Theosophical University Press Agency

Het laatste lied van de zwaan

[over relatie tussen ozon en griepepidemieën]

[‘The last song of the swan’, Lucifer, februari 1890, blz. 445-53; CW 12:104-16]

. . . ik voorzie
Voor de mensheid nog wel een eeuw of meer [ellende],
En ik ben gestuurd voor het harde werk, om een pad uit te hakken
Tussen de doornen – die zich in mijn vlees dringen – om op blote voeten
De weg te gaan, en die te effenen met bloed en uitputting.
Ik zal mijn botten neerleggen
In een gevaarlijke scheur in het onderbroken pad.
Mensen zullen in betere tijden kunnen staan waar ik gevallen ben,
En verder reizen, zingend in volmaakte koren,
Terwijl ik de weg alleen ben gegaan . . .
– Theodore Parker1

1. Octavius Brooks Frothingham, Theodore Parker: A Biography, 1874, ‘Uit zijn dagboek’, blz. 476.

Waar komt de poëtische maar – zelfs voor een mythe – heel fantasierijke gedachte vandaan over zwanen die hun eigen begrafenisliederen zingen? Daarover bestaat een Oud-Noorse legende, maar die is niet ouder dan de middeleeuwen. De meesten van ons hebben de ornithologie bestudeerd; en in onze eigen jonge jaren hebben we uitvoerig kennisgemaakt met allerlei soorten zwanen. In die jaren vol vertrouwen en eeuwig zonlicht bestond er een mysterieuze aantrekkingskracht tussen onze ondeugende hand en de sneeuwwitte veren van de stompe staart van die sierlijke, maar scherpe klanken uitstotende koning van de watervogels. De hand die verraderlijk koekjes aanbood, terwijl de andere hand een of twee veren uittrok, werd vaak gestraft; maar evenzo de oren.

Weinig geluiden zijn wat kakofonie betreft te vergelijken met de roep van die vogel – of het nu de ‘fluitende’ (cygnus americanus) of de ‘trompetterende’ zwaan betreft. Zwanen snuiven, klepperen, krijsen en sissen, maar ze zingen beslist niet, vooral niet wanneer ze lijden onder de vernedering van een onrechtvaardige aanval op hun staart. Maar luister naar de legende. ‘Als de zwaan voelt dat hij sterft, heft hij zijn kop hoog op, en barst uit in een langdurig, melodieus gezang – een hartverscheurend lied van de dood – de edele vogel stuurt een melodieus protest naar de hemel, een jammerklacht die mens en dier tot tranen roert, en waardoor het hart van iedereen die het hoort wordt aangegrepen.’

Precies: ‘iedereen die het hoort’. Maar wie heeft dat lied ooit door een zwaan horen zingen? We aarzelen niet om het aannemen van zo’n uitspraak, zelfs als een poëtische vrijheid, een van de talloze paradoxen van onze onlogische tijd en van de menselijke geest te noemen. We hebben er persoonlijk geen bezwaar tegen dat Fénélon, de aartsbisschop en redenaar, de ‘zwaan van Cambrai’ wordt genoemd, maar we protesteren om Shakespeare hetzelfde dubieuze compliment te geven. Ben Jonson was onverstandig om het grootste genie waarop Engeland zich kan beroemen de ‘lieflijke zwaan van Avon’ te noemen; en wat de bijnaam van Homerus, de ‘zwaan van Meander’, betreft, dit is eenvoudig postume laster die Lucifer nooit sterk genoeg kan afkeuren en tegenspreken.

__________

Laten we het fictieve idee liever toepassen op dingen dan op mensen, door te bedenken dat de zwaan – een symbool voor het hoogste brahman en voor een van de avatara’s van de amoureuze Jupiter – ook een symbool was voor cyclussen; in ieder geval voor het laatste gedeelte van elke belangrijke cyclus in de geschiedenis van de mens. Een symbool dat voor de lezer misschien zowel vreemd als moeilijk te verklaren is. Maar het heeft zijn bestaansreden. Het werd waarschijnlijk ingegeven door de zwaan die graag in cirkels zwemt, en zijn lange en sierlijke hals tot een ring buigt, en het was alles welbeschouwd geen slechte typering. In ieder geval was de oudere gedachte treffender, relevanter, en zeker logischer dan de latere die de keel van de zwaan met muzikaliteit begiftigde en van hem een lieflijke zanger en bovendien een ziener maakte.

Het laatste lied van de zwaan van de huidige ‘cyclus’ voorspelt niet veel goeds. Sommigen horen hem krijsen als een uil, en krassen zoals de raaf van Edgar Allan Poe. De combinatie van de cijfers 8 en 9, waarover in het redactionele artikel van vorige maand werd gesproken, heeft al haar vruchten afgeworpen. Nauwelijks hadden we gesproken over de angst die de Caesars en wereldpotentaten van vroeger hadden voor het cijfer 8, dat op de gelijkheid van alle mensen is gebaseerd, en over zijn fatale combinatie met het cijfer 9, dat de aarde voorstelt onder invloed van een slecht beginsel, of dat beginsel begon een trieste ravage aan te richten onder de arme potentaten en in de hoogste kringen – hun onderdanen.

De influenza heeft de laatste tijd een vreemde en mysterieuze voorliefde voor royalty getoond. Een voor een heeft ze leden daarvan door de dood op één en hetzelfde niveau geplaatst met hun kamerheren en keukenmeiden. Sic transit gloria mundi!1 Haar eerste slachtoffer was de keizerin-weduwe van Duitsland; dan de ex-keizerin van Brazilië, de hertog van Aosta, prins Willem van Hessen-Philippsthal, de hertog van Montpensier, de vorst van Schwarzburg-Rudolstadt, en de vrouw van de hertog van Cambridge; naast een aantal generaals, ambassadeurs, staatslieden, en hun schoonmoeders. Waar, wanneer, bij welk slachtoffer zult u ophouden met uw zeis, o ‘onschuldige’ en ‘ongevaarlijke’ influenza?

1. Vert.: Zo gaat de heerlijkheid van de wereld voorbij!

Ieder van deze koninklijke en semi-koninklijke zwanen heeft zijn laatste lied gezongen, en is ‘naar die bestemming’ gegaan waaruit iedere ‘reiziger terugkeert’ – ondanks het aforistische vers dat het tegenovergestelde beweert.1 Ja, zij zullen nu het grote mysterie zelf oplossen, en de theosofie en haar leringen zullen meer aanhangers en gelovigen krijgen onder de royalty in ‘de hemel’, dan ze nu bij die hogere klasse op aarde heeft.

1. Noot vert.: Verwezen wordt naar Shakespeare’s Hamlet, 3:1: ‘death, the undiscover’d country from whose bourn no traveller returns’ (de dood, het niet ontdekte land – die bestemming waaruit geen enkele reiziger terugkeert).

Wat is die influenza die ten onrechte de ‘Russische’ wordt genoemd, maar die – zolang ze aanhoudt – veeleer de zondebok lijkt te zijn voor de fouten en gebreken van de medische stand en zijn chique artsen? Medische autoriteiten hebben daarover nu en dan iets gezegd dat heel geleerd klinkt, maar dat ons erg weinig vertelt over haar ware aard. Ze schijnen af en toe een pathologische aanwijzing te hebben gevonden die nogal vaag wijst – als dat al het geval is – op een bacteriële oorzaak; maar ze zijn nog even ver van een oplossing voor het mysterie als altijd. De vele en gevarieerde gevallen hebben veel praktische lessen opgeleverd, maar de conclusies die men daaruit heeft kunnen trekken, lijken beperkt of ontoereikend te zijn geweest.

