Misvattingen over de Theosophical Society

H.P. Blavatsky

Er bestaan veel misvattingen over de aard en doeleinden van de Theosophical Society. Sommigen . . . denken dat ze een religieuze sekte is; velen geloven dat ze uit atheïsten bestaat; een derde groep is ervan overtuigd dat haar enige doel de studie van occulte wetenschap en de inwijding van nieuwelingen in de heilige mysteriën is. Eén duidelijke misvatting blijkt uit het feit dat zeker honderd belangstellenden ons te kennen hebben gegeven dat ze bereid waren om zich direct bij ons aan te sluiten als ze er zeker van konden zijn dat ze kort daarop met siddhi’s [paranormale vermogens] zouden worden begiftigd of met het vermogen om occulte verschijnselen teweeg te brengen.

Het begin van een nieuw jaar is een goed moment om nog eens een poging te doen – hopelijk de laatste – om deze misvattingen uit de weg te ruimen. Laten we herhalen: (1) De Theosophical Society onderwijst geen nieuwe religie, streeft niet naar de vernietiging van oude religies, heeft geen eigen geloofsovertuiging, volgt geen religieuze leider, en is beslist en nadrukkelijk geen sekte, en was dat ook nooit. Mensen van elke religie kunnen lid worden, op voorwaarde van wederzijdse verdraagzaamheid en het verlenen van wederzijdse hulp om waarheid te ontdekken. De stichters hebben nooit toegestaan dat ze als religieuze leiders worden beschouwd, ze verwerpen elk idee in die richting, en ze hebben geen discipelen aangenomen en zullen dat ook niet doen. (2) De Society bestaat niet uit atheïsten, en werkt evenmin in het belang van atheïsme als in dat van deïsme of polytheïsme. Ze heeft leden uit bijna elke religie, en onderhoudt broederlijke betrekkingen met elke religie. (3) Veruit de meeste leden zijn geen onderzoekers van de occulte wetenschap en verwachten niet dat ze ooit een adept worden. Aan iedereen die om informatie vraagt, is verteld welke offers noodzakelijk zijn om hogere kennis te verwerven, en maar weinig mensen bevinden zich in een positie om aan een tiende daarvan te kunnen voldoen. Wie lid wordt van onze Society krijgt daardoor geen siddhi’s, en er is geen enkele zekerheid dat hij ooit verschijnselen zal zien, laat staan een adept ontmoeten. Enkelen hebben beide kansen gekregen, en dus berusten de mogelijkheid van verschijnselen en het bestaan van ‘siddha’s’ niet op onze ongeverifieerde beweringen. Aan hen die bepaalde dingen hebben gezien, werd dat misschien toegestaan op grond van persoonlijke verdienste die opgemerkt werd door hen die hun de siddhi’s verleenden, of om andere redenen die zij kennen en waarover wij geen controle hebben.

Duizenden jaren lang zijn deze dingen, terecht of onterecht, als heilige mysteries bewaakt, en Aziaten hoeven in ieder geval niet eraan herinnerd te worden dat de leerlingen van een yogi vaak zelfs na maanden of jaren van zeer trouwe en toegewijde persoonlijke dienstverlening geen ‘wonderen’ werden getoond of met vermogens werden begiftigd. Wat een dwaasheid is het daarom om zich te verbeelden dat men door tot een organisatie toe te treden een kortere weg naar adeptschap inslaat! De vermoeide reiziger op een vreemde weg is zelfs al dankbaar als hij een wegwijzer vindt die de weg naar zijn bestemming aangeeft. Al zou onze Society niets anders doen, ze verricht in ieder geval die vriendelijke taak voor de zoeker naar waarheid. En dat is veel.


Passage uit: ‘Een jaar theosofie’, H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 1: 1874 –1882, blz. 327-33.