In gesprekken over reïncarnatie zijn het vaak verschillende,
steeds terugkerende vragen waarop men een antwoord probeert te geven.
Wat zijn voor ons mensen de alternatieven als we nadenken over de dood?
Waarom onderschrijven sommigen reïncarnatie wel en anderen niet?
Als we reïncarnatie aanvaarden, waarom kunnen we ons dan geen bijzonderheden
van onze ervaringen in vroegere levens herinneren? Wat is het dat reïncarneert?
Waarom zijn we niet in staat ons onze vorige levens te herinneren als
we dat willen? Waarom worden we door de natuur of de krachten in het
heelal ervan weerhouden ze te herinneren?
Laten we deze vragen achtereenvolgens bezien. Als denkende mensen,
die het vermogen bezitten in situaties en problemen alternatieven te
overwegen, ontdekken we, als we over de dood nadenken, een aantal keuzemogelijkheden
die met elkaar samenhangen en elkaar overlappen.
De eerste mogelijkheid is dat het heelal een toevallig verschijnsel
is, en dat de mensheid op onze kleine planeet bij toeval is ontstaan.
Omdat het heelal in de eerste plaats een stoffelijk verschijnsel is,
is dus het stoffelijk leven toeval en is de fysieke dood het einde van
dat gebeuren. De enige onsterfelijkheid die ons misschien ten deel valt,
ligt in de herinnering die familie, vrienden of de geschiedenis aan
ons hebben. Als iemand sterft, sterft hij: ‘Je leeft maar één
keer. . .’ Dit standpunt houdt in dat er elders in het heelal
wel of geen bezield leven kan zijn.
Een tweede alternatief is dat het heelal door God of een god of door
goden is geschapen en dat er telkens wanneer een mens wordt geboren
een nieuwe menselijke ziel wordt geschapen. Na het leven op aarde sterft
het lichaam, maar de ziel blijft ergens voortbestaan. Of er elders in
het heelal bezield leven bestaat is van betrekkelijk weinig belang,
want de aandacht is gericht op de planeet aarde. Een subcategorie die
hieronder valt is dat de ziel na de dood van het stoffelijk lichaam
voor eeuwig naar een hemel of hel gaat, afhankelijk van ons gedrag tijdens
het leven op aarde, en dat we maar één kans krijgen.
Een derde mogelijkheid is dat een individuele ziel in een andere sfeer
of op een ander gebied bestond voor ze op deze aarde wordt geboren en
dat God bij de dood bepaalt dat deze ziel eenvoudig naar een ander bestaansgebied
overgaat, maar nooit weer naar de aarde terugkeert. De individuele ziel
vindt daarna vrienden en familie terug in andere sferen, en wordt hopelijk
spiritueler naarmate de tijd en de levens verstrijken. Dit houdt de
mogelijkheid open dat er leven in verschillende vormen elders in het
heelal bestaat.
Een vierde alternatief is dat de mens in een of andere vorm heeft bestaan
zolang het heelal bestaat. De mens is een deel van het heelal –
zoals alles dat is – en het bezielde leven is slechts een van
ontelbare soorten of vormen van leven die, zichtbaar of onzichtbaar
voor de mens, het heelal vullen. Volgens deze opvatting evolueert de
mens zonder ophouden van het minder naar het meer spirituele en een
van de ervaringswegen waarlangs dit gebeurt, is een proces van herhaalde
incarnaties op aarde als mens. Onze toestand in een bepaalde incarnatie
hangt in de meest ruime zin af van ons gedrag in vorige incarnaties.
De tweede vraag die we moeten overwegen is: Waarom onderschrijven sommige
mensen reïncarnatie wel en anderen niet? Enigszins oppervlakkig
beschouwd zou men kunnen zeggen dat geloof in reïncarnatie vaak
verband houdt met de karaktertrekken van een mens en met zijn maatschappelijke,
emotionele en intellectuele milieu en de vraag in hoeverre hij daarmee
tevreden is. Het kan ook afhangen van zijn bewustzijnsniveau, het peil
van zijn waarnemingsvermogen, of van zijn weetgierigheid ten aanzien
van het heelal, of van zijn tevredenheid met zijn levensfilosofie of
religieuze overtuiging; of ook van welke aard de pijnlijke ervaringen
zijn die hij op het moment ondergaat.
Veel mensen aanvaarden reïncarnatie niet, en hun voornaamste argument
is dat ze zich vroegere levens niet kunnen herinneren. Het kan niet
worden bewezen. Het is waar dat de meeste mensen in de westerse wereld
zich geen vorig leven kunnen herinneren, hoewel dit bij sommigen blijkbaar
wel het geval is en deze kennis of herinnering verschilt dan in graad.
Aan de ene kant van deze reeks zijn er sommigen die het denkbeeld van
reïncarnatie ronduit afwijzen. Ze houden zich niet ermee bezig
en hebben helemaal geen belangstelling ervoor. Anderen ontkennen niet
dat het mogelijk is, maar het interesseert ze niet zo en ze maken zich
er geen zorgen over. Weer anderen zeggen dat ze er voor openstaan maar
niet veel aandacht eraan hebben besteed.
Een aantal mensen heeft het gevoel dat ze ‘hier al eerder zijn
geweest’, maar dat ze niet echt overtuigd zijn. Anderen zijn definitiever
en zijn er heel zeker van dat ze ‘hier al eerder zijn geweest’,
maar ze herinneren zich geen bijzonderheden. Weer anderen zijn ervan
overtuigd hier eerder te zijn geweest en hebben vage ideeën of
gedachten, al kunnen ze niet onder woorden brengen wat ze zich schijnen
te herinneren. Sommigen beweren zich enkele bijzonderheden uit één
of twee levens te herinneren, terwijl weer anderen zeggen dat ze zich
veel bijzonderheden uit verschillende levens op aarde herinneren. Natuurlijk
moet men de zogenaamde herinneringen aan bijzonderheden uit vorige levens
met omzichtigheid benaderen, wat de betekenis en de aard ervan betreft,
want verbeelding en suggestie zijn bijzonder sterke eigenschappen van
de menselijke mentale natuur.
Als we reïncarnatie wel aannemen, waarom kunnen we ons dan geen
bijzonderheden van de ervaringen in onze vorige levens herinneren? Een
manier om op deze vraag in te gaan, is misschien een andere vraag te
stellen: wat is het in een mens dat reïncarneert? De meeste mensen
zullen antwoorden: de ziel of de geest natuurlijk. Als we het over reïncarnatie
hebben, gaat het meestal over de reis van de ziel van het ene leven
naar het andere. Om op deze gedachte verder in te gaan is het verstandig
ons een beeld van de mens te vormen. De mens bestaat namelijk op verschillende
gebieden of heeft verschillende beginselen: op het laagste plan bevindt
zich het stoffelijk lichaam; daarboven ligt het vitaal-emotionele gebied,
gevolgd door het mentale gebied en daarboven is de ziel of het spirituele
deel van de mens. Boven dit alles, maar wel alles doordringend, bevindt
zich het goddelijke deel, de essentie die ons met de godheid verbindt
die het heelal vult. Elk van deze verschillende delen of beginselen
overlapt alle andere of werkt daarop in.
Nu we het over herinneringen aan vorige levens hebben, moeten we het
denkvermogen nader beschouwen. Het denkvermogen kan op vele manieren
en op vele gebieden functioneren en strekt zich uit van wereldse, verstandelijke
functies, zoals eenvoudige herinneringen en herkenningen, tot zeer abstracte
analyses en het leggen van ingewikkelde verbanden en associaties. Helemaal
onderaan overlapt het denken de emoties en daaruit ontstaat onze persoonlijkheid,
het ‘ik ben ik’, en helemaal bovenaan staat het hogere denkvermogen
van aangezicht tot aangezicht met de ziel of de geest. Van daaruit ervaren
we het intuïtieve, het mystieke, het besef dat we deel uitmaken
van al wat is. De meeste psychologen zijn het erover eens dat ervaringen
op dit terrein zich niet in woorden laten beschrijven, en toch zijn
ze voor degene die ze ervaart, werkelijk of werkelijker dan welke andere
belevenissen ook. Deze ziel of geest is onze individualiteit, tegenovergesteld
aan onze persoonlijkheid, en heeft misschien meer betrekking op wat
wij het karakter noemen. Maar het is het lagere, verstandelijke denken,
dat de opslagplaats is van de empirische gegevens en feiten van het
leven.
Laten we in het licht van het voorgaande de dood in beschouwing nemen.
Bij de stoffelijke dood sterft het lichaam, en de stoffelijke energieën
en emoties trekken zich terug met het lagere verstand, de opslagplaats
van feiten en empirische indrukken uit het zojuist ervaren aardse leven.
Wanneer dit hele proces is afgelopen, gaat de ziel of het spirituele
deel, de individualiteit, over naar andere toestanden van bewustzijn,
onbelemmerd door het lichaam. Het is dit reïncarnerende deel dat
tenslotte, wanneer de drang daartoe sterk genoeg wordt, naar de aarde
terugkeert en een nieuw lichaam, een nieuw vitaal-emotioneel deel, een
nieuw brein, vormt, Zoals Kahlil Gibran in De Profeet zegt:
‘Vergeet niet dat ik bij jullie terugkom. Heel even slechts en
mijn verlangen vergaart stof en schuim voor een ander lichaam.’
Hij besluit zijn boek met ‘Heel even slechts, één
ogenblik van rusten op de wind, en een andere vrouw draagt mij in haar
schoot.’
Nu is dit een heel eenvoudige beschrijving van een heel ingewikkeld
proces en er is veel weggelaten. In het algemeen kunnen we zeggen dat,
omdat het functioneren van de hersenen nauw is verbonden met het geheugen,
we niet mogen verwachten dat een nieuw stel hersenen zich herinnert
wat het oude in zich had. Toch ontvangen sommige mensen een glimp of
een intuïtief beeld van ervaringen of situaties uit vorige levens.
Hoe komt het dat zij dit soort herinneringen wel hebben en anderen niet?
Voor we op deze vraag ingaan, kunnen we misschien even stilstaan bij
het eerder omschreven model van de mens, dat bestaat uit de fysieke
natuur, het vitaal-emotionele deel, het mentale gedeelte, de ziel of
geest, en het goddelijke beginsel, waarbij elk van deze beginselen alle
andere in meerdere of mindere mate overlapt. We weten bijvoorbeeld dat
het vitaal-emotionele deel niet alleen op het stoffelijk lichaam inwerkt,
maar ook op het mentale en spirituele. En zo is het ook met het mentale
deel van de mens, het geheugengedeelte van het mentale proces inbegrepen:
dat wil zeggen dat we een geheugen bezitten op het fysieke gebied; ons
lichaam schijnt zich automatisch bepaalde dingen te herinneren; we bezitten
geheugen op het vitaal-emotionele gebied; en in ons huidige evolutiestadium
overheersen de fysiek-vitaal-emotionele soorten van geheugen misschien
het meest, althans in aantal. Ons lagere denken zit eenvoudig vol met
allerlei soorten fysieke beelden en emotionele gevoelens uit het verleden.
De meeste van onze alledaagse ervaringen liggen op het fysiek-emotionele
gebied, en omdat ons bewustzijn geneigd is zich meestal daarin te concentreren,
ontstaan daar de meeste herinneringen in de vorm van beelden, gedragingen,
gevoelens, en dergelijke. Onze ziel of geest heeft ook een geheugen,
maar dit zielegeheugen zou bij wijze van spreken als de schatkamer kunnen
worden beschouwd voor ervaringen van een hoger soort bewustzijn: intuïtieve
beelden, mystieke ervaringen, gevoelens van onzelfzuchtige of onpersoonlijke
liefde, brede inzichten, enz.
Omdat reïncarnatie een evolutionaire reis voor de ziel betekent,
en het de ziel is die hier terugkeert voor nieuwe ervaringen van een
leven op aarde, lijkt het redelijk dat we ons op een geschikt moment
in het proces van rijping in het leven, van deze intuïtieve, mystieke
gevoelens bewust worden. Het geheugen van de ziel gaat van het ene leven
over naar het andere. Hoe komt het dan dat de wetten die in dit deel
van het heelal werken ons verhinderen ons onze vorige levens te herinneren,
ook als we dat willen?
Men zegt dat elk van ons reïncarneert met precies die hoeveelheid
karmische belasting die we in een bepaald leven aankunnen – niet
meer en niet minder – al hebben we vaak het gevoel dat we meer
dan ons deel krijgen. Veel van ons karma in deze periode van evolutie
heeft met het geheugen te maken, de herinnering aan vroegere ervaringen
die ons van dag tot dag, van week tot week, volgen. Al leven we in het
heden, toch slepen veel mensen zich door het leven voort met een enorme
last aan vroegere ervaringen op hun vermoeide schouders. Ze ‘leven
bijna in het verleden’. Anderen dragen de last van de toekomst
met zich mee. Ze tobben voortdurend en kwellen zich met de gedachte
‘wat er zou kunnen gebeuren’: een grote aardbeving, overbevolking
van de aarde. . . Denk eens wat het zou betekenen als zulke mensen niet
alleen de herinnering aan alle vroegere en mogelijke toekomstige ervaringen
van slechts één leven zouden moeten vasthouden, maar ook
de herinnering moesten meevoeren aan ervaringen van een vorig leven
of meerdere vorige levens. Dat zou inderdaad een drukkende last zijn!
Daarom heeft de natuur – of hebben de wetten of de gewoonten
van het heelal – dit beschermend mechanisme ingebouwd, een bescherming
die ons uit mededogen wordt gegeven. Er kan echter weinig twijfel over
bestaan dat, naarmate we meer in spirituele zin evolueren, en meer leren
leven in het eeuwig aanwezige Nu, we ons meer en meer uit onze vorige
levens zullen kunnen herinneren. Naarmate ons bewustzijnscentrum zich
verplaatst naar het spirituele, zullen we de bijzonderheden van de ervaringsverschijnselen
in het juiste perspectief plaatsen.
Nog een slotopmerking over het leven in het heden en niet in het verleden
of de toekomst: men kan een kameel die al voorbij is, niet bestijgen;
men kan een kameel die er nog niet is, niet bestijgen; men kan alleen
de kameel die vlak voor u staat, bestijgen. Hierin schuilt praktische
wijsheid.