Het zegel van The Theosophical Society

 

Het zegel van The Theosophical Society is een variant van H.P. Blavatsky's persoonlijke zegel, dat ze gebruikte vóór de Society in 1875 werd gesticht. De symbolen die het bevat zijn zo oud dat niemand weet wanneer ze voor het eerst werden gebruikt om universele ideeën tot uitdrukking te brengen. Ze zijn veel ouder dan welke politieke, maatschappelijke of andere moderne toepassingen ook. Ze maken in feite deel uit van de universele mysterietaal die heilige waarheden van de natuur zonder woorden aan de geest kan overbrengen.

De Slang met haar staart in de bek: Een heel oud symbool dat de eeuwigheid uitbeeldt en de voortgang van de cyclische tijd. Net als de bijbelse slang uit het verloren Paradijs vertegenwoordigt ze, mystiek opgevat, de wijsheid en, op grond van haar vermogen haar huid af te werpen, vernieuwing en wedergeboorte. Als cirkelvormig symbool betekent het voor de hindoes het uitademen en inademen van Brahmâ ('uitbreider'), de kosmische schepper: als Brahmâ uitademt, komen de werelden tot aanzijn; als hij inademt, wordt alles weer in de goddelijke essentie opgenomen. De neergaande boog van het slangenlichaam duidt op werelden die in de stof afdalen, de opgaande boog op hun evolutie naar de geest. De spiraalbeweging is eeuwig en duidt op evolutie in de loop van de tijd. De cirkel zelf vertegenwoordigt volmaking en het herstel van de universele harmonie, en ook het grenzeloze waaruit alle manifestatie voortkomt en waarin alles weer terugkeert. Men vindt het symbool ook in het oude Egypte, Griekenland en West-Afrika en bij boeddhisten en jains, gnostici en alchemisten.

De Swastika: Een Sanskrietwoord met de betekenis van 'welzijn', 'voorspoedig' -- het eeuwige symbool van geluk dat van oudsher wordt aangetroffen in de oude beschavingen van India, China, Japan en de beide Amerika's, en in Griekenland en Rome (ook bij de eerste christenen). In Scandinavië was ze de hamer van Thor en in India de discus van Vishnu en het kruis van de jains. In het boeddhisme betekent ze het 'wiel van de Wet'. Als symbool van de evolutie en de eeuwigdurende beweging duidt de swastika op de eeuwig-karnende 'molen van de goden', met de ziel als centrum, terwijl de gebogen armen de eeuwigdurende wenteling betekenen van de levenswielen tijdens het universele bestaan. Als we foto's bekijken van verafgelegen spiraalmelkwegstelsels, zien we dat ze in hun wervelbeweging veel gelijkenis vertonen met de swastika's.

De Vervlochten Driehoeken: Terwijl ze in het westen bekend zijn als het zegel of de ster van koning Salomo, waren ze in India bekend als het zegel van Vishnu. De vervlochten driehoeken duiden op de bipolariteit in de natuur -- geest en stof, of mannelijk en vrouwelijk. De top van de witte driehoek vertegenwoordigt de goddelijke monade, de top van de zwarte driehoek de gemanifesteerde werelden. De omhooggerichte driehoek stelt de geest voor, bewustzijn en verborgen wijsheid, die zich spiegelen in de omlaag wijzende driehoek die staat voor de stof, de ontvankelijke ruimte, manifestatie of de onthulde wijsheid. De zijden van de donkere driehoek kunnen vorm voorstellen, kleur en substantie, de drie guna's of fundamentele eigenschappen, en de scheppende, behoudende en vernietigende/vernieuwende krachten van de hindoe-triade, Brahmâ, Vishnu en Shiva.
    Samen vertegenwoordigen de driehoeken het gemanifesteerde heelal, geëvolueerd uit het centrale punt binnen de slang-cirkel van tijd en ruimte. Ze vormen ook de zeshoek van de zes beginselen, de kosmische en menselijke, die voortkomen uit en één zijn in het centrale punt, het zevende en hoogste zelf van elk evoluerend wezen. Ze brengen dus de zevenvoudige structuur van het heelal tot uitdrukking. Het kruis in het midden is de innerlijke persoon, die alle dingen van de zes zijden raakt door middel van de zes driehoeken. De zes punten van de ster wijzen naar buiten naar de slang van de eeuwigheid en groeien en evolueren in de loop van de tijd.

Het Geluste Kruis, Ankh, of Tau: Een heilig symbool dat in het bijzonder is verbonden met het oude Egypte en duidt op leven, vernieuwing, en de neerdaling van de geest uit innerlijke gebieden in de stoffelijke werelden. Het kan wijzen op een heelal in embryonale toestand, waarbij de cirkel de kosmische of geestelijke kiem of het ei vertegenwoordigt, zwevend boven het kruis van de stof dat daaruit is voortgekomen, of de onbeperkte, ongeschapen ruimte. Astronomisch is het het teken voor Venus, de zuster-planeet van de aarde en bewaker van de mensheid. Toegepast op de mensheid kan het de evolutie vertegenwoordigen tot de bipolariteit van het mannelijke en het vrouwelijke, maar ook de ingewijde die de sleutel tot de mysteriën in handen houdt wanneer hij met zijn eigen geestelijke intelligentie is verenigd.
     Deze geestelijke symbolen die samen het zegel vormen van The Theosophical Society omvatten een hele filosofie van de innerlijke werkingen van de mens en de universele natuur. Als geheel vertegenwoordigt het zegel de geestelijk herboren mens, gesymboliseerd door de tau/het kruis in het midden, die evolueert door de zes menselijke en kosmische beginselen en wordt omringd door de slang van evolutie van de geest in en door de stof. Op grotere schaal symboliseert het ook een heelal dat zich uit de kosmische geest tot manifestatie komt.

 

Het zegel dat hier is afgebeeld is een kopie van het oorspronkelijke zegel van de TS, afgedrukt in de eerste Statuten en Reglementen van de Society, van 30 oktober 1875.

Voor verdere inlichtingen kunt u zich wenden tot:

Het Theosofisch Genootschap
Daal en Bergselaan 68
2565 AG Den Haag
tel. 070-3231776

Internationaal Hoofdkwartier
The Theosophical Society
Post Office Box C
Pasadena, California 91190-7107
Verenigde Staten