Het Theosofisch Genootschap

Waar de zoektocht naar rechtvaardigheid toe leidt . . .

W.T.S. Thackara

Toen ik opgroeide in de jaren 1950-60, was reïncarnatie iets vreemds, een naïef of ketters idee, waarmee men de spot dreef of waarover men in vriendelijke maar neerbuigende termen sprak als een onbewijsbare ‘religieuze’ leer uit het Oosten. Omdat ik er niet veel over had nagedacht, nam ik aan dat die meningen waarschijnlijk juist waren en nam ik zo onbewust een algemeen heersend vooroordeel aan. Maar toen het eenmaal tot me doordrong dat reïncarnatie een logische oplossing biedt voor het vraagstuk van de mens en een prachtig beeld geeft van het doel van het leven, begon ik in allerijl mijn familie, vrienden en kennissen te bekeren, in de veronderstelling dat ook zij dat licht zouden willen zien.

In één onvergetelijk gesprek met een oudere buurman en vriend bracht ik het onderwerp naar voren. Zijn baan als organisatieadviseur en zijn stilzwijgen over religieuze zaken deden mij veronderstellen dat hij niet een veelbelovend kandidaat zou zijn voor metafysische vernieuwing. Maar na enkele opmerkingen die ik tegen hem maakte, raakte ik in verlegenheid, want het bleek dat reïncarnatie totaal niet vreemd voor hem was; het was zelfs al jarenlang één van de pijlers van zijn denken. Dit was mijn eerste ontmoeting met iemand die op intelligente wijze over reïncarnatie kon spreken, zijn opmerkingen kon staven met filosofische en wetenschappelijke beschouwingen en ook kon ingaan op spirituele onderwerpen. Ik vroeg hem hoe en wanneer hij voor het eerst serieus in die richting was gaan denken. Hij zei dat hij de dag en omstandigheden precies kon aangeven.

Het was in het begin van de jaren vijftig, ongeveer een jaar na de geboorte van zijn eerste dochtertje, dat hij voor zaken naar Bombay moest. Toen hij kort na zijn landing zijn hotel binnenging, viel zijn oog op een ‘spinnenpoot-kind’. Dit jongetje, geen gewoon bedelaartje, zoals de duizenden die de straten van Bombay bevolken – maar ook geen uitzondering – zat op de stoep en verschoof ieder ogenblik om een wat gemakkelijker houding te vinden. Dat moeten echter vrij nutteloze bewegingen zijn geweest, want hij was afschuwelijk misvormd – ieder bot van zijn armen en benen was opzettelijk door zijn ouders gebroken en in verkeerde richting gezet – wat was bedoeld om het hart van de aalmoesgever te vermurwen en zijn portefeuille te doen openen.

Mijn buurman was ontzet toen hij dat zag. Een golf van emotie sloeg door hem heen toen hij aan zijn dochtertje in Californië dacht, veilig en gelukkig, met alle mogelijkheden in het leven. En hier zat aan zijn voeten dit meelijwekkende, gemartelde wezen, uitgemergeld, verminkt, hongerig en berooid. De tegenstelling was overweldigend en riep slechts één enkele vraag op: Hoe zit het met de rechtvaardigheid?

Als er ooit in zijn leven iets was dat hem wakker schudde, dan was het dit, ‘de eerste dag’, zei hij, van zijn persoonlijke odyssee. Hoe kon hij de realiteit van het spinnenpoot-kind, waarvan het beeld hem steeds achtervolgde, verzoenen met de gedachte van universele rechtvaardigheid; of was het leven uiteindelijk toch ‘een onaangename kosmische grap’? Was dit meelijwekkende jongetje eenvoudig het ongelukkige bijproduct van een blinde evolutie? Of de nachtmerrie van een goddelijke tiran, die hem om onbekende redenen tot een gruwelijk leven had voorbestemd, terwijl anderen werden geboren onder alle mogelijke gunstige omstandigheden? Of was er een andere verklaring? Hij wist het niet, maar hij besefte wel dat hier een probleem lag dat niet kon worden genegeerd en dat hij zelf moest oplossen; een probleem dat hem er uiteindelijk toe bracht theosofische opvattingen over reïncarnatie in overweging te nemen.