Wat is nu eigenlijk dat onbekende monster dat lijkt te reizen met de snelheid van sensationeel nieuws dat de wereld in wordt gezonden om een medemens te onteren; dat bijna alomtegenwoordig is; en dat bij de keuze van zijn slachtoffers zo’n vreemd onderscheid maakt? Waarom valt het naar verhouding veel meer de rijken en de machtigen aan dan arme en minder belangrijke mensen? Is het inderdaad slechts ‘een actieve microbe’ zoals dr. Symes Thompson ons wil laten geloven? En klopt het dat de influenza-bacil zojuist in Wenen door dr. Jolles en dr. Weichselbaum is ontdekt – of is het maar een valkuil en een illusie zoals zoveel andere dingen? Wie weet?

Niettemin is het gezicht van onze onwelkome gast, de zogenaamde ‘Russische influenza’, tot op heden gesluierd, maar zijn lichaam drukt zwaar op velen, vooral op ouderen en zwakken, en is voor heel zieke mensen bijna altijd fataal. Een grote medische autoriteit op het gebied van epidemieën, dr. Zdekauer, heeft onlangs beweerd dat deze ziekte ooit de voorloper van cholera was – in ieder geval in St. Petersburg. Dit is, op zijn zachtst gezegd, een heel vreemde verklaring. Dat wat nu ‘influenza’ wordt genoemd, stond eerder bekend als de griep, en laatstgenoemde was in Europa bekend als een epidemie, eeuwen voor de cholera in de zogenaamd beschaafde landen voor het eerst verscheen. De biografie en de geschiedenis van influenza, alias ‘griep’, zijn voor sommige lezers misschien interessant. Het volgende hebben we uit gezaghebbende bronnen verzameld.

__________

Het eerste geval ervan dat door de medische wetenschap is opgetekend, was op Malta in 1510. In 1577 groeide de jonge influenza uit tot een vreselijke epidemie, die van Azië naar Europa trok om vervolgens in Amerika te verdwijnen. In 1580 werden Europa, Azië, en Amerika door een nieuwe griepepidemie bezocht; deze doodde de oude mensen, de zwakken, en de heel zieke mensen. In Madrid was het sterftecijfer enorm hoog, en alleen al in Rome stierven 9000 mensen eraan. In 1590 verscheen de influenza in Duitsland; vandaar ging ze in 1593 naar Frankrijk en Italië. In 1658-1663 bezocht ze alleen Italië; in 1669 Holland; in 1675 Duitsland en Engeland; en in 1691 Duitsland en Hongarije. In 1729 leed heel Europa vreselijk onder deze ‘onschuldige’ bezoeker. Alleen al in Londen stierven er in de eerste week 908 mensen aan; meer dan 60.000 mensen leden eraan, en in Wenen stierf 30 procent aan zware catarre of influenza.

In 1732 en 1733 trof een nieuwe griepepidemie Europa, Azië, en Amerika. Ze was bijna net zo algemeen verspreid in de jaren 1737 en 1743, toen in Londen in één week meer dan 1000 mensen eraan stierven. In 1762 heerste ze in het Britse leger in Duitsland. In 1775 was het aantal vee en huisdieren dat erdoor werd gedood bijna ontelbaar. In 1782 werden op één dag 40.000 mensen ziek in St. Petersburg. In 1830 maakte de influenza met succes een reis om de wereld – alleen die keer als wegbereider voor de cholera. Ze kwam weer terug van 1833 tot 1837. In het jaar 1847 werden in Londen meer mensen door haar gedood dan door de cholera. Ze nam opnieuw een epidemisch karakter aan in Frankrijk in 1858.

