wetenschappers geloven dat de snaartheorie, die voor het eerst werd geformuleerd in de jaren 70 van de vorige eeuw, een belangrijke stap in de richting van een ‘theorie van alles’ is. De snaartheorie beweert dat alle materie- en krachtdeeltjes, en zelfs ruimte (en tijd) voortkomen uit trillende eendimensionale snaren, ongeveer een miljard-biljoen-biljoenste centimeter (10-33 cm) lang maar met een dikte van nul, die een tiendimensionaal heelal bewonen waarin de zes extra ruimtelijke dimensies zo klein zijn opgerold dat ze niet waarneembaar zijn. Voor deze theorie wordt is geen experimenteel bewijs; om individuele snaren te detecteren zou een deeltjesversneller nodig zijn die minstens zo groot is als onze melkweg. Bovendien is de wiskunde van de snaartheorie zo complex dat niemand de exacte vergelijkingen kent, en zelfs de globale vergelijkingen zijn zo ingewikkeld dat ze tot nu toe slechts gedeeltelijk zijn opgelost.1

Sommige wetenschappers geloven dat voorbij de snaartheorie de M-theorie ligt, die beweert dat het heelal 11 dimensies heeft, niet alleen bewoond door eendimensionale snaren, maar ook door tweedimensionale membranen, driedimensionale blobs (drie-branen), en ook hogerdimensionale entiteiten, tot en met negen dimensies (negen-branen). Er wordt zelfs gespeculeerd dat de fundamentele componenten van het heelal nuldimensionale branen zijn.2 Zulke gekke denkbeelden helpen ons niet om een beter begrip van de echte wereld te krijgen en laten alleen maar zien hoe surrealistisch zuiver wiskundige speculatie kan worden.

Nulpuntveld

Volgens de kwantumtheorie zijn elektromagnetische velden (en andere krachtvelden) onderhevig aan constante, uiterst willekeurige* fluctuaties, zelfs bij een theoretische temperatuur van het absolute nulpunt (-273°C), wanneer alle thermische beweging zou ophouden. Daarom gelooft men dat ‘lege ruimte’ wemelt van nulpuntenergie in de vorm van fluctuerende elektromagnetische stralingsvelden (het nulpuntveld) en kortlevende virtuele deeltjes (de ‘Diraczee’).1 Theoretisch gezien zou elk punt van de ruimte een oneindige hoeveelheid nulpuntenergie moeten bevatten. Door een minimale golflengte van elektromagnetische trillingen aan te nemen, is de energiedichtheid van het ‘kwantumvacuüm’ teruggebracht tot het nog altijd astronomische getal 10108 joule per kubieke centimeter.

*H.P Blavatsky schrijft: ‘Het is onmogelijk zich iets zonder een oorzaak in te denken; de poging daartoe maakt van het verstand een leegte.’2 Dit betekent dat er heel veel wetenschappers met een leeg verstand moeten rondlopen!

We merken deze energie normaal gesproken niet op vanwege de uniforme dichtheid ervan, en de meeste wetenschappers negeren deze energie graag helemaal. Er zijn echter veel experimenten uitgevoerd waarvan de resultaten algemeen worden beschouwd als consistent met het bestaan van nulpuntenergie. De aanwezigheid van oppervlakken verandert de dichtheid van de vacuümenergie en kan resulteren in vacuümkrachten; een voorbeeld is het Casimir-effect – een aantrekkingskracht tussen twee evenwijdige geleidende platen. Er is echter veel meer experimenteel werk nodig om de theorie en alternatieve verklaringen te toetsen. Het Marshall Space Flight Center van NASA bestudeerde de mogelijkheid om nulpuntenergie te benutten voor de aandrijving van ruimtevaartuigen als onderdeel van zijn Breakthrough Propulsion Physics Programme (1996-2002).3

Terwijl conventionele kwantumelektrodynamica het nulpuntveld (zero-point field: ZPF) – soms de ‘kwantumether’ genoemd – uit de kwantumtheorie afleidt en ervan uitgaat dat het wordt gegenereerd door fysische materie-energie, is er een concurrerende benadering (stochastische elektrodynamica) die het ZPF beschouwt als een zeer reëel, intrinsiek substraat van het heelal.

Sommige wetenschappers stellen dat massa, traagheid en zwaartekracht allemaal verband houden met de fluctuerende elektromagnetische energie van het ZPF.4 Traagheid (de weerstand van een lichaam tegen een verandering in zijn bewegingstoestand) zou een versnellingsafhankelijke, elektromagnetische weerstandskracht zijn die voortvloeit uit interacties tussen een geladen deeltje en het ZPF. De fluctuaties van het ZPF zouden er ook toe leiden dat geladen deeltjes secundaire elektromagnetische velden uitzenden, die een resterende aantrekkingskracht produceren – zwaartekracht. In deze theorie wordt zwaartekracht dus gezien als een manifestatie van elektromagnetisme. Men denkt dat het door het ZPF rondom een lichaam opnieuw te configureren mogelijk is om zijn traagheid, of ‘traagheidsmassa’, te wijzigen en de zwaartekracht te beheersen.

Sommige ZPF-onderzoekers zeggen dat er niet zoiets als massa bestaat – maar alleen ladingen, die in wisselwerking staan met het alomtegenwoordige elektromagnetische veld en daardoor de illusie van materie creëren.5 Omdat ze echter geen concreet beeld geven van wat ze onder ‘lading’ of ‘geladen deeltje’ verstaan, komen we met deze theorie niet ver. In het standaardmodel van deeltjesfysica worden ‘fundamentele’ geladen deeltjes zoals elektronen en quarks gemodelleerd als oneindig kleine deeltjes zonder interne structuur – wat duidelijk een fysieke onmogelijkheid is.

Duwende zwaartekracht

Volgens de impacttheorie van de zwaartekracht, die in eerste instantie afkomstig is van de 18de-eeuwse wetenschapper Georges-Louis Le Sage, wordt zwaartekracht veroorzaakt doordat fysieke materie continu wordt gebombardeerd door uiterst kleine, niet-waarneembare deeltjes (‘gravitonen’ – een woord dat in verschillende theorieën verschillende dingen betekent), die veel sneller door de ruimte reizen dan de lichtsnelheid. De deeltjes zouden zo klein moeten zijn dat ze slechts af en toe stoffelijke bestanddelen raken in de lichamen waar ze doorheen gaan, waarbij elk bestanddeel dezelfde kans heeft om geraakt te worden. Elke twee lichamen in de ruimte zullen elkaar afschaduwen voor sommige gravitoninslagen, waardoor ze naar elkaar toe worden ‘getrokken’ (d.w.z. geduwd) met een kracht die de omgekeerde kwadratenwet volgt. Er zijn verschillende concurrerende versies van de theorie van Le Sage. Ze vallen in twee hoofdgroepen: die welke de deeltjes (of corpusculaire) benadering volgen, en die welke de gravitonzee vervangen door elektromagnetische straling – met een heel hoge of lage frequentie – die de hele ruimte vult.1

James Clerk Maxwell en Henri Poincaré stelden dat gravitonbotsingen met materie inelastisch zouden moeten zijn, omdat gravitonen anders tussen twee lichamen heen en weer zouden stuiteren, waardoor het afschermende effect wordt opgeheven, maar dat inelastische gravitoninslagen alle stoffelijke lichamen snel tot een hoge temperatuur zouden verhitten. Voorstanders van de theorie reageerden door te beweren dat lichamen op de een of andere manier evenveel warmte terug de ruimte in moeten stralen als ze absorberen, hoewel er in het geval van de aarde geen duidelijk bewijs is om dit te ondersteunen. Héctor Múnera maakt bezwaar tegen de veronderstelling van Maxwell en Poincaré dat gravitonen puntdeeltjes moeten zijn die door materie op een coherente manier worden weerkaatst; hij beweert dat als gravitonen een innerlijke structuur hebben (zoals het geval moet zijn als ze echt bestaan), ze elastische botsingen zouden kunnen ondergaan zonder elkaar op te heffen, en dat er daarom geen warmteprobleem zou ontstaan.2

Volgens de theorie van Newton werkt de zwaartekracht onmiddellijk, terwijl ze zich volgens de relativiteitstheorie met de lichtsnelheid voortplant. Er wordt soms beweerd dat als de kracht van de zon zich voortplant met de lichtsnelheid, deze de omloopsnelheid van de aarde merkbaar zou versnellen – iets wat niet wordt waargenomen. Tom Van Flandern berekent op basis van binaire pulsar gegevens dat gravitonen zich minstens 20 miljard keer zo snel moeten bewegen als licht.3 Hoe deze gravitonen ontstaan en erin slagen om tot zulke ongelooflijke snelheden te worden versneld, wordt niet uitgelegd.

Hoewel het logisch is om te veronderstellen dat alle aantrekkingskrachten uiteindelijk voortkomen uit duwbewegingen op een of ander niveau,* is de impacttheorie van de zwaartekracht te simplistisch om alle relevante feiten te verklaren. Ze kan, evenals de conventionele zwaartekrachttheorie, niet verklaren waarom alle planeten rond de zon draaien in vlakken die slechts kleine hoeken vormen ten opzichte van het equatoriale vlak van de zon, of waarom alle planeten in dezelfde richting om de zon draaien als de rotatierichting van de zon. Hoewel theorieën van het Le Sage-type zwaartekrachtafscherming kunnen verklaren (omdat materie die tussen twee elkaar aantrekkende lichamen is geplaatst gravitonen zal absorberen of afbuigen), kunnen ze antizwaartekracht en levitatie niet gemakkelijk verklaren en negeren deze meestal. Er is geen impacttheorie bedacht om bipolaire krachten zoals elektriciteit en magnetisme te verklaren, en een impacttheorie van de zwaartekracht bagatelliseert dus het verband tussen zwaartekracht en elektromagnetisme.

