Een verkenning van de theosofie

Online editie

Vertaling van: Exploring Theosophy

Omslag naar het schilderij ‘Prairie Path’ van Patrice Hughes

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever iets worden overgenomen.

© 2007  Theosophical University Press Agency,
Den Haag

  Inhoudsopgave  

 

 

Oneindige onvolmaaktheid

 

Als we naar onze aarde, Gaia, kijken, kan men moeilijk ontkennen dat we bij elkaar horen. Velen van ons staan ergens op deze foto en door op deze manier ernaar te kijken, worden we eraan herinnerd dat wij er allemaal deel van uitmaken, letterlijk. Hoeveel wegen er innerlijk misschien ook zijn, we volgen in wezen allemaal dezelfde weg. Bij nadere beschouwing van de foto zien we een levend wezen, bezield zoals wijzelf, dat evolueert en groeit zoals wijzelf. Wanneer de aarde zich ontwikkelt, ontwikkelen wij ons, en omgekeerd.

Maar tot wat evolueren wij? Vaak verkondigen heilige geschriften dat het hoogste doel vervolmaking is. Het Prajñaparamita Sutra, bijvoorbeeld, een van de belangrijkste mahayana-boeddhistische geschriften, vertelt ons over de zes volmaaktheden (vrijgevigheid, ethisch handelen, geduld, krachtdadigheid, concentratie en wijsheid), maar moeten we dan geloven dat er een niveau van ethisch handelen of van geduld bestaat dat niet kan worden verbeterd? De bijbel zegt ons, ‘Wees daarom volmaakt, zoals uw Vader in de Hemel volmaakt is’ (Mattheus 5:48). Volmaaktheid betekent meestal dat er geen verdere evolutie mogelijk is en wijst duidelijk op een definitief en absoluut einde. Men vraagt zich dan ook af of volmaaktheid een feitelijke werkelijkheid is of een bruikbaar idee; een bereikbaar doel of een zinvol streven. Als we de eindeloze uitgestrektheid van ons heelal beschouwen, zichtbaar en onzichtbaar, kunnen we ons dan werkelijk voorstellen dat er een definitief einde is, een laatste episode waarna geen verdere hoofdstukken meer worden geschreven, een oneindigheid die eindigt?

Theosofie spreekt alleen over tijdelijke eindpunten, betrekkelijke volmaaktheden en mini-voltooiingen tot de volgende fase van de reis begint. Volmaaktheid is altijd contextgebonden, want ze impliceert dat er iets is voltooid, en hoe zou er in een oneindig heelal uiteindelijke volmaaktheid kunnen zijn of een uiterste getal? Omdat we slechts naar vergankelijke grenzen, begrensde rustpunten en kortstondige volmaaktheden kunnen reizen, stelt de theosofische filosofie dat onze pelgrimstocht in de kern een eindeloos voortgaand worden is:

De Geheime Leer verkondigt de steeds verdergaande ontwikkeling van alles, van zowel werelden als atomen; en deze indrukwekkende ontwikkeling heeft noch een denkbaar begin, noch een einde dat men zich kan voorstellen. Ons ‘heelal’ is er slechts één uit een oneindig aantal heelallen, . . . waarvan ieder zich tot zijn voorganger verhoudt als gevolg, en tot zijn opvolger als een oorzaak.

Het verschijnen en verdwijnen van het heelal wordt voorgesteld als een uitademing en inademing van de ‘grote adem’, die eeuwig is en die, omdat hij beweging is, een van de drie aspecten van het Absolute is; de andere twee zijn abstracte Ruimte en duur. Als de ‘grote adem’ wordt geprojecteerd, wordt hij de goddelijke adem genoemd en wordt hij beschouwd als het ademen van de onkenbare godheid – het ene Bestaan – die als het ware een gedachte uitademt die de Kosmos wordt. . . . Zo verdwijnt ook, als de goddelijke adem weer wordt ingeademd, het heelal in de schoot van de ‘grote moeder’, die dan slaapt ‘gewikkeld in haar onzichtbare gewaden’.
     – H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 1:73

Dit werd geschreven in 1888 toen de westerse wetenschap dacht dat er in het heelal maar één melkwegstelsel was – het onze. In haar geschriften doet H.P. Blavatsky veel moeite om te beschrijven dat het heelal altijd volgens grondbeginselen werkt, en een van die grondprincipes is dat alles wat zich manifesteert, dit periodiek doet, cyclisch. ‘Manifesteren’ heeft betrekking op alles wat vorm aanneemt – gedachten, ideeën en gevoelens, maar ook zichtbare, fysieke vormen. Op basis van zo’n inzicht in cyclussen kunnen we de filosofie van karma (cyclussen van activiteit) en reïncarnatie (cyclussen van wedergeboorten) begrijpen.

De aard van de geest die zich uitdrukt in de stof is cyclische beweging. De wisseling van dag en nacht, licht en donker, is zo sterk verbonden met ons gevoel voor een opeenvolging in de tijd dat we gemakkelijk vergeten dat dit planetaire ritmen zijn die voortkomen uit het ronddraaien van de aarde om haar as. Wanneer we in een kamer zitten is de illusie van stilstand zo werkelijk dat we er gemakkelijk aan kunnen twijfelen dat Gaia, en wij met haar, ronddraaien met een snelheid van 27 km per minuut, ruwweg 1600 km per uur (40.000 km per dag) gemeten aan de evenaar. Intussen spoedt het wezen dat we het zonnestelsel noemen door de ruimte met een snelheid van 200 km per seconde rond haar galactische middelpunt. De wiebelige aarde, u en ik, jagen om de zon en razen per jaar voort langs meer dan 900 miljoen km onbekend gebied – terwijl we al die tijd worden meegevoerd door ons melkweg-ruimteschip dat vooruitschiet met een snelheid van 320 km per seconde. Terwijl we onze verjaardagen en jubilea markeren, kunnen we ons verbeelden dat onze dagen, onze jaren en levens onafgebroken rondcirkelen en weer terugkeren tot waar ze begonnen, maar in feite maken we een reis door een splinternieuw gebied in de ruimte: elke seconde zijn we op een nieuwe plek, hoewel de vertrouwde ‘vaste punten’ van de equinoxen en zonnestilstanden ons houvast bieden.

Als we hierover nadenken, dan zien we dat alles – zielen, gedachten, mensen – zijn eigen ritme en beweging heeft. De aarde die om de zon cirkelt, en de maan die om de aarde draait, en de seizoenen die het gevolg zijn van dit gewervel en gedraai, zijn te vergelijken met de cyclussen van geboorte, bloei, dood en wedergeboorte waaraan we psychisch, verstandelijk en spiritueel deelhebben. Cyclussen binnen cyclussen: ons bloed stroomt ritmisch, onze ademhaling verloopt cyclisch, en ’s nachts maken we slaapcyclussen door. Als kinderen van de zon, maan en aarde nemen we met hen deel aan voortgaande cyclussen van evolutie en involutie, innerlijk en uiterlijk – cyclussen die voortvloeien uit de universele polsslag van de kosmos en synchroon daarmee verlopen; en die kosmos heeft op zijn beurt de kern van de kern van het goddelijke als zijn centrale zon. Als we aan de overeenkomsten denken tussen de structuur van een atoom en die van de kosmos, dan kunnen we ons zelfs voorstellen dat ons lichaam uit miniatuurzonnestelsels is samengesteld, die elk uit ontelbare levens bestaan. Het is een feit dat drie of vier dagen nadat een menselijke eicel is bevrucht, en zich heeft gedeeld en vermenigvuldigd, deze eruit gaat zien als een klein planeetje.

Zoals ieder van ons zich beschouwt als een uniek wezen, zo is ook het zonnestelsel een wezen. In de hindoe-traditie wordt ons hele zonnestelsel het Ei van Brahma genoemd, en kan worden gezien

als een reusachtig eivormig samengesteld lichaam dat in de ruimte zweeft; en als een astronoom op een verafgelegen bol in de stellaire ruimte ons Ei van Brahma zou zien en als hij het zou zien vanaf het daarvoor geschikte hogere gebied of de daarvoor geschikte hogere wereld, dan zou het hele zonnestelsel hem voorkomen als een bolvormig lichaam van licht – als een eivormige onoplosbare nevelvlek . . . bestaande uit concentrische sferen met de zon als middelpunt, en elk van deze sferen is een kosmische wereld. Het hart – het hart van elk van hen – is de zon. De wereld of sfeer van onze aarde is er één van en ze omringt de zon als een sfeer van dichte substantie, en de kern van deze sfeer of dit ei, want dat is het, is wat we gewoonlijk onze aarde noemen. Dat geldt ook voor de sfeer van Mercurius, voor de sfeer van Venus, de sfeer van Mars, ook van Jupiter en ook van Saturnus . . .
      – G. de Purucker, De Vier Heilige Jaargetijden, blz. 11-12

De omloopbaan van de aarde is dus niet slechts een onzichtbare weg, maar bepaalt in feite de contouren van het wezen van de aarde. Het lichaam van de planeet dat wij zien is een tijdelijk brandpunt van de spirituele en stoffelijke krachten van dat wezen. De baan van de aarde ligt binnen de baan van Mars zoals de ene pop past in de andere, niet, zoals sommigen denken, als vaste kristallijnen bollen, maar als gebieden die elkaar doordringen. Zoals Ezechiël zei: ‘wielen binnen wielen’. De omloopbaan van Mars ligt binnen die van Jupiter zoals de rok van een ui; en de baan van het zonnestelsel rond het centrum van het melkwegstelsel beschrijft weer een ander niveau of gebied of wereld van bewustzijn, waarin een oneindig aantal bewustzijnen leven.

Wanneer we ons spiraalvormige melkwegstelsel beschouwen, beginnen we misschien te begrijpen wat het Prajñaparamita Sutra bedoelt als het spreekt over ‘alle bewuste wezens in dit stelsel van miljarden werelden’. Elke planeet, maan en ster is een uitdrukking, een tijdelijk brandpunt, van een kosmisch wezen dat zich in verschillende werelden of gebieden manifesteert en dat wordt bevolkt door entiteiten en bewustzijnen – concentrische sferen die elk alle andere omvatten. Zó is de evolutionaire en revolutionaire structuur van het heelal, zowel van het heelal om ons heen als van dat binnenin ons. Wij mensen zijn cellen in het lichaam van de aarde, het zonnestelsel en het melkwegstelsel; en zoals ons lichaam is opgebouwd uit levende bewustzijnen, zo is ook ieder van ons een levend stukje van de planeet aarde. We kunnen dan wel denken dat we op de aarde leven, maar we leven erin zoals we ook in de zon leven. De sterren staan miljoenen kilometers van ons af en zijn overdag voor ons onzichtbaar; toch is een of ander aspect van hen altijd aanwezig – onzichtbaar, ver weg, maar wel aanwezig.

De werkelijke mens is onzichtbaar. Ieder van ons zou een oog kunnen verliezen, of een of twee ledematen, en toch zouden we nog steeds onszelf zijn (vreemd om te bedenken hoeveel van ons fysieke lichaam we zouden kunnen missen terwijl we er toch nog zijn). In essentie zijn we onzichtbare wezens die zich manifesteren door middel van een verscheidenheid van voertuigen van geest, denken en begeerte, en dan zijn we ook nog kosmische reizigers. Als onze incarnatie op aarde begint, dragen we ‘ruimtepakken’ van één cel. Ons lichaam verandert, ons voertuig verandert, maar het leven gaat door. Zoals de zon de planeten in hun baan houdt, zo verenigt onze goddelijke zon alle aspecten van ons wezen en houdt die bijeen in één samenhangend geheel. Ieder van ons is als een zonnestelsel met spirituele krachten die door onze innerlijke goddelijke zon stromen. En heel vaak zijn we ook te vergelijken met de telescopen waarover Judge schreef, naar buiten gericht op een punt waar de Werkelijkheid niet is, terwijl we vergeten ons naar binnen te keren naar de onzichtbare zon in de kern van ons wezen. Omdat het leven eindeloos ingewikkeld is, moeten we altijd dieper speuren en onder de oppervlakte kijken van wat we nu begrijpen. Er is geen einde aan deze cyclussen, geen uiteindelijke eens-en-voor-altijd volmaaktheid, maar een doorgaande reeks van zich steeds vervolmakende processen.

Het is heel bemoedigend te ontdekken dat de natuur zichzelf voortdurend herhaalt. Wat vorm en manier van werken betreft is ze op een of andere manier eindeloos scheppend, eeuwig zich herhalend. Zoals ook het Hermetische axioma zegt, is elke aardse structuur zelf opgebouwd uit kleinere structuren die dat patroon weerspiegelen en herhalen, en ze overtreft en omvat alles wat lager staat dan zijzelf. Ook wordt elk leven gevormd door een tijdelijke concentratie van kleinere levens, zoals Arthur Koestler zich een holon voorstelde: ‘een entiteit die zelf een geheel is, en tegelijkertijd een deel van een ander geheel’. Alles leeft en is een leven. De goddelijke reis is niet bedoeld om onszelf te bevrijden van de natuur, want de menselijke natuur, moeder natuur en de kosmische natuur zijn alle één. Ze is bedoeld om onszelf te bevrijden van de illusie dat deze wezenlijk verschillend zijn. De goddelijke weg heeft te maken met het verruimen van het terrein van ons bewustzijn en dit niet te beperken tot alleen maar de aarde en haar baan, maar uit te breiden tot alle planeten in ons hele zonnestelsel. Het gaat om het verschuiven van ons persoonlijke zwaartepunt, het centrum dat zich nu vaak op ons kleine ik richt, en dit te verplaatsen naar de goddelijke zon.

 


Een verkenning van de theosofie, blz. 29-34

© 2007  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag


De meeste mensen leven aarzelend, onzeker over het doel om zich op te richten; ze hanteren in het leven geen welomlijnde normen; daardoor werkt hun karma op een verwarde manier. Maar als men eenmaal de drempel van kennis heeft bereikt, begint de verwarring te verminderen, en daardoor nemen de karmische gevolgen enorm toe, omdat al die gevolgen op de verschillende gebieden in dezelfde richting werken. Het individu heeft door zijn groei de staat van verantwoordelijkheid bereikt; het kan niet terugkrabbelen.