We vernemen uit de Petersburgse Novoje Vremja dat dr. August Hirsch heeft aangetoond dat er van 1510 tot 1850 driehonderd grote epidemieën van griep of influenza zijn geweest, zowel algemene als lokale, ernstige als zwakke. Volgens bovengenoemd gegeven kan de influenza die dit jaar in St. Petersburg heel zwak is geweest, nauwelijks ‘Russisch’ worden genoemd. Uit wat over haar kenmerken bekend is, blijkt daarentegen dat ze onpartijdig kosmopolitisch van aard is. Door de uitzonderlijke snelheid waarmee ze zich voordeed, verwierf ze in Wenen de naam blitz catarre. Ze heeft niets gemeen met de gewone griep, die men bij koud en vochtig weer zo gemakkelijk oploopt; en ze schijnt geen speciale ziekte teweeg te brengen die kan worden gelokaliseerd, maar alleen fataal in te werken op het zenuwstelsel en vooral de longen. De meeste sterfgevallen aan influenza treden op als gevolg van longverlamming.

Dit alles is heel betekenisvol. Een ziekte die epidemisch maar niet besmettelijk is; die overal optreedt, op zowel schone als smerige plekken, onder zowel hygiënische als onhygiënische omstandigheden, en die dus kennelijk geen besmettingshaarden nodig heeft om van daaruit te beginnen; een epidemie die zich als een luchtstroom onmiddellijk verspreidt, en hele landen en werelddelen omsluit; die tegelijkertijd een zeeman midden op de oceaan velt en een koninklijke telg in zijn paleis; de uitgehongerde stakker in de Whitechapels van de wereld, weggezakt in en doordrenkt van het vuil, en de aristocraat in zijn sanatorium in de hoge bergen (zoals Davos in Engadin),1 waar ze niet kan worden toegeschreven aan een gebrek aan sanitaire voorzieningen – zo’n ziekte kan niet worden vergeleken met epidemieën van de gewone soort, zoals cholera.

1. ‘Kolonel George Napier zal de begrafenis van zijn vader, Lord Napier van Magdala, niet kunnen bijwonen door een ernstige aanval van influenza in Davos, Zwitserland.’ De Morning Post van 21 januari 1890.

Ze kan evenmin worden toegeschreven aan parasieten of een of andere soort microscopische microben. Om dit te bewijzen werden Pasteur, de ‘microbe-killer’ zelf, en zijn team van assistenten meedogenloos aangevallen door die goede oude influenza. Lijkt het er daarom niet op dat de oorzaken van influenza eerder kosmisch dan bacterieel zijn; en dat ze veeleer gezocht moeten worden in die abnormale veranderingen in onze atmosfeer die de laatste jaren over de hele aardbol de seizoenen hebben ontregeld, dan in iets anders?

Er wordt nu niet voor het eerst beweerd dat al die mysterieuze epidemieën zoals de huidige influenza zijn toe te schrijven aan een abnormale overmaat aan ozon in de lucht. Verschillende gerenommeerde artsen en scheikundigen zijn het in zoverre met de occultisten eens dat ze erkennen dat het smaakloze, kleurloze, reukloze gas, bekend als zuurstof – ‘de levensonderhouder’ van al wat leeft en ademt – van tijd tot tijd ruzie krijgt met zijn collega’s en broeders, wanneer het probeert hen in volume en gewicht te overtreffen, en zwaarder wordt dan gewoonlijk. Kortom – zuurstof wordt ozon. Dat verklaart waarschijnlijk de eerste symptomen van influenza. Wanneer zuurstof neerdaalt en zich met opmerkelijke snelheid over de aarde verspreidt, zal ze natuurlijk een nog grotere verbranding teweegbrengen; vandaar de verschrikkelijke hitte in het lichaam van de patiënt, en de verlamming van vrij zwakke longen.

Wat zegt de wetenschap over ozon? ‘Het is de overmaat van laatstgenoemde door de krachtige werking van elektriciteit in de lucht, die bij nerveuze mensen dat onverklaarbare gevoel van angst en depressie teweegbrengt dat ze vóór een storm zo vaak ervaren.’ En vervolgens: ‘De hoeveelheid ozon in de atmosfeer varieert met de meteorologische toestand volgens wetten die tot nu toe aan de wetenschap onbekend zijn.’ Ze zeggen wijselijk dat een zekere hoeveelheid ozon nodig is voor de ademhaling en de bloedsomloop. Aan de andere kant ‘prikkelt een teveel aan ozon de ademhalingsorganen, en als er in de lucht meer dan 1% van aanwezig is, doodt ze degene die haar inademt.’ Dit volgt min of meer de occulte gedachtegang. ‘De ware ozon is het levenselixer’,1 zegt De geheime leer. Laat de lezer het bovenstaande vergelijken met wat hij in hetzelfde boek vindt over lucht2 vanuit een hermetisch en occult standpunt gezien, en dan zal hij beter begrijpen wat sommige theosofen over de huidige influenza denken.

1. Vgl. De geheime leer, 1:173vn.
2. Vgl. De geheime leer, 2:125-7&127vn.

Hieruit volgt dat de mystiek ingestelde correspondent die in Novoje Vremja1 schreef en verstandig advies gaf over de influenza die toen net was begonnen, wist waar hij het over had. Hier volgt een samenvatting van wat hij daarover zei:

1. Nr. 4931, 19 november, oude stijl, 1889.

Zo wordt duidelijk dat de werkelijke oorzaak van deze gelijktijdige verspreiding van de epidemie door het hele keizerrijk, onder de meest uiteenlopende weersomstandigheden en klimaten, ergens anders moet worden gezocht dan in onvoldoende hygiënische en sanitaire omstandigheden . . . De zoektocht naar de oorzaken van die ziekte en van haar verspreiding is niet alleen een taak van de artsen, maar zou ook een passende taak zijn voor meteorologen, astronomen, natuurkundigen, en natuuronderzoekers in het algemeen, en zou officieel en feitelijk onafhankelijk van de medici moeten worden uitgevoerd.

Dit leidde tot een storm van protest door vakmensen. De voorzichtige suggestie werd taboe verklaard en bespot; en opnieuw werd een Aziatisch land – China, dit keer – opgeofferd als zondebok voor de zonde van fohat en zijn al te actieve voortbrengselen. Wanneer royalty en de heersers van dit ondermaanse gebied door influenza en andere soortgelijke zaken en onbekende kwalen voldoende zijn gedecimeerd, zullen de ongelovige Thomassen van de wetenschap misschien van idee veranderen. Dit zal alleen maar een rechtvaardige straf zijn voor het verachten van de ‘occulte’ wetenschappen, en het opofferen van de waarheid aan hun persoonlijke vooroordelen.

__________

Intussen is het laatste doodslied van de zwaan van deze cyclus begonnen; maar weinig mensen schenken er aandacht aan, want de meerderheid heeft alleen oren om niet te horen, en ogen om blind te blijven. Maar degenen die dat wel doen, vinden het lied van deze cyclus triest, heel triest, en verre van melodieus. Ze beweren dat, afgezien van de influenza en andere kwalen, de helft van de beschaafde wereld wordt bedreigd met een gewelddadige dood, deze keer dankzij de verwaandheid van wetenschappers en het hebzuchtige egoïsme van het speculeren. Dit is de belofte die de nieuwe rage ‘elektrische verlichting’ elke grote stad biedt vóór de stervende cyclus een lijk wordt. Dit zijn feiten, en geen ‘dwaze speculaties van onwetende theosofen’. De laatste tijd stuurt Reuter bijna dagelijks van die fijne waarschuwingen de wereld in zoals de volgende over elektrische bedrading in het algemeen, en elektrische bedrading in Amerika in het bijzonder:

Vandaag wordt uit Newburgh, New York State, weer een dodelijk ongeluk gemeld als gevolg van de bovengrondse bedrading voor elektrische verlichting. Het blijkt dat een paard tijdens het mennen met zijn neus een ijzeren luifelpaal aanraakte en als dood neerviel. Een man die toesnelde om het dier overeind te helpen raakte het hoofdstel van het paard aan en viel meteen dood neer; en een andere man die eerstgenoemde probeerde op te tillen kreeg een vreselijke schok. De oorzaak van het ongeval schijnt te zijn geweest dat een elektrische draad los was geraakt, en op een ijzeren staaf lag die de luifelpaal met het gebouw verbond, en dat de volle kracht van de elektriciteit via de paal de grond instroomde. Het isolatiemateriaal van de draad was door de regen geheel doorweekt geraakt.1

1. Eerw. Hugh B. Chapman, predikant van St. Luke’s, Camberwell, in de Morning Post van 21 januari 1890.

Dit is een hoopgevend perspectief, en het lijkt erop dat dit een van de ‘laatste liederen van de zwaan’ van praktische beschaving was. Maar er is enige troost – zelfs op dit elfde uur van onze eeuw van moeilijke woorden en schoppen tegen de waarheid. Onverschrokken geestelijken vermannen zich en durven in het openbaar hun werkelijke gevoelens te uiten, met grondige minachting voor ‘de volledige nonsens van de goedkope ‘religieuze praatjes’ die in deze tijd algemeen zijn’.1 Ze verzamelen dagelijks meer moed; en kranten die tot dusver heel conservatief waren, zijn niet bang meer om hun correspondenten, wanneer daartoe reden is, de mogelijkheid te bieden om tegen vrome praatjes en bekrompen mensen in te gaan. Ja, de persoon die in de Morning Post de nuttige maar onwelkome waarheid naar buiten bracht, was zo’n uitzondering waardig. Een correspondent, W.M. Hardinge, die schrijft over zuster Rose Gertrude, die zojuist is vertrokken naar de leprakolonie op het eiland Molokai, stelt voor om ‘op een of andere manier een portret van deze jongedame aan de collectie van een van onze nationale musea toe te voegen’, en zegt vervolgens:

1. Op.cit.

Edward Clifford zou daarvoor zeker een geschikte kunstenaar zijn. Ik zou zelf graag eraan willen meewerken om ervoor te zorgen dat een bekwame schilder het gezicht waarachter zo’n heilige ziel schuilt permanent vastlegt. Zo’n voorbeeld – helaas maar al te zeldzaam in Engeland – zou meer opleveren dan voorschriften.1

1. Op.cit.

__________

Amen. Mensen krijgen in chique kerken meer voorschriften en gezwollen taal dan hun lief is; maar van echt praktisch christusachtig werk in het dagelijks leven zien we – met uitzondering van zogenaamde filantropen die dit doen om in het openbaar te worden geprezen en in kranten met naam te worden genoemd – niets. Bovendien is zo’n voorbeeld zoals de vrijwillige martelgang die door zuster Rose Gertrude is gekozen overal ‘heel zeldzaam’, laat staan in Engeland. De jonge heldin, evenals haar edele voorganger, pater Damiaan,1 is een echte theosoof in het dagelijks leven en de praktijk – laatstgenoemde is het hoogste ideaal van iedere echte volgeling van de wijsheid-religie. Vergeleken met dit praktische theosofische werk zijn religie en dogma, theologische en scholastische verschillen, zelfs esoterische kennis zelf, maar secundaire bijkomstigheden, onbelangrijke details. Al deze moeten voorrang verlenen aan en opzijgaan voor altruïsme (echt Boeddha- en Christus-achtig altruïsme, natuurlijk, niet het theoretische gebazel van positivisten) zoals de flikkerende tongen van gaslicht in straatlantaarns verbleken en verdwijnen als de zon opkomt.

1. De sleutel tot de theosofie (blz. 221-2) laat zien hoe theosofen denken over pater Damiaan.

Zuster Rose Gertrude is niet alleen een grote en heilige heldin, maar ook een spiritueel mysterie, een ego dat louter verstandelijk of zelfs spiritueel niet is te doorgronden. Helemaal waar, we horen over hele nonnenkloosters die zich vrijwillig hebben aangemeld voor datzelfde werk in Molokai, en we geloven het graag, hoewel deze verklaring meer wordt gedaan voor de verheerlijking van Rome dan voor Christus en zijn werk. Maar, zelfs als het waar is, is het aanbod niet vergelijkbaar. We hebben nonnen gekend die bereid waren een brandende prairie over te steken om aan het kloosterleven te ontsnappen. Een van hen erkende, gekweld door wanhoop, dat de dood zoet is, en zelfs het vooruitzicht van fysieke folteringen in de hel de voorkeur heeft boven het leven in een klooster en zijn morele martelingen. Voor hen is het vooruitzicht om zich een paar jaar vrijheid en frisse lucht te verschaffen tegen de prijs van het sterven aan lepra nauwelijks een offer, maar een keuze van de minste van twee kwaden.

Het geval van zuster Rose Gertrude is echter heel anders. Haar leven in persoonlijke vrijheid, met een rustig thuis en een liefdevolle familie, alles wat dierbaar is voor een jong meisje, gaf ze op om onopvallend een heldendaad, een heel ondankbare taak, te verrichten waarmee ze haar medemensen niet eens van de dood en uit hun lijden kan redden, maar alleen hun morele en fysieke folteringen kan verzachten en verlichten. Ze zocht geen bekendheid, en deinsde terug voor de bewondering of zelfs de hulp van mensen. Ze voerde eenvoudig de opdracht van haar meester uit – naar de letter. Ze was bereid om in dit leven onbekend en onbeloond een bijna zekere dood tegemoet te zien, waaraan jarenlange onophoudelijke fysieke foltering door de meest weerzinwekkende ziekte voorafgaan. En ze deed dit niet zoals de schriftgeleerden en farizeeën, die hun voorgeschreven taken op straat en in openbare synagogen verrichten, maar zoals de meester had bevolen: alleen, in de binnenkamer van haar innerlijke leven en van aangezicht tot aangezicht met alleen ‘haar Vader in het verborgene’, terwijl ze probeerde om de grootste en edelste van alle menselijke handelingen te verbergen, zoals een ander probeert een misdaad te verbergen.

Daarom hebben we gelijk als we zeggen dat – in ieder geval in onze eeuw – zuster Rose Gertrude, zoals pater Damiaan vóór haar, een spiritueel mysterie is. Ze is de zeldzame manifestatie van een ‘hoger ego’ dat vrij is van de ketenen van alle elementen van haar lager ego; ze werd door deze elementen alleen beïnvloed voor zover de misvattingen van haar aardse zintuiglijke waarnemingen – over religieuze plichtplegingen – nog duidelijk getuigen van dat wat in haar persoonlijkheid nog menselijk is, namelijk haar verstandelijke vermogens. Vandaar de onophoudelijke en onvermoeibare zelfopoffering van zulke zielen aan wat religieuze plicht lijkt te zijn, maar die in feite de essentie en het wezen van de sluimerende individualiteit is – ‘goddelijk mededogen’ dat ‘geen eigenschap’ is maar ‘de WET der wetten, eeuwige harmonie, alaya’s zelf’.1

1. Zie De stem van de stilte, blz. 67.

Het is dit mededogen, gekristalliseerd in ons diepste wezen, dat dag en nacht mensen zoals pater Damiaan en zuster Rose Gertrude toefluistert: ‘Kan er gelukzaligheid zijn wanneer al wat leeft moet lijden? Zult u gered worden en de hele wereld horen klagen?’1 Maar de ‘persoonlijkheid’ – die door training en religieus onderwijs blind is geworden voor de werkelijke aanwezigheid en aard van het hoger zelf – herkent zijn stem niet, maar verwart deze in haar hulpeloze onwetendheid met de uiterlijke en externe vorm, die ze als een goddelijke werkelijkheid heeft leren beschouwen; ze stuurt gedachten en gebeden, waarvan de verwezenlijking in haar zelf ligt, naar de hemel en naar buiten in plaats van ze naar binnen te richten. Ze zegt in de mooie woorden uit het boek van Dante Gabriel Rossetti, die een hogere toepassing hebben:

1. Op.cit., blz. 68.

. . . Want zie! Uw wet is aanvaard,
Dat mijn liefde erop gericht moet zijn
Om u te dienen en te eren;
Dat doe ik dus; en groot is mijn vreugde,
Als dienaar van uw voorschrift.1

1. Dante Gabriel Rossetti, Dante and his circle: with the Italian poets preceding him, 1874, blz. 331. Deze tekst is van de Italiaanse dichter Pannucio dal Bagno Pisano.

Waardoor wortelde deze blindheid zich zo diep in de menselijke natuur? De oosterse filosofie antwoordt ons met twee betekenisvolle woorden die, net als andere termen, door onze huidige generatie verkeerd worden begrepen: maya en avidya, of ‘illusie’ en dat wat eerder het tegenovergestelde van esoterische kennis is, of het gebrek aan die kennis, en niet ‘onwetendheid’ zoals het gewoonlijk wordt vertaald.

Wat we hier hebben gezegd zal op de meeste van onze oppervlakkige critici ongetwijfeld overkomen als bepaalde geleerde woorden en toespraken van mw. Partington1. Mensen die geloven dat ze elk mysterie van de natuur in de vingers hebben, en ook zij die beweren dat de officiële wetenschap als enige het recht heeft om voor de mensheid de mysteries op te lossen die diep verborgen liggen in de complexe samenstelling van de mens – zullen ons nooit begrijpen. En omdat ze onze werkelijke bedoeling niet kunnen begrijpen, kunnen ze, door gebruik te maken van de tegenwoordige gewoonte om alles te ontkennen, proberen, zoals ze dat altijd hebben gedaan, om met hun wetenschappelijke zwabbers het water van de grote oceaan van occulte kennis op te dweilen en weg te werken.

1. Mw. Partington is een sprookjesfiguur die de getijdegolven probeert op te dweilen.

Maar de golven van guptavidya hebben deze kusten niet bereikt om slechts een plas of een modderpoel te vormen, en een serieuze krachtmeting met die golven zal een even ongelijke strijd blijken te zijn als die van Dame Partington met het water van de Atlantische Oceaan. Wel, het doet er weinig toe, want duizenden theosofen zullen ons gemakkelijk begrijpen. Immers, de aan de aarde gebonden waakhond die door vooroordeel aan de stof is geketend, kan misschien blaffen en janken naar de vogel die boven de zware aardse mist uit komt, maar hij kan nooit beletten dat ze hoog opstijgt. Evenmin kunnen onze vijf algemeen erkende en beperkte zintuigen ons innerlijke begrip beletten om raadsels te onderzoeken, te ontdekken, en vaak op te lossen die ver buiten het bereik van eerstgenoemde verborgen liggen – en dus ook buiten het onderscheidingsvermogen van degenen die een zesde en zevende zintuig in de mens ontkennen.

De serieuze occultist en theosoof ziet en erkent de occulte en spirituele mysteries en diepe geheimen van de natuur zowel in elk vliegend stofdeeltje als in de grote manifestaties van de menselijke natuur. Voor hem zijn er overal bewijzen voor het bestaan van een universele geest-ziel, en het kleine nest van de kolibrie is net zo’n groot raadsel als het gouden ei van Brahma. Ja, hij erkent dit alles, buigt met diepe eerbied voor het mysterie van zijn eigen innerlijke heiligdom, en herhaalt de woorden van Victor Hugo:

Het nest dat de vogel bouwt,
Zo klein,
Is iets diepzinnigs.
Als ook maar één ei uit het bos
Wordt weggenomen,
Dan zou het evenwicht van de wereld verstoord raken.


© 2020 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag