De vuren van het denken aansteken
Nancy Coker

 

Uit een lezing gehouden op 3 november 2006 in het Theosophical Library Center, Altadena, CA.

De krachtige en veelbetekenende uitdrukking ‘de vuren van het denken aansteken’ verwijst in de theosofie naar het ontwaken dat bij alle wezens plaatsvindt wanneer ze zich ontwikkelen en hun denken steeds meer verlicht wordt. Het betekent dat het denken het vermogen heeft om tot een groot vuur op te laaien, en van een letterlijk begrip van de oppervlakkige aspecten van het leven zich ontwikkelt tot het onderscheiden van meer diepzinnige beginselen.

Maar wat is het denken? De mythe die de postmoderne cultuur zichzelf voorhoudt is dat het denken en het zelfreflecterende bewustzijn functies van de hersenen zijn die door een proces van natuurlijke selectie uit materie zijn geëvolueerd. Het verhaal van de theosofie is dat het menselijke denken een functie van de geest is, een straal van het goddelijke denken. William Q. Judge zegt het zo: ‘Het manasische, of denkbeginsel, is kosmisch en universeel. Het is de voortbrenger van alle vormen, en de basis van alle wetmatigheid in de natuur.’1 Met andere woorden, het hebben van hersenen is niet hetzelfde als het hebben van een denkvermogen.

Het is moeilijk om ons het denken of bewustzijn voor te stellen, maar we kunnen gemakkelijk beelden van vuur oproepen: de vuren van verwoesting, van opoffering en zuivering, van verlangens, lusten en creativiteit. De Olympische toorts die omhoog wordt gehouden, kan ons eraan herinneren om in vrede en harmonie samen te werken maar symboliseert ook de eeuwige vlam in ieder van ons. Vanuit theosofisch gezichtspunt hebben we vele aardse en hemelse sintels van deze eeuwige vlam in ons: niet alleen die van creativiteit en hartstocht, maar ook van goddelijke wijsheid. In De Stem van de Stilte verwijst H.P. Blavatsky naar een ‘gouden vuur, de vlam van prajña [wijsheid] die van atman [onze innerlijke god] uitstraalt.’ Deze vonk van wijsheid verlicht niet alleen ons wezen maar maakt het volgens een hindoeïstische bron mogelijk dat ‘atman zich bewust wordt van wat hij is, en dus in deze toestand te verblijven zoals in een droomloze slaap’.2 Dit betekent dat het vermogen om ons zelf te kennen, om zelfbespiegelend te zijn, een vermogen is van het meest etherische, goddelijke gebied dat we ons kunnen voorstellen – dat deze heel belangrijke menselijke eigenschap, zelfbewustzijn, ingeworteld is in de goddelijke natuur.

Wij zijn de kinderen van dit ‘gouden vuur’, maar voelen ons te vaak ervan losgemaakt en hebben hulp nodig om het in ons leven te verwezenlijken, het te koesteren tot het op dit stoffelijke gebied wordt geboren. Heeft u ooit een ervaring gehad die u niet onder woorden kon brengen, of een idee dat u niet voldoende duidelijk kon maken? Het is alsof er een kloof tussen het gebied van het denken en het fysieke gebied ligt die soms heel moeilijk is te overbruggen. Mythen van over de hele wereld vertellen over een kinderlijke mensheid die deze twee gebieden niet met elkaar kon verbinden, behalve in de meest elementaire zin, en dus werd er hulp geboden, vaak gesymboliseerd als een geschenk van vuur; we vinden deze verhalen in de beide Amerika’s, Polynesië, Nieuw-Guinea, China en Afrika. Zij die geloven dat deze verslagen alleen gaan over de ontdekking van fysiek vuur, worden door Blair Moffet gewezen op het volgende:

Voor de traditionele volkeren zijn licht, vuur en zon woorden die altijd een dubbele betekenis hadden. Hoewel ze beslist staan voor de fysieke dingen die worden genoemd, vertegenwoordigen ze ook – en dat is veel belangrijker – de spirituele werkelijkheid erachter. Vuur is de verlichting van het bewustzijn of rechtstreekse kennis. . . . De zon verwijst naar de geest van de zon: de bron van het leven en licht en vuur van kennis in ons stelsel.    – Sunrise, feb. 1980, blz. 52

In zulke verhalen worden de goden vaak door een list ertoe verleid het vuur van het denken aan de mensheid te geven. De verleider-held kan een volwassene of een kind zijn, een konijn, coyote, raaf, spin, of zelfs een god. In Griekenland stal de titan Prometheus het vuur van de goden om aan de mensheid te geven, en in de Oud-Noorse Edda wekt de zonnegod de menselijke intelligentie in drie progressieve stadia. In Genesis wordt het licht van het denken gewekt door een slang, later vereenzelvigd met Lucifer, letterlijk de ‘lichtbrenger’.

Omringd door de Olympische goden bereidt Prometheus zich voor om de eerste mens te bezielen.

Met het ontwaken van het denken wordt veel gewonnen, maar de onschuld gaat verloren samen met wat eens een eenvoudige communicatie met de natuur was – en we worden verbannen uit een paradijs waarvan we ons nooit volledig bewust zijn geweest. Mensen betreuren deze verloren onschuld vaak, maar hoewel het voor jonge kinderen en misschien zelfs voor de kinderlijke mensheid goed is om onschuldig en onwetend te zijn, is dit niet goed en zelfs gevaarlijk voor volwassenen. We kennen allemaal het verhaal van Adam en Eva die vruchten eten van de boom van kennis van goed en kwaad en uit hun kinderlijke droomtoestand ontwaken. Wat ik boeiend vind is dat dit geen eenmalige gebeurtenis was: we vallen voortdurend weer in slaap, gaan op cruisecontrol door het leven, en moeten uit onze droomtijd worden geschud – misschien is dat de werkelijke waarde van elke dag een appel eten!

We kunnen onszelf afvragen: Slapen we wanneer we wakker zouden moeten zijn? En als dit zo is, wat kunnen we daaraan doen? G. de Purucker vertelt ons:

Hoe meer u zich met uw eigen innerlijke god verbindt, met de bron van het goddelijke dat voortdurend door uw eigen innerlijke wezen stroomt, des te meer zal uw bewustzijn groeien en in kracht en omvang toenemen, zodat enerzijds die innerlijke groei gepaard gaat met een zich uitbreidende visie, en anderzijds met een zich uitbreidend bewustzijn dat die visie kan interpreteren.    – Levensvragen, blz. 16

Onze ruimere visie brengt ook de verantwoordelijkheid met zich mee om met anderen te delen wat we begrijpen. Als we ons verdiepen in de vele betekenissen van mythen en verhalen, beginnen we ons ervan bewust te worden dat we erin meespelen. Op een bepaald moment spelen we allemaal de rol van Lucifer of Prometheus. Wanneer we ons ontwikkelen van onwetendheid naar kennis, worden we verlicht en dan kunnen we dat licht met anderen delen. We zijn ons ervan bewust dat deze vonk oplaait telkens wanneer we plotseling iets belangrijks begrijpen dat ons steeds was ontgaan. Korte tijd gaf ik les in lezen en schrijven aan een volwassene die bij me in de buurt woonde. Op de dag dat ze leerde dat letters voorspelbare klanken hebben en dat ze woorden kan leren kennen op dezelfde manier als een puzzel wordt opgelost, straalde ze. En dus gaf ik haar een nieuw woord om uit te spellen: drie lettertjes, K-A-T. Keer op keer herhaalde ze de klanken, eerst in haar hoofd, daarna hardop. Zeg ze vlugger, moedigde ik haar aan, en plotseling werd K-A-T kat. Er ligt een enorme kloof tussen K-A-T en kat, en mijn vriendin bracht haar hele leven aan de andere kant van die kloof door, tot ze een paar aanwijzingen kreeg. Ik kon geen kat voor haar maken uit k-a-t, dat moest zij doen; ik kon alleen het vuur van mijn denken dichtbij het hare houden.

Het denken van de mens is in zijn laagste of minst volgroeide aspect zelfbespiegelend maar afhankelijk van de fysieke zintuigen. Dit aapachtige denken verkrijgt informatie via de ogen en oren en doet daar iets mee: het zet dingen naast elkaar en vergelijkt ze en stelt voorkeuren vast. Het herhaalt de informatie keer op keer voor zichzelf. Dit lagere denken begrijpt feiten en details, het telt, brengt dingen in kaart, maakt lijstjes, en denkt rechtlijnig en ordelijk. Denk er eens aan hoezeer kinderen aandacht hebben voor het kleinste, meest onbeduidende detail. Dit komt voor een deel door hun onvolgroeide vermogen om te generaliseren of symbolisch en abstract te denken. Het is heel moeilijk om met een vijfjarige over abstracties zoals rechtvaardigheid of schoonheid te praten (maar tegen de tijd dat ze twaalf zijn, lezen ze ons graag de les over het onderwerp rechtvaardigheid!). Naarmate het denken volwassener wordt, leert het te redeneren en logisch te denken – maar dit betreft in hoofdzaak nog steeds het bewerken van zintuiglijke informatie. De rede en logica, die vaak worden gezien als het toppunt van de menselijke ontwikkeling, zijn een belangrijke prestatie in onze evolutionaire vooruitgang, maar ze kunnen koude, mechanische en levenloze processen zijn.

En zo komen we bij een andere kloof. De geest drukt zichzelf uit door het hogere denken, en indien er geen brug naar deze hogere delen is, indien het denken gefascineerd is door het felle neonlicht van de buitenwereld, dan dringt het innerlijke licht-vuur van de geest alleen tot onze natuur door via rook en dampen. Afgezonderd van onze spirituele bron, voelen we ons dan verbannen, geïsoleerd, en ongeïnspireerd. Om in spiritueel opzicht te groeien, moeten we het aanmaakhout van het lagere denken opofferen aan de vlammen van de geest en het hogere denken, onze zetel van mededogen, universele beginselen, intuïtief bewustzijn, hoger bewustzijn en begrip. Het hogere denken heeft vele geschenken voor ons.

Maar wat doen we met onze geschenken? Door het ontwaken van het denken kunnen we nieuwe mogelijkheden ontdekken om te redeneren en logisch na te denken, en ook om onze verbeelding te laten werken, om ons een andere toekomst voor te stellen. Ons evoluerende wezen heeft een kleine eeuwigheid doorgebracht met instinctief en automatisch handelen om uiteindelijk uit te groeien tot een wezen dat creatief kan denken en onafhankelijke keuzes kan maken – en wat zien we? We realiseren ons dat we voor het grootste deel egocentrisch zijn en gewoonlijk in beslag worden genomen door triviale zaken. Wat een ontwaking. Judge lichtte het op deze manier toe:

Zelfbewustzijn, dat vanaf het dierlijke gebied omhoog gezien het begin van volmaking is, is vanaf het goddelijke gebied omlaag gezien de volmaking van zelfzucht en de vloek van afgescheidenheid. Het is de ‘wereld van illusie’ die de mens voor zichzelf heeft gemaakt. . . . De ‘eeuwige pelgrim’ moet daarom hoger opklimmen, en vluchten uit het gebied van zelfbewustzijn dat hij eerder met veel moeite had bereikt.    – Op.cit. 1:197-8

Dit is dus de paradox: het is noodzakelijk dat de delen van onze natuur die op de automatische piloot staan (in wezen slapen) opmerkzaam en zelfbewust worden. Dit is een wonderbaarlijke gebeurtenis, maar het is ook het begin van morele zelfzucht omdat het ons in de gelegenheid stelt om onszelf als gescheiden van het geheel te zien, als afzonderlijke individuen met wensen en verlangens die misschien ingaan tegen wat voor ons of voor andere levensvormen goed is. Dit egoïstische verdiept zijn in zichzelf is eenvoudig een stadium in onze evolutie, een tijdelijk nadeel met een belangrijk voordeel. Het is eenvoudig een stadium van onze zich steeds ontvouwende innerlijke natuur.

De wereld waarin we leven, bewust of onbewust, is voornamelijk door onszelf geschapen. Voortdurend wijzigen we het centrum van ons bewustzijn, van buiten naar binnen, van mentaal naar emotioneel naar fysiek. ’s Ochtends ontwaken we van de ene soort werkelijkheid in een andere. Gedurende de dag kunnen we zo in beslag worden genomen door de oppervlakkige werkelijkheid van ons leven dat ons hele wezen opgaat in het dagelijkse toneelstuk zonder over dingen na te denken. Dus het beeld van het aansteken van de vuren van het denken en het ontwaken ervan gaat niet alleen over fantasierijke verhalen van de kinderlijke mensheid of hoe we iedere dag ontwaken, maar ook over hoe we elke dag honderden keren moeten oefenen om te ontwaken.

Evenals een vlam voortdurend in beweging is, zijn alle samenstellende delen van ons wezen voortdurend in ontwikkeling. We zijn een interactief veld van krachten; we zijn als rivieren van bewustzijn waarbij ieder aspect van ons wezen voortdurend stroomt. We kunnen ons ons lichaam voorstellen als een dynamisch energieveld dat we tot op zekere hoogte met ons denken besturen. Soms zijn we ons hiervan bewust, maar meestal niet. Het spirituele pad gaat over een steeds toenemende bewustheid. Emerson, een man van wie het denken beslist in vuur en vlam stond, zei het op deze manier in ‘De geleerde’: ‘Want zoals de hardste stenen zijn opgebouwd uit onzichtbare gassen, zoals de wereld is opgebouwd uit verdicht licht en tot stilstand gebrachte elektriciteit, zo weten we dat ideeën de oorsprong van mensen en dingen zijn.’ En zoals het denken zowel een hoger of innerlijk aspect als een uiterlijk of bekend aspect heeft, zo wordt ook van vuur gedacht dat het zowel een verborgen als een bekend aspect heeft, waarvan we leren ons laag voor laag bewust te worden.

We slapen tot we wakker worden, maar zelfs dan zijn we niet klaar met wakker worden. Wat kunnen we doen? Misschien elkaar helpen om wakker te worden – door de pit van ons bewustzijn dichtbij iemand te houden wanneer die zijn best doet om dieper te kijken, maken we het licht voor ons beiden meer dan twee keer zo sterk. Als we ons openstellen voor het licht van het gezichtspunt van een ander, worden we beiden verwarmd. Door de hele geschiedenis heen zijn er mensen geweest die de ware aard van bewustzijn hebben ervaren en gekend. De pit van ons denken vaak en lang genoeg dichtbij hun vlam te houden, kan ons helpen om een besef te krijgen van hoe het voor mensen is wanneer hun denken vlam vat, zelfs al is het maar een beetje. We leven voor die zeldzame momenten wanneer, zoals Emerson in ‘De overziel’ zegt, ‘deze diepe kracht waarin we bestaan, waarvan de gelukzaligheid voor iedereen volledig toegankelijk is, op ieder moment niet alleen onafhankelijk en volmaakt is, maar wanneer het waarnemen en het waargenomene, de ziener en het schouwspel, het subject en object, één zijn.’

Ons denken is een vonk van het goddelijke vuur – hopelijk wordt iedereen een steekvlam.

 

Noten

  1. ‘The Synthesis of Occult Science’, Echoes of the Orient 1:197.
  2. http://en.mimi.hu/esoteric/prajna.html.
 
Andere artikelen over de mens (ontstaan en samenstelling van)
 
Andere artikelen over het spirituele pad
 

Uit het tijdschrift Sunrise zomer 2007

© 2007 Theosophical University Press Agency