*Als we naar analogie redeneren (zo boven, zo beneden), is de microscopische wereld een enorm verkleinde en versnelde versie van de macroscopische wereld (zie De oneindige deelbaarheid van de stof). Op macroscopisch niveau is het onmogelijk om een aantrekkingskracht te vinden die niet in feite een duwende kracht is. Iemand die bijvoorbeeld uit een drukcabine van een vliegtuig wordt ‘gezogen’ als de deur tijdens de vlucht opengaat, wordt in feite naar buiten geduwd door het grotere aantal moleculaire bombardementen ‘achter’ hem.

Als een object dat in een elastische vloeistof gedompeld is golven uitzendt die het medium afwisselend verdichten en verdunnen, zullen andere lichamen worden aangetrokken of afgestoten, al naar gelang de golflengte erg groot of erg klein is in vergelijking met hun afmetingen.4 Dit geval omvat daarom zowel aantrekkende als afstotende krachten, en beide zijn uiteindelijk herleidbaar tot duwbewegingen, maar de achterliggende processen zijn veel complexer dan in het voorbeeld met een vliegtuig.

Dynamische ether

Onderzoekers op het gebied van etherfysica hebben verschillende modellen ontwikkeld om de aard van materie en kracht te verklaren. Zulke theorieën zijn al ‘verenigd’ in de zin dat fysieke materie en krachten worden afgeleid van de activiteit van de achterliggende ether. Subatomaire deeltjes worden vaak gemodelleerd als zichzelf in stand houdende wervelingen in de ether, die continu etherstromen uitstralen en absorberen. Traagheid kan men zich voorstellen als de weerstandskracht die wordt uitgeoefend door de verstoorde ether terwijl een lichaam erdoorheen versnelt. Elektrische lading kan men zich voorstellen als een verschil in etherconcentratie, en magnetische krachten als cirkelvormige etherstromen. Sommige onderzoekers, zoals Dan Davidson, zeggen dat net zoals elektrische lading een gradiënt in de ether is, de zwaartekracht een gradiënt van elektrische lading is. Dit betekent dat als de ether-gradiënt rond een atoom wordt gewijzigd, de zwaartekracht ook zal veranderen. Dit verschijnsel kan worden versterkt door etherstromen die door de kern van een bepaalde massa heen gaan te synchroniseren, hetzij door rotatie of beweging of door sonische stimulatie, waardoor alle atomen samen gaan resoneren.1

Paul LaViolette heeft een theorie ontwikkeld die ‘subkwantumkinetiek’ wordt genoemd, en die het 19de-eeuwse denkbeeld van een mechanische, inerte ether vervangt door dat van een continu transmuterende ether.2 Fysieke subatomaire deeltjes en energiekwanta worden beschouwd als golfvormige concentratiepatronen in de ether. De zwaartekracht- en elektromagnetische velden van een deeltje zouden het gevolg zijn van verschillende soorten etherische deeltjes, of etheronen, die over hun grenzen heen stromen, en van de daaruit voortvloeiende gradiënten van etheron-concentraties. Positief geladen deeltjes zoals protonen genereren materie-aantrekkende zwaartekrachtputten, terwijl, in tegenstelling tot de conventionele theorie, negatief geladen deeltjes zoals elektronen materie-afstotende zwaartekrachtheuvels genereren. Elektrisch neutrale materie blijft een aantrekkende zwaartekracht uitoefenen omdat de zwaartekrachtput van het proton ietsje groter is dan de zwaartekrachtheuvel van het elektron.

De meeste wetenschappers gaan ervan uit dat elektronen worden aangetrokken door de zwaartekracht, maar dit is niet experimenteel geverifieerd omdat het moeilijk te meten is. LaViolette gelooft dat zijn theorie dat elektronen antizwaartekrachteigenschappen hebben wordt bevestigd door een experiment dat door Evgeny Podkletnov en Giovanni Modanese in 2001 werd uitgevoerd. Daaruit bleek dat ‘een axiale hoogspanningselektronenontlading een materie-afstotende zwaartekrachtgolf produceert die in de richting van de ontlading beweegt en een longitudinale afstotende zwaartekracht uitoefent op een testmassa op afstand’.3 Hoewel de hypothese dat negatieve ladingen antizwaartekrachtvelden produceren het klassieke Biefeld-Brown-effect zou verklaren (een stuwkracht die gericht is van de negatieve naar de positieve elektrode van een hoogspanningscondensator), kan ze moeilijk verklaren waarom een stuwkracht kan worden voortgebracht ongeacht of de leidende elektrode positief of negatief is.

De Canadese wetenschappers Paulo en Alexandra Correa hebben – voortbouwend op het baanbrekende werk van wetenschappers zoals Nicola Tesla, Louis de Broglie, Wilhelm Reich en Harold Aspden4 – een gedetailleerd, kwantitatief model van een dynamische ether ontwikkeld, bekend als aetherometrie. Ze hebben ook technologische toepassingen ontwikkeld, zoals hun gepulseerde plasma (PAGD) reactoren, die meer vermogen leveren dan nodig is om ze te laten werken, hun zelfvoorzienende ethermotor, en hun gewichtsneutralisator en antigravitator.5

De Correa’s hebben nauwkeurige experimenten uitgevoerd met elektroscopen, ‘orgon-accumulatoren’ (speciaal ontworpen metalen behuizingen) en Tesla-spoelen die wijzen op het bestaan van zowel elektrische als niet-elektrische vormen van ‘massavrije’ (niet-fysieke), niet-elektromagnetische energie, waarvan één component (bij scheikundigen en klimatologen bekend als ‘latente warmte’) antizwaartekracht-eigenschappen heeft.6 Door aan te tonen dat de ether niet kan worden herleid tot elektromagnetische energie, hebben ze duidelijk de ontoereikendheid van nulpuntenergie-modellen aan het licht gebracht. Wanneer elektrische massavrije golven in contact komen met fysieke materie (bijvoorbeeld de atmosfeer van de aarde), geven ze energie aan geladen deeltjes zoals elektronen, en wanneer de snelheid van deze deeltjes afneemt, werpen ze deze energie af in de vorm van tijdelijke, roterende structuren van elektromagnetische energie, dat wil zeggen fotonen.

De aetherometrie stelt dat de rotatie en andere bewegingen van planeten, sterren en sterrenstelsels het resultaat zijn van draaiende of draaikolk-bewegingen van de ether op verschillende schalen. Elektrische en niet-elektrische ethergolven geven impulsen aan bijvoorbeeld de aarde, terwijl ze naar die planeet buigen, en deze instroom van energie drijft niet alleen de aarde voort, maar produceert ook haar zwaartekrachtveld. Wanneer niet-elektrische etherenergie in wisselwerking staat met fysieke of etherische ladingen, brengt ze ofwel gravitonen voort, die een deeltje of lichaam naar gebieden met een grotere massadichtheid duwen, of antigravitonen, die ze in de tegenovergestelde richting duwen. Gravitatiekrachten zijn in wezen elektrodynamische krachten die afhankelijk zijn van polariteit.7

Verwijzingen

Lege ruimte, gekromde ruimte en de ether

  1. Geciteerd in G. de Purucker, De esoterische traditie, Den Haag: Theosophical University Press Agency (TUPA), 2001, blz. 229; H.P. Blavatsky, De geheime leer, TUPA, 2019, 1:539.
  2. The Esoteric Tradition, Pasadena CA: Theosophical University Press (TUP), 2de ed., 1940, blz. 901-2vn.
  3. Zie Space, time, and relativity (Einstein’s fallacies), davidpratt.info.

Velden, snaren, branen

  1. Brian Greene, The Elegant Universe: Superstrings, hidden dimensions, and the quest for the ultimate theory, Londen: Vintage, 2000, blz. 19.
  2. The Elegant Universe, blz. 287-8, 379.

Nulpuntveld

  1. R. Forward, ‘Mass modification experiment definition study’, Journal of Scientific Exploration, 10:3, 1996, blz. 325-54.
  2. H.P. Blavatsky, De geheime leer, TUPA, 2019, 1:75.
  3. Marc G. Millis, ‘Prospects for breakthrough propulsion from physics’, 2004, nasa.gov.
  4. B. Haisch en A. Rueda, ‘The zero-point field and the NASA challenge to create the space drive’, Journal of Scientific Exploration, 11:4, 1997, blz. 473-85; ‘Questions and answers about the origin of inertia and the zero-point field’, calphysics.org/questions.html.
  5. B. Haisch, A. Rueda en H.E. Puthoff, ‘Beyond E=mc²’, The Sciences, 34:6, 1994, blz. 26-31.

Duwende zwaartekracht

  1. Matthew R. Edwards (red.), Pushing Gravity: New perspectives on Le Sage’s theory of gravitation, Montreal, Quebec: Apeiron, 2002.
  2. Héctor A. Múnera, ‘A Le Sagian atomic-type model for propagation and generation of gravity’, in Héctor A. Múnera (red.), Should the Laws of Gravitation Be Reconsidered? The scientific legacy of Maurice Allais, Montreal: Apeiron, 2011, blz. 385-422.
  3. Tom Van Flandern, ‘The speed of gravity – what the experiments say’, Meta Research Bulletin, 6:4, 1997, blz. 49-62.
  4. Encyclopaedia Britannica, 9de ed., 1898, blz. 64.

Dynamische ether

  1. Dan A. Davidson, Shape Power, Sierra Vista, AR: RIVAS, 1997, blz. 1-7; Dan A. Davidson, ‘Free energy, gravity and the aether’, 1997, keelynet.com/davidson/npap1.htm.
  2. Paul A. LaViolette, Genesis of the Cosmos: The ancient science of continuous creation, Rochester, VE: Bear and Company, 2004; Paul A. LaViolette, Subquantum Kinetics: A systems approach to physics and cosmology, Alexandria, VA: Starlane Publications, 2de ed., 2003 (etheric.com).
  3. etheric.com/predictions-part-ii-physics-and-astronomy/2; Subquantum Kinetics, blz. 126-8.
  4. Harold Aspden (aether physics), haroldaspden.com.
  5. The New Aetherometric Technologies, aetherenergy.com/Technologies; Keith Tutt, The Search for Free Energy: A scientific tale of jealousy, genius and electricity, Londen: Simon & Schuster, 2001, blz. 218-22, 315-7.
  6. Paulo N. Correa en Alexandra N. Correa, Experimental Aetherometry, delen 1, 2A & 2B, Concord: Akronos Publishing, 2001, 2003, 2006 (aetherometry.com).
  7. Aetherometry and gravity: an introduction, davidpratt.info.

4. Zwaartekrachtgolven

Volgens de algemene relativiteitstheorie veroorzaken versnellende lichamen zwaartekrachtgolven, of ‘rimpelingen in het weefsel van de ruimtetijd’, die zich met de lichtsnelheid in alle richtingen uitbreiden. Er wordt voorspeld dat de golven erg zwak zijn, en alleen die welke worden veroorzaakt door cataclysmische gebeurtenissen, zoals het samensmelten van twee neutronensterren of zwarte gaten, zouden op aarde mogelijk detecteerbaar zijn. Pogingen om zwaartekrachtgolven direct waar te nemen begonnen in de jaren 60 van de vorige eeuw.

Waarnemingen

In maart 2014 kondigden astronomen die de Background Imaging of Cosmic Extragalactic Polarization (BICEP2) telescoop aan de zuidpool gebruikten, triomfantelijk aan dat ze bewijs hadden gevonden van oerzwaartekrachtgolven die waren afgedrukt op de kosmische microgolf-achtergrondstraling. Ze beweerden dat er slechts een kans van één op een biljoen was dat dit signaal veroorzaakt zou kunnen zijn door andere factoren, zoals galactisch stof. In januari 2015 moesten ze echter toegeven dat stof wel degelijk de oorzaak was.1 Astrofysicus Peter Coles merkte op: ‘Ik denk niet dat BICEP2 hier goed van afkomt, maar de vele theoretici die het kritiekloos als oersignaal hebben aanvaard en een enorme PR-hype hebben gecreëerd, evenmin.’ Het debacle, zei hij, ‘heeft een verontrustende schending van de wetenschappelijke methode aan het licht gebracht bij sommige hooggeplaatste wetenschappers die echt beter zouden moeten weten. Het kan gevaarlijk zijn om zozeer te willen dat je theorie waar is dat het je oordeel vertroebelt.’2

Op 11 februari 2016 kondigde het Laser Interferometer Gravitational-Wave Observatory (LIGO) met grote fanfare aan dat het eerste zwaartekrachtgolf-signaal op 14 september 2015 was waargenomen door zijn twee detectoren, gelegen in Livingston (Louisiana) en Hanford (Washington).3 De golf bereikte eerst Livingston en 7 milliseconden later Hanford, wat aangeeft dat hij zich met ongeveer de lichtsnelheid reisde. De gemeten oscillatie, die slechts een vijfde van een seconde duurde, begon met 35 trillingen per seconde (hertz), versnelde tot 150 hertz, en verdween toen snel – een golfvorm die bekendstaat als een ‘chirp’. Berekeningen en computersimulaties gebaseerd op de algemene relativiteitstheorie geven aan dat de zwaartekrachtgolf werd veroorzaakt door de krachtige botsing en fusie van twee zwarte gaten (van 29 en 36 zonnemassa’s) 1,3 miljard jaar geleden; in de laatste fractie van een seconde zou de explosie meer energie hebben uitgestoten dan alle sterren in alle sterrenstelsels, waardoor de waargenomen golf werd voortgebracht.

