Occulte woordentolk
Een handboek van oosterse en theosofische termen
G. de Purucker

bestel boek

tweede herziene druk 2011

© 2011  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

– N –

Natuur
De bewustzijnskant van de natuur bestaat uit enorm grote hiërarchieën van goden, ontwikkelde kosmische geesten, spirituele entiteiten, kosmische afgestudeerden aan de universiteit van het leven. De stoffelijke kant van de natuur is de heterogene stof, de stoffelijke wereld met haar vele verschillende gebieden, in alle stadia van onvolmaaktheid – maar al deze gebieden zijn bevolkt door menigten evoluerende en groeiende entiteiten. In de moderne theosofie wordt voor de natuur de passende term prakriti gebruikt, of nog beter mulaprakriti – de altijd levende kosmische voortbrenger, de eeuwig vruchtbare moeder, van het heelal. Wanneer een theosoof over de natuur spreekt, bedoelt hij daarmee nooit alleen de fysieke wereld, tenzij hij de term daartoe beperkt, maar de onmetelijke uitgestrektheden van de universele kosmos en meer in het bijzonder de innerlijke gebieden, de oorzakelijke factoren van het grenzeloze Al. Daarom kan alleen een groeiend begrip van de natuur in deze zin – met andere woorden een begrip van de werkelijkheid – de basis verschaffen voor een religie die op onveranderlijke werkelijkheden berust.

Neergaande boog (of schaduwboog) (zie opgaande boog)

Nirmanakaya (Sanskriet)
Een samenstelling van twee woorden: nirmana, een tegenwoordig deelwoord dat ‘vormende’, ‘scheppende’ betekent; en kaya, een woord dat ‘lichaam’, ‘gewaad’, ‘voertuig’ betekent; nirmanakaya betekent dus ‘gevormd lichaam’. Een nirmanakaya is in feite een toestand die een bodhisattva aanneemt of ingaat; een bodhisattva is een individueel, halfgoddelijk geworden mens die, om gewone taal te gebruiken, in plaats van te kiezen voor zijn beloning in het nirvana van een lagere graad, op aarde blijft uit medelijden en mededogen met de lager staande wezens, waarbij hij zich hult in het nirmanakaya-kleed. Wanneer aan deze toestand een einde komt, betekent dat het einde van de nirmanakaya.

Een nirmanakaya is een volledig mens met alle beginselen van zijn samenstelling behalve het lingasarira en het bijbehorende fysieke lichaam. Hij is iemand die op het bestaansgebied leeft dat onmiddellijk boven het fysieke gebied ligt, en zijn bedoeling daarmee is de mensen tegen zichzelf te beschermen door bij hen te zijn en hen voortdurend gedachten van zelfopoffering, van zelfvergetelheid, van spirituele en morele schoonheid, van onderlinge hulp, van mededogen en medelijden in te geven.

Exoterisch gesproken, is de nirmanakaya het derde of laagste van wat in het Sanskriet trikaya of ‘drie lichamen’ wordt genoemd. Het hoogste is de dharmakaya, in welke toestand nirvani’s en de volledig ontwikkelde pratyekaboeddha’s, enz., zich bevinden; de tweede toestand is die van sambhogakaya, die tussen de eerstgenoemde en de derde, de nirmanakaya, in ligt. Het nirmanakaya-kleed of de nirmanakaya-toestand maakt het voor degene die zich daarin hult mogelijk om in contact te staan met de wereld van de mensen en met hen mee te leven. De sambhogakaya stelt hem die in die toestand verkeert in staat zich in zekere mate bewust te zijn van de wereld van de mensen en van haar leed en zorgen, maar hij heeft weinig macht of neiging hulp te verlenen. Het dharmakaya-kleed is zo zuiver en heilig, en in feite zo verheven, dat degene die de dharmakaya bezit of zich in die toestand bevindt, praktisch geen contact heeft met iets wat lager is dan hijzelf. Daarom leven en werken de boeddha’s van mededogen, de grootste wijzen en zieners en alle verheven en heilige mensen die door hun eeuwenlange inspanningen de innerlijke god manifesteren en tot activiteit brengen, in het nirmanakaya-kleed, zo niet in fysieke vorm. De leer van de nirmanakaya’s is een van de meest tot nadenken stemmende, diepzinnige en mooie leringen van de esoterische filosofie. (Zie ook dharmakaya, sambhogakaya.)

Nirvana (Sanskriet)
Dit woord is samengesteld uit twee delen: nir, ‘uit’, en vana, het voltooid deelwoord van de wortel va, ‘blazen’, en betekent letterlijk ‘uitgeblazen’. De betekenis van het oude Indiase denkbeeld (en zelfs van de taal, het Sanskriet) is zo slecht begrepen dat Europese wetenschappers er vele jaren lang over hebben gediscussieerd of met ‘uitgeblazen zijn’ werkelijke vernietiging van de entiteit wordt bedoeld of niet. Maar het uitgeblazen zijn heeft alleen betrekking op de lagere beginselen in de mens.

Nirvana is iets heel anders dan de ‘hemelen’. Nirvana is een toestand van volstrekte gelukzaligheid en van volmaakt, onbelemmerd bewustzijn, een toestand van opgaan in zuiver kosmisch zijn, en is de verbazingwekkende bestemming van hen die bovenmenselijke kennis en zuiverheid en spirituele verlichting hebben bereikt. Het betekent in feite het persoonlijk-individueel opgaan in of beter gezegd de vereenzelviging met het zelf – het hoogste zelf. Het is ook de toestand van de monadische entiteiten in de periode die ligt tussen kleinere manvantara’s of ronden van een planeetketen; en in nog hogere mate, tussen elke periode van zeven ronden of dag van Brahma, en de volgende dag of nieuwe kalpa van een planeetketen. Op dat moment, na voltooiing van hun verblijf op de zevende bol in de zevende ronde, zullen de monadische entiteiten nog veel verder zijn gevorderd dan de hoogste toestand van devachan. Ze zijn zelfs te zuiver en te ver gevorderd voor een toestand van devachanische gelukzaligheid, en gaan naar de sfeer en toestand die voor hun geschikt is namelijk het nirvana dat volgt op het einde van de zevende ronde.

Devachan (zie aldaar) en nirvana zijn geen plaatsen. Het zijn toestanden, toestanden van de wezens die zich in die respectieve spirituele omstandigheden bevinden. Devachan is de tussenliggende toestand, nirvana de superspirituele toestand, en avichi, gewoonlijk de laagste van de hellen genoemd, is de tegenpool van de spirituele toestand. Dit zijn drie toestanden van wezens die in de loka’s of tala’s wonen, de werelden van het kosmische ei.

Voor de individuele mens geldt dat de nirvanische toestand door grote spirituele zieners en wijzen, zoals Gautama de Boeddha, kan worden bereikt, en zelfs door mensen die minder ver gevorderd zijn dan hij. Want in die gevallen waarin nirvana zelfs tijdens het leven van een mens op aarde wordt bereikt, betekent dit dat zo iemand door evolutie zo ver op het pad is gevorderd dat het gehele lagere persoonlijke deel van hem volledig onpersoonlijk is geworden, dat het persoonlijke zich in het kleed van onpersoonlijkheid heeft gehuld, en dat hij daarna in de nirvanische toestand van de spirituele monade leeft.

Hoewel nirvana de ultima Thule is van de volmaaktheid die door ieder mens moet worden bereikt, wordt het door mystici niettemin minder hoog geschat dan de toestand van een bodhisattva. Want de bodhisattva, die op de drempel van nirvana staat en de onuitsprekelijke glorie, vrede en rust ziet en begrijpt, blijft niettemin met zijn bewustzijn in de wereld van de mensen om zijn veelomvattende vermogens en krachten in dienst te stellen van al wat is. De boeddha’s treden, wat hun hogere delen betreft, nirvana binnen, met andere woorden nemen de dharmakaya-toestand of het dharmakaya-kleed aan, terwijl de bodhisattva het nirmanakaya-kleed aanneemt om daarna een altijd actieve, meedogende en goede invloed in de wereld te worden. Een boeddha handelt indirect en op afstand en helpt de wereld door een goede invloed te verspreiden, maar een bodhisattva handelt direct en met een gerichte wil door werken van mededogen te verrichten voor de wereld en voor mensen individueel.

Nivritti (zie involutie, ook evolutie)

Niyama (zie samadhi)

Noëtisch (Grieks)
Het bijvoeglijk naamwoord dