Katherine Tingley: Een biografische schets
Grace F. Knoche

 

Het is onmogelijk in een kort overzicht een afgerond beeld te schilderen van een wereldfiguur die met haar veelzijdige natuur zowel loyale medestanders als wrede lasteraars aantrok. Deze begaafde vrouw was autocratisch, en toch meedogend als er fouten werden gemaakt, ze was een organisator, opvoeder, redenaar, weldoener van gevangenen en de vergeten armen, en streefde er als Leader van de theosofische beweging drieëndertig jaar consequent naar om aan een ontmoedigde mensheid ‘waarheid, licht en bevrijding’ te brengen.

Catharine Augusta Westcott werd op 6 juli 1847 in Newbury, Massachusetts geboren en volgde onderwijs in de scholen van Newburyport en bij privéleraren; ze studeerde ook piano, zang en harp. Maar, zei ze,

Ik had altijd het gevoel dat mijn werkelijke leraar, als hij een leraar kan worden genoemd, zich in mezelf bevond. Zelfs als kind sprak ik altijd op die manier, waardoor mijn vader bang was dat ik tegen de tijd dat ik eenentwintig was enigszins gestoord zou zijn! Niettemin was de overtuiging dat mijn werkelijke leraar zich in me bevond heel sterk. Toen ik vier of vijf jaar was, bracht ik mijn familie vaak in verwarring door ze te vertellen dat ik de bomen hoorde zingen en veel van dat soort zaken, die voor mensen in die tijd in New England heel griezelig waren, waar de macht van dogmatisme en conventies zeer sterk was. Dus leidde ik tijdens mijn gehele jeugd een erg geïsoleerd leven, afgezien van het inspirerende gezelschap van mijn grootvader.

. . . Wanneer de anderen naar de kerk gingen, ging ik vaak weg, met mijn hond de bossen in. Daar leerde ik enkele van de grote geheimen van het leven. . . . Daar vond ik mezelf; daar ontdekte ik het beetje geestelijke kracht dat ik bezat. Daar had ik in zekere zin het visioen dat het werkelijke leven verbazingwekkend en mooi is, maar dat de mensheid als geheel in de vallei van de schaduwen leefde omdat we als een volk nog niet een hogere positie hadden bereikt, we onszelf nog niet vertrouwden, omdat we door de onjuiste leringen van het verleden waren ingekapseld.
     – The Splendor of the Soul,1 hfst. 1

Onder de grote eiken en pijnbomen die langs de Merrimack Rivier stonden, droomde Catherine vaak over de Witte Stad die ze eens zou bouwen in het gouden land van het westen. Maar het jonge meisje moest veel persoonlijk verdriet ervaren en de wrede onverschilligheid van de menselijke natuur. In haar vroege tienerjaren kwam ze voor het eerst in aanraking met ‘de verschrikking en weerzinwekkende krankzinnigheid’ van de oorlog. Als kapitein van een regiment verhuisde haar vader met zijn gezin in 1861 naar Virginia. Na de Zevendaagse Veldslag, zagen Catherine en haar broer vanuit hun raam hoe soldaten terugzwierven naar hun kampement vlakbij het huis van de Westcotts. ‘Plotseling kon ik het niet langer uithouden; ik liet mijn ‘mammy’ . . . naar beneden komen bij mij in de keuken en daar zochten we alles bij elkaar’ en gingen eropuit om de mannen te eten te geven en te verzorgen.2 Haar vader was ontsteld. Hij vreesde dat haar impulsieve, meedogende natuur haar in ernstige problemen zou kunnen brengen, en hij schreef haar al snel in bij het Villa Marie klooster in Montreal, Quebec – tot ‘grote ergernis’ van haar grootvader. Tijdens haar verblijf aldaar brak er een brand uit in Quebec en Catherine voerde haar klasgenoten aan en vormde een ‘liefdadige organisatie om de slachtoffers van de brand te helpen’.3

Nadat ze het klooster had verlaten, volgden twee weinig succesvolle huwelijken, beide zonder kinderen. Terwijl ze in New York woonde, drukte de benarde situatie van de gevangenen en de armzalige omstandigheden van de East Side zwaar op haar. In 1887 vormde ze de ‘Ladies Society of Mercy’ om ziekenhuizen en gevangenissen te bezoeken. De volgende lente huwde ze Philo B. Tingley, employé op een stoomschip en uitvinder, en vanuit hun huis startte ze de ene liefdadigheid na de andere voor hen die ‘in de strijd om het bestaan waren verslagen’.

In 1893 begon ze in een van de ergste krottenwijken een hulpverleningsdienst om hete soep en brood te verschaffen aan de nooddruftigen. Op een ochtend tijdens een sneeuwstorm arriveerde ze vroeg, enkel om honderden gezinnen aan te treffen die wachtten op voedsel. Terwijl ze aandrong op geduld tot de soep klaar was, merkte ze in de verte een heer op die haar gadesloeg. Omdat ze dacht dat ook hij hulp nodig had, wendde ze zich tot een assistent om hem te benaderen. Maar toen ze weer keek, was hij verdwenen. Na enkele dagen gaf hij zijn kaartje af bij haar huis: William Q. Judge, vice-president van de Theosophical Society en hoofd van de Amerikaanse Afdeling ervan.

Hij was het die mij voor het eerst iets liet zien van de kracht van het denken en me deed beseffen hoe deze het lot van een mens ten goede of ten kwade kan bepalen. En tegelijk wees hij me erop dat in de theosofie de oplossing is te vinden voor alle problemen die me zo hadden gekweld: dat ze de weg wijst naar de juiste behandeling van de onderdrukten en verschoppelingen van de mensheid, en naar de juiste middelen tegen armoede, immoreel gedrag en misdaad. Het eerste wat de theosofie hierover zegt is: hij die het pad dat naar waarheid voert wil betreden, moet de mislukkingen en de fouten van zijn medemensen op een andere manier interpreteren. Hij moet de wet van eeuwige rechtvaardigheid – karma – leren begrijpen, dat ‘wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten’ – en hij moet leren inzien dat een onoverwinnelijk mededogen daarom noodzakelijk is, want zij die falen en tekortschieten doen dat altijd uit onwetendheid. Misdaad is altijd het gevolg van onwetendheid, en bestrijding daarvan is onmogelijk als dit niet wordt ingezien.
     – De Goden wachten op ons, blz. 73-4

Katherine Tingley was diep geroerd: dit bevestigde haar sterke gevoel dat hoe verdorven iemand ook is geworden, of hoe ernstig gehandicapt — fysiek, emotioneel, zelfs spiritueel — mensen een onbeperkt vermogen hebben tot verbetering.

Die ontmoeting bleek een keerpunt te zijn — voor haar, voor Judge, en voor de Theosophical Society. Hier was de filosofie waarnaar ze had verlangd en een organisatie waarvan de hoge doeleinden wanneer ze in het dagelijks leven werden toegepast, als een geestelijk tegengif konden worden gebruikt tegen de ingesleten opvattingen die de mensheid eeuwen tegenover religie, onderwijs, de behandeling van gevangenen, tegenover een ieder die ‘aan de verkeerde kant’ van het leven werd geboren, heeft gehuldigd, en tevens kon dienen als middel tegen het barbaarse idee dat oorlogen onvermijdelijk zijn omdat ze het enige middel zouden zijn om conflicten – burgerlijk, nationaal, raciaal of godsdienstig — op te lossen.

Katherine Tingley werd lid van de Theosophical Society op 13 oktober 1894, en veertien dagen later accepteerde Judge haar in de Esoterische Sectie. Ze werkte nauw met hem samen. Maar Judge zou nog amper elf maanden leven nadat de afgevaardigden die tijdens de conventie op 28 april 1895 bijna unaniem ‘de volledige autonomie’ voor de de Amerikaanse Afdeling uitriepen en Judge verkozen tot ‘President voor het leven’, en tegelijk ‘de langdurige en nuttige verdiensten’ van kolonel H.S. Olcott als president-stichter erkenden.4 Judge stierf in New York op 21 maart 1896, kort vóór zijn 45ste verjaardag.

In sommige van zijn artikelen had Judge verwezen naar Mw. Tingley, en kort na zijn dood werd ze door hen die het nauwst met hem hadden samengewerkt als zijn opvolger erkend. Bijna onmiddellijk voelde ze de dringende noodzaak om een nieuwe gedachtestroom op gang te brengen, om opnieuw de grondtoon van broederschap aan te slaan, en het denken en de houding van volkeren — en theosofen waar dan ook — af te brengen van de onvermijdelijkheid van oorlog en tot de universele afschaffing ervan te komen door hun wil en energie te richten op wereldvrede en op het vreedzaam oplossen van geschillen. Als we morgen vrede willen, zo dacht ze, moeten we beginnen met de kinderen van vandaag.

Ze zette stap na stap in de richting van die doelen. Op de tweede jaarlijkse conventie in april 1896 werd het voornemen aangekondigd om een School for the Revival of the Lost Mysteries of Antiquity (SRLMA) [school voor het doen herleven van de verloren mysteriën van de oudheid] te stichten. Bovendien werd een verklaring afgelegd van broederlijke goodwill en een vriendelijk gevoel tegenover theosofen en theosofische organisaties in de hele wereld. Vervolgens werd op 7 juni begonnen aan een tien maanden durende Theosofische Wereldkruistocht met als doel om theosofische centra te bezoeken, nieuwe afdelingen op te richten, en broederschapsmaaltijden te organiseren voor de armen.5

Een tweede openbare bijeenkomst werd gehouden in Madison Square Garden in New York op 12 juni. De dag daarop scheepten KT en haar gezelschap zich in naar Engeland waarbij verschillende bijeenkomsten aan boord werden gehouden voor eerste- en tweedeklaspassagiers, en voor tussendekspassagiers. In Engeland begroetten ze eerst de oude leden aan het hoofdkwartier in Londen, daarna gingen ze naar Liverpool. Hun eerste openbare bijeenkomst aldaar zette de toon voor de Kruistocht door in het hart van de sloppenwijken een broederschapsmaaltijd op te dienen voor meer dan 300 van ‘de armsten der armen, die ieder persoonlijk waren uitgenodigd door de theosofen uit Liverpool’. Overal in de grote steden van Groot-Brittannië werden openbare bijeenkomsten gehouden en, waar over genoeg geld kon worden beschikt, broederschapsmaaltijden; daarna ging het langs de Europese steden, waarbij in Athene lang genoeg werd gestopt om honderden Armeense vluchtelingen van voedsel te voorzien, en dan verder naar Egypte, dan India waar een hulpprogramma tegen hongersnood op gang werd gebracht, en naar Australië, Nieuw-Zeeland, en Samoa.

Aan het eind van haar wereldtournee arriveerde Katherine Tingley op 13 februari 1897 in Californië, het land van het visioen uit haar jeugd. Tien dagen later had zij in Point Loma tijdens een indrukwekkende ceremonie waarvan bijna duizend mensen getuige waren, de leiding bij het leggen van de hoeksteen voor de School for the Revival of the Lost Mysteries of Antiquity, en verklaarde dat ‘de school een internationaal karakter zal hebben, . . . een tempel van levend licht zal zijn, dat de donkere plaatsen van de aarde zal verlichten’.

Na haar terugkeer in New York vormde KT op 29 april de International Brotherhood League om haar liefdadige activiteiten te bundelen en uit te breiden. Het jaar daarop werd in januari de Universal Brotherhood organisatie opgericht en een maand later werd op 18 februari de Theosophical Society in America (TSA) met zijn eigen constitutie een wezenlijk deel van deze nieuwe organisatie. Het belangrijkste doel van de TSA was om ‘literatuur uit te geven en te verspreiden die verband houdt met theosofie, broederschap, oude en moderne religies, filosofieën, wetenschappen en kunsten’, alsmede om ‘een grote bibliotheek te vestigen en op te bouwen’ van oude en moderne bronnen die de zaak van de universele broederschap steunen. Katherine Tingley werd erkend als Leader en officieel hoofd van alle afdelingen van het werk door de Universal Brotherhood and the Theosophical Society in America, die later bekend zou zijn als de ‘Universal Brotherhood and Theosophical Society’ (UB & TS).6

Raja-yoga-academie en Vredestempel, Internationaal Theosofisch Hoofdkwartier, Point Loma, Californië

Het doel van KT was om bij theosofen de nadruk te verleggen naar de filantropie in woord en daad. In 1899 riep ze in een poging om het hoofd te bieden aan de groeiende angst in Europa voor een dreigende oorlog, drie Universal Brotherhood congressen bijeen: in Point Loma op 13 april; in Stockholm, Zweden, op 13 september, met een receptie die werd bijgewoond door koning Oscar II en zijn gevolg; en in Brighton, Engeland, op 6 oktober.

Op 13 februari 1900 verplaatste KT het internationale hoofdkwartier van de Society van New York naar Point Loma, Californië. Binnen zes maanden en met vijf leerlingen stichtte ze de raja-yoga-school, een afdeling van de School of Antiquity – die in 1914 een academie en college werd, en in 1919 een theosofische universiteit. Het raja-yoga-stelsel van onderwijs verschilde van de scholen uit die tijd door de evenwichtige ontwikkeling van de gehele natuur, fysiek, mentaal, moreel en spiritueel, waarbij niet één aspect werd ontwikkeld ten koste van de andere.

Eerste Griekse openluchttheater in Amerika, Point Loma Californië. Gebouwd in 1901.

Een ander element vormde het opnemen van muziek, toneel en de schone kunsten als een vast onderdeel van het geregelde lesprogramma, dat begon bij driejarigen – niet als een privilege voor de begaafden, want alle leerlingen, met of zonder talent, leerden een instrument bespelen, zongen in het koor, kregen les in tekenen en schilderen, en namen in een of andere vorm deel aan het theaterwerk, waarbij ieder vroeg werd blootgesteld aan de Griekse drama’s en die van Shakespeare die werden opgevoerd onder de persoonlijke supervisie van Katherine Tingley in het Griekse Openluchttheater dat door haar in 1901 was opgericht.

Op haar Wereldkruistocht had KT gelet op die leden die ze zou kunnen uitnodigen om als leraren en instructeurs te dienen, niet alleen voor de voorgeschreven lessen voor studenten, maar ook op het gebied van muziek en visuele kunst. De raja-yoga-scholen stonden bol van de idealen en doelstellingen van de SRLMA die ieder aspect van het leven en de activiteiten in Point Loma doordrongen – filantropisch, dramatisch, opvoedkundig, literair, muzikaal, of op het gebied van tuinbouw, die alle dienden als een gids en stimulans voor theosofen overal in de wereld. De activiteiten van de SRMLA omvatten privé theosofische bijeenkomsten voor verschillende volwassen studenten, waarvan de transcripten wereldwijd werden verspreid. KT liet bijvoorbeeld van 1924 tot en met 1927 door G. de Purucker een reeks lezingen houden over H.P. Blavatsky’s Geheime Leer, die later werden uitgegeven als Fundamentals of the Esoteric Philosophy [Beginselen van de Esoterische Filosofie, Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1998].

Sinds Katherine Tingley een klein meisje was, was haar hart uitgegaan naar alle mensen, waarbij ze zich bijzonder inleefde in de situatie van de sociaal zwakken – ze zette haar liefdadigheden, zowel persoonlijke als grootschalige, voort tot aan haar dood. In haar internaten en dagscholen in Point Loma, San Diego, San Francisco, Cuba, Zweden en Engeland werd het onderwijs in rekening gebracht, waarbij men dient te begrijpen dat als de omstandigheden dat rechtvaardigden, kinderen zonder betaling werden toegelaten. In Point Loma kregen honderden kinderen gedurende kortere of langere perioden gratis onderwijs. Daarnaast werden verschillende contingenten jongens en meisjes (waarvan velen door de Spaans-Amerikaanse oorlog wezen waren geworden) naar Point Loma gebracht en gratis opgevoed, zoals ook in Santiago del Cuba, Pinar del Rio en Santa Clara, Cuba, waar raja-yoga-academies waren opgericht en door theosofische vrijwilligers werden gerund.

Een andere opvallende activiteit was het produceren van theosofische literatuur. Kort na de verhuizing van het internationale hoofdkwartier van New York naar Point Loma werden de binderij en foto- en graveerafdelingen ten zuiden van het Griekse Theater gevestigd. Daar publiceerde de Press inleidende literatuur, brochures, verschillende maandelijkse tijdschriften – sommige rijkelijk geïllustreerd – en ook theosofische boeken van HPB, Judge en KT; ook van Kenneth Morris. Men hoeft slechts Lauren R. Browns The Point Loma Theosophical Society: A List of Publications 1898-19427 te raadplegen om onder de indruk te raken van de kwantiteit van wat er werd geproduceerd en van de kwaliteit van het vakwerk waarmee in 1914 een prijs werd gewonnen op een boeken- en grafische beurs in Leipzig, Duitsland.

Naast haar opvoedkundige en filantropische successen dient men KT’s consequente inspanningen voor wereldvrede te beschouwen, zowel vóór, tijdens als na de Eerste Wereldoorlog. Terwijl ze de constructieve inspanningen van de vredesconferenties in Den Haag en van genootschappen en conventies erkende, vond ze dat onze maatschappij en gewoonten, onze psychologie, moreel verwrongen was, en uit balans: we zijn ervan overtuigd dat periodieke oorlogen onvermijdelijk zijn, en dus concentreren we ons erop om steeds dodelijker wapens te maken. ‘Men zegt dat we ons in tijden van vrede op oorlog moeten voorbereiden. Als we werkelijk geen angst hadden en ook maar het geringste geestelijke inzicht bezaten, zouden we ons in tijden van vrede alleen maar op een hogere soort vrede moeten voorbereiden.’8

Op 3 maart 1913 richtte ze het ‘Parlement van Vrede en Universele Broederschap’ op. Tien dagen later kondigde ze aan dat ze tijdens de midzomerweek een internationaal theosofisch vredescongres zou houden op het eiland Visingsö in het Vätternmeer in Zweden. Kunstenaars uit Lomaland droegen schilderijen van het terrein bij en ook werden fotoalbums van de schoolactiviteiten in Point Loma gestuurd. Haar doel was om in brede kring de regenererende ideeën te zaaien van broederschap, vrede, vriendschap, en respect onder alle nationaliteiten. Ondanks tegenwerking van de plaatselijke geestelijkheid, vond het vredescongres plaats van 22-29 juni en werd door ongeveer 2000 theosofen en bewonderaars van Katherine Tingley’s menslievende werk bijgewoond, die van overal in Zweden en uit theosofische centra in Europa kwamen.

KT had ook 24 raja-yoga-college-studenten uitgenodigd om haar te vergezellen om te zingen, kamermuziek uit te voeren, en aan de zomerschool te onderwijzen die ze van plan was in Visingsö te houden. Het raja-yoga-koor werd uitgenodigd om op 18 augustus drie liederen te zingen (lyrische gedichten van Kenneth Morris op muziek gecomponeerd in Visingsö door Rex Dunn, raja-yoga-leerling), aan het einde van de eerste sessie van het Twintigste Congres voor Wereldvrede dat in zitting was in de Ridderzaal in Den Haag, Nederland.

Op 4 augustus 1914 bracht het noodlottige schot in Sarajevo Europa in de Eerste Wereldoorlog. Hoewel ze hierdoor onvoorstelbaar was getroffen, schreef KT onmiddellijk aan de Duitse leden en ook naar andere landen waar theosofische centra waren, en drong er bij allen op aan om ‘internationaal van geest’ te zijn en zichzelf dubbel verantwoordelijk te beschouwen op dit cruciale moment. ‘Zij die aanvallen en zij die worden aangevallen hebben onze meedogende aandacht nodig.’9

Op 26 augustus riep Katherine Tingley, als president van het Parlement van Vrede en Universele Broederschap, op tot een Heilige Vredesdag voor de Naties die in San Diego zou worden gehouden. Enkele dagen later telegrafeerde ze een verzoek aan President Woodrow Wilson om een dag vast te stellen waarop alle mensen van elke religie en van elk ras ‘elkaar konden ontmoeten op basis van hun gemeenschappelijk menszijn, . . . en als een liefdevol eerbetoon aan de zaak van Universele Vrede, en om een boodschap van sympathie en aanmoediging te sturen aan de lijdende moeders en echtgenotes en kinderen in Europa.’ Zij deed een beroep op de sympathie en steun van de burgemeester en het raadsbestuur van San Diego, de gouverneur van Californië, en gouverneurs en burgemeesters in andere staten. Op 28 september leidde het US Marine Corps van Camp Pendleton de vredesparade van kinderen, studenten en leden-bewoners van Point Loma.
    

Raja-yoga-college-fanfarekorps, Vredesparade, Balboa Park, 28 september 1914

Raja-yoga-koor, Vredesparade, San Diego, 28 september 1914

Gedurende de jaren twintig zette KT haar opvoedkundige en filantropische werk voort. Ze gaf lezingen in de VS en Europa, trok ten strijde tegen oorlog, armoede, dogmatisme, en de slechte behandeling van gevangenen. Voor haar hadden alle mannen en vrouwen een goddelijke essentie; ongeacht hoe gruwelijk de misdaad was die ze misschien hadden gepleegd, er was altijd een nieuwe kans om de dwalende ziel te verlossen. Alles wat ze tijdens haar leiderschap deed, werd beïnvloed door haar gelofte om in de ziel van kinderen en hun ouders een nieuw vertrouwen op te wekken. Door de mensheid te bevrijden van de vloek van de ‘erfzonde’ en de beperking van de theorie van maar één leven, zou de geestelijke waardigheid van de mensheid worden hersteld. Opvoeding is de sleutel, het kind in een mooie omgeving grootbrengen met edele idealen van dienstbetoon en mededogen, met naast het onderwijsprogramma, muziek, kunst en toneel; waarbij intussen de onhandelbare zelfzuchtige natuur werd verzacht en getraind om de hogere eigenschappen van de ziel de kans te geven om het heft in handen te nemen.

Katherine Tingley stierf op 11 juli 1929, op 82-jarige leeftijd tijdens een Europese lezingentournee. ‘Met elkaar in harmonie te leven in ons hart en in ons denken’, was de bezielende visie van haar levenswerk, want als broederschap en vrede de algemene regel zouden zijn, zouden de bezoekingen van de mensheid enorm worden verminderd.

Achter de verbeelding en hoop en dromen uit mijn kindertijd en de periode als volwassen vrouw, en dieper dan de pijn die werd veroorzaakt door het contrast dat ik in het leven van de mens heb waargenomen, ligt een bewustzijn van de liefde van God en de geestelijke waardigheid van de mens. En juist dit bewustzijn is nu nodig om de wereld te verbeteren, om de mens volledig zichzelf te laten zijn, om hem de sleutel te geven tot de problemen van het leven, zodat hij de moeilijkheden met begrip kan overwinnen, onrechtvaardigheid te boven kan komen door kennis, en de vreugde van het leven kan beleven in de meest waarachtige en edele zin.      – The Wine of Life, hfst. 10

 

Noten

  1. Een selectie van het materiaal uit The Voice of the Soul en The Travail of the Soul, beschikbaar op Theosophical University Press Online.
  2. Raja-Yoga Messenger, september 1929, blz. 210.
  3. New York Tribune, 11 april 1897.
  4. Negende jaarlijkse conventie van de Amerikaanse Afdeling van de TS, Boston, Massachusetts, 28-29 april 1895, blz. 16-17.
  5. KT werd vergezeld door: E.T. Hargrove, Julia Keightley, H.T. Patterson, F.M. Pierce, Claude Falls en Leoline Wright; Philo B. Tingley voor korte periode als bijzondere correspondent voor de pers, niet als deelnemer van de kruistocht. Alice Leighton Cleather voegde zich in Rome bij het gezelschap en de eerw. W. Williams in Caïro.
  6. Besluit, voorwoord en constitutie van de Universele Broederschap; verklaring aan de leden van The Theosophical Society in Amerika door Katherine A. Tingley; constitutie van de Theosophical Society in Amerika – aangenomen door de conventie gehouden in Chicago op 18 februari 1898.
  7. Uitgegeven door vrienden van de bibliotheek van UCSD, University of California, San Diego, La Jolla, 1977, 132 blz.
  8. De Goden wachten op ons, blz. 41.
  9. Heilige Vredesdag voor de Naties, 28 september 1914.
 
Themanummer Sunrise: Katherine Tingley 1847-1929
 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1998

© 1998 Theosophical University Press Agency