Het Theosofisch Genootschap

De honderd namen van God

Nancy Coker

Boekbespreking: The Dawn of Religious Pluralism: Voices from the World’s Parliament of Religions, 1893, red. Richard Hughes Seager, Open Court Publishing Company, La Salle, Ill., 1993, 520 blz., foto’s, ISBN 0-8126-9223-3.

Gedurende zeventien dagen in september 1893 verwelkomde Chicago religieuze delegaties uit alle delen van de wereld op zijn Wereld Parlement van Religies, dat werd gehouden samen met de allereerste Wereldtentoonstelling, bekend als de ‘Columbian Exposition’. Ter herinnering aan de honderdste verjaardag hiervan publiceerde de Open Court Press onlangs The Dawn of Religious Pluralism, dat 60 representatieve toespraken bevat, een keuze uit de 194 aangeboden voordrachten. De redactionele aantekeningen vormen een steun voor de lezer van nu, doordat ze een historisch en filosofisch verband leggen met enkele van de schijnbaar verouderde wereldbeschouwingen die daarin worden gegeven.

Het Parlement moest vertegenwoordigers van verschillende religies de gelegenheid bieden om de wereld iets te vertellen over hun tradities en was eigenlijk bedoeld om een belangrijke stimulans te vormen voor vergelijkende godsdienstwetenschap, die destijds een minuscule afdeling vormde op slechts enkele universiteiten. Charles Carroll Bonney, president en hoofdarchitect van wat het ‘World’s Congress Auxiliary’ werd genoemd, opende het symposium met een hartelijk woord van welkom. Hij gaf zijn visie als volgt weer: ‘het verenigen van alle religies tegen alle irreligiositeit . . . aan de wereld voor te leggen . . . de werkelijke eenheid van vele religies’ (blz. 5).1

1. Zie ook ‘De broederschap van religies’, Sunrise, maart/april 1993, blz. 33-7.

Maar aangezien 78 procent van de sprekers christenen waren, werden de discussies over en de beoordeling van de religies voor het grootste deel van de conferentie gevoerd in monotheïstische terminologie, en op meer dan 300 pagina’s van het boek. Meer dan driekwart van de toespraken ging over wat God verlangt, hoe hij werkt, wat onze relatie met hem precies is en hoe we aan zijn opdracht kunnen voldoen. De sprekers verdiepten zich in problemen over waarheid, dogma’s, sociale verantwoordelijkheid, de suprematie van de Paus, de onbevlekte ontvangenis, wetenschap en religie, de plaats van de vrouw in de godsdienst en het verschil tussen sekten en kerkgenootschappen. De gedachte van eenheid en hereniging van het christendom werd onderzocht en sommige sprekers keken uit naar de dag waarop naar zij hoopten één godsdienst de hele mensheid zou verenigen. Christophore Jibara, kloostervoogd van de Orthodoxe Kerk van Syrië, stelde optimistisch voor ‘dat er een commissie zou worden gekozen vanuit de grote godsdiensten om de dogma’s te onderzoeken, een volledige en perfecte vergelijking op te stellen, het eens te worden over wat het ware is en dat aan het volk te verkondigen’ (blz. 198).

Anderen meenden echter dat de enige universele godsdienst al was geopenbaard: ‘Het christendom is de enig mogelijke universele religie, omdat vaststaat dat ze de enige complete en door God gegeven openbaring is’ (blz. 319); of ‘Er is geen moslim ter wereld die niet gelooft dat de Islam uiteindelijk het universele geloof zal zijn’ (blz. 270).

Ofschoon vrouwen zwak vertegenwoordigd waren op het congres, vormden ze met de oosterse sprekers de meest kleurrijke van allen. Fannie Barrier Williams hield een bewogen en ontnuchterende voordracht onder de titel ‘Wat kan de religie nog meer doen ter verbetering van de toestand van de Amerikaanse neger?’ waarin ze haar gehoor eraan herinnerde dat het christendom bij de negers was ingevoerd via de onchristelijke praktijk van de slavernij. ‘De hoop van de negers en andere gekleurde rassen in Amerika hangt af van de mate waarin de blanke christenen hun eigen godsdienst kunnen verwerken’ (blz. 149).

