Denkvermogen, herinnering en het astrale licht
John Van Mater, Jr.

 

De Ouden waren op de hoogte van het bestaan van een astrale of ‘sterachtige’ substantie die de grondslag is van de fysieke stof. De hindoes noemen haar akasa, ‘schitterend, stralend’. De stoïcijnen spraken van aether of kwintessens, de mysterieuze geest-substantie die de veranderlijke bron is van alle vormen. Theosofen noemen haar het astrale licht. Als meest stoffelijke laag van de niet-fysieke energieën die onze planeet omringen, analoog aan de ziel van de wereld, werkt ze als een compleet reservoir van herinneringen dat de optekeningen bevat van elke indruk en gebeurtenis die ooit op aarde heeft plaatsgevonden. Ze is vol met de potentiële oervormen van alle gedachten, vormen en wezens, en de werkingen ervan vallen buiten het ruimte-tijd-kader dat geldt voor het fysieke gebied. In feite is de fysieke wereld een uitbreiding van de astrale, die een reeks krachten en emanaties bevat, gedachten en wezens, die voor het leven op aarde òf weldadig òf schadelijk zijn.

In de kosmos zijn er vele fysieke, psychische, mentale, en geestelijke gebieden – zichzelf organiserende, complete, levende stelsels. Ieder van die gebieden is in die zin holografisch dat het in zich de karakteristieken bevat van alle andere gebieden. Denkbeelden zoals die van Rupert Sheldrake over morfische velden en morfische resonantie komen op vele manieren overeen met enkele verschijnselen die in het astrale licht zouden plaatsvinden. Alle aardse entiteiten kunnen worden beschouwd als velden die tot onze levende aarde, Gaia, behoren, en ze maken deel uit van haar constitutie. De hogere akasische gebieden resoneren met ieder deel van de natuur. Er wordt beweerd dat allerlei gebeurtenissen in het astrale licht van de aarde fysieke gevolgen hebben, en daartoe behoren alle natuurverschijnselen en menselijke aangelegenheden die zich uitstrekken van epidemieën en aardbevingen tot oorlogen en weerspatronen. Op haar beurt maakt Gaia deel uit van de gebieden die het zonnewezen en zijn constitutie vormen, enzovoort door de hele kosmos.

Evenals de aarde heeft iedere mens een aurisch veld en een astraal lichaam. De vijftig biljoen cellen van ons lichaam, en ook de celweefsels en organen die ze vormen, hebben elk hun eigen identiteit en geheugen. Onze mentale en emotionele velden beïnvloeden iedere cel en elk atoom van ons wezen ten goede of ten kwade. Hoe wij denken en handelen heeft niet alleen invloed op de mensheid maar ook op Gaia via het astrale licht, waarvan de werking door actieve scheppende intelligenties wordt bestuurd. De automatische werking van goddelijke wezens, bijvoorbeeld, herstelt de harmonie, en brengt in de hele natuur het innerlijke en uiterlijke met elkaar in evenwicht. Wij moeten de verantwoordelijkheid voor onszelf op ons nemen, want dit wederzijdse karmische proces is voortdurend aan de gang, en de verschillende omstandigheden van ons leven zijn het resultaat van haar rechtvaardige en onpersoonlijke werking met betrekking tot onze eigen activiteiten.

Hoe verhouden de hersenen en het denkvermogen zich tot het bewustzijn in deze astrale of niet-fysieke gebieden? Er zijn ongetwijfeld verschillende niveaus waarop het denken en het geheugen werken en die worden weerspiegeld in zowel de structuur van de hersenen als onze andere organen. Pythagoras noemde de hersenen het voornaamste orgaan van bewustzijn, en in sommige opzichten werken ze als een schakelbord voor de samenwerking van het fysieke lichaam en de ziel. Het denkvermogen werkt in op subtiele of astrale stof die in contact staat met de hersenen en het zenuwstelsel. Achter deze fysieke werking staat evenwel een programmeur – intelligentie, denkvermogen – met wilskracht en verlangens.

Als mensen putten we uit een enorm bereik van frequenties van bewustzijn. In het theosofische stelsel is het denkvermogen het vijfde op de schaal van de zeven beginselen die ons wezen vormen. Het denkvermogen is het actieve brandpunt van ons zelfbewustzijn, organiseert de stof en brengt deze tot leven. De hogere aspecten van het bewustzijn kan men in drie lagen verdelen: atma, goddelijkheid; buddhi, intuïtie of mededogen; en manas, intellect, ons centrum van zelfbewustzijn. De lagere aspecten worden gevormd door kama, begeerte; prana, levensenergie; en het astrale en fysieke lichaam. Elk van deze zeven beginselen is zelf zevenvoudig. Ons dagelijkse bewustzijn is in het algemeen geconcentreerd in begeerte verbonden met het denkvermogen.

De verstandelijke aspecten van het bewustzijn waarmee we het meest vertrouwd zijn, zijn geconcentreerd in de grote hersenschors, die als het meest karakteristieke kenmerk van de menselijke hersenen wordt beschouwd. Er zijn lagere en hogere eigenschappen verbonden met alle hersenlagen, die overeenkomen met de frequenties van het bewustzijn. Vreemd genoeg wordt gezegd dat één van de hoogste chakra’s of bewustzijnscentra, de pijnappelklier is, een heel klein orgaan in het midden van de hersenen dat Descartes de zetel van de ziel noemde en anderen noemen het het derde oog van geestelijke visie.

We zijn allemaal bekend met het lagere of primitieve denken dat verbonden is met het fysieke dierlijke zelf van begeerten en hartstochten. Delen van de hersenen zijn verbonden met verschillende aspecten van het hele scala van emotionele toestanden en mentale activiteiten, want het brein werkt als een ontvanger/zender van gedachten. De hersenen worden bestuurd door het denken dat werkt door middel van astrale en fysieke stof via trillingen die corresponderen met de chakra’s en zintuigen. Ook de geest, met haar mentale vitaliteit, werkt door middel van al deze aspecten van onze natuur en kan zelfs de fysieke hersenen als die ermee in harmonie zijn, verlichten.

Iedere mens is een uniek individu, met talrijke mentale eigenschappen, vaardigheden en verbindingen, hetzij intuïtief, analytisch, scheppend, artistiek of psychisch. Ons denken heeft met zijn individualiteit zijn stempel gedrukt op de organen van het hele fysieke lichaam. Er zijn geen twee hersenen precies gelijk, en dat is ook zo met twee vingerafdrukken; geen twee blaadjes van een boom zijn gelijk, en geen twee zebra’s vertonen eenzelfde streeppatroon. Het denkvermogen geeft uitdrukking aan vele eigenschappen van ons wezen, maar alles hangt ervan af waar onze verlangens naar uitgaan en van de globale gerichtheid van ons denken, want het verstand kan zelfzuchtig, koud, vaak wreed, en zelfs gevaarlijk zijn als het de inspiratie moet ontberen en aan zichzelf wordt overgelaten.

Hoe kwam bij de mens het gevoel van een ego tot stand? Hiervoor is een aanwijzing te vinden in de recapitulatie van het menselijke embryo, dat een ontwikkeling onthult zoals die zich voordoet in de lagere natuurrijken. Deze duidt erop dat de menselijke monade door deze rijken heen evolueerde, waarbij ze haar ziel en individualiteit ontwikkelde, eigenschappen van denken en vrije wil ontvouwde – niet precies zoals de onze, maar ze waren in essentie aanwezig. Wanneer we in het kort de natuurrijken beschouwen, zien we dat het mineralenrijk begint met heel eenvormige wezens die een gemeenschappelijk bewustzijn hebben dat van alles kan vormen: van vloeistoffen zoals magma of de oceanen, en gassen zoals de lucht, tot een eindeloze verscheidenheid van kristallen. Zoals alle wezens hebben ze een goddelijk monadisch bewustzijn, en worden ze overschaduwd door hogere verstandelijke middelaars. Voor planten geldt hetzelfde, maar hun vitaliteit en groei laten een meer verfijnde individuele uitdrukkingswijze zien. Met verrassende vindingrijkheid scheppen ze prachtige vormen van bladeren en bloemen. Ook zij volgen als natuurrijk oude patronen van herinnering of instinct. Darwin merkte op dat in bepaalde opzichten het uiteinde van de hoofdwortel ‘werkt zoals de hersenen van een lagere diersoort’, terwijl andere onderzoekers denken dat planten een soort zenuwstelsel bezitten. Omstreeks 1960 werd door de experimenten van Cleve Backster met zijn polygraaf duidelijk dat planten reageren op menselijke emoties en gedachten, en gevoelig zijn voor andere wezens en planten. Er schijnt een telepathische betrekking te bestaan waardoor planten met alle andere wezens zijn verbonden; ze schijnen zich zelfs diegenen te herinneren die hen of andere wezens in hun omgeving kwaad hebben gedaan.

En wat te zeggen van instincten, die individuele en collectieve ervaringspatronen van alle schepselen? Er zijn prototypen van alle mogelijke planten en dieren, van alle wezens, in het astrale licht. Kijk maar eens naar de schitterende voorbeelden, de eindeloze patronen die tot bestaan zijn gekomen: niet alleen lichamelijke vormen, maar ook instinctmatig gedrag zoals dat van bijen, aanpassingen en gedragsvormen zoals mimicry, of de vogeltrek over afstanden van duizenden kilometers. Deze activiteiten zijn niet zomaar automatisch, maar vereisen geestelijke intelligentie. Alle wezens delen hetzelfde goddelijke potentieel, maar hoe hoger we op de evolutieschaal komen, en hoe groter de intelligentie, des te groter is het gevoelsbereik en de individualiteit die de wezens bezitten, en dus des te krachtiger is hun invloed op het astrale licht. Er is ook een duidelijke toename in de omvang van de hersenschors bij de hogere dieren. Dieren en mensen hebben overeenkomstige manieren om zich emotioneel en psychisch uit te drukken. De emoties maken deel uit van het begeertebeginsel. Maar dieren beschikken niet over een denkvermogen waarmee ze zichzelf kunnen beschouwen en kunnen nadenken over hun eigen evolutionaire situatie: een hond vraagt zich niet af waarom hij een hond is.

We zouden ons kunnen afvragen waar individueel denken en bewustzijn hun oorsprong vinden? In de kosmos is maar één leven, één bewustzijn dat zich voordoet in de verscheidenheid van vormen van levende wezens. Dit ene bewustzijn dringt van hoog naar laag door alle stadia en niveaus van bestaan en dient om de herinnering in stand te houden, of dat nu volledig of onvolledig is, van de ervaring van elk stadium. Dit wijst erop dat ons zelf-bewuste denkvermogen werkelijk een straal is van het kosmische denkvermogen. Er is een mysterieuze vitale levensessentie en levenskracht die te maken heeft met de wisselwerking tussen geest of bewustzijn en stof. De kosmos heeft zijn herinnering en volgt algemene patronen van vorming die op vroegere existenties zijn gebaseerd; iets wat in feite voor alle dingen geldt. Met behulp van de herinnering selecteert hij op een of andere manier uit het oneindige aantal mogelijkheden een nieuwe en verbeterde belichaming. Als de eerste impuls zich aandient, is er de kosmische ideatie die de allereerste stof tevoorschijn trilt die zich in eindeloze verscheidenheid in talloze hiërarchieën van wezens manifesteert. Monadische centra die zijn voortgekomen uit de ene kosmische ouder, verschijnen als levenskrachtige bewustzijnszaden, als kiemen van zijn potentieel. Het zijn kleine universa in het ene universum.

Theosofie verdeelt de wereld niet in organisch en anorganisch, want zelfs atomen worden als godsvonken beschouwd. Alle wezens zijn onophoudelijk de schepper en optekenaar van zichzelf en vormen telkens opnieuw vergankelijke uiterlijke sluiers, terwijl ze het onverwoestbare draad-zelf behouden dat tijdens de lange cyclussen van ervaring alle verschillende beginselen en monaden verbindt. Wij zijn monaden of godsvonken die nu onze evolutie in het mensstadium doormaken. De onsterfelijke monade doorloopt al onze belichamingen, want we hebben al vele malen het proces van geboorte en sterven herhaald. Voor het grootste deel van de mensheid zijn geboorte en sterven in feite min of meer een automatisme: onbewuste ervaringen, voorzover het ons alledaagse bewustzijn betreft.

Hoe werkt ons denkproces? We kunnen bijvoorbeeld beginnen bij de begeerte die de impuls levert voor het denken om door middel van de wil en de verbeelding een stroom van gedachten uit te zenden – en dat zijn levende elementale wezens. Deze gedachten nemen verschillende vormen aan die kunnen resulteren in allerlei soorten handelingen of tastbare scheppingen. Ook dit is een gebied waarvoor wij verantwoordelijk zijn, want in het astrale licht circuleren onze gedachten door het bewustzijn van anderen en beïnvloeden hen, maar de gedachten die bij ons horen dragen ons stempel en keren steeds weer naar ons terug. Zo scheppen we door deze gedachtestromen denkgewoonten die ons karakter vormen en tenslotte ons zelfgemaakte lot. Het denkvermogen van de mens is een beeldvormer die resoneert met het verleden, gedachten selecteert en keuzes maakt, en een zich ontvouwend patroon voorziet en uitwerkt. Misschien weerspiegelen wij in het klein de werkingen van het goddelijke denkvermogen, dat handelt als de kosmische schepper en architect. Sommige gedachten of patronen die we scheppen werken belemmerend, andere zijn bevrijdend. De ziel groeit, en gedachten worden opnieuw gebruikt en getransformeerd door het denken, waardoor ze misschien een hogere vorm aannemen. Plato had gelijk: door de geestelijke wil en door waardigheid kunnen we ons de wijsheid van het verleden herinneren en het hogere denken ontsluiten. We hebben het vermogen om ons te identificeren met alle wezens en het éénzijn te ervaren dat we in ons geestelijke bewustzijn met elkaar delen, die ononderbroken stroom die het onverwoestbare draadzelf is. Alles wat het was, is, of zal zijn, is ons karma. Het denken en de herinnering zijn een blijvend deel van het reïncarnerende ego of de menselijke ziel, en ook van het heelal.

Een besef van eenheid is de meest natuurlijke toestand van ons innerlijke bewustzijn. Het verstand en de rede zijn ook nodig, maar die moeten door mededogen, geestelijk inzicht en intuïtie worden verlicht. Het intellect of hersenverstand samen met de fysieke begeerten, is op het zelf gericht en versterkt onze afgescheidenheid. De meeste schade die we toebrengen aan anderen komt doordat we onze persoonlijke wil aan hen proberen op te leggen. Onze lagere ik-heid moet worden ontwikkeld en getransformeerd door het inzicht dat we wezenlijk één zijn met alles; en dat is de sleutel tot harmonie en praktische broederschap. Wanneer we onze zelfbewuste vrije wil uitoefenen, is er geen garantie dat we geestelijk groeien. Maar het hogere zelf wordt niet aangetast door de activiteiten van het lagere denken of door andere handelingen van zijn voertuigen hier op aarde, en onze evolutie is onderdeel van de evolutie van Gaia en van die van de goden.

Het ontwikkelen van onze hogere vermogens en onze ontvankelijkheid voor het innerlijke licht zijn essentieel voor onze vooruitgang, en dit betekent dat we alle belemmeringen van onze persoonlijke natuur moeten wegnemen. Onze transformatie betekent een verbetering voor de hele natuur, waaronder het astrale licht. Het bodhisattva-ideaal van onbaatzuchtig werken voor het welzijn van alle wezens vereist het naar buiten brengen van onze edelste eigenschappen. Het hoogste zelf is het centrum van alle vermogens en stelt iedere mens in staat om in toekomstige cyclussen een god te worden. Deze bestemming wacht ieder van ons.

De mens (ontstaan en samenstelling van)

 

Uit het tijdschrift Sunrise juli/aug 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency