Het Theosofisch Genootschap

Het volwassen worden van de mensheid

Elsa-Brita Titchenell

De ziel van de mensheid is in haar pubertijd en bezit, zoals elke puber, de karakteristieke vermogens en zwakheden van de jeugd. Ze is de beginfase van het leerproces gepasseerd om opgewassen te zijn tegen het materiële bestaan op dit gebied van het heelal, vrijwel zoals een kind leert zijn zintuigen te gebruiken: horen, zien, en lopen en praten. Eigen aan deze levensfase is het feit dat we volledig in beslag worden genomen door de experimentele wetenschap en technologie. We hebben geleerd de stoffen van de aarde in een zekere mate te hanteren. De natuurkunde – de kennis van deze stoffen – is wijdverbreid. Door te experimenteren hebben we veel geleerd over ons stoffelijk milieu, maar ons beeld van de wereld is nog steeds onvolledig. Zoals bij elke puber is ook de collectieve ziel van de mensheid onderworpen aan de onbeteugelde gevoelens van de halfvolwassen jeugd waarin de emoties op hol slaan, het denken begint te ontluiken en alle potentiële vermogens van de innerlijke, psychische of zielenatuur een vollediger ontwikkeling tegemoet gaan. Veel mensen, ook naties, denken en handelen op kinderlijke wijze. Enkele uitzonderlijke individuen stijgen uit boven de norm en zij zijn het die aantonen hoe de mensheid kan en moet worden.

Het feit dat mensen zoogdieren zijn betekent niet dat we dieren zijn. Er zijn inderdaad mensen die op beestachtige wijze handelen, die bijna geheel in hun dierlijke natuur leven, want er is in de menselijke samenstelling een dierlijke ziel die, als haar de vrije teugel wordt gelaten, de oorzaak is van een dierlijk gedrag. De hogere kant van de menselijke natuur is een spirituele ziel waarvan ieder normaal mens de influisteringen van liefde en wijs mededogen voelt en die in staat is een man of vrouw op goddelijke wijze te laten denken, spreken en handelen.

De mens is wel een religieus dier genoemd. Hoewel er wel iets zit in deze definitie, want het stoffelijk organisme van de mens heeft veel gemeen met de andere zoogdieren, heeft de mensheid haar eigen kenmerkende eigenschappen naast die van onze jongere broeders de dieren. Het voornaamste en belangrijkste verschil zit in de innerlijke gaven van de mens – gaven waarmee geen ander zoogdier is toegerust. Men heeft wel aangevoerd dat de toewijding van een hond of de intelligentie van een paard sommige menselijke eigenschappen kan overtreffen. Dat is inderdaad zo op het dierlijke niveau dat we delen met de redeloze zoogdieren, maar op het menselijke niveau van ontwikkeling stelt het denken, als het is verbonden met de spirituele vermogens en wordt beheerst door de intuïtie, elke vergelijkbare begaafdheid van de rijken die nog niet menselijk zijn in de schaduw.

Dit verklaart de fundamentele behoefte van de mens zichzelf en de wereld die we helpen vormen te begrijpen. Ieder mens gaat door een fase waarin het proces van zelfontdekking zo dringend wordt, dat het niet kan worden genegeerd en waarin het denken erop is gericht het bekende te onderzoeken en het onbekende te verkennen. Dit proces vertoont een duidelijk tweevoudig karakter. Het kan voeren tot een gedachteloos toegeven aan eigenbelang, of het kan leiden tot een aanhoudend zoeken naar reële waarden die op alle wisselvallige momenten van het leven van toepassing zijn. Het zoeken zelf vormt een manier van leven die leidt tot het volwassen worden van de ziel, die dan karaktereigenschappen vertoont die eigen zijn aan die mannen of vrouwen die instinctief leven voor het welzijn van hun medemensen.

Als volwassenen bezitten mensen schitterende vermogens, die goddelijke inspiratie voor hen mogelijk maken en het kenmerk van de ware mens zijn. Spirituele intuïtie is onze gemeenschappelijke schakel met hogere rijken – de goden – en stelt ons in staat te verkeren met de universele ziel, waarvan de invloeden nog onzichtbaar en onhoorbaar zijn, maar waarmee we in aanraking kunnen komen door onze nobelste inspiratie, als we de moed hebben ons te wagen in de diepere schuilhoeken van onze natuur, waar het blijvende Zelf woont.

De menselijke evolutie verschilt daarin van de minder ontwikkelde rijken dat we niet langer beperkt zijn tot lichamelijke aanpassing om te kunnen overleven zoals met dieren en planten het geval is. Het mensenras is vermogens van niet-materiële aard aan het ontwikkelen: op het menselijke levensniveau speelt de kwaliteit van het denkvermogen en van de geest een hoofdrol. Wat op stoffelijk gebied het gevolg is, is ondergeschikt. Als de opgroeiende ziel tot het besluit moet komen of haar bestaan een winstof een verliespost zal zijn voor het menselijk ras als geheel, is dat een beslissend moment voor de richting van het leven.

De samengestelde ziel in de menselijke natuur staat in tweestrijd tussen de dierlijke impulsen en een goddelijk geïnspireerd idealisme. Als dit laatste wordt verkozen, is het bewustzijn geneigd tot altruïsme, zelfvergetelheid en liefde voor het schone en wordt het geïnspireerd door begrip, wat tot uitdrukking komt in het waarderen en vaak het scheppen van verschillende kunstvormen, dichtkunst en muziek. Het is opmerkelijk dat veel erkende en niet erkende grote componisten en dichters een deel van hun meest geïnspireerde werk voortbrachten in hun jonge jaren. Eén kenmerk van de jeugd is een uitgesproken gevoel voor schoonheid. De verwondering en eerbied waarmee we op schoonheid reageren is niet overdraagbaar. Ze kunnen niet verklaard of zelfs beschreven worden en toch, ook al verschillen smaken in hoge mate, zijn het de meest voorkomende reacties op de wereld om ons heen.

Eén natuurkundige, dr. Brian Swimme, brengt dit op krachtige wijze tot uitdrukking in een boek met de onwaarschijnlijke titel The Universe is a Green Dragon. Hij schrijft:

We zien de bijzondere schoonheid die tot stand is gekomen door geweld op de kosmische en aardse gebieden. We weten nog niet of hetzelfde zal gebeuren op het menselijk gebied. In de duizenden jaren van beschaving heeft de mens inderdaad zelden stilgestaan bij de vraag, laat staan er ernstig over nagedacht, of we wel of niet een zegenrijke aanwinst voor het aardse systeem van leven zijn. Verdiept als we zijn in onszelf, concentreren we ons op ons eigen overleven en het onderzoek van onze ingeboren krachten. We hebben nooit een ruimer inzicht ontwikkeld om de waarde van onze activiteiten te bepalen, een inzicht dat sterren, planeten en alle andere levensvormen omvatte. Dit beperkte wereldbeeld is precies wat ons als soort tot de ondergang voert. – blz. 72

Een van de kenmerken van de puberteit is een intens op zichzelf gericht zijn. De individuele tiener is uitgesproken egocentrisch en de collectieve ziel van de mensheid weerspiegelt deze trek. Het menselijk stadium van ontwikkeling toont deze neiging tot het punt waarop we een bedreiging voor ons eigen overleven zijn geworden. De verwoestingen die in naam van de materiële vooruitgang zijn aangericht, hebben ons tot de rand van een catastrofe gebracht door destructieve aanslagen op ons milieu en het vrijwel onmogelijk maken de gezondheid van onze moeder aarde te herstellen.

Het religieuze instinct is zonder twijfel de meest wezenlijke menselijke eigenschap. Het speelt een heel grote rol bij onze ontwikkeling en bij wat we tot stand brengen. Vroeg of laat wil ieder van ons weten wat de zin is van het leven en wat onze rol is in een heelal dat volop getuigt van harmonie, zin en doelgerichtheid. De opgroeiende jongere verzet zich tegen het beperken van zijn onafhankelijkheid door ouders en leraren, die geneigd zijn normen op te leggen die henzelf bevredigen. Precies zo komt de collectieve ziel in opstand tegen wat ze ziet als zinloze en autocratische tirannie en wil daarom de natuurwetten overtreden die van kracht zijn, of we het daarmee eens zijn of niet. Ze eist zelf te mogen beslissen, vaak met veronachtzaming van het ruimere leefmilieu en het algemeen belang en gaat tegelijkertijd tekeer tegen alles wat de eigen idealen geweld aandoet. Als het streven naar vrijheid voortkomt uit die idealen – die ontstaan in een natuurlijke en gezonde religiositeit – dan is het gerechtvaardigd, al wordt dit niet begrepen waar starre orthodoxie heerst.

Er is een groot verschil tussen religiositeit – een natuurlijke gave van ieder normaal mens – en bijgelovigheid die vaak doorgaat voor religie. Ware religiositeit is het natuurlijke instinct het leven in al zijn uitingen te eerbiedigen en het bestaan te erkennen van onze ingeboren behoefte alle andere levens lief te hebben en te begrijpen door ons bewustzijn zo uit te breiden dat het ook hen omvat. Deze religieuze drang wordt tegengewerkt als men een kunstmatig surrogaat aanvaardt dat zich uit in blind geloof en ritualisme – wat minder eisen stelt dan het zoeken naar waarheid die weerklank vindt in het hart. Een dergelijke godsdienst kan worden beleefd, en dat gebeurt ook vaak, zonder toewijding of begrip, zelfs onnadenkend, waarbij het aan een priester of goeroe wordt ,overgelaten de weegschaal van rechtvaardigheid in evenwicht te houden.

Veel wetenschappers wenden zich nu tot de filosofie in een poging om de wereld en de functie die de mensheid daarin vervult, te begrijpen en te verklaren. In zijn boek The Mind of God probeert prof. Paul Davies in duidelijke bewoordingen het mysterie van het heelal en de plaats van de mens daarin te omschrijven, niet op te lossen. Hij schrijft:

als men het beginsel handhaaft dat er afdoende redenen moeten bestaan en een rationele verklaring wenst voor de natuur, dan blijft ons niets anders over dan naar die verklaring te zoeken achter of buiten de stoffelijke wereld – in iets metafysisch – want, . . . een door toeval beheerst stoffelijk heelal kan in zichzelf geen verklaring bevatten voor zichzelf. Wat voor metafysische macht zou in staat kunnen zijn een heelal te scheppen? Het is van belang dat we op onze hoede zijn voor het naïeve beeld van een Schepper die op een bepaald moment in de tijd met bovennatuurlijke middelen een heelal voortbrengt, zoals een goochelaar die een konijn uit zijn hoed tovert . . . schepping kan niet alleen bestaan uit het veroorzaken van de big bang. We zijn in plaats daarvan op zoek naar een meer subtiel, tijdloos concept van schepping dat, om Hawkings woorden te gebruiken, vuur blaast in de vergelijkingen, en zo wat slechts mogelijk is, bevordert tot het feitelijk bestaande. Deze macht is scheppend in de zin van op een of andere wijze verantwoordelijk zijn voor de natuurwetten, die onder andere bepalen hoe ruimte-tijd evolueert. – blz. 171

Er is een onmetelijke schat aan waarheid te vinden in de overleveringen van onze oude wereld, waar de sporen die zijn nagelaten door volwassen mensen uit vervlogen eeuwen de weg wijzen naar een groeiend begrip. In alle eeuwen hebben zulke uitzonderlijke individuen bestaan, wijze mannen en vrouwen, waarvan de voetafdrukken in het zand van de tijd waarneembaar zijn op de vele wegen die naar de top van menselijke ervaring voeren. Evolutie is een doorgaand proces – er wacht ons nog een lang programma van ‘opgroeien’. Daarvoor is het volwassen worden van het innerlijk menselijke nodig, los van alle fysieke veranderingen die zich al of niet voordoen. Zulke veranderingen kunnen daarna volgen, ze gaan niet vooraf aan de groei van denkvermogen en geest.

Als mens hebben we toegang tot een alles overtreffende grootsheid in ons diepste wezen, indien het idealisme en het zelfvertrouwen, die tot onze jongere jaren behoren, en de kracht van onze ziele-jeugd worden aangewend om de natuurlijke vooruitgang van onze soort naar de toekomstige status van goden te bevorderen. In deze leerfase van onze ontwikkeling hebben wij niet alleen het recht maar ook de plicht om alle bronnen van kennis, fysieke, psychische en spirituele te onderzoeken, om te ontdekken wat onze plaats is in het kosmische levensplan en die te vervullen. Dat betekent dat we verantwoordelijke werktuigen zijn in het universele geheel en dat het bewustzijn van de mensheid een krachtige en verantwoordelijke factor is in het leven van het grotere stelsel van evoluerende werelden. We zijn een wezenlijk deel van de planeet die we bewonen en voor een groot deel bepalen wij de toekomstige loop van dit kleine maar belangrijke deel van het zonnestelsel.


Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1993

© 2017 Theosophical University Press Agency