Een andere vrouw die bij haar gehoor wat losmaakte was Julia Ward Howe. De Chicago Herald (van 27 sept. 1893) vermeldde een incident waarin zij moedig het podium opstapte nadat professor William C. Wilkinson in wezen had gezegd

dat de houding van het christendom jegens de vele andere religies een houding is van absolute, eeuwigdurende, onverzoenlijke vijandigheid; terwijl haar houding jegens alle mensen overal ter wereld er een is van genade, mededogen en vrede . . .

Toen de professor weer ging zitten veranderde het rustige amfitheater in een gekkenhuis . . . Er was slechts één persoon onder het grote gehoor die niet applaudisseerde. Die persoon was een vrouw. July Ward Howe, schrijfster van ‘Battle Hymn of the Republic’ [Strijdlied van de Republiek], die dapper en heldhaftig menig gevecht leverde voor de zaak van Christus, nam het woord . . . Ze tikte de professor ernstig op de vingers. Ze voerde het woord ‘christendom’ terug naar Christus zelf; naar de onuitputtelijke bron van barmhartigheid waaruit, zei ze, een stroom van kristalheldere zuiverheid ontsprong . . . Haar weinige en eenvoudige woorden waren overtuigend en het wispelturige gehoor, dat nog maar enkele ogenblikken daarvoor zo hartstochtelijk had geapplaudisseerd voor de bondige zinnen van professor Wilkinson, sloeg geheel om en zelden of nooit hebben de zware balken en steunberen van de Columbus Hall het zo te verduren gehad door een storm van applaus.

Toen de bijeenkomst tegen het middaguur werd onderbroken en het grote publiek net van de stoelen opstond, gingen de vingers van iemand in de zaal (men wist niet van wie) over de toetsen van het grote orgel en daar stroomden de meeslepende, aanzwellende tonen van het prachtige oude gezang ‘Mijn ogen hebben de glorie gezien van de komst van de Heer . . .’ door de zaal. – blz. 78-9

Terwijl christelijke sprekers verdraagzaam spraken over hun God van liefde die waakte over de heidenen, brachten oosterse sprekers een universeler perspectief naar voren. Volgens de redacteuren werd Vivekananda beschouwd als de populairste man van het Parlement. Hieronder twee fragmenten uit zijn toespraken:

Het zaad wordt in de grond gestopt en omgeven door aarde, lucht en water. Wordt het zaad de aarde, of de lucht, of het water? Nee. Het wordt een plant; het ontwikkelt zich volgens de wet van zijn eigen groei, neemt de lucht, de aarde en het water op, zet die om in plantensubstantie en brengt een plant voort.

Hetzelfde geldt voor de religies. De christen hoeft geen hindoe te worden of een boeddhist en evenmin moet een hindoe of boeddhist een christen worden. Maar ieder moet de anderen in zich opnemen en toch zijn eigen individualiteit bewaren en groeien volgens zijn eigen groeiwet.’ – blz. 336-7

Het is hetzelfde licht dat zich manifesteert in verschillende kleuren . . . Maar in het hart van alles heerst dezelfde waarheid; de Heer heeft in zijn incarnatie als Krishna aan de hindoes verklaard: ‘Ik ben in iedere religie als de draad door een parelsnoer. En daar waar u buitengewone heiligheid aantreft en buitengewone kracht die de mensheid verheft en zuivert, weet dan dat ik daar ben.’ En wat was het resultaat! Ik daag iedereen uit om waar ook in de Sanskriet-filosofie een uitspraak te vinden dat alleen de hindoes zouden worden gered en geen anderen. Vyas zegt: ‘We vinden volmaakte mensen zelfs buiten het gebied van onze kaste en ons geloof.’ – blz. 430-1

Anderen, zoals Virchand A. Gandhi, steunden het denkbeeld dat religie niet hoeft te berusten op een enkele schepper of heiland.

God, in de betekenis van een buitenkosmische persoonlijke schepper, heeft geen plaats in de jain-filosofie. Deze ontkent zo’n schepper pertinent als onlogisch en niet passend in het algehele plan van het heelal. Maar zij stelt vast dat er een uiterst fijne essentie bestaat die aan alle substanties ten grondslag ligt, zowel bewuste als onbewuste, die een eeuwige oorzaak wordt van alle veranderingen en God wordt genoemd. – blz. 373

B.B. Nagarkar van de Brahmo-Samaj zei: ‘Wij geloven dat de profeten van de wereld – spirituele leraren zoals Vyas en Boeddha, Mozes en Mohammed, Jezus en Zoroaster – allen een homogeen geheel vormen. Elk moet zijn eigen boodschap naar de mensheid uitdragen’ (blz. 435).

Een theosofisch congres maakte deel uit van het Parlement van Religies met tien sprekers die gedurende drie dagen voordrachten hielden in een overvolle zaal – waaraan op algemeen verzoek nog een extra bijeenkomst werd toegevoegd. Een van deze sprekers was tevens lid van de boeddhistische delegatie en zijn toespraak was de enige die in deze verzameling werd opgenomen; de voordracht van de boeddhistische theosoof Anagarika Dharmapala was getiteld ‘Wat de wereld aan Boeddha is verschuldigd’.

Het Parlement was een volmaakte zetting waarin het juweel van universele broederschap aan de wereld kon worden getoond. WQ. Judge destijds vice-president van de Theosophical Society zei: ‘een onpartijdig onderzoek van de geschiedenis, religie en literatuur zal aantonen dat er sinds de oudheid een groot stelsel van filosofische, wetenschappelijke en ethische leringen heeft bestaan dat de basis en de oorsprong vormt van alle soortgelijke tegenwoordige denkstelsels.’1

1. The World’s Parliament of Religions, red. Drs. John Henry Barrows, The Parliament Publishing Company, Chicago, 1893, 2:1518. (Zie ook Theosofische inzichten, blz. 555.) Veel van de toespraken in de Dawn of Religious Pluralism zijn volledige of geredigeerde herdrukken uit deze verzameling.

Afgezien van één spreker die herinnerde aan de graftombe van de grote keizer Akbar, waarop de honderd namen van God waren gebeiteld kenden de meeste deelnemers slechts één naam. Ondanks de veelomvattende en universele visie waarvan sommigen blijk gaven – ondanks hun pleidooi aan de geest te denken, niet aan de persoonlijkheid, aan de boodschap en niet aan de boodschapper – was de toonzetting van het Parlement duidelijk christelijk gericht. Toch sprak president Bonney over zijn hoop op broederschap russen de religies: ‘de broederlijke vereniging van de wereldreligies zal tot stand komen als ieder oprecht nagaat hoe God zich in anderen heeft geopenbaard en zich de onverbiddelijke wet herinnert dat met het oordeel waarmee gij oordeelt, men zelf zal worden geoordeeld’ (blz. 18). John Henry Barrows, voorzitter van de afdeling Religie van de World’s Congress Auxiliary, gaf ook uitdrukking aan de verwachting van de organisatoren van het Parlement: ‘de mentale en spirituele visie van de mens te verbreden en te zuiveren’ (blz. 26).

Dit jaar zal er van 28 augustus tot 4 september in Chicago weer een bijeenkomst zijn van de wereldgodsdiensten en opnieuw een gelegenheid om onze spirituele visie te verbreden en te zuiveren.


Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1993

© 2017 Theosophical University Press Agency