Reïncarnatie is een woord dat vaak ruwweg wordt gebruikt wanneer
wedergeboorte of wederbelichaming wordt bedoeld. In werkelijkheid heeft
het alleen betrekking op wezens die een lichaam van vlees (carne)
bezitten. Organismen zonder vleselijke lichamen incarneren
niet en reïncarneren dus ook niet. Alles echter wat een
duurzame vorm bezit, al is die beweeglijk en flexibel, alles wat groeit
en verandert, is vanzelfsprekend een organisme; dat wil zeggen dat het
langere of kortere tijd een samenhangend geheel vormt, bijeengehouden
door iets dat duurzamer is dan de vorm. Iets, een soort magneet, houdt
de steeds in beweging zijnde atomen op hun juiste plaats, en zorgt ervoor
dat het lichaam zijn algemene vorm en integriteit van geboorte tot dood
behoudt, en dit iets moet het stoffelijk kleed overleven.
Is dat iets de ziel – dat theoretische, nevelachtige element
dat mensen geacht worden te hebben? Het lijkt nogal vreemd om te spreken
over het ‘hebben’ van een ziel, alsof het een bezit is,
terwijl we er in werkelijkheid gewoonlijk onszelf mee bedoelen. We kunnen
veeleer zeggen dat de ziel een lichaam heeft, dat zij tot leven bracht
en hoopt te overleven. Maar als we onze eigen natuur beginnen te onderzoeken,
met het doel erachter te komen wat de ziel is, ontdekken we dat ze niet
één maar vele dingen is, Allerlei eigenschappen maken
deel ervan uit: talenten, gebreken, enkele deugden en veel kleine neigingen,
die tezamen ieder van ons tot de unieke persoonlijkheid maken die we
zijn. Deze eigenschappen zijn echter niet statisch en blijvend: we kunnen
ze veranderen. We kunnen ons karakter verbeteren – of bederven;
we hebben de keuze om het te trainen of op allerlei manieren te misvormen.
Dit leidt tot de lastige vraag van de onsterfelijkheid. Hoe kan een
veranderende, zich steeds wijzigende ziel onsterfelijk zijn? Wat bevindt
zich daarin dat, al is het maar twee seconden achtereen, onveranderd
kan blijven? Dat het bewustzijn het lichaam overleeft lijdt nauwelijks
enige twijfel: veel onderzoekingen en theorieën zijn gewijd aan
de avonturen van de mens na de dood en er is heel wat bewijsmateriaal
dat het overleven van het bewustzijn, na het sterven van het lichaam,
steunt. Aan het andere einde van het spectrum vinden we maar weinig
theorieën over de toestand van de ziel vóór de geboorte
en helemaal niets over de mogelijkheid van het overleven van de ziel
in andere rijken van de natuur. We zien dat delfstoffen, planten, dieren
en mensen hun respectievelijke plaats innemen op de ladder van de evolutie.
Wat we niet zien is wat er gebeurt voor en na het leven op aarde. Het
is alsof we kijken naar een toren die op iedere hoogte een venster heeft,
waardoor we slechts één trede van een wenteltrap zien,
maar niet kunnen zien hoe ze onderling zijn verbonden. Is er een methode
om vast te stellen wat er plaatsvindt in dat grotere deel van het bestaan,
dat onbekend is?
Voor zover wij dat kunnen waarnemen is de natuur door en door consequent
en werkt ze overal ritmisch. Dat blijkt vaak het gevolg te zijn van
een spiraalbeweging die, als we er slechts een deel van zien, op een
golfbeweging lijkt. De golven van de zee zijn een goed voorbeeld. Het
lijkt alsof het water zich langs het oppervlak voortbeweegt, maar dat
is in werkelijkheid niet zo; de individuele waterdeeltjes beschrijven
een verticaal spiraalvormig pad en gaan maar heel weinig vooruit op
het oppervlak van de zee. Ze stijgen en dalen, verheffen zich in de
lucht en duiken weer onder het oppervlak in een bijna cirkelvormige
beweging. Dezelfde soort beweging zien we aan de uiteinden van onze
schaal van afmetingen – in de ruimte en in de atomaire werelden.
Zoals de elektronen om hun proton cirkelen, of planeten om hun gemeenschappelijk
centrum, de zon, draaien, zo beweegt dat centrum zich in een grotere
cirkel om iets anders. Deze cyclussen binnen grotere cyclussen –
wielen binnen wielen – geven een parallel beeld van de wijze waarop
wij tot aanzijn komen en weer van het aardse toneel verdwijnen. We komen
tevoorschijn uit de kosmische oceaan, maken enige vooruitgang op het
zichtbare oppervlak van het leven en trekken ons weer terug in het onzichtbare,
misschien wel om bij te dragen aan het leven van onbekende werelden,
waar andere delen van onze geschakeerde natuur thuishoren.
Een van de meest voorkomende vragen is: ‘Waarom herinneren we
ons onze vorige levens niet?’ Dat doen we wel. We doen dat inderdaad.
Zieleherinnering is onvermijdelijk: ze verschaft ons alles wat we vanaf
de geboorte aan talenten en neigingen bezitten; alleen het alledaagse
en tijdelijke is vergeten, net als de eerste jaren van ieder leven voor
het grootste deel zijn vergeten. We bewaren geen herinnering aan de
gebeurtenissen van ieder moment die ons huidige brein bekend zijn, laat
staan aan die waarbij dat brein nooit was betrokken. Maar de beweeglijke
persoonlijkheid, die haar bestanddelen samenvoegt en ontbindt, omhult
een permanente kern van zieleherinnering. Dat is de magneet die alles
naar zich toetrekt en bijeenhoudt wat bij hem behoort: gedachten, emoties,
atomen van de geest en de ziel. Wanneer het leidende zelf zich bij de
‘dood’ terugtrekt, gaan zij met hun evolutie door; ze bezoeken
andere, vergelijkbare vormen, maken onafhankelijk vorderingen, totdat
hun eigen bewustzijns-gastheer op zijn terugreis naar de aarde hen weer
oproept. Intussen waren ze welkome of niet welkome gasten in andere
zielen en persoonlijkheden en lieten ze een neerslag van herinnering
achter in alles wat hen gastvrijheid verleende.
Telkens als wij door de poort van geboorte gaan, nieuw, zuiver en schijnbaar
zonder herinnering, leren we in een verbazingwekkend korte tijd het
gebruik van de aardse werktuigen – onze ongelooflijk ingewikkelde
hersenen, het spierstelsel en de verschillende zintuigen die beheerst
moeten worden. Hoe meer wij erover nadenken, hoe wonderlijker het lijkt
dat een kind zo gemakkelijk gebruik leert maken van de vermogens van
het lichaam. Het gemak waarmee een baby leert zien, de richting vaststelt
vanwaar geluiden komen, ouders herkent en alle andere wonderen van aanpassing,
zou onmogelijk zijn als het leven niet lang geleden een routine van
bekende handelingen was geworden. Bedenk eens wat er allemaal voor nodig
is om te kunnen lopen en stel tegenover die coördinatie van kundigheden
de meest ontwikkelde eigenschappen van eenvoudiger organismen. En dat
is nog maar het begin. Het kind is spoedig in staat abstracte ideeën
te overwegen en gedachten tot uitdrukking te brengen door middel van
de conventionele spraak, in de een of andere taal – ofwel in verschillende
talen. Zelfs onze eenvoudigste prestaties bewijzen dat we onze rol als
mensen veel gemakkelijker vervullen dan zonder herhaalde oefening mogelijk
zou zijn.
Na zich eerst de gewone dingen die men als mens nodig heeft weer eigen
te hebben gemaakt, past het kind zich wat langzamer aan aan de zeden
van zijn nieuwe omgeving, die cultureel en wat bijzonderheden betreft
zeer kunnen verschillen van zijn vroegere ervaringen. Pas dan is de
persoonlijkheid gereed creativiteit en artistieke gaven te ontwikkelen
die boven het eerder geleerde uitgaan, en kan ze haar evolutionaire
vooruitgang hervatten waar ze het laatst was geëindigd. Maar iedere
ontwikkelde kundigheid en alle verworven kennis zouden een onvruchtbare
aanwinst zijn als we niet beschikten over een steeds ruimer wordend
begripsvermogen dat het geleerde in wijsheid omzet.
We hebben deel aan een onafgebroken stroom van energiedeeltjes op ieder
gebied: ze vormen ons lichaam, onze ziel, emoties, levenskrachten en
spirituele inzichten. We trekken tot onszelf aan wat we begeren en wat
in overeenstemming is met onze stemming en ons karakter. We zijn het
doelwit voor ongewenste gedachten, aangetrokken door onze eigen zwakheden
en hebben ook deel aan een nooit opdrogende bron van goddelijke kracht
– verheven inspiraties die uit de goddelijke bron van het stelsel
dat we bewonen en helpen samenstellen overvloedig door ons innerlijkste,
hogere zelf stromen. Want de mensheid draagt evenzeer bij aan de vorming
van het bewustzijn van ons planetaire leven, als de gesteenten en planten
aan de vorming van het lichaam en de vitaliteit ervan, en wij allen
tezamen aan het scheppen van een ecosfeer voor het gemeenschappelijk
welzijn.
Voor ons mensen, leden van het geslacht homo sapiens, is het
het bewustzijn dat ons leven vormt. Het is de doorgaande stroom van
veranderend bewustzijn vanaf de geboorte tot de dood die onze levenservaring
vormt. Op veel ervan wordt geen acht geslagen. Sommige episoden zijn
van tijdelijk belang. Gedenkwaardige inzichten blijven ons bij als een
spirituele ondergrond van het voorbijgaande panorama van gebeurtenissen.
Daarom wordt ongetwijfeld in de mythologieën van de wereld een
belangrijke rol toebedacht aan de ziel en het geheugen. Onder de Grieken
brachten Ouranos en Gaea (hemel en aarde, of liever de Ruimte en de
Stof) Mnemosyne (herinnering) voort. Aan Zeus, de goddelijke heerser
over de goden, schonk Herinnering negen dochters, de Muzen, die de inspirators
zijn van alle kunsten die de menselijke creativiteit sieren. De Noorse
mythen verlenen een overeenkomstige rol aan de raven van Odin, Hugin
(ziel) en Munim (herinnering), die dagelijks ‘over het slagveld
[de aarde] vliegen’ en aan de Al-vader Odin, de kennis en ervaring
brengen, opgedaan tijdens hun excursies. Enig nadenken toont de overtuigingskracht
van deze beeldspraak: de ziel is het product van alles wat eraan vooraf
is gegaan. Het is het steeds veranderende, groeiende, lerende, verbeterende
element dat de gebeurtenissen ondergaat en het evoluerende deel in ons
vormt. Het geheugen verzamelt intussen een schat aan ervaringen, waardoor
de ziel verdere voortgang kan maken. Vooruitgang zou onmogelijk zijn
als het geheugen er niet was om de verworvenheden te registreren, of
als de ziel er niet was, die voortdurend verandering ondergaat. Zoals
de mythische goden zich belichamen om ervaring in de stof op te doen
en hun wijsheid te vergroten, zo dragen wij, hun kinderen, bij aan hun
kennis terwijl we de onze vermeerderen.
Maar onder alle voortdurende veranderingen, teweeggebracht door de
gebeurtenissen in het leven, houdt het centrale bewustzijn stand, op
aarde of elders; het vergaart herinneringen in alle sferen die het bewoont,
verzamelt in iedere wereld wat dat milieu te bieden heeft aan ervaringen
en inzichten. ’s Nachts, als het lichaam in rust is, krijgt de
ziel een voorproefje van de werelden die ze na de dood vollediger verkent.
Op de bestendigheid van dit registrerende zelf berusten de verschillende
religieuze opvattingen over onsterfelijkheid; tegelijkertijd wordt dit
door de steeds veranderende aard van ons samengestelde karakter tegen
gesproken omdat, waar veranderingen plaatsvinden, verbeteringen of verslechteringen
van de ziel, het niet juist is van onsterfelijkheid te spreken. Toch
is de kern van het bewustzijn van blijvende aard, want ze maakt innerlijk
deel uit van haar ouder, het heelal, en draagt bij tot de gedachtewereld
van de inwonende godheid van dat heelal.
Bewust leven is de essentie van ons allen. Melkwegstelsels wentelen
en brengen de majestueuze levenswielen in beweging, terwijl het onderzoekende
bewustzijn zich op velerlei wijzen tot uitdrukking brengt. De mensheid
is een van deze uitingen, een dun schijfje van het universele zijn;
ieder van ons is een vertegenwoordiger van het goddelijke leven dat
ons heelal activeert, ieder vergaart wat de menselijke intelligentie
kan vergaren en reikt steeds naar het goddelijke. Elke plichtsvervulling
betekent een bijdrage aan de goddelijke natuur van dat wat in onszelf
goddelijk is geworden, en op die manier dragen we aan dat grotere zelf
waarin wij bestaan, dat bij wat waard is het goddelijke doel te dienen.
We kunnen ons slechts vaag voorstellen welke vergezichten besloten liggen
in de bewustzijnen die zich hebben belichaamd in sterren en melkwegstelsels,
omdat wij, als kleuters in een wereld van volwassenen, slechts tot de
knieën van de goden reiken, die tegelijk ons ideaal en onze bestemming
vormen. Wij en zij zijn een deel van het heelal. Alles, vanaf de stoffelijke
moleculen tot het goddelijke, zuivere, onlichamelijke bewustzijn, behoort
ertoe. We bezitten alle eigenschappen ervan, in embryo en in ontwikkeling,
naarmate we onze ware menselijke aard ontplooien en ons erop voorbereiden
in de loop van de eeuwigheden zelf goden te worden. Is het zo vreemd
dat werelden in ieder stadium, vele eeuwen van groei, oefening en ervaring
nodig hebben? Zelfs het vervolmaken van ons menszijn is een lang en
moeilijk proces. Het gebod ‘Wees dus volmaakt, zoals ook uw Vader
in de Hemel volmaakt is’ (Matth. 5:48), moet niet luchtig
worden opgevat. Het is het doel van de mens: bereikbaar, maar niet onmiddellijk,
en mag ook niet worden verwezenlijkt door en voor de enkeling alleen.
Het vraagt om de vervolmaking van de gehele mensheid. Daarom
leggen alle heilige geschriften de nadruk op de noodzaak van volledige
en universele onzelfzuchtigheid, altruïsme.