LIGO-observatorium

Fig. 3.1 LIGO-observatorium in Livingston. (mediaassets.caltech.edu)

LIGO wordt beschreven als ‘een van de meest geavanceerde, complexe en precieze wetenschappelijke instrumenten die ooit zijn gebouwd’.4 Het kostte meer dan $620 miljoen, en de onderzoekssubsidies en bedrijfskosten maken dat bedrag hoger dan $1 miljard. De twee interferometers van LIGO laten laserstralen heen en weer kaatsen tussen hangende spiegels aan tegenovergestelde uiteinden van twee 4 km lange vacuümbuizen, haaks op elkaar geplaatst. Een passerende zwaartekrachtgolf zal ervoor zorgen dat een van de armen langer wordt en de andere korter, waardoor de laserstralen enigszins verschuiven en niet meer synchroon verlopen. Na een upgrade in september 2015 zijn de geavanceerde LIGO (aLIGO)-detectoren naar verluidt in staat om uitrekkingen en samendrukkingen van ‘ruimtetijd’ zo klein als 1 op de 1022 te detecteren – vergelijkbaar met een haarbreedte-verandering in de afstand van de zon tot Alpha Centauri, de ster die het dichtst bij de zon staat. De zwaartekrachtgolf werd in feite gedetecteerd terwijl men nog bezig was de geüpgradede instrumenten te kalibreren en testen, zodat ze klaar zouden zijn voor de eerste waarnemingsrun vier dagen later.

Sinds deze eerste vermeende waarneming hebben LIGO en andere teams de detectie van een tiental andere zwaartekrachtgolf-gebeurtenissen bekendgemaakt.

Interpretaties

De door LIGO geclaimde precisie is in twijfel getrokken. Naar verwachting zal een zwaartekrachtgolf de spiegels met nauwelijks 10-15 mm (0,000000000000001 mm), of een honderd-miljoenste van de diameter van een waterstofatoom, verplaatsen. De toegestane afwijking van de spiegels die in de LIGO-instrumenten worden gebruikt is zodanig dat sommige delen van een spiegel 50 nanometer (miljardsten van een meter) verder of dichter bij het observatiepunt kunnen liggen – een afstand die één miljard keer zo groot is als het zwaartekrachtgolf-signaal. Talrijke factoren kunnen de afstand tussen de spiegels met vele ordes van grootte groter dan een zwaartekrachtgolf veranderen, waaronder temperatuur- en ladingsvariaties, seismische activiteit, weersveranderingen, en verkeer op nabijgelegen wegen. De interferometers zijn zelfs gevoelig voor oceaangolven die duizenden kilometers verderop tegen de kust slaan, blikseminslagen op grote afstand, signalen van GPS-satellieten en elektromagnetische pulsen in de bovenste atmosfeer van de aarde. Daarom worden ze voorzien van tal van afschermingsmiddelen, en worden op honderden niveaus feedback- en controlesystemen toegepast. Bekende verstoringen worden bewaakt door een reeks sensoren, zodat hiermee rekening kan worden gehouden bij het interpreteren van de meetresultaten. Sommige wetenschappers betwijfelen of dit met voldoende zekerheid kan worden gedaan en zonder het gewenste signaal te verstoren.1

Voor testdoeleinden gebruikt LIGO een methode die bekendstaat als ‘blinde injectie’, waarbij in het geheim een nep-signaal tussen de ruwe gegevens wordt gevoegd om te zien of de rest van het team deze zal herkennen. Toen in september 2010 een potentieel zwaartekrachtgolf-signaal werd gedetecteerd, gingen de wetenschappers aan de slag en na een onderzoek van zes maanden concludeerden ze dat het echt was en aan de wereld moest worden bekendgemaakt. Het blinde-injectie-team onthulde daarop dat het nep was!2

Het LIGO-team zegt 99,99994% ervan overtuigd te zijn dat het in september 2015 waargenomen signaal (GW150914) een echte zwaartekrachtgolf is en niet werd veroorzaakt door omgevingsinvloeden of apparatuurruis.3 Ze geloven dat dempings- en filtersystemen alle ongewenste verstoringen kunnen verwijderen. De overeenkomst van de signalen die door de twee interferometers werden gedetecteerd, wordt gezien als bewijs dat de golf uit de ruimte is gekomen. Er is natuurlijk geen manier om te verifiëren dat de golf echt werd veroorzaakt door de botsing van twee hypothetische zwarte gaten en er 1,3 miljard jaar over deed om de aarde te bereiken, en ook geen manier om elke andere mogelijke oorzaak uit te sluiten.4 Er is geen zekerheid dat het gedetecteerde signaal iets met zwaartekracht te maken heeft. Een suggestie is dat het zou kunnen zijn veroorzaakt door kleine spanningen in de metalen vacuümbuizen als gevolg van elektrische stromingen veroorzaakt door een geomagnetische storm die in de ionosfeer van de aarde is ontstaan.5

grafiek LIGO

Fig. 3.2 Na verwerking komt het signaal van het LIGO-observatorium in Washington (oranje), wanneer het met 0,007 seconden wordt verschoven en omgekeerd (als gevolg van de andere oriëntatie van zijn detector), vrij goed overeen met het signaal van het LIGO-observatorium in Louisiana (blauw). De verschillen in de sterkte van de signalen zijn niet verklaard. (mediaassets.caltech.edu)