Toen ik terugdacht aan dit gesprek en aan de manier waarop anderen werden geconfronteerd met deze essentiële vragen, herinnerde ik mij een opmerking over bereidheid tot leren, die lang geleden werd gemaakt. In het eerste deel van De Staat, Plato’s meesterwerk over rechtvaardigheid, wordt aan Socrates gevraagd: ‘Maar hoe kunt u ons overtuigen, als wij niet willen luisteren?’ Dat is een goede vraag. Het leven schijnt zijn eigen methoden te hebben om ons voor te bereiden en ons tot luisteren te dwingen, want tot het zich ontvouwende drama van onze levenservaringen behoren ook die grote momenten die – soms met een schok, zoals bij het spinnenpoot-kind – onze aandacht opeisen en van ons verlangen dat we onze opvattingen over de werkelijkheid herzien. Dan opent zich een pad van onderzoek zoals Socrates dat zou wensen. Voor hem hield alleen al het stellen van een vraag de bereidheid tot luisteren in, een begin van het levensproces waarin zelfkennis en begrip worden geboren.

Waar is rechtvaardigheid, wat is rechtvaardigheid? Deze vragen hebben de grootste denkers van alle tijden beziggehouden. Onder de filosofen uit historische tijden zijn Plato en Gautama Boeddha opvallende voorbeelden, omdat zij directer en uitgebreider dan de meeste andere denkers hun aandacht op dit onderwerp hebben gericht. De Dialogen van Plato draait geheel om het vraagstuk van rechtvaardigheid, en hetzelfde kan worden gezegd van de dharma van de Boeddha; dharma betekent niet alleen rechtvaardigheid als een uitdrukking van de kosmische wet, maar ook rechtschapenheid, plicht, deugdzaamheid en andere hieraan verwante begrippen. Bovendien begonnen zowel Plato als de Boeddha hun filosofische ontdekkingsreis toen zij diep bewogen waren door onrecht en lijden, en beiden ontdekten ten slotte ‘rechtvaardigheid’ in het hart van het leven, als de as waarom het wiel van de kosmos draait.

Hoewel de uiterlijke vorm van hun filosofieën verschilt, aangepast aan de achtergrond en behoeften van hun respectievelijke culturen, hadden Boeddha en Plato sterk overeenkomende opvattingen over het doel van het leven en de aangeboren mogelijkheden van de menselijke natuur. De mens, zo leerden zij, wordt in de stof geboren, zodat de zaden van verlichting in hem kunnen ontkiemen, rijpen en vrucht dragen. Deze potentiële mogelijkheden worden ontwikkeld door in opeenvolgende levens van volhardende inspanning, deugdzaamheid te vervolmaken, geleid door intuïtie en beheerst door karma of ‘het lot’ (in de zin waarin Plato het woord gebruikt). Met andere woorden, de mens oogst wat hij zaait op het gebied van het belichaamde bestaan; hij is wat hij van zichzelf heeft gemaakt en wordt wat hij wil zijn.

Het is belangrijk om voor ogen te houden dat geen van beide filosofen reïncarnatie onderwees als een dogma dat men blindelings moest geloven, en ze probeerden evenmin een van hun andere leringen zo star te maken als vele latere vertolkers hebben gedaan. Ze onderwezen dat ware kennis, in tegenstelling tot meningen, uit directe ervaring voortkomt en vanzelfsprekend wordt voor een ontwaakte geest, een ‘filosoof’ of iemand die de wijsheid liefheeft. ‘Wees een lamp voor uzelf’, zei Boeddha. ‘Ken uzelf’, schreef Plato, waarmee hij het gebod van de god in Delphi herhaalde. Maar deze uitspraken betekenden niet dat men de waarheid in een toestand van geïsoleerde zelfvoldaanheid zou kunnen verwerven. In hun opvatting van het leven is de mens – net als het heelal – een samengesteld wezen: een staat die periodiek wordt hervormd voor het welzijn van alle schepselen, waarin, ideaal gezien, ieder bijdraagt aan ieder ander, voor elkaars groei. De lamp van onze ‘boeddha-aard’ en het hoger zelf dat we moeten leren kennen (de ‘stichter van de staat’), kunnen we zien als de goddelijke essentie die in ieder mens woont. Het is deze innerlijke mentor die in iedere cyclus van belichaming de groei regelt van de lagere delen van ons wezen.

Kunnen kiezen is noodzakelijk voor de ontplooiing van het menselijk bewustzijn en is vereist als men de mens verantwoordelijk wil stellen voor zijn daden; want welke betere of andere manier om te leren en te begrijpen is er dan de gevolgen te ervaren van ons denken en handelen? We kunnen begrijpen dat rechtvaardigheid (Gr. dikaiosunê) in dit verband iets betekent dat uitgaat boven de gesanctioneerde definities van rechtvaardigheid, vergelding en eerlijkheid. Voor Plato en Boeddha betekende rechtvaardigheid of dharma ook ‘juist handelen’, zijn plichten nakomen en nog veel meer. Rechtvaardig zijn hield in handelen in overeenstemming met de wetten van het leven, leven in harmonie met de symfonie van de natuur, een compositie waaraan steeds wordt gewerkt, waaraan ieder van ons meeschrijft en waarin ieder zijn eigen partij speelt. Volgens deze zienswijze is het niet God, de goden, of de natuur die belonen of straffen; de mens doet dit zelf door zijn keuzes, door vóór of tegen het doel van de evolutie te werken.

Het is duidelijk dat volmaakte rechtvaardigheid en kennis, en ook een volmaakt harmonische leefwijze, niet in één leven kunnen worden bereikt. Sommigen worden door dit vooruitzicht ontmoedigd, maar dat is niet nodig. Denk eens aan de kansen en grotere mogelijkheden die zich voordoen als we ons uit de dwangbuis van de één-leven-theorie bevrijden. Hoe vaak hebben we niet geprobeerd onze begrippen van rechtvaardigheid in te passen in een schema van ‘je leeft maar één keer’, maar steeds was het de dood die als een dief elke poging verijdelde om een brug te slaan tussen eerlijkheid en het duidelijke onrecht in het leven.

Moet het heelal werkelijk worden beroofd van zo’n kostbare eigenschap als rechtvaardigheid, waarnaar we zo innig verlangen en waarvoor onze grote wijzen zoveel hebben opgeofferd om ze te beschermen? Of is uiteindelijk toch brute kracht en niet deugdzaamheid de werkelijke maatstaf van het recht? Geen enkele filosoof of wijze die deze naam verdiende heeft dit ooit gedacht; eeuwigdurende rechtvaardigheid wordt nooit tenietgedaan door de ontbinding van het fysieke lichaam. De gevolgen van onze daden die in dit leven niet worden vereffend, zullen in toekomstige incarnaties op ons wachten. Toch werd een ander soort dood als een wezenlijke mogelijkheid gezien, één die men heel serieus moest nemen, omdat ze betrekking had op de menselijke ziel: die ziel triomfeert over onwetendheid en egoïsme, of ze gaat verloren. Om deze reden spoorden de oude filosofen en wijzen voortdurend iedereen aan om deugden te beoefenen, elkaar lief te hebben en het aan de hogere wet over te laten om de rechtvaardigheid voor het hele leven te herstellen.

Het vraagstuk van de rechtvaardigheid is nu even actueel als vroeger. De grimmige realiteit van het spinnenpoot-kind maakt dit heel duidelijk. Maar de ideeën van karma en cyclische wederbelichaming worden niet alleen naar voren gebracht omdat een bevredigende opvatting van universele rechtvaardigheid dit nodig maakt. Het gaat om belangrijker zaken: namelijk die welke betrekking hebben op misvormingen van het karakter, waardoor zulke gruwelijkheden kunnen plaatsvinden, en om wat ieder van ons in de praktijk kan doen om de oorzaken van tragedies weg te nemen. Deze ideeën beter toegankelijk maken en aantonen dat ze logisch zijn is niet genoeg, al helpt het wel. Het spinnenpoot-kind illustreert de perverse ironie dat reïncarnatie en karma, zelfs in een land waar ze algemeen worden aanvaard, gemakkelijk kunnen worden genegeerd of verkeerd geïnterpreteerd in plaats van het leven te helpen verlichten. Misschien verklaart dat gedeeltelijk waarom zoveel wijzen aarzelden om openlijk over deze onderwerpen te spreken en ze hun leringen vaak opzettelijk voor het publiek versluierden in gelijkenissen en mythen. Niet alleen eiste men van de leerling dat hij een leer begreep, maar wat nog belangrijker was, hij of zij moest die kennis op verantwoorde wijze kunnen toepassen voor het algemene welzijn.

Een prachtig pad opent zich voor hen die gedreven worden door de ‘edele waarheid’ van het lijden, die luisteren naar de roep om werkelijke rechtvaardigheid in het leven, niet de roep om wraak. Als we de continuïteit van ons bestaan door vele levens heen gaan erkennen, en ons best doen te leven voor het welzijn van een ander, krijgt rechtvaardigheid een ander aanzien. Ze wordt niet langer gezien als alleen maar een onpersoonlijke compensatie voor het doen van goed en kwaad; dat komt op de tweede plaats. Rechtvaardigheid wordt een spiritueel licht dat de hele mensheid en de hele natuur verfijnt en verheft, terwijl de kosmische wet steeds vollediger tot uitdrukking komt. Individueel gesproken beginnen we onze rol in het kosmische patroon te zien en een steeds helderder inzicht te krijgen in wat onze plichten zijn en hoe we die het best kunnen nakomen.

Ook ons besef van het lijden verandert in belangrijke mate als we gaan inzien dat niet al het lijden het gevolg is van eerder bedreven kwaad, maar vaak het kenmerk is van een sterke ziel die verkiest om onder moeilijke omstandigheden te werken voor een groter goed. We doen er daarom goed aan om ons van een oordeel over hen die onder moeilijkheden gebukt gaan te onthouden, want wie van ons kent alle innerlijke oorzaken die hier tot uitdrukking komen? Het is veel beter het lijden te verlichten, voor zover dat in ons vermogen ligt.

Volgens de filosofen kunnen de diepste inzichten over rechtvaardigheid slechts worden verworven door een leerwijze te volgen die door de oude scholen goed werd omschreven: ‘discipline [waaraan we het woord discipel ontlenen] gaat aan de mysteriën vooraf.’ Om het hart van het leven te begrijpen, wordt de leerling gevraagd de waarheid te worden die hij of zij zoekt. Eenvoudig gezegd, als we echt willen weten wat rechtvaardigheid is, moeten we rechtvaardig worden. Een puur intellectuele benadering leidt zeker tot mislukking:

Deze kennis is namelijk niet iets dat net als andere wetenschappen onder woorden kan worden gebracht; maar na een langdurige uitwisseling tussen leraar en leerling, in een gezamenlijke studie van het onderwerp, wordt ze plotseling, als een licht dat opvlamt wanneer een vuur wordt ontstoken, in de ziel geboren en voedt daarna zichzelf. – Plato, Brief 7, 341c

Waar de zoektocht naar rechtvaardigheid toe leidt, dat moet ieder van ons zelf bepalen, want we kunnen alleen onze eigen ervaringen werkelijk begrijpen, niet die van een ander. Toch kunnen we iets leren van hen die met heel hun hart en met volharding dit veelbetreden pad hebben gevolgd. Zij hebben inzicht verworven, en kwamen terug met hetzelfde verhaal over hun intelligente verwondering over en hun vertrouwen in het grootse plan van het leven. Dit is een stimulans en bemoediging voor ons allemaal.

Artikelen over reïncarnatie


Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1985

Herziene vertaling: Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), september 2017, nr. 80.

© 2017 Theosophical University Press Agency