Evolutie en schepping – 1
Intelligent ontwerp?

W.T.S. Thackara

 
 

Aan elke discussie over evolutie en schepping ligt een vraag ten grondslag die ons precies bij de kern van de filosofie brengt: Waarom is er eigenlijk een heelal? Onze antwoorden weerspiegelen en bepalen ongetwijfeld de betekenis van ons leven en de richting die we daaraan geven; en ze zijn belangrijk omdat onze overtuigingen ook invloed hebben op het leven van anderen – een diepgaande invloed. Schepping en evolutie gaan in de kern over onze oorsprong en afkomst, en over wie we zijn en waarheen we op weg zijn. Hoewel volgens veel mensen hier geen fundamentele strijdigheid ligt, zijn schepping en evolutie twee antagonistische, elkaar wederzijds uitsluitende levensopvattingen gaan symboliseren, grotendeels op grond van beperkende omschrijvingen, door òf-òf-redeneringen en op basis van stilzwijgende veronderstellingen. Evolutie wordt over het algemeen gelijkgesteld aan Darwinisme, schepping aan de bijbelse scheppingsleer; de een is natuurwetenschap, de ander metafysica, en die twee zullen nooit samenkomen. Deze denkwijze is zo gewoon geworden dat we ons misschien niet realiseren hoezeer ze ons inzicht en begrip beperkt; en evenmin houdt het verwerpen van het ene standpunt het aannemen van het andere in. Zoals de wiskundige en Darwincriticus David Berlinski enkele jaren geleden schreef, ‘Men hoeft niet tussen leringen te kiezen. Het rationele alternatief voor de theorie van Darwin is intelligente onzekerheid’ (‘The Deniable Darwin’, Letters, 1996).

Er bestaan ook andere aanvaardbare alternatieven, die ons doen denken aan de scherpzinnige opmerking van Allan Bloom in The Closing of the American Mind: ‘De meest succesvolle tirannie is niet die tirannie die geweld gebruikt om uniformiteit te garanderen, maar de tirannie die het besef wegneemt dat er andere mogelijkheden zijn, die het ondenkbaar doet schijnen dat andere wegen levensvatbaar zijn.’ De moderne media, openbaar onderwijs en het internet hebben de macht van de oude tirannieën massaal verminderd; maar het aan de kaak stellen van de heersende orthodoxe gewoonten zal altijd onwelkom zijn. Dit geldt ook voor de nieuwe ‘intelligent-ontwerp’-denkrichting die overtuigende argumenten aanvoert tegen darwinistische verklaringen van hoe wij zijn ontstaan. Omdat deze ontwikkeling is begonnen met bekwame wetenschappers met goede kwalificaties noemen veel critici – bedacht op theologische inmenging – dit ‘geheime scheppingsleer’, en wat een wederzijds nuttige samenwerking zou kunnen zijn is weer vijandig geworden.

Terwijl het denkbeeld van een intelligent ontwerp niets nieuws is – het wordt in de oude filosofie en in praktisch elke spirituele traditie gevonden – wijzen moderne schrijvers vaak op de Engelse dominee William Paley die in 1802 het argument indrukwekkende intellectuele overtuigingskracht gaf. Zoals we uit de complexiteit van een in het bos gevonden horloge opmaken dat het was ontworpen en gemaakt door een intelligente persoon die een duidelijk doel voor ogen had, evenzo kunnen we uit veel voorbeelden met een ingewikkelde structuur en werking in de natuur opmaken dat hieraan een ontwerp en plan ten grondslag heeft gelegen. Ontwerp impliceert een intelligente ontwerper, stelde Paley, en omdat geen dier of mens zichzelf kan ontwerpen, wat handelen vóór het bestaan zou betekenen, wie anders zou dan de universele ontwerper kunnen zijn dan God? (Natural Theology, blz. 412). Dit blijft voor velen een fascinerend argument; maar omdat Paley het heeft overladen met twijfelachtige theologische veronderstellingen en enkele slechte voorbeelden uit de natuur, werd het argument bekritiseerd en raakte tenslotte uit de gratie. Als bijvoorbeeld is bewezen dat God goed is door toedoen van de heilzame aard van zijn genialiteit, is het redelijk je af te vragen waarom er onvolmaaktheden en ‘suboptimale ontwerpen’ in de natuur voorkomen. Waarom een wereld scheppen die ziekte, misvorming en dood voortbrengt en een wrede concurrerende strijd om het bestaan? Elke theorie of hypothese die intelligent ontwerp aanvoert moet deze vraagstukken aan de orde stellen, zelfs al betekent dit het opgeven van de vooronderstellingen – waaraan men graag vasthoudt – over de ontwerper en het proces waardoor dingen worden voortgebracht. Maar we hoeven de conclusie of het begrip van een ontwerp niet te verwerpen op grond van verkeerde argumenten. Hetzelfde geldt voor evolutie dat misschien meer dan iets anders heeft aangetoond dat verwantschap en het één-zijn van levensrelaties niet voorkomen in ideeën over een bijzondere schepping, waarin elke soort of elk type wordt geschapen door een afzonderlijke mystieke handeling van de wil van God.

Het begrip evolutie – wat eenvoudig ‘ontrollen’ betekent in de zin van verandering en ontwikkeling door de tijd heen – maakt deel uit van het intellectuele erfgoed van de mensheid sinds het begin van de opgetekende geschiedenis. Maar vooral over het mechanisme of proces dat aangeeft hoe de dingen ontstaan en hoe ze veranderen, wordt gedebatteerd. Darwin zelf zag in dat er grote problemen aan zijn theorie kleefden die zelfs nu nog – ondanks protesten, ontkenning en veel te veel onvriendelijke woorden – onverklaard blijven: hiaten met betrekking tot de opeenvolging van fossielen, beperkingen met betrekking tot het vormen van kruisingen, ingewikkelde organen, het mechanisme van het instinct, en misschien het grootste probleem van allemaal: hoe de ‘eenvoudigste’ zichzelf voortplantende cellen zijn ontstaan1. Darwin speculeerde niet openlijk over de oorsprong van het leven maar, vooruitlopend op de moderne biochemie, schreef hij in 1871 aan zijn vriend Joseph Hooker dat ‘een of ander warm meertje’ misschien de chemicaliën en het milieu hebben geleverd die nodig waren om daarvoor een stevige basis te verschaffen.

In zijn eenvoudigste formulering veronderstelt de neo-darwinistische synthese een afstamming door modificatie: dat natuurlijke selectie die plaatsvindt op basis van genetische mutaties, voldoende is om de verscheidenheid van wezens op aarde voort te brengen. Er is geen leidende kracht of scheppend element vereist, er is geen metafysische tussenkomst nodig; en voor veel maar niet alle darwinisten is er geen uiteindelijk doel of bestemming waar de evolutie zich op richt. Voor hen vindt de evolutie toevallig plaats binnen de begrenzingen van bestaande natuurwetten. Afstamming en variatie van soorten geschiedt uit gezamenlijke voorouders, sommige overleven gedurende lange perioden, andere halen het niet in het gevecht om het bestaan, en uiteindelijk zullen alle worden vernietigd als de brandstof van de zon opraakt en het heelal ‘entropieert’ in een warmtedood, of ineenstort in een eindkrak. Volgens pro-Darwin bioloog William B. Provine vertelt de moderne evolutiebiologie ons dat ‘er geen goden, geen bedoelingen, en geen enkele soort doelgerichte krachten zijn. Er is geen leven na de dood. Als ik sterf ben ik er absoluut zeker van dat ik dood zal zijn. Dat is het einde van mij. Er is geen uiteindelijke basis voor ethiek, geen fundamentele betekenis in het leven en ook geen vrije wil voor mensen’ (Debat aan de Stanford Universiteit, 1994).

Voornamelijk op grond van deze sombere, ziel-ontkennende conclusies hebben zo veel mensen bezwaar gemaakt tegen de darwinistische levensopvatting. Maar de meeste wetenschappers en onderwijsdeskundigen zijn ervan overtuigd dat deze de ontwikkeling van het leven op aarde verklaart, en velen van hen oefenen flinke druk uit op de politiek om het op scholen onderwezen te krijgen als een bewezen theorie, niet alleen met uitsluiting van enige andere theorie of hypothese, maar – om te vermijden zich in een kwetsbare positie te plaatsen bij de creationisten – van welke kritische discussie dan ook.

Toch hebben direct vanaf het begin wetenschappers van naam de theorie van Darwin bekritiseerd. In 1871 vroeg zoöloog St. George Jackson Mivart zich bijvoorbeeld af of natuurlijke selectie de beginstadia van nuttige constructies zoals een vleugel kon verklaren – hoe ontwikkelt en selecteert de natuur bijvoorbeeld een gedeeltelijk niet functionele vleugel als nuttig voor de voortplanting? Steven J. Gould erkende in 1985 dat dit ‘in deze tijd het belangrijkste struikelblok bleef voor welwillende onderzoekers van het darwinisme die deze theorie diep overdenken’. In 1877 zei antropoloog Armand de Quatrefages, hoewel hij Darwin prees voor ‘een volledige en systematische theorie’, dat hij ‘het niet moeilijk vond het punt te herkennen waar de voortreffelijke auteur de grond van de werkelijkheid verlaat en die van de onaanvaardbare hypothese betreedt’. Terwijl hij het met Darwin eens was dat selectie het resultaat is van de strijd om het bestaan (hoewel hij ‘eliminatie’ een nauwkeuriger term vond), was De Quatrefages het er totaal niet mee eens dat deze twee factoren ‘het vermogen hebben om organische wezens onbeperkt in een bepaalde richting te veranderen, zodat de onmiddellijke afstammelingen van de ene soort een andere soort vormen, die van de eerste verschilt’. Darwin, schreef hij, had geen duidelijk idee over het verschil tussen soorten en variëteiten, en verwart daarom de instandhoudende kracht van natuurlijke selectie, die aan geschikte en gezonde variëteiten de voorkeur geeft, met het vermogen om nieuwe soorten voort te brengen. De Quatrefages noemt beperkingen met betrekking tot het vormen van kruisingen, discontinuïteiten in de reeksen fossielen, en ontwikkelingsstilstand van soorten en zegt nog eens dat ‘verschijnselen die voortbrengen veel verschillen van die welke instandhouden’ (The Human Species, blz. 92-103).

Deze gedachte werd bijna honderd jaar later opnieuw verwoord door zoöloog en voormalige president van de Franse Academie van Wetenschappen Pierre-P. Grassé, die in Evolution of Living Organisms (1973) schreef: ‘Variëren en zich ontwikkelen zijn twee verschillende zaken; hierop kan nooit genoeg de nadruk worden gelegd’. Zelfs met de belangrijke aanvullingen op de theorie, verschaft door de moderne genetica en de biochemie, was Grassé van mening dat

de verklarende leringen van de biologische evolutie een objectieve, diepgaande kritiek niet kunnen doorstaan. Zij blijken of in strijd te zijn met de werkelijkheid of niet in staat de grootste problemen die hiermee verband houden op te lossen. . . .

Door het gebruik en misbruik van verborgen vooronderstellingen, van gedurfde, veelal onvoldoende onderbouwde extrapolaties, is er een pseudo-wetenschap ontstaan. Deze vestigt zich precies in het hart van de biologie en brengt veel biochemici en biologen op een dwaalspoor, die oprecht geloven dat de juistheid van fundamentele denkbeelden is aangetoond, wat niet het geval is. . . .

De gedragscode die de natuurwetenschapper – die het vraagstuk van evolutie wenst te begrijpen – moet aannemen is dat hij zich houdt aan de feiten en alle vooropgezette ideeën en dogma’s opzijschuift. De feiten komen op de eerste plaats en daarna volgt de theorie. . . . In feite zijn de beste onderzoeken over evolutie uitgevoerd door biologen die niet worden misleid door leringen en die feiten nuchter bekijken zonder er rekening mee te houden of ze al of niet overeenstemmen met hun theorieën. Het is nu onze plicht om de mythe van evolutie, die wordt beschouwd als een eenvoudig, begrepen en verklaard verschijnsel dat zich snel voor ons ontvouwt, teniet te doen. Biologen moeten worden gestimuleerd na te denken over de tekortkomingen van de interpretaties en extrapolaties die theoretici aanvoeren of vaststellen als bewezen waarheden. Het bedrog is soms onbewust, maar niet altijd, aangezien sommige mensen door hun fanatisme bewust de werkelijkheid over het hoofd zien en weigeren de onvolkomenheden en de onjuistheid van hun overtuigingen te erkennen.    – blz. 202, 6, 8

Deze krachtige kritiek gaf in grote trekken een aanzwellende golf van ontevredenheid van anderen weer in een verscheidenheid aan vakgebieden, waaronder paleontologie, biochemie, wiskunde en natuurkunde. Het ontbreken van fossielen die geleidelijke stapsgewijze overgangsvormen laten zien bracht Steven Gould ertoe het modeldarwinisme te verwerpen als in feite dood, en met Niles Eldredge in 1972 de theorie van onderbroken evenwicht te presenteren die vooropstelt dat een nieuwe soort wordt gevormd vanuit een snelle verandering in een afgelegen beschutte omgeving, gevolgd door lange perioden van stilstand. In 1985 publiceerde de bioloog Michael J. Denton Evolution: A Theory in Crisis, dat de belangrijkste wetenschappelijke kritiek op de darwinistische leer bespreekt, en dat volkomen duidelijk maakt dat ingewikkelde structuren die op elkaar inwerken niet uitsluitend door mutatie en selectie kunnen ontstaan. Een jaar later publiceerde hoogleraar scheikunde, Robert Shapiro, Origins, een vernietigende kritiek op de ‘soep-tot-celtheorie’ en andere theorieën in de biogenese, die de enorme kloof laten zien tussen de scheikunde van een voorloper [van het leven] en het micro-universum van zelfs de eenvoudigste zichzelf voortplantende cel. In het begin van de jaren 90 onderwierp hoogleraar in de rechten, Phillip E. Johnson, evenals advocaat Norman Macbeth vóór hem (Darwin Retried, 1971), de darwinistische theorie aan criteria voor bewijsvoering en logica in zijn boek Darwin on Trial, waardoor de wetenschappelijke kritiek slechts werd versterkt.

Na ordening van de argumenten en tegenargumenten is misschien wel het hardnekkigste probleem voor de darwinistische leer, en de theorie die de meeste weerstand biedt tegen verklaringen die zich zuiver op de fysieke stof baseren, het voorkomen van doelgerichtheid in de natuur. Grassé was tot dezelfde conclusie gekomen:

Evolutie, een geleid verschijnsel, wordt niet gaande gehouden door enkel willekeurige erfelijke variaties, gerangschikt door een selectie die functioneert ten bate van een populatie. . . .

Elk systeem dat beweert dat het een verklaring heeft voor de evolutie moet zich beroepen op een mechanisme dat niet berust op mutaties en toeval [willekeur]. . . . De gezamenlijke inspanningen van de paleontologie en de moleculaire biologie, de laatste ontdaan van haar dogma’s, zouden moeten leiden tot de ontdekking van het exacte mechanisme van de evolutie, mogelijk zonder aan ons de oorzaken te onthullen van de gerichtheid van de afstamming, van de doeloorzaak van de structuren, van levende functies en van cyclussen. Misschien kan de biologie op dit gebied niet verder komen: het overige is metafysica.    – blz. 245-6

Op macroniveau bevestigde de natuurkundige Paul Davies een soortgelijk idee in Cosmic Blueprint (1988):

Alleen al het feit dat het heelal creatief is en dat de wetten het mogelijk hebben gemaakt dat complexe structuren verschijnen en zich ontwikkelen tot het niveau van bewustzijn – met andere woorden, dat het heelal zijn eigen zelfbewustzijn tot stand heeft gebracht – is voor mij een krachtig bewijs dat er achter dit alles ‘iets gaande is’. De indruk van een plan is overweldigend.    – blz. 203

Twee jaar na publicatie van Dentons boek las biochemicus Michael Behe het en dacht na lezing dat hij, zoals zoveel andere deskundigen, door de darwinistische theorie was misleid – en ‘misleiding’, zei Steven Gould, ‘is vaak voor altijd’. Ook Behe had de uitgangspunten, de vooronderstellingen, en de voorspellende kracht van de theorie niet in twijfel getrokken of onderzocht. Vervolgens ging hij nadenken over evolutieproblemen op zijn eigen vakgebied en begon te beseffen dat biologische structuren zoals de bacteriële zweephaar – de roterende, staartachtige zweep die de cel voortstuwt – in feite moleculaire werktuigen waren die veel verschillende, maar geïntegreerde moleculen nodig hadden om te functioneren. Als een essentieel onderdeel van de structuur ontbreekt, stopt de werking – wat Behe deed concluderen dat veel van deze moleculaire systemen ‘onherleidbaar complex’ zijn en niet alleen een darwinistische interpretatie tarten, maar elke theorie die zich niet beroept op een intelligent ontwerp. In Darwin’s Black Box (1996) komt Behe niet met een mechanisme van een ontwerp en speculeert hij niet over de aard en motieven van de geïmpliceerde maar onbekende ontwerper. Hij illustreert slechts op treffende wijze met enkele gedetailleerde voorbeelden op biochemisch niveau de verbluffende complexiteit van de natuur – moleculaire synthese, de constructie en functie van trilharen, bloedstolselcascades, de chemie van het gezichtsvermogen, eiwittransport van de cellen – en vraagt of het nog redelijk is te concluderen dat deze zich toevallig ontwikkelden volgens de principes van ongeleide geleidelijke veranderingen2. ‘De wetenschappelijke obstakels die [hier] zijn besproken dienen als onbuigzame voorbeelden van de bergen en kloven die een darwinistische verklaring in de weg staan’ (blz. 161).

En zij roepen de intimiderende vraag op: Hoe kunnen deze enorme ingewikkelde metabolische paden en biochemische stelsels zich hebben ontwikkeld? Zelfs als natuurlijke selectie op een of andere manier op moleculair niveau kan werken – ook betwist door Behe, evenals door theoretici en anderen die in een ongeorganiseerd genetisch verloop geloven – zijn de zich op willekeur baserende theorieën dan voldoende krachtig om het verschijnen en de verscheidenheid van zichzelf onderhoudend leven te verklaren? Is het niet net zo redelijk om toe te passen wat de wiskundige William A. Dembski de ‘ontwerp-conclusie’ noemt – dat de structuren in de natuur een te specificeren niveau van complexiteit vertonen op basis waarvan men logischerwijs het bestaan van een intelligent ontwerp moet concluderen?

Alles bij elkaar genomen zijn dit krachtige argumenten; en als men deze in aanmerking neemt, begint de darwinistische theorie gelijkenis te vertonen met de newtoniaanse natuurkunde die verschijnselen kan verklaren en op één niveau kan voorspellen, maar tekortschiet wanneer deze op andere wordt toegepast. En sommige evolutiebiologen, zoals Lynn Margulis, hebben al op bijna dezelfde manier over het darwinisme geschreven als historici doen over Ptolemaeus’ geocentrische universum: terwijl het misschien enkele evolutieverschijnselen lijkt te verklaren, vertoont het in de grond gebreken – ‘vanuit het gezichtspunt van Gaia moet het neodarwinisme, intellectueel gezien, worden verworpen als een minder belangrijke school uit de twintigste eeuw binnen de zich in alle richtingen verbreidende religieuze overtuiging van de Angelsaksische biologie’ (Slanted Truths, blz. 281). Niettemin is het tegenwoordig nog steeds het zeer sterk overheersende wetenschappelijke paradigma.

Een werkelijk alomvattende theorie over oorsprong en afkomst vereist een breder gezichtsveld dat niet alleen biochemie en biologie omvat, maar ook de oorsprong en de ontwikkeling van bewustzijn verklaart, de relatie die dit heeft met kracht en materie, en het verschijnen van denkende zelfbewuste organismen zoals u en ik. In zowel de natuurkunde als de kosmologie zijn de traditionele grenzen die wetenschap en religie (of fysica en metafysica) van elkaar scheiden aan het vervagen, omdat waarnemingsgegevens en wiskunde radicaal nieuwe theorieën nodig maken. In iets meer dan honderd jaar hebben de natuurwetenschappen zich moeten ontwikkelen van newtoniaanse grondbeginselen, die zaken zoals de beweging van planeten en honkballen beschrijven en voorspellen, tot de relativistische kwantumdynamica die deeltjes en quarks verklaart; en van daaruit tot theorieën waarin wordt uitgegaan van een meer fundamentele substantie bestaande uit quarks, snaren genaamd, die worden beschreven als ‘abstracte energievelden’ en die de eigenschap hebben dat ze tenminste zes ‘gecompactificeerde’ dimensies beslaan, verborgen binnen onze bekende vier dimensies van ruimte en tijd. En nu is er de M-theorie (staat voor Matrix, Moeder, of Mistig – afhankelijk van uw gezichtspunt) die alle krachten hoopt te verenigen, waaronder zwaartekracht en duistere energie (soms ‘kwintessens’ genoemd).

Op kosmisch niveau leidde de ontdekking in 1929 van de roodverschuiving door de sterrenkundige Edwin Hubble tot de ontwikkeling van de oerknaltheorie. Aangespoord door nadere waarnemingsgegevens en de vereisten van de wiskunde en de kwantumfysica, werd in de jaren ’80 door Alan Guth van MIT als modificatie de theorie van het uitdijende heelal gepresenteerd; en kosmologen denken nu serieus na over een aantal theorieën over ‘meerdere heelallen’ om de oorsprong en ontwikkeling van ons eigen kosmische thuis te verklaren. Zoals Guth in een interview in de New York Times beweert ‘wordt door het uitdijen het idee van meerdere heelallen praktisch aan ons opgedrongen’ (29 oktober 2002). Eén interessante theorie van cyclische heelallen werd in 2001 gepresenteerd door astrofysici Paul J. Steinhardt (Princeton) en Neil Turok (Cambridge). Gebaseerd op de M-theorie vooronderstelt deze dat

ruimte en tijd eeuwig bestaan. De oerknal is niet het begin van de tijd. Het is veeleer een brug naar een eerder bestaand inkrimpingstijdperk [tot stand gebracht binnen een verborgen vijfde dimensie van de ruimte]. Het heelal ondergaat een eindeloze reeks cycli waarin het inkrimpt in een eindkrak en weer verschijnt in een uitdijende oerknal, met biljoenen jaren van evolutie daartussenin. De temperatuur en dichtheid van het heelal worden op geen enkel moment in de cyclus oneindig; zij overschrijden zelfs nooit een eindige grens (ongeveer een biljoen biljoen graden). . . . De zaden voor het vormen van een melkweg werden geschapen door instabiliteit die ontstond toen het heelal instortte tot een eindkrak, voorafgaand aan onze oerknal.
      – ‘The Endless Universe’, feynman.princeton.edu/~steinh

Ook al pretenderen de tegenwoordige ‘meerdere-heelallen’-scenario’s veel theoretische problemen van de oerknal op te lossen, in het bijzonder het mysterie van de oorsprong en oorzaak, toch zijn wetenschappers nog steeds verdeeld als het gaat om een ontwerp: Kan een uitsluitend natuurkundige kosmologische uitleg alles verklaren? Of moet er een beroep worden gedaan op metafysische factoren – die variëren van een leidend mens-beginsel dat op een of andere manier het heelal richt op het voortbrengen van leven en denkende zelfbewuste wezens, tot een gedetailleerde theorie over een intelligent ontwerp? En dus worden het onderzoek en de dialoog voortgezet.

Als het heelal is ontworpen, kunnen we ons afvragen wie of wat de onbekende ontwerper is. Terwijl vooraanstaande ontwerptheoretici zich over het algemeen beperken tot bewijzen voor een ontwerp en een ontwerper, niet het bestaan van God, stellen zij het christelijk theïsme niettemin voor als een ‘conclusie die als beste verklaring dient’ – waarbij theïsme het bestaan poneert van God als het Opperwezen en de schepper van alle dingen, die de werkelijkheid te boven gaat maar toch immanent in de wereld verblijft3. Maar is dit de beste verklaring als deze gepaard gaat met lastige vraagstukken betreffende onvolmaaktheid, ongelijkheid en onrechtvaardigheid? Evenals bij Paley’s theologische argument, werpen de duidelijke tekortkomingen en fouten in de natuur de volgende vraag op: Is het heelal met wijsheid ontworpen? Of werd het gedaan door een comité, of door vele ontwerpers waaronder architecten en bouwers, als een soort werk-in-uitvoering?

Een vele-ontwerpers-theorie is niet zo vergezocht als het misschien klinkt; deze is niet alleen serieus gepresenteerd door enkele voorstanders van een intelligent ontwerp om onvolmaaktheid te verklaren, maar vormt in feite een fundamenteel (hoewel soms verborgen) denkbeeld in zowel oosterse als westerse spirituele tradities, waaronder de joods-christelijke. Het woord ‘God’ in de eerste regel van Genesis, bijvoorbeeld, is een vertaling van het als een enkelvoud geïnterpreteerde zelfstandig naamwoord meervoud elohim, dat in overeenstemming met zijn polytheïstische oorsprong, en ook met de universele traditie, een collectiviteit van scheppende krachten vertegenwoordigt – ondanks de interpretatie als een majesteitelijk meervoud. En God/elohim zei op de zesde ‘dag’ of periode van scheppende activiteit: ‘Laat Ons de mens scheppen naar ons beeld, naar onze gelijkenis’ (zie verder op blz. ???nog invullen). In hindoegeschriften is het verhaal duidelijk: Brahma, het zichtbare deel van Brahman, ‘die weer bestaat binnen Parabrahman (‘Dat wat voorbij Brahman is’), schept en ontwikkelt het heelal uit zijn eigen bewustzijn-energie-substantie met de hulp van zijn tien uit het denkvermogen geboren zonen, tot wie hij sprak: ‘Van nu af aan moeten jullie alle wezens voortbrengen, en ook de goden, duivels en mensen’ (Matsya Purana, 3:1-47).

De constateringen uit de geschiedenis en het gezonde verstand vertellen ons dat de eerste hoofdstukken van Genesis, en de scheppingsverhalen van bijna elke spirituele traditie, allegorisch zijn bedoeld. Als we niet over de sleutels beschikken om ze te interpreteren, komt dat misschien omdat ze zijn verborgen, vergeten, onderdrukt, of zijn geheimgehouden; of omdat we er niet naar hebben gezocht. Een mogelijke plek om die zoektocht te beginnen – en een oplossing te vinden voor het vraagstuk van ontwerp – is de volgende passage uit H.P. Blavatsky’s eerste boek, geschreven in 1877 toen de heersende gedachte in het westen was dat atomen ondeelbaar zijn, de melkweg het enige heelal is, het christendom de enige ware godsdienst is en God de enig mogelijke ontwerper is die alles uit niets heeft geschapen. Blavatsky verwijst naar de oorspronkelijke traditie, de theosophia of goddelijke wijsheid die ten grondslag ligt aan alle religies, en schrijft:

De esoterische leer zegt, evenals het boeddhisme en het brahmanisme en zelfs de kabbala, dat de ene oneindige en onbekende essentie sinds alle eeuwigheid bestaat en in regelmatige en harmonische opeenvolging òf passief òf actief is. In de dichterlijke taal van Manu worden deze toestanden de ‘dagen’ en de ‘nachten’ van Brahma genoemd [die ieder 4,32 miljard jaar omvatten]. Deze is òf ‘wakker’ òf ‘in slaap’. . . . De boeddhisten beweren dat er geen schepper is, maar een oneindig aantal scheppende machten, die samen de ene eeuwige substantie vormen, waarvan de essentie ondoorgrondelijk is – en daarom voor een echte filosoof geen onderwerp van speculatie. . . . Bij het aanbreken van een periode van activiteit, zegt de Geheime Leer, heeft er volgens de eeuwige en onveranderlijke wet een uitbreiding plaats van deze goddelijke essentie, van binnen naar buiten, en het heelal van de verschijnselen of het zichtbare heelal is het uiteindelijke resultaat van de lange keten van kosmische krachten die zo achtereenvolgens in beweging worden gebracht. Op soortgelijke manier heeft, als de passieve toestand weer intreedt, een samentrekking plaats van de goddelijke essentie en wordt het voorafgaande scheppingswerk geleidelijk en stap voor stap tenietgedaan. Het zichtbare heelal wordt ontbonden, zijn bouwstoffen worden verspreid, en eenzaam en alleen hangt de ‘duisternis’ weer over de ‘afgrond’. Om een beeldspraak te gebruiken die de bedoeling nog duidelijker overbrengt: een uitademing van de ‘onbekende essentie’ brengt de wereld voort, en een inademing doet deze verdwijnen. Dit proces heeft al een eeuwigheid plaatsgevonden, en ons tegenwoordige heelal is er maar één uit een oneindige reeks, die geen begin had en geen einde zal hebben.    – Isis Ontsluierd, 2:264-5 (blz. nrs. Engelse uitg.)

Het elkaar naderen van de moderne kosmologie en deze oude denkbeelden, samen met de logische conclusie van een scheppende evolutie, leveren een treffend bewijs dat er door de geschiedenis heen mensen zijn geweest die het basisprogramma van het leven begrijpen, omdat zij de werelden van fysica en metafysica met een buitengewoon inzicht hebben overbrugd. Evenals de conclusie dat er een ontwerp moet bestaan, kan hun bestaan misschien intuïtief worden aangevoeld en geconcludeerd, want hun filosofie is opgetekend en stemt goed overeen met de geschiedenis en de natuur – een onderwerp dat hierna zal worden besproken, samen met het onderwerp bewustzijn dat vaak wordt genegeerd en buitengesloten.

 

Noten

  1. Vgl. ‘Difficulties on Theory’ en de daaropvolgende hoofdstukken in zijn Origin of Species.
  2. Behe’s hoofdstuk over moleculaire synthese – die niet een onontwarbaar ingewikkeld proces is – bespreekt het probleem op het meest elementaire niveau van de biochemie. Het relatief ‘eenvoudige’ AMP-molecule is een ongebonden vorm van adenine, een van de vier nucleotide-bouwstenen of schakels in RNA- en DNA-ketens. AMP is samengesteld uit drieëndertig atomen van vijf verschillende soorten: waterstof, koolstof, zuurstof, stikstof en fosfor. Omdat de meeste atomen niet vrijelijk in het rond liggen als deeltjes die erop wachten om te worden verzameld, moeten deze samenstellende delen eerst worden onttrokken aan andere moleculen, en dan op zo’n manier opnieuw worden samengevoegd dat het proces niet door andere reacties wordt doorkruist. Er zijn dertien achtereenvolgende stappen nodig om de synthese van AMP tot stand te brengen, en deze worden uitgevoerd door twaalf verschillende enzymen – die elk afzonderlijk eveneens moeten worden samengesteld om de veranderingen te bevorderen. Om dit in de juiste verhoudingen te zien: een RNA-macromolecule van een cel heeft een lengte van tussen de 70 en 50.000 nucleotiden, terwijl die van een DNA-macromolecule ligt tussen enkele duizenden en ongeveer een miljard nucleotiden.
  3. Science and Evidence for Design in the Universe, Ignatius Press, 2000, blz. 15, 226-32.

 


 

 

Evolutie en schepping – 2
De ‘buitengesloten middenweg’
W.T.S. Thackara

 
 

Die vermogens die ons in staat stellen om tijd en ruimte te ontstijgen, en de verbazingwekkende denkbeelden van de wiskunde en de filosofie te begrijpen, of die ons een intens verlangen geven naar abstracte waarheid, . . . zijn kennelijk essentieel voor de volmaakte ontwikkeling van de mens als als een geestelijk wezen, maar deze kunnen volstrekt niet zijn voortgebracht door de werking van een wet [natuurlijke selectie] die alleen kijkt, en alleen kan kijken, naar het rechtstreekse materiële welzijn van een individu of soort.

De conclusie die ik uit dit soort verschijnselen zou trekken, is dat een hogere intelligentie de ontwikkeling van de mens in een bepaalde richting heeft geleid, en met een bijzonder doel, . . . we moeten daarom de mogelijkheid erkennen dat, als wij niet de hoogste intelligenties in het heelal zijn, dat een hogere intelligentie het proces kan hebben geleid waardoor de mensheid zich heeft ontwikkeld, door middel van meer subtiele werktuigen dan waarmee wij bekend zijn.
         – Alfred Russel Wallace, ‘The Limits of Natural Selection’1

In april 2001 zond de National Public Radio van de VS een programma xuit dat werd aangekondigd als ‘Evolutie versus intelligent ontwerp’. Tijdens dit programma belde een luisteraar en vestigde de aandacht op het of/of-karakter van de controverse. Hij merkte op dat er ‘hier een buitengesloten middenweg scheen te zijn . . . buitengesloten door een grote meerderheid van de mensen die hierover van gedachten wisselden’. De formulering is passend, niet alleen omdat het darwinisme en intelligent ontwerp zijn aangemerkt als onverenigbaar, maar ook omdat andere gezichtspunten zoals dat van Wallace over het hoofd zijn gezien of zijn uitgesloten. Vooral in de openbare discussie worden de fundamentele begrippen evolutie en schepping vaak opnieuw gedefinieerd, niet goed gecategoriseerd, en in stereotypen ingedeeld op een manier waardoor het – om de woorden van Allan Bloom te herhalen – ‘ondenkbaar lijkt dat er nog andere opvattingen mogelijk zijn’.

In november 2002 kondigde de Amerikaanse Vereniging voor de Bevordering van de Wetenschap bijvoorbeeld een resolutie aan waarin men bij beleidsmakers erop aandrong ‘het doceren van ‘de theorie van een intelligent ontwerp’ binnen leslokalen voor wetenschappelijk onderwijs tegen te gaan, het veeleer gescheiden te houden, net zoals tegenwoordig bij de scheppingsleer en ander godsdienstig onderwijs gebeurt’. Twee dagen later zei de astronoom-fysicus Lawrence Krauss, waarbij hij uitdrukking gaf aan een algemeen gehuldigd standpunt, dat ‘intelligent ontwerp volgens alle objectieve maatstaven niets te maken heeft met wetenschap’.2 Het probleem met dit buitensluitende gezichtspunt is dat het een vraagstuk opzijschuift dat alles met wetenschap te maken heeft. Want de vraag ‘Is het heelal ontworpen?’ gaat over kennis – scientia – niet over filosofie of religie, hoe nauw deze daarmee ook samenhangt. Als een archeoloog intelligent handelen opmaakt uit potscherven en kringvormige sporen van vuur en uit deze gegevens conclusies trekt over de ontwerpers ervan, is hij of zij bezig met een wetenschappelijke activiteit. Tenzij men wetenschap opnieuw definieert is het niet minder wetenschappelijk om te proberen te weten te komen of intelligentie het heelal al of niet doet voortbestaan. Als we alle vooronderstellingen en voorkeuren buiten beschouwing laten is dit een van de belangrijkste wetenschappelijke vragen die we kunnen stellen, omdat de manier waarop we deze beantwoorden, evenals het vraagstuk van het bestaan, ons allemaal diepgaand beïnvloedt.

In hoofdstuk 1 zagen we dat zowel de darwinistische theorie als het christelijke theïsme ons voor lastige problemen stelt die het mysterie over onze oorsprong en afkomst slechts vergroten; en bovendien dat evolutie en darwinisme niet dezelfde betekenis hebben, noch dat intelligent ontwerp synoniem is aan de scheppingsleer of onverenigbaar is met evolutie. Toch zijn deze misleidende stereotypen zo vaak herhaald dat de openbare discussie in de meeste gevallen niet in staat is geweest buiten dit kader te treden om evolutie en schepping vanuit andere wetenschappelijke en religieuze perspectieven te beschouwen.

Het meest veelbelovende onderzoeksterrein dat leidt tot een ruimer inzicht is misschien wel dat van het bewustzijn. Gedeeltelijk omdat intelligent ontwerp uitgaat van een hoog bewustzijnsniveau is er hernieuwde belangstelling voor dit onderwerp; bewustzijn vormt echter een fundamentele uitdaging voor het wetenschappelijk onderzoek. Door zijn inherent subjectieve aard laat bewustzijn zich niet gemakkelijk onderwerpen aan de gebruikelijke wetenschappelijke methoden: wanneer de geest zichzelf onderzoekt is het duidelijk dat het moeilijk is om theorieën te bedenken die in herhaalbare experimenten kunnen worden getoetst waarbij men objectieve waarnemingen en metingen kan verrichten. Het onderzoek daarvan is daarom tot nu toe overgelaten aan de filosofie, de godsdienst, en de zogenaamde ‘niet-exacte wetenschap’ van de psychologie. Gedurende de laatste twee decennia heeft een gezamenlijke inspanning om een wetenschap van het bewustzijn te ontwikkelen echter heel wat wetenschappelijk onderzoek en discussie op gang gebracht, waarover uitgebreid wordt bericht op academische conferenties en symposia, en in artikelen en boeken.3

Ondanks deze tendens duren de spanning en onenigheid voort tussen het ervaringsonderzoek van de ‘eerste persoon’, zoals vermeld in beschouwende en mystieke tradities, en empirisch onderzoek van de ‘derde persoon’, dat in feite is gebaseerd op een object en dat steunt op verklaringen die verband houden met natuurkunde, gedrag en milieu. En het oude ‘hardnekkige’ probleem van de relatie tussen oorzaak en gevolg blijft bestaan: het bewustzijn – menselijk, dierlijk, of anders – is òf een tijdelijk bijproduct van elektrochemie, een illusie gecreëerd door daarmee samenhangende ‘neurale factoren’ die bij de dood uiteenvallen, òf iets elementairs, architecturaals, dat onafhankelijk van organische fysieke vormen kan bestaan en dat daarom is ontstaan uit en zich weer voortbrengt op basis van eerdere bewustzijnstoestanden. Of misschien beide, in een soort wederzijdse veroorzaking.

Evenals bij het debat over intelligent ontwerp bevat het onderzoek naar bewustzijn veel strijdige theorieën, veronderstellingen, en onbewezen hypothesen die, zoals sommige onderzoekers waarschuwend opmerken, ons kunnen verblinden met de ‘illusie van kennis’ – een schijnbaar eindeloos labyrint van dubbelzinnige gegevens en uitsluitend intellectueel betoog waarbij waardevol wetenschappelijk onderzoek vaak wordt opgeofferd aan de Minotaurus van het reductionisme. Het herleiden van subjectieve verschijnselen tot chemische en natuurkundige eigenschappen is vrij gebruikelijk, maar er is ook de kwestie van het selectief interpreteren van gegevens en de poging deze te plaatsen binnen de denkbeelden van het heersende paradigma – hetzij wetenschappelijk of religieus – waarbij de ruimere betekenis ervan vaak over het hoofd wordt gezien.

Anders gezegd, het vraagstuk betreffende kennis verschilt niet wezenlijk van dat waarmee Socrates meer dan 2400 jaar geleden werd geconfronteerd toen Meno het sofistische dilemma naar voren bracht: Hoe is het bij het zoeken naar kennis mogelijk het object van uw zoektocht te vinden als u niet weet wat het is? Zelfs als u vindt wat u wilt, hoe zult u dan ooit weten dat dit datgene is wat u niet wist? (Meno 80). Dit kan ons pure sofisterij toeschijnen (zoals Plato wilde aantonen), maar het laat duidelijk een beperking van wetenschappelijk onderzoek zien, vooral van het menselijke bewustzijn, dat vaak alleen ziet wat het wil zien of wat het verwacht, zoals Thomas S. Kuhn, onderzoeker van de geschiedenis van de wetenschap, treffend heeft aangetoond4. We kunnen eindeloos blijven ronddwalen in een doolhof van ongrijpbare verschijnselen geselecteerd door onze vooropgezette meningen, of, zoals Socrates misschien zou voorstellen, in plaats daarvan zoeken naar een draad van Ariadne, de intuïtie – de genialiteit van de wetenschappelijke ontdekking – om een uitweg te laten zien.

Sinds 1871, toen de gerenommeerde chemicus Sir William Crookes (in navolging van anderen) voorstelde om wetenschappelijk onderzoek te doen naar paranormale krachten, waren een aantal gerespecteerde wetenschappers van mening dat parapsychologie daarvoor een mogelijkheid biedt. Als paranormale verschijnselen en het overleven van het individu na de dood proefondervindelijk zouden kunnen worden bewezen, dan zouden deze ongetwijfeld het bewijs zijn dat bewustzijn onafhankelijk van het lichaam kan bestaan. Maar als wij de annalen van de geschiedenis raadplegen heeft ook deze weg, hoewel hij veel stof tot nadenken biedt, naar andere labyrinten en andere Minotaurussen geleid, zoals blinde goedgelovigheid, psychische ijdelheid, misleiding en bedrog aan de ene kant, en extreme scepsis en spot aan de andere kant, waardoor aan het serieus onderzoeken van deze verschijnselen minder aandacht werd besteed.

Om deze valkuilen te vermijden zouden we ons blikveld kunnen verruimen en ons kunnen wenden tot een ander ‘buitengesloten’ pad van onderzoek dat de aard van het bewustzijn en de relatie die het heeft met de stof rechttoe-rechtaan benadert, en dat fysica en metafysica combineert op een manier die samenhangende oplossingen biedt voor de vraagstukken van evolutie en schepping. In de theosofische literatuur zoals De Geheime Leer en De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, en ook in oudere werken, komen verschillende gevallen voor van wetenschappelijk inzicht waarin naar bewustzijnsvormen wordt verwezen die door de hedendaagse wetenschap nog niet worden begrepen of erkend.5 Spiritueel inzicht, intuïtie, verlichting, en gnosis of kennis van de mysteriën worden regelmatig vermeld in de oude wijsheidstradities: van Gilgamesj die ‘geheime dingen zag en verborgen plaatsen opende’ tot de filosoof van Socrates die ‘het mooie, het rechtvaardige en het goede in de waarheid ervan’ aanschouwde, en Jezus die in het Evangelie volgens Thomas zei: ‘Erken wat er binnen uw gezichtsveld is, en dat wat voor u verborgen is zal u duidelijk worden; want er is niets verborgen wat niet zichtbaar zal worden’.

Theosofie betekent letterlijk ‘goddelijke wijsheid’ en de beschrijving die deze geeft van de kosmische en menselijke evolutie begint veelal met een aantal inleidingen. Hoewel Plato specifiek naar wetgeving verwijst, maar in diepere zin naar de goddelijke wet die het heelal tevoorschijn roept en bestuurt, noemt hij ze prologen, en voegt eraan toe dat ‘het heel veel uitmaakt of wij ons de inleidingen duidelijk herinneren of niet’ (Wetten 723); want deze zijn bedoeld om een noodzakelijke conceptuele basis te verschaffen om ons te helpen ons te oriënteren en dat wat volgt duidelijker te maken. De Geheime Leer van H.P. Blavatsky begint met drie van zulke inleidingen – het voorwoord, de inleiding, en de proloog. Toen ze werd gevraagd hoe ze dit boek zouden moeten lezen, antwoordde ze, ‘Het eerste wat we moeten doen, zelfs al neemt dat jaren in beslag, is enig begrip te krijgen van de ‘drie grondstellingen’ die in de Proloog worden gegeven’, gevolgd door het resumé, waarmee de genummerde punten worden bedoeld in de paragraaf met de Samenvatting (1:296 ev).6

Een springplank naar deze drie stellingen vanuit het standpunt van evolutie is het denkbeeld van een gemeenschappelijke afstamming: dat alle soorten op onze planeet afstammen van een gemeenschappelijke bron en daarom zodanig met elkaar zijn verbonden en vervlochten dat we onze aarde als een levend organisme kunnen beschouwen. Terwijl theosofie in haar beschrijving van die gemeenschappelijke voorouder fundamenteel verschilt van het darwinisme, omdat ze de factoren bewustzijn en materie ‘niet als onafhankelijke realiteiten beschouwt maar als twee facetten of aspecten van het absolute’, stemmen theosofie en darwinisme niettemin overeen in het denkbeeld dat alle leven familie van elkaar is. Maar theosofie breidt dat denkbeeld uit tot aan de grenzen van ons bevattingsvermogen, en bevestigt daarmee dat de essentiële individualiteit van elk wezen een eeuwige vereniging van bewustzijn en substantie is, geworteld in absolute Eenheid, een monadische entiteit die voortduurt van heelal naar heelal in een onafgebroken zich ontwikkelende zelfwording – van binnen naar buiten. Omdat die monadische entiteiten zich voortplanten door de cyclisch verlopende eeuwigheden, vallen ze duidelijk binnen de definitie van leven; en elk van de gemanifesteerde uitdrukkingen ervan – hetzij een deeltje, plant, dier, mens, of iets dat nog hoger is ontwikkeld – is daarom bewust op zijn eigen waarnemingsgebied, en is een essentieel levende component van ons levende heelal.

De Drie Grondstellingen doen een beroep op ‘die vermogens die ons in staat stellen om uit te stijgen boven tijd en ruimte, . . . en die ons een intens verlangen geven naar abstracte waarheid’. Ze beginnen bij de bron van het bestaan: een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk beginsel, de ‘oorzaakloze oorzaak en wortelloze wortel van alles dat was, is, of ooit zal zijn’. HET of DAT (de naamloze werkelijkheid) is geen wezen of antropomorfe god van een bepaald geslacht, maar wordt beschreven als een abstract ‘Zijn’ buiten het gebied en het bereik van het denken, ondenkbaar en onuitsprekelijk, gesymboliseerd door absolute abstracte ruimte en absolute abstracte beweging, waarvan de laatstgenoemde soms de ‘grote adem’ wordt genoemd:

Als wij deze metafysische triade [de ene werkelijkheid, bewustzijn en stof] beschouwen als de wortel waaruit alle manifestatie voortkomt, speelt de ‘grote adem’ de rol van vóórkosmische verbeeldingskracht. Deze is de fons et origo [bron en oorsprong] van de kracht en van ieder individueel bewustzijn en verschaft de leidende intelligentie in het omvangrijke kosmische evolutieplan. . . .

Evenals vóórkosmische verbeeldingskracht de wortel is van ieder individueel bewustzijn, is vóórkosmische substantie de grondslag van de materie in de verschillende graden van haar differentiatie.

Het zal dus duidelijk zijn dat de tegenstelling tussen deze twee aspecten van het absolute essentieel is voor het bestaan van het ‘gemanifesteerde heelal’.    – 1:45

Hier legt De Geheime Leer de nadruk erop dat bewustzijn voortkomt uit eerdere bewustzijnstoestanden, evenals stof voortkomt uit eerdere toestanden van die substantie, en dat beide eeuwig en onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Vervolgens wordt er in detail uitgelegd dat bewustzijn en substantie worden verbonden door de dynamische energie die de denkbeelden van het goddelijk denken, met behulp van de architecten van onze zichtbare werelden, als de zogenaamde ‘natuurwetten’ afdrukt op de kosmische substantie (1:45,46).

In de tweede grondstelling wordt het begrip dualiteit of tweepoligheid uitgewerkt en stelt de GL ‘de eeuwigheid van het heelal in toto als een grenzeloos gebied, periodiek ‘het toneel van talloze heelallen die zich onophoudelijk manifesteren en weer verdwijnen’, waarbij elk heelal de voorganger van de opvolger is. ‘Deze tweede stelling van de Geheime Leer betreft de algemene geldigheid van die wet van periodiciteit . . . die de natuurwetenschap op alle gebieden van de natuur heeft waargenomen en beschreven’ – afwisselingen zoals tussen dag en nacht, leven en dood, slapen en waken (1:46-47,73).

Bij het speculeren over de nacht van het heelal, dat wil zeggen, de passieve toestand van de absolute essentie toen ‘duisternis op de vloed lag’ (Gen 1:2), wordt beweerd dat er in de grenzeloze oneindigheid van abstracte ruimte niet iets zou bestaan dat door het eindige intellect kan worden bevat, behalve misschien wat de Kogi-filosofen van Noord-Columbia Aluna noemen, waarvan de twee eigenschappen herinnering en mogelijkheid (of potentieel vermogen) zijn. De theosofie meent dat er geen schepping ex nihilo (‘uit het niets’) is, zoals dit meestal wordt gedacht; maar in plaats daarvan een periodiek gemanifesteerde ‘wording’ binnen het altijd bestaande absolute beginsel waaruit het geheel van de kosmos tevoorschijn komt. Terwijl de theosofie ‘een Schepper niet ontkent, of liever een verenigd totaal van scheppers, . . . weigert ze, heel logisch, om ‘schepping’ en in het bijzonder ‘vorming’, iets eindigs, aan een oneindig beginsel toe te schrijven’ (1:37). De taak van ‘het scheppen’ behoort in plaats daarvan tot de menigten intelligente krachten, de architecten en bouwers:

De hele Kosmos wordt geleid, beheerst en bezield door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën van bewuste wezens, die elk een taak hebben te volbrengen . . . Ze variëren oneindig in hun respectievelijke graden van bewustzijn en intelligentie; en als men ze allen zuivere geesten noemt, zonder enig aards bijmengsel ‘waar de tijd aan pleegt te knagen’, geeft men zich slechts over aan dichterlijke verbeelding. Want ieder van die wezens is òf een mens geweest, òf bereidt zich voor er een te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere of komende cyclus (manvantara). Als ze geen beginnende mensen zijn, zijn ze vervolmaakte mensen . . .   – 1:301-2

Deze gedachte leidt vanzelf naar de derde stelling die uitgaat van ‘de fundamentele gelijkheid van alle zielen met de Universele Overziel, die zelf een aspect is van de Onbekende Wortel; en de verplichte pelgrimstocht voor iedere ziel – een vonk van eerstgenoemde – door de cyclus van incarnatie (of ‘noodzakelijkheid’) in overeenstemming met de cyclische en karmische wet’, die eerst door instinct opklom van mineraal en plant tot dier en daarna door zelf teweeggebrachte en zelf bedachte krachtsinspanningen van mens tot de heiligste aartsengel. ‘De kernleer van de esoterische filosofie erkent geen voorrechten of bijzondere gaven van de mens, behalve die zijn eigen ego heeft verkregen door persoonlijke inspanning en verdienste gedurende een lange reeks van zielsverhuizingen en reïncarnaties’ (1:47).

Als men deze vooruitgang in de evolutie ziet als een concurrentiestrijd, die het gunstigst uitvalt voor degenen die in materieel, intellectueel of spiritueel opzicht het ‘sterkst’ zijn’, dan begrijpt men de betekenis en het doel ervan verkeerd. Integendeel, deze drie stellingen zijn een uitdrukking van ons evolutiemandaat dat de inherente bestaans- en afstammingsrechten bevestigt die ieder levend wezen toebehoren: dat alles in het heelal, omdat het van goddelijke oorsprong is, een deelnemer en tot op zekere hoogte een mede-schepper daarvan is; en verder, dat we in dit universele partnerschap nauw met elkaar zijn verbonden, hoe afgescheiden en ongelijksoortig we uiterlijk ook lijken te zijn. We zijn zelfbewuste mensen die in potentie over goddelijke krachten beschikken en ieder van ons heeft het vermogen zichzelf te leren kennen en zijn pad naar de toekomst te kiezen. Het is duidelijk dat dit zowel een vrije wil als de verantwoordelijkheid om te handelen voor het welzijn van de gehele kosmos betekent; en ook dat ieder van ons een onvolmaakt werkstuk-in-ontwikkeling is. We leren van onze fouten en onze successen – en van die van anderen:

hoeveel bewijzen [door het heelal] ook worden geleverd van een leidende intelligentie achter de sluier, toch vertoont het hiaten en gebreken en zelfs resultaten die vaak duidelijke mislukkingen zijn – daarom zijn noch de gezamenlijke menigte (demiurg) noch een van de uitvoerende krachten afzonderlijk, geschikte voorwerpen voor goddelijke verering of aanbidding. Ze hebben echter allen recht op de dankbare eerbied van de mensheid, en de mens zou er steeds naar moeten streven de goddelijke evolutie van ideeën te bevorderen, door naar zijn beste kunnen een medewerker van de natuur te worden bij haar cyclische taak. Alleen het altijd onkenbare en ondoorgrondelijke karana, de oorzaakloze oorzaak van alle oorzaken, zou zijn tempel en altaar moeten hebben op de heilige en nooit betreden grond van ons hart – onzichtbaar, ongrijpbaar, onuitgesproken behalve door ‘de zwakke stem’ van ons geestelijke bewustzijn. Zij die dit vereren, behoren dat te doen in de stilte en de geheiligde eenzaamheid van hun ziel, terwijl ze hun geest tot enige bemiddelaar maken tussen hen en de universele geest, hun goede daden tot de enige priesters en hun zondige bedoelingen tot de enige zichtbare en objectieve offers aan de Tegenwoordigheid.    – 1:307

Noch De Geheime Leer, De Mahatma Brieven, noch enig ander theosofisch geschrift pretendeert de gehele esoterische filosofie te presenteren, of zelfs maar een ‘beslissend oordeel te geven over het bestaan’. De auteurs ervan beweren alleen dat ze enkele fragmenten als hoofdlijnen aanreiken om ons op weg te helpen ‘naar de waarheid’. Reeds lang vóór Socrates werd leerlingen van de eeuwige wijsheid geleerd dat de bewijsvoering geheel wordt overgelaten aan ieder individu; niets dat is geschreven of gezegd moet worden aangenomen als het laatste woord, want echte kennis kan niet worden overgedragen dan door ervaring uit de eerste hand, uiteindelijk door rechtstreekse waarneming waarvoor men over een scherp bewustzijn van een hogere orde moet beschikken. Ook kan de zware klim van onwetendheid naar inzicht niet tot stand worden gebracht door wetenschap alleen, maar dit vereist een partnerschap met filosofie en religie – met andere woorden, de ethische, intellectuele en spirituele disciplines die aan de mysteriën voorafgaan.

Deze korte samenvatting van basisbegrippen doet deze nauwelijks recht en zal vanuit een theïstisch standpunt beslist ongewoon lijken. Toch levert onpartijdig onderzoek van de oorsprong en afkomst van de spirituele tradities van de mensheid ruimschoots bewijs dat deze denkbeelden noch ketters, noch relatief onbelangrijk zijn, maar dat deze fundamenteel en van groot belang zijn, en overal tot uitdrukking worden gebracht – een thema dat in hoofdstuk 3 zal worden besproken.

 

Noten

  1. In Contributions to the Theory of Natural Selection, Londen, 1870, blz. 358-9. Wallace is het meest bekend doordat hij onafhankelijk een theorie van natuurlijke selectie voorstelde die Charles Darwin aanspoorde om zijn Origin of Species (1859) te schrijven en uit te geven. Wallace en Darwin presenteerden hun ideeën gezamenlijk voor de Linnean Society op 1 juli 1858.
  2. National Public Radio, ‘Talk of the Nation/Science Friday’, 8 november 2002.
  3. Zie bijvoorbeeld de website van het Center for Consciousness Studies van de universiteit van Arizona, http://consciousness.arizona.edu; en ook B. Alan Wallace, ‘The Intersubjective Worlds of Science and Religion’, Templeton Research Lecture (video en transcript), www.srhe.ucsb.edu/lectures/info/wallace.html.
  4. The Structure of Scientific Revolutions, 2de ed. 1970, hfst. 6, in het bijzonder het onderzoek door Bruner en Postman dat het verblindende effect van verwachtingen aantoont, blz. 62-5.
  5. Zie ‘Schepping, evolutie en de geheime leer’, Sunrise, sep/okt 1988, blz. 179.
  6. Zie ‘De ‘Geheime Leer’ en de studie daarvan’, Een Introductie tot de Geheime Leer, blz. 10.

 


 

 

 

Evolutie en schepping – 3
Een theosofische synthese

W.T.S. Thackara

 
 

Het uiteindelijke resultaat van het onderzoeken van elke wetenschappelijke theorie of religieuze lering die beweert de oorsprong van het heelal en de mens te verklaren is dat we inzien dat het heelal veel meer verbergt dan het onthult, en dat dogmatische uitspraken vaak diepere inzichten belemmeren. Het is nog niet zo lang geleden dat ‘vergelijkende godsdienstwetenschap’ inhield dat men de superioriteit van zijn eigen religie aantoonde door de beste elementen daarvan te vergelijken met de slechtste van andere. Een veel zinvollere benadering is om het beste met het beste te vergelijken en te trachten elke traditie te zien als een facet van een diamant, waarbij elk facet helpt om het innerlijke vuur van het juweel te weerspiegelen, te vergroten en dit beter te laten uitkomen. Deze methode is vooral nuttig wanneer wordt geprobeerd de oorspronkelijke leringen van een traditie te onderscheiden die, ten gevolge van onvolmaaktheden van de menselijke natuur en de uithollende krachten van de tijd en de politiek, bijna altijd worden bedekt met een ondoordringbare korst van dogmatische interpretatie.

Als de religies in de wereld zijn verbonden door een gemeenschappelijke lijn van wijsheidsleringen, dan zou men verwachten sprankjes van dat innerlijke vuur in hen allemaal weerspiegeld te zien. Dit is de ervaring van velen die zo’n onderzoek hebben gedaan. Joseph Campbell, bijvoorbeeld, die zich baseerde op de archetypen van het collectieve onbewuste van Carl Jung en op zijn eigen uitgebreide onderzoek, concludeerde dat er maar ‘één wereldmythologie’ is, en dat elke cultuur deze weergeeft in haar eigen unieke verhalencycli. Evenzo hebben Steuch, Leibniz, Huxley en anderen over de ‘eeuwige filosofie’ geschreven die de grootste gemeenschappelijke factor zou weergeven die de spiritueel-filosofische tradities van de wereld verenigt. Deze draden van eenheid zijn duidelijk te onderscheiden, wijdverspreid, goed gedocumenteerd en tonen aan dat geen enkele religie een monopolie op de waarheid heeft, maar dat elke religie een uitdrukking van ons universele spirituele erfgoed is.

Veel tradities vertellen een verhaal dat begint en eindigt met een naamloos mysterie, waarbinnen alle schepping en evolutie plaatsvindt. ‘De tao die kan worden beschreven is niet de eeuwige weg. . . . Naamloos is de oorsprong van hemel en aarde’ (Tao Teh Ching). Om ons te helpen een beeld te vormen van Dat waarin ‘we leven, en bewegen, en ons bestaan hebben’, heeft de theologie het God of Opperwezen genoemd. Om ons te helpen verder te reiken dan de stereotype noemt de theosofie het een abstract Zijn: een alomtegenwoordig, eeuwig, onbegrensd, onveranderlijk beginsel dat, evenals Plato’s Denkbeeld van het Goede, ‘buiten het zijnde’ is, en voegt eraan toe dat het de ‘bron en oorsprong van de kracht en van ieder individueel bewustzijn is en dat het de leidende intelligentie verschaft in het omvangrijke kosmische evolutieplan’ (De Geheime Leer 1:45). Toch schept of ontwikkelt Het of Dat niets, want dat kan alleen van een eindig wezen worden gezegd. Integendeel, uit zijn abstracte wezenlijke bewustzijnssubstantie komen de menigten intelligente krachten voort, een bijna eindeloze hoeveelheid architecten en bouwers die als taak hebben het gemanifesteerde heelal te vormen en te ontwikkelen.

‘In het begin schiep God de hemelen en de aarde’ luidt de taal van de joods-christelijke theologie, en beweert daarmee dat God alles uit niets schiep. De joodse theosofie brengt het oorspronkelijke Hebreeuws opnieuw en een beetje anders onder woorden, gaat er dieper op in en geeft aanwijzingen wat er met niets of ‘niet-iets’ wordt bedoeld. Volgens de beste 20ste eeuwse onderzoeker van de joodse mystiek, wijlen Gershom Scholem,

betwistten de Zohar en zelfs de meeste oudere kabbalisten de betekenis van het eerste vers van de Torah: Bereshith bara Elohim, ‘In het begin schiep God’; wat betekent dit eigenlijk? Het antwoord is nogal verrassend. Ons wordt verteld dat het betekent: Bereshith – door middel van het ‘begin’, dat wil zeggen, van dat oorspronkelijke bestaan dat is omschreven als de wijsheid van God, – bara, schiep, dat wil zeggen, het verborgen Niets dat in de zin het grammaticale onderwerp is van het woord bara, emaneerde, of ontvouwde, – Elohim, dat wil zeggen dat de emanatie ervan Elohim is. Het is het lijdend voorwerp en niet het onderwerp van de zin. . . . Elohim is de naam die aan God is gegeven nadat de scheiding van onderwerp en voorwerp heeft plaatsgevonden, maar waarin deze kloof voortdurend overbrugd of gesloten is. Het mystieke Niets dat er is vóór de scheiding van dit oorspronkelijke begrip in de kenner en het gekende, wordt door de kabbalisten niet als een echt onderwerp beschouwd. De lagere regionen van Gods manifestatie vormen het voorwerp van regelmatige menselijke beschouwing, maar het hoogste gebied dat door meditatie ook maar kan worden bereikt . . . kan niet méér bieden dan een incidentele en intuïtieve flits die het menselijk hart verlicht . . .
         – Major Trends in Jewish Mysticism, blz. 221

Als we deze interpretatie in één grammaticaal goede zin plaatsen, kan Bereshith bara elohim als volgt worden vertaald: ‘In het begin openbaarde of ontvouwde het verborgen Niets, door middel van de oorspronkelijke Goddelijke Wijsheid, Elohim’, die vervolgens de hemelen en de aarde vormden. Ondanks het feit dat overal in de Hebreeuwse bijbel werkwoorden in het enkelvoud worden gebruikt, is elohim toch het meervoud van een zelfstandig naamwoord en kan daaraan de betekenis worden gegeven van een collectief geheel of een pantheon van scheppende machten, zoals duidelijk wordt gesuggereerd in Genesis 1:26 en 3:22 (‘En Yahweh-Elohim zeiden, Zie de mens is geworden als een van ons’), en impliciet in Job 38:4-7, waarin ons wordt verteld over de samenkomst van goden die bezig waren met scheppen.

Het idee van meervoudigheid is bewaard gebleven in de oudste teksten van de theosofie van de Mandeeën, afgeleid van dezelfde stroming die ten grondslag ligt aan de oude joodse esoterie. De Mandeeën (de ‘wetenden’ die beweren dat Johannes de Doper één van hun ‘gekroonde’ of ingewijde priesters was), die meer dan 1800 jaar geleden uit Jeruzalem naar Zuid-Irak en Iran emigreerden, verwijzen naar het allerhoogste goddelijke beginsel als Hiia, ‘Groot Leven’, de voortbrengende bron alsook de scheppende en ondersteunende kracht van alles in het heelal. Het Grote Leven wordt beschreven als nukraiia, letterlijk ‘andere’ in de betekenis van ‘ver van ons afstaand, ondoorgrondelijk, onuitsprekelijk’. Omdat het zo’n mysterie is spreken de Mandeeën erover in het onpersoonlijke meervoud – het Grote Leven is geen ‘Hij’ of een ‘Het’, maar een abstract ‘Zij’. Uit het Grote Leven komt de bezielende dualistische kracht voort van Schittering–die-is-doorgebroken en Denker, die op hun beurt hun Zoon Yawar (‘Schitteraar’ of ‘Bewustmaker’) uitstralen en in het leven roepen, en aan hem en zijn broeders het scheppende werk toevertrouwen om de kosmos opnieuw voort te brengen. Bedenk dat hun kracht reproductief is, wat duidt op het zaad van een vorig heelal. Volgens leringen die vroeger waren voorbehouden aan discipelen, is het Grote Leven in het cyclische kosmische drama achtereenvolgens actief en passief: na zich te hebben teruggetrokken in een periode van rust, manifesteert het (of ‘Zij’) zich weer in de twee grote levenskrachten en in een hernieuwde schepping van het heelal – wat elk jaar weer plaatsvindt op onze aardbol in graan, halm, blad en vrucht. Zo boven, zo beneden.1

In de Soemerisch-Babylonische tradities, waarvan bekend is dat Genesis daaraan is ontleend, is de schepping het werk van verschillende goden die de hemelen en de aarde vormgeven uit eerder bestaande substantie. Toen Alexander Heidel, deskundige op het gebied van Mesopotamië, de joodse en Babylonische scheppingsverhalen vergeleek, merkte hij op dat schepping van het heelal, waaronder materie, uit een leeg niets door de soevereine wil en macht van God – ‘niet kan worden geconcludeerd op basis van het Hebreeuwse woord barâ, ‘scheppen’, . . . er is in heel het Oude Testament geen overtuigend bewijs dat het werkwoord zelf ook het idee van een schepping uit het niets uitdrukt . . . [Het is slechts] een gevoelswaarde die in het woord barâ is gelegd’ (The Babylonian Genesis, blz. 89-90). Evenzo berust het gelijkstellen van Elohim en Yahweh-Jehova op een gevoelswaarde die de oorspronkelijke en veel filosofischer betekenis van de benaming als een groot aantal scheppende krachten heeft verdrongen en tenslotte heeft verborgen2.

Het belang van deze begrippen kan niet worden overschat, want het tegenovergestelde ervan – het idee van een enkelvoudige mannelijke jaloerse God die ex nihilo onschuldige zielen schept die niet eerder hebben bestaan, en zijn voorbeschikt tot ongelijkwaardigheid, onrechtvaardigheid, en onverdiend lijden – heeft slechts geleid tot het scheppen van ‘materialisme en atheïsme als protest tegen de beweerde goddelijke orde van de dingen’ (Geheime Leer 1:212). Als priesters en theologen openhartig hadden verklaard dat elohim een meervoudsvorm van een zelfstandig naamwoord is; als ze bij wijze van voorbeeld de bijbelse passages hadden genoemd waarin wordt verklaard dat wij mensen in ons meest innerlijke wezen ook elohim zijn omdat wij van hen afstammen, zoals Jezus deed die zijn volgelingen herinnerde aan de woorden ‘Staat er niet geschreven in uw wet: ‘Ik heb gezegd: Jullie zijn goden?’’3; als ze meer de nadruk hadden gelegd op het allegorische karakter van heilige geschriften, en op het feit dat de mysteriën en verborgen wijsheid van God als uiteindelijk kenbaar worden beschouwd4; en, als ze de verleiding hadden weerstaan om moeilijke metafysische begrippen te eenvoudig voor te stellen en waren teruggegaan naar de oude esoterische wortels en misschien de scheppende goden hadden vergeleken met een koor zoals in het Boek Job (38:7) wordt gedaan en in de Navajo-traditie waarin de ‘heiligen’ het heelal het bestaan inzingen, dan zou de controverse over schepping-of-evolutie misschien veel minder zijn gepolariseerd en tot verdeeldheid hebben geleid, en niet zo’n obstakel zijn geweest voor onderzoekers die nadenken. Samen met het sterke bewijs voor een intelligent ontwerp in de natuur zou hier tenminste een basis zijn voor een samenhangende spirituele en wetenschappelijke dialoog over onze oorsprong en afkomst en over de belangrijkere vraagstukken van zin en betekenis, en van rechtvaardigheid en mededogen.

Het verhaal van de schepping en van de evolutiereis van de ziel is door volkeren over de hele wereld talloze keren opnieuw verteld. Mythen zijn bedoeld als herinneringen aan en bevrijders van vergeten waarheden. Een moderne versie van één mythe van de aboriginals, die hier tot haar kern is teruggebracht, stemt tot nadenken.5 Als we ons terugtrekken in de stilte van onze verbeelding, in de verlaten eenzaamheid van het Australische binnenland, verlicht door vuur en beschut door de sterren, dan horen we opnieuw het tijdloze verhaal:

Lang lang geleden, vóór ons Dromen, had de aarde aan onze voeten geen vorm, ze had geen kleur, er was geen licht en niets bewandelde haar. Ze was stof zonder water, er stroomde geen rivier, de aarde was leeg. De Birirrk kwamen de duisternis binnen. Zij kwamen van ver en maakten hun sporen op de grond. De Birirrk waren onze grote geest-voorouders. Hun sporen over de aarde maakten de Droompaden en kleurden deze met licht en schaduwen.

De Birirrk konden de rots binnengaan. Ze bliezen op de voorkant, en rotsen openden zich om hen binnen te laten. Uit het stof vormden ze onze bergen en op het land maakten ze de grote rivieren. Toen dat klaar was, maakten de Birirrk de vormen van de dieren, zodat deze erin konden leven. Met het water kwamen gras en bomen en de dieren om het gras te eten, om beschutting te zoeken onder de bomen en om bij de rivier te drinken. De Birirrk maakten de vormen van waterlelies en de yammen. Zij lieten hun kinderen, ons volk, zien hoe ze yammen konden vinden en eten, en zeiden: ‘Dit zijn yammen. Yammen zijn ook mensen.’

Toen dit allemaal klaar was, leerden de grote voorouders hun kinderen, ons volk, over de vorm van de kangoeroe. ‘Kangoeroes zijn ook mensen.’ Toen het licht de hemel vulde, maakten de Birirrk de vormen van de vogels en leerden ze vliegen. ‘Dit zijn ook mensen’, vertelden ze ons.

Ze lieten ons het verkoolde hout van de vuren van hun grote Droomsporen zien en vertelden ons: ‘Met deze kleurstoffen kun je het Dromen behouden. We zullen binnenkort vertrekken, maar we zullen terugkeren naar de Droomplaatsen via jullie liederen en dansen, jullie schilderingen en jullie vertellingen’.

De Birirrk verdwenen. Ze werden de waterpoelen, de heuvels, de rivieren en de rotsen van de aarde, onze Moeder. Ze lieten de verhalen achter over het maken van de kano en over het onderrichten van onze kinderen. Deze verhalen zijn in de aarde. Ze zijn de wetten waaraan we ons dienen te houden en die ons beschermen.

De Birirrk, onze voorouders, zijn in de aarde, onze Moeder. Ze zijn in ons en in onze kinderen op de Droomplaatsen. Deze rotsen en heuvels, deze rivieren en waterpoelen zijn onze grote voorouders. Ze zijn de Birirrk, onze geest.

Deze prachtige wijze van voorstellen is des te interessanter omdat deze teruggaat tot in de grijze oudheid. Evenals Genesis begint het verhaal bij het begin toen de aarde zonder vorm, ‘leeg’, en zonder licht was. Toch werd de wereld niet uit niets geschapen, maar gevormd uit een oer‘stof’ door goddelijke wezens die van ‘ver’ kwamen, en op de etherische schetsen van onze aarde in wording de Droompaden maakten. Door licht en schaduwen in haar silhouet aan te brengen, gaven ze vorm aan de elementen, bliezen deze leven in, door er binnen te gaan en ze uiteindelijk te worden. En dit gebeurde ook met water. Daarna ontwierpen ze de vormen van levende wezens (‘dieren’), waterschepselen om in de rivieren te leven. En met het water kwamen ook planten en fauna. We bespeuren hier een evolutiebiologie die uitgaat van de eerste schildering van intelligent licht dat bewust het heelal droomt.

Dan volgt een opmerkelijke uitspraak: na ‘het maken van de vormen’ van waterlelies en yammen zeiden de Birirrk: ‘Yammen zijn ook mensen’. Kangoeroes zijn ook mensen, evenals de vogels. Hoewel de reïncarnatieleer onderdeel is van de traditie van de aboriginals, duiden deze uitspraken niet op reïncarnatie van menselijke zielen in de lagere rijken, maar wijzen op iets anders. Het verhaal wordt hier in zowel de tegenwoordige als de verleden tijd verteld: planten, buideldieren en vogels zijn mensen en, wat genuanceerder, ‘mensen’ – ons volk, kinderen van de goden – zijn hier vanaf het begin geweest.

Theosofie biedt een brede achtergrond om deze reeks essentiële denkbeelden te kunnen interpreteren en maakt daarbij veelvuldig gebruik van voorbeelden van verschillende tradities, zowel om hun betekenis te verduidelijken als om hun universaliteit aan te tonen. Evenals bij de hindoeleer van de dagen en nachten van Brahma, wiens ‘dag’ meer dan vier miljard jaar bestrijkt, gevolgd door een nacht die net zo lang duurt, zou ons heelal slechts één zijn in een oneindige reeks die elkaar afwisselen in een eeuwigdurende cyclus van activiteit en rust. Omdat elk heelal de stamvader van zichzelf is, zendt het vanuit zijn bewustzijn en substantie het zaad en het denkpatroon van al zijn rijken uit, van elementaal tot menselijk tot goddelijk. Ten tijde van de laatste universele ontbinding werden de levenszaden die deze rijken in zich bevatten als vracht aan boord gebracht van de ‘boot van kennis’. Evenals de ark van Noach voer deze heen en weer op de wateren van chaos, tot Brahma weer ontwaakte en de aarde opnieuw verscheen voor een nieuwe evolutiecyclus. De godheid manifesteerde zich als de drie-eenheid van Brahma-Vishnu-Siva en zond een reeks creatieve impulsen uit die worden beschreven als de tien avatara’s of ‘neerdalingen’ van Vishnu, die incarneert als vis, reptiel, zoogdier en tenslotte als mensen met een steeds groeiend zelfbewustzijn, terwijl hij voortdurend ernaar streefde om een volmaaktere mensheid te scheppen – net zoals mensen er voortdurend naar streven om goddelijker te worden in materie, geest en ziel: een drieledig evolutieplan.

In al deze tradities, of ze nu openlijk, door aanwijzingen, of in het geheim worden onderwezen, is de ‘mens’ de alfa en omega, het begin en het einde, want de mens heeft altijd bestaan. Mensheden uit vroegere heelallen hebben hun afdruk op het denkweefsel van de natuur achtergelaten, en zorgen voor de bouwkundige krachten die niet alleen de moderne mens vormen, maar al het zich ontwikkelende leven. Als een evoluerende soort verscheen de ‘mens’ aan het begin van onze huidige wereldcyclus, en van zijn vroege prototypische vormen – die op de etherische afdruk van onze tuinplaneet maar nauwelijks waren weergegeven – hebben alle lagere rijken die onze aarde bevolken, zich afgesplitst en zich daaruit ontwikkeld. De mens zou daarom de voorvader en bewaarplaats van alle rijken onder hem zijn, de wortel en de stam van de levensboom, zo niet de boom zelf – een microkosmos in de macrokosmos. Dit is een lering die in tradities overal in de wereld weerklinkt, en stemt ons tot nadenken over de vraag waarom.6

Het neerdalen van de geest in de stof en het opstijgen van de stof naar de geest, involutie en evolutie, is een basisthema van de eeuwige filosofie: de ‘val’ van engelen en mensen, van Adam en Eva die zich bekleedden met ‘rokken van vellen’, van Christus die afdaalt naar de Onderwereld, van Prometheus die ontluikende intelligentie stimuleerde, van de steile en moeilijke bestijging vanuit de grot van onwetendheid, van de zoektocht naar de heilige graal, de eeuwige terugkeer naar het ‘grote antieke hart’, de mystieke éénwording en de nauwe band met onze innerlijke goddelijkheid, van samadhi, verlichting, nirvana en parinirvana – die alleen wordt bereikt om deze weer op te geven en toch innerlijk te behouden als een leidende meedogende wijsheid ten bate van iedereen.

Volgens de theosofische traditie werd de geschiedenis van onze eigen individualiteit hervat toen het heelal opnieuw ontwaakte – toen het Ene weer het Vele voortbracht – en zich de grootsere verblijven herinnerde die ieder van ons zou kunnen bouwen. Golf na levensgolf van monadische wezens zond stralen uit met een majestueus en welluidend ‘Er zij licht’, en ontwierp en vormde door belichaming na belichaming de oneindige hoeveelheden tempels, rijken en werelden – allemaal gebouwd zonder het geluid van hamer, bijl, of ijzeren gereedschap. Vandaar de soefileer:

Ik stierf als een mineraal en werd een plant,
Ik stierf als een plant en klom op tot dier,
Ik stierf als dier en ik werd een mens.

Als mens bereiken we een evenwicht, een balans tussen geest en stof, en een keerpunt in onze evolutie. Bezield door een ontwakend zelfbewustzijn en de bevrijde kracht van de vrije keuze ontdekken we niet alleen de kracht van de geest, maar ook de pijl van de tijd – misschien een ontmoedigend vooruitzicht als we niet de helpende en leidende aanwezigheid zouden voelen van hen die dit oude en eeuwige pad reeds hebben bewandeld. De dichter vervolgt:

Waarom zou ik bang zijn, wanneer werd ik minder door te sterven?
Toch zal ik als mens nogmaals sterven, om te zweven
Met gezegende engelen; maar zelfs vanuit het engelenrijk
Moet ik verder: . . .    – Rumi, Mathnawi

In de theosofische filosofie zijn geen wonderen of interventies die de wetten van het heelal buiten werking stellen. Wij oogsten wat we zaaien, en mensen noch goden kunnen dat veranderen. Maar wij kunnen onze koers en onze bestemming op ieder willekeurig moment veranderen, want wij hebben het vermogen om onze verbeelding te laten werken en om verstandig te kiezen en zo te helpen een betere, wijzere en meedogender toekomst voor ons allemaal te scheppen en te ontwikkelen. Wat de mens tot mens maakt wordt precies omschreven door het woord zelf. Het woord mens wordt afgeleid van de Sanskrietwortel man, ‘denken’, dat in grammaticale zin niets met een geslacht te maken heeft. Maar als een samenstelling van aarde en sterrenhemel zijn we veel meer dan ons verstand, onze wensen, of zelfs onze edelste ingevingen. Als emanaties – afstammelingen – van dat naamloze mysterie dat ons menselijke bevattingsvermogen te boven gaat, hebben we binnenin ons dat zich eeuwig en altijd ontwikkelende oneindige niet-iets, herinnering en mogelijkheid genaamd: de herinnering aan wat we in essentie zijn en kunnen worden, en de mogelijkheid onze evolutionaire opdracht op creatieve wijze te volbrengen.

Als we naar de toekomst kijken – niet alleen naar de verre horizon van wetenschappelijke en spirituele verbeelding, maar naar de onmiddellijke realiteiten die zich dagelijks aan ons openbaren – dan helpen de verhalen over onze oorsprong, afkomst en innerlijk potentieel om duidelijk te maken wat in ons leven het belangrijkste is, de waarden die gedurende de tijd dat we groeien en veranderen, gedurende ons leven en sterven, altijd blijven bestaan. Als onze evolutiereis zou beginnen met liefde en eindigen in wijsheid, zoals het woord filosofie suggereert, dan is er nog een andere grenzeloze kwaliteit die verdiept en versterkt wordt door het groeiende besef van de eenheid van het leven. Zoals de oude mysteriën ‘gemeenschap en vriendschap met God’ erkenden als de vrucht van de hoogste epoptische rite, zo drukken de boeddhisten dit in menselijker termen uit: het verlichte ideaal wordt verpersoonlijkt door de komende boeddha, Maitreya genaamd, wat ‘vriend’ betekent. Zoals Socrates suggereerde, moeten velen nog leren – en erop vertrouwen – dat ‘geen enkele godheid de mens ooit kwaadgezind is’, noch dat enige handeling van die godheid op onvriendelijkheid is gebaseerd. Alles welbeschouwd hebben we allemaal, ongeacht wat we in één enkel leven of in een eeuwigheid van leven al of niet volbrengen, het vermogen om vriend en broeder te zijn: een meelevende, zorgzame aanwezigheid voor alles en iedereen in deze prachtige, stimulerende, onvolmaakte en toch altijd harmonieuze symfonie van het universele leven.

 

Noten
  1. E.S. Drower, The Secret Adam: A Study of Nasorean Gnosis, 1960, blz. 1-7, 88-9; Canonical Prayerbook, 1959, blz. 252-60; The Thousand and Twelve Questions, 1960, blz. 5.
       De Kanaänitische/Oegaritische traditie waarin Yaw de zoon is van El, wordt weerspiegeld in Deuteronomium 32:1-9 waarin wordt ‘verteld hoe Yahweh [Jehova] Israël als zijn deel krijgt wanneer El Elyon (‘El de Allerhoogste’) de landen verdeelt onder zijn zonen’, (Norman Cohn, Cosmos, Chaos, and the World to Come, 2001, blz. 132). Yaw, Yawar en Yahweh, delen bovendien belangrijke overeenkomsten met de Babylonische Ea (uitgesproken als ‘ehyah’), de wijze en machtige zoon van de hoge god Anu, ‘verwekt naar zijn gelijkenis’, die ‘geen rivaal had onder de goden zijn broeders’ (Enuma elish 1.16-20).
  2. Zie ook Margaret Barker, The Great Angel: A Study of Israel’s Second God, 1992.
  3. Johannes 10:34, 14:12, en Psalmen 82:6: ‘Ik heb gezegd: ‘Jullie zijn elohim, en jullie zijn allen zonen van de Allerhoogste’’.
  4. Zohar 3:152a; Origenes, De Principiis, iv.i.16; Maimonides, Gids voor de verwarden, deel 2, hfst. 29; Marcus 4:10-12, 1 Cor 2:7, en Het evangelie naar Thomas 5.
  5. Kort samengevat uit The Birirrk: Our Ancestors of the Dreaming, verteld door Gulpilil, L & S Publishing, Cheltenham, Australië, 1983.
  6. Vergelijk de Purusha-Prajapati-Narayana-Brahma van de hindoes, de Egyptische Atum, de joodse Adam Kadmon, de Adam Qadmaia van de Mandeeën, de Vader Raaf van de eskimo’s, enz., die het mens-beginsel aanduiden, of tot uitdrukking brengen, dat ten grondslag ligt aan de meeste antropomorfe scheppende godheden. Deze schijnbaar omgekeerde evolutie die de ‘mens’ als de gemeenschappelijke voorouder plaatst van de rijken onder hem, is als onderwerp te breed en te ingewikkeld om in deze korte verhandeling verder uit te werken. De lezer wordt voor een meer volledige verhandeling verwezen naar De Geheime Leer, Deel 2, en naar Mens en Evolutie door G. de Purucker.


Raadpleeg voor verdere studie de genoemde boeken en websites, en ook Beginselen van de Esoterische Filosofie door G. de Purucker. Naast de theosofische literatuur (ook online beschikbaar) bevelen we nog twee websites en hun respectieve links aan: talkorigins.org (Darwinistische evolutie) en arn.org (intelligent ontwerp).

 
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt, nov/dec 2003, jan/feb 2004

© 2004 Theosophical University Press Agency