Mainstream-wetenschappers en de massamedia hebben de vermeende ontdekking van zwaartekrachtgolven verwelkomd als bevestiging van Einsteins algemene relativiteitstheorie en het bestaan van zwarte gaten. Gezien het feit dat de gegevens werden geïnterpreteerd op basis van relativistische veronderstellingen, is het niet verwonderlijk dat, na maanden van analyse, het scenario dat de wetenschappers bedachten overeenkomt met de relativiteitstheorie. De signalen gemeten door de detectoren zijn vermengd met een aanzienlijke hoeveelheid willekeurige ruis. Verschillende technieken worden gebruikt om sterke golfvormen te identificeren die in de ruis verborgen zijn. Deze signalen worden vervolgens door computers vergeleken met ongeveer 250.000 sjabloongolfvormen die worden verwacht op basis van de theorie over zwarte gaten, totdat ze een match vinden in beide detectoren binnen 10 milliseconden van elkaar. Shannon Sims merkt op: ‘Met zoveel aanvaardbare patronen was het onvermijdelijk dat er uiteindelijk een match zou worden gevonden.’6

Niettemin waren de theoretische massa’s van de betrokken zwarte gaten veel kleiner dan eerder voor gevallen van fusie waren voorspeld, en was de spin van het samengesmolten zwarte gat een derde minder dan voorspeld. 0.4 seconden na LIGO’s waarneming van de zwaartekrachtgolf werd een seconde lang een uitbarsting van gammastraling gedetecteerd die uit hetzelfde gebied van de zuidelijke hemel kwam.7 Als deze door dezelfde kosmische gebeurtenis ontstond, vormt ze een probleem voor de orthodoxe theorie, omdat samensmeltende zwarte gaten naar verwachting geen uitbarstingen van elektromagnetische straling zullen veroorzaken.

Zoals aangegeven in hoofdstuk 3 is de algemene relativiteitstheorie een abstract geometrisch model en kan daarom geen realistisch inzicht in zwaartekracht of zwaartekrachtgolven verschaffen. Logischerwijs kunnen golven zich alleen voortplanten in een stoffelijk medium, fysiek (zoals gesteenten, water of lucht) of niet-fysiek (zoals de ether); lege ruimte trilt niet. Omdat gekromde ruimtetijd een abstract wiskundig verzinsel is, en omdat abstracties niet kunnen trillen, kunnen ‘rimpelingen in de ruimtetijd’ niet bestaan en kunnen daarom nooit worden waargenomen. Golven en rimpelingen in de ether van de ruimte zijn echter te verwachten.

Een zwart gat wordt gedefinieerd als een object dat zo massief is dat er geen licht aan kan ontsnappen; zijn massa zou geconcentreerd zijn in een oneindig kleine singulariteit van oneindige ruimtetijd-kromming – een onzinnig denkbeeld.8 Stephen Crothers stelt dat ‘de hele theorie van zwarte gaten onjuist is’ en een afspiegeling van ‘het intellectuele verval van de moderne fysica en astronomie’.9 Het samensmelten van twee structuurloze puntsingulariteiten is zeker moeilijk voorstelbaar. Elke fusie van twee massieve objecten kan echter in theorie het soort zwaartekrachtsignalen creëren dat wordt voorspeld door de quadrupole formule van Einstein.

foto zwart gat

Fig. 3.3 In april 2019 heeft de Event Horizon Telescope Collaboration dit wazige, twee jaar oude beeld vrijgegeven van het centrum van melkweg M87, op een afstand van 55 miljoen lichtjaar (eventhorizontelescope.org). Het werd wereldwijd geprezen als de allereerste foto van een superzwaar ‘zwart gat’. Het centrale gebied is eigenlijk niet zo donker in vergelijking met de achtergrond. Bovendien maakt de EHT microgolfbeelden, en dit betekent dat eventuele röntgen- en gammastraling die door de kern wordt uitgezonden niet zichtbaar zal zijn (etheric.com). De foto bewijst dus helemaal niets over zwarte gaten. Zoals Stephen Crothers opmerkt: ‘Zo beoefenen astronomen en kosmologen wetenschap: fraude door massahysterie opgewekt door massamedia’ (sciencewoke.org). Volgens de ‘elektrisch heelal’ theorie bevindt zich een superdichte, torusvormige (donutvormige) structuur van elektromagnetische energie – bekend als een plasmoïde – in het centrum van sterrenstelsels (holoscience.com; thunderbolts.info).

Ervan uitgaande dat er inderdaad zwaartekrachtgolven zijn gedetecteerd, zijn er verschillende alternatieven voor de op de relativiteitstheorie gebaseerde interpretatie. Stochastische elektrodynamica (zie hoofdstuk 3) stelt voor dat de fusie twee massieve geladen lichamen (of plasmoïden) betrof in plaats van twee zwarte gaten, en dat zwaartekrachtgolven verstoringen zijn in de virtuele deeltjes en/of nulpuntenergie waaruit het ‘kwantumvacuüm’ bestaat.10 Paul LaViolette stelt op basis van zijn model van een dynamische ether dat zwaartekracht-ineenstorting die leidt tot het ontstaan van zwarte gaten zich niet kan voordoen, maar dat twee zeer dichte, compacte objecten – die hij ‘moedersterren’ noemt – die spiraalsgewijs naar elkaar toe bewegen, quadrupolaire zwaartekrachtgolven kunnen genereren, zoals gedetecteerd door LIGO. Hij beweert dat supernova-explosies, galactische kernuitbarstingen en andere natuurlijke gebeurtenissen hoogstwaarschijnlijk longitudinale zwaartekrachtgolf-pulsen voortbrengen (d.w.z. vergelijkbaar met geluidsgolven), maar observatoria zoals LIGO zijn niet ontworpen om dat type golf te detecteren.11

Verwijzingen

Waarnemingen

  1. Ian O’Neill, ‘BICEP2 gravitational wave ‘discovery’ deflates’, 30 jan. 2015, seeker.com; Miles Mathis, ‘Gravity waves of propaganda’, 18 maart 2014, milesmathis.com.
  2. Tushna Commissariat, ‘Galactic dust sounds death knell for BICEP2 gravitational wave claim’, 3 feb. 2015, physicsworld.com.
  3. Tushna Commissariat, ‘LIGO detects first ever gravitational waves – from two merging black holes’, 11 feb. 2016, physicsworld.com; Adrian Cho, ‘Gravitational waves, Einstein’s ripples in spacetime, spotted for first time’, 11 feb. 2016, sciencemag.org; Davide Castelvecchi en Alexandra Witze, ‘Einstein’s gravitational waves found at last’, 11 feb. 2016, nature.com; B.P. Abbott e.a., ‘Observation of gravitational waves from a binary black hole merger’, Physical Review Letters, deel 116, 061102, 2016, journals.aps.org.
  4. ‘Feedback and control systems’, ligo.caltech.edu.

Interpretaties

  1. Hilton Ratcliffe, ‘‘Discovery’ of gravitational waves’, feb. 2016, researchgate.net.
  2. Tom Hartsfield, ‘Faking data for a good cause’, 13 jan. 2016, realclearscience.com.
  3. B.P. Abbott e.a., ‘Characterization of transient noise in Advanced LIGO relevant to gravitational wave signal GW150914’, arxiv.org.
  4. Wal Thornhill, ‘An examination of ‘gravitational waves’’, 19 feb. 2016, youtube.com; ‘Absurdity of modern physics: LIGO gravitational wave detection as ill-posed problem’, 12 feb. 2016, claesjohnson.blogspot.nl.
  5. ‘A commentary on LIGO by Dr Bibhas De’, facebook.com; Hilton Ratcliffe, ‘Playing devil’s advocate on the discovery of gravitational waves’, 22 feb. 2016, thehansindia.com.
  6. Shannon Sims, ‘Problems with the LIGO gravitational wave discovery’, 6 maart 2016, plasma.pics.
  7. Marcus Woo, ‘LIGO’s black holes may have lived and died inside a huge star’, 16 feb. 2016, newscientist.com.
  8. Zwarte gaten: werkelijkheid of verbeelding, theosofie.net; Black holes: fact or fiction?, davidpratt.info.
  9. Stephen J. Crothers, ‘The Painlevé-Gullstrand ‘extension’ – a black hole fallacy’, American Journal of Modern Physics, deel 5, nr. 1-1, 2016, blz. 33-9, vixra.org.
  10. Barry Setterfield, ‘Gravitational wave announcement’, 12 feb. 2016, setterfield.org.
  11. Paul LaViolette, ‘First discovery of quadrupole gravity waves still does not prove existence of black holes’, 18 feb. 2016, etheric.com.

Zwaartekracht en antizwaartekracht: Deel 2


© 2020 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag