Occulte woordentolk
Een handboek van oosterse en theosofische termen
G. de Purucker

bestel boek

tweede herziene druk 2011

© 2011  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

– G –

Gayatri of Savitri (Sanskriet)
Een vers uit de Rig-Veda (3:62:10), waaraan in India sinds onheuglijke tijden bijna goddelijke eigenschappen zijn toegekend. De Sanskriettekst van dit vers luidt: Tat savitur varenyam bhargo devasya dhimahi, dhiyo yo nah. prachodayat. Van iedere orthodoxe brahmaan wordt verwacht dat hij tijdens zijn religieuze oefeningen of gebeden zowel ’s morgens als ’s avonds deze oeroude hymne, althans in zijn gedachten, herhaalt. De volgende vertaling is een toelichtende omschrijving van deze Gayatri of Savitri en geeft in essentie de esoterische betekenis ervan weer: ‘O u gouden zon van verheven luister, verlicht ons hart en vervul onze geest zodat we beseffen dat we één zijn met het goddelijke, het hart van het heelal, en het pad dat voor ons ligt kunnen zien en volgen naar het verre doel van volmaking, aangemoedigd door uw eigen stralende licht.’

Gebied
Dit woord wordt in de theosofie gebruikt voor de verschillende graden of treden van de hiërarchische levensladder die geleidelijk in elkaar overgaan. De continuïteit in de ruimte vertoont geen hiaten, noch in de innerlijke en onzichtbare ruimte, noch in de uiterlijke en zichtbare. De fysieke wereld gaat geleidelijk over in de astrale, die weer geleidelijk overgaat in een hogere, een wereld die boven de astrale wereld staat; en dat gaat zo door langs de hele reeks van hiërarchische stadia die een heelal zoals het onze vormen. Bedenk ook dat het grenzeloze Al vol heelallen is, waarvan sommige zoveel groter zijn dan het onze, dat onze krachtigste verbeelding zich geen voorstelling ervan kan maken. (Zie ook hiërarchie.)

H.P. Blavatsky zegt in haar Theosophical Glossary (blz. 255) over deze term:

Zoals het in het occultisme wordt gebruikt, geeft het woord het bereik aan van een bewustzijnstoestand, of van het waarnemingsvermogen van een bepaald stel zintuigen, of van de werking van een bepaalde kracht, of de toestand van de stof die met een van de bovengenoemde overeenkomt.

Gedachteoverbrenging
Het vermogen om zonder woorden gedachten over te brengen — stemloze spraak. Dit is geen paranormaal vermogen. Het paranormale aspect ervan, dat gewoonlijk gedachteoverbrenging of telepathie wordt genoemd, is slechts een zwakke manifestatie van een werkelijk verheven vermogen, en is illusoir, omdat het slechts een weerspiegeling is van de werkelijke innerlijke spirituele kracht. Ware gedachteoverbrenging is een spiritueel vermogen. Als u deze spirituele kracht bezit, kunt u uw gedachten, uw bewustzijn en uw wil overbrengen naar elk deel van de aarde — en daar werkelijk zijn, zien wat er gebeurt, weten wat er plaatsvindt. Geen enkel louter paranormaal vermogen zal u ooit in staat stellen dit te doen. In Tibet wordt deze kracht aangeduid met de algemene term hpho-wa. Als u dit vermogen bezit, kan uw bewuste en waarnemende innerlijke zelf even gemakkelijk door stenen muren heen gaan als de elektrische stroom langs of door koperdraad. (Zie ook mayavirupa.)

Geest
In de theosofische filosofie bestaat er een duidelijk en belangrijk verschil in het gebruik van de woorden geest en ziel. De geest is het onvergankelijke element in ons, de onsterfelijke vlam in ons die nooit dooft, die nooit werd ontstoken en die gedurende het hele mahamanvantara zijn eigen aard, essentie en leven behoudt, en die in ons eigen wezen en naar onze verschillende gebieden bepaalde stralen of bekleedsels of zielen omlaag zendt, die wij zijn.

De goddelijke geest van de mens is verbonden met het Al en is in mystieke zin een straal van het Al.

Een ziel is een entiteit die door ervaringen is geëvolueerd; ze is geen geest, omdat ze een voertuig is van een geest. Ze manifesteert zich in de stof door middel van de lagere essentie van de geest, en door een substantieel deel daarvan te zijn. Als ze met een ander gebied onder of misschien boven haar in aanraking komt, is het verbindingspunt dat het mogelijk maakt dat het bewustzijn naar binnen of naar buiten treedt, een layacentrum. De geest manifesteert zich in zeven voertuigen en elk van deze voertuigen is een ziel; dat bijzondere punt waardoor de spirituele invloed de ziel binnengaat, is het layacentrum, het hart van de ziel, of beter gezegd de top ervan — homogene zielensubstantie.

In kosmische zin zou geest alleen moeten worden gebruikt voor datgene wat zonder voorbehoud tot het universele bewustzijn behoort en wat de homogene en onvermengde emanatie is vanuit het universele bewustzijn. In het geval van de mens is de geest in hem de vlam van zijn onsterfelijke ego, de directe emanatie van de spirituele monade in hem, en van dit ego is de spirituele ziel het omhulsel of voertuig of kleed. Als we meer in het bijzonder de aandacht richten op de menselijke beginselen, kunnen we zeggen dat, wanneer het hogere manas van de mens, dat zijn werkelijke ego is, onverbrekelijk is verbonden met buddhi, dit in feite het spirituele ego of de geest van het gestel van de individuele mens is. Zijn levensperiode duurt een heel kosmisch manvantara, waarna de emanatie in de goddelijke monade wordt teruggetrokken.

Geest (met betrekking tot de stof)
Theosofen wijzen erop dat wat men geest noemt het toppunt is, of de wortel, of de kiem, of het begin, of het noumenon — of hoe u het ook wilt noemen — van een bepaalde hiërarchie onder de ontelbare menigten kosmische hiërarchieën waarmee zo’n hiërarchie onlosmakelijk is verweven en waarmee ze in wisselwerking staat.

Wanneer we spreken over geest en substantie, waarvan stof en energie of kracht de fysieke uitdrukkingen zijn, moeten we bedenken dat al deze termen abstracties zijn, generalisaties voor bepaalde entiteiten die zich gezamenlijk manifesteren.

Geest, bijvoorbeeld, verschilt in essentie niet van stof en is alleen relatief of evolutionair anders: het verschil ligt niet in de wortels van beide waar ze één worden in de bewustzijnswerkelijkheid die eraan ten grondslag ligt, maar in hun karakter waar ze twee evolutievormen van manifestatie van die achterliggende werkelijkheid zijn. Met andere woorden, om de terminologie van de moderne wetenschappelijke filosofie te gebruiken, geest en stof zijn, elk van beide, een ‘gebeurtenis’ in de voortgang van de achterliggende werkelijkheid door de eeuwige duur.

Geestelijke ziel (zie spirituele ziel)

God
De kern van de kern van een mens of van elke andere organische entiteit is een kosmische geest, een vonk van de kosmische levensvlam. (Zie ook goden, innerlijke god.)

Goddelijke ziel
In het occultisme is de goddelijke ziel het gewaad van het goddelijke ego, zoals het goddelijke ego het gewaad of kind van de goddelijke monade is. De goddelijke monade kunnen we de innerlijke god noemen, en dit betekent dat het goddelijke ego, haar afstammeling, de innerlijke boeddha of de innerlijke christus is; en hieruit volgt dat de goddelijke ziel de uitdrukking is van de innerlijke boeddha of van de innerlijke christus die zich op aarde manifesteert als de manushya-boeddha of christusmens.

Hier moet worden vermeld dat elk van de verschillende monaden, die in combinatie met elkaar de hele zevenvoudige samenstelling van de mens vormen, haar eigen ego-kind heeft, en dit laatste heeft zijn eigen ziel. Deze mystieke, verbazingwekkende en mysterieuze combinatie maakt de mens tot de complexe entiteit die hij is en geeft hem recht op de benaming die door het occultisme uit archaïsche tijden altijd aan hem is gegeven: de microkosmos (zie aldaar), een weerspiegeling of kopie in het klein van de macrokosmos (zie aldaar) of kosmische entiteit.

Goden
De oude pantheons waren gebaseerd op een oude en esoterische wijsheid die, in de vorm van volksverhalen, diepzinnige geheimen onderwees over de structuur en de werkingen van het ons omringende heelal. De hele mensheid heeft in goden geloofd, in wezens die hoger staan dan de mens. De Ouden zeiden allemaal dat mensen de ‘kinderen’ van deze goden zijn, en dat de mensen aan deze verheven wezens, die in de azuren ruimten leven, alles ontlenen wat in hen is. Ze zeiden ook dat mensen, als kinderen van de goden, in hun diepste essentie zelf goddelijke wezens zijn, voor eeuwig verbonden met het grenzeloze heelal, waarvan ieder mens, evenals iedere andere entiteit, waar dan ook, een onafscheidelijk deel is. Dit is werkelijk een verheven gedachte.

Wanneer theosofen over goden spreken, moet men niet aan menselijke vormen denken; we bedoelen de arupa — de ‘vormloze’ – entiteiten, wezens met een zuivere intelligentie en een zuiver inzicht, relatief zuivere essenties, relatief zuivere geesten, vormloos in de zin waarin wij fysieke mensen vorm opvatten. De goden zijn de hogere bewoners van de natuur. Ze zijn een intrinsiek deel van de natuur, want ze zijn haar bezielende beginselen. Ze zijn evenzeer als wij en als de natuurrijken onder ons onderworpen aan de wil en energieën van nog hogere wezens — deze wil en energieën kunt u de ‘wetten’ van hogere wezens noemen.

De Ouden stelden werkelijkheden, levende wezens, in de plaats van wetten die, zoals westerlingen die term gebruiken, niet meer dan abstracties zijn — een uitdrukking voor de werking van entiteiten in de natuur; de Ouden misleidden zichzelf niet zo gemakkelijk met woorden. Ze noemden hen goden, spirituele entiteiten. Tot aan het christelijke tijdperk sprak geen enkele grote denker uit de oudheid ooit over natuurwetten alsof deze wetten levende entiteiten zijn, alsof deze abstracties werkelijke entiteiten zijn die handelen. Hebben de navigatiewetten ooit een schip bestuurd? Houdt de wet van de zwaartekracht de planeten bij elkaar? Verenigt ze de atomen of brengt ze deze bijeen? Dit woord wetten is eenvoudig een mentale abstractie die doelt op de feilloze werking van bewuste en halfbewuste energieën in de natuur.

Godsdienst (zie religie)

Goeroe (zie guru)

Guna, trigunas (Sanskriet)
Volgens de occulte filosofie bezit gedifferentieerde stof drie essentiële eigenschappen of kenmerken die er onafscheidelijk mee zijn verbonden; de Sanskrietnamen daarvan zijn sattva, rajas en tamas (zie ook elk van deze drie). Deze drie zijn de guna’s of trigunas.

Guru (Sanskriet)
Soms gurudeva, ‘goddelijke meester’. Het woord werd in de oude Sanskrietgeschriften gebruikt voor onderwijzer, leermeester. Volgens de prachtige leringen van de oude wijsheid fungeert de guru als vroedvrouw die het spirituele en het verstandelijke deel van de discipel — de ziel van de mens — tot geboorte brengt en die helpt deze in het leven van de chela actief te maken. De verhouding tussen leraar en discipel is heel heilig, omdat ze een band vertegenwoordigt die hart en hart, geest en geest, nauw met elkaar verbindt. De gedachte daarbij is dat de latente spirituele vermogens in het denken en het hart van de leerling zoveel hulp in hun ontwikkeling zullen ontvangen als de leraar karmisch kan geven, maar dit betekent niet dat de leraar het werk doet dat de discipel zelf moet doen. De leerling of discipel moet zijn eigen pad volgen; de leraar kan dit niet voor hem doen. De leraar wijst de weg, leidt en helpt, en de discipel volgt het pad.

Guruparampara (Sanskriet)
Dit is een samengesteld woord dat bestaat uit guru dat ‘leraar’ betekent en param-para dat ‘een rij of ononderbroken reeks of een opeenvolging’ betekent. Guruparampara betekent dus een ononderbroken reeks of opeenvolging van leraren. In de oudheid had elke mysterieschool of esoterische instelling haar eigen ononderbroken reeks van elkaar opvolgende leraren, en ieder van hen gaf het mystieke gezag en leiderschap dat hij zelf van zijn voorganger had ontvangen aan zijn opvolger door.

Zoals alles wat in de oude wereld een esoterisch karakter had, was ook de guruparampara of opeenvolging van leraren een getrouwe kopie van wat er in feite in de natuur zelf bestaat of plaatsvindt, waar een hiërarchie met haar top of hoofd direct is verbonden met een hogere hiërarchie en ook met een lagere; op die manier zijn de mystieke circulaties in de kosmos (zie aldaar) en de overdracht van leven of levensstromen in het hele weefsel of web van het zijn zeker gesteld.

Van dit oude feit en deze lering van de mysteriescholen is de heel verwrongen apostolische successie van de christelijke kerk afgeleid, een vage en zwakke afspiegeling in een louter kerkelijk bestuur van een fundamentele spirituele en mystieke werkelijkheid. De grote broederschap van wijzen en zieners in de wereld, die in feite de meesters van wijsheid en mededogen zijn, met de mahachohan aan het hoofd, is de zuiverste en meest volkomen vorm, het zuiverste voorbeeld, van de guruparampara die nu op aarde bestaat. (Zie ook keten van Hermes.)

 


Occulte woordentolk, blz. 63-70

© 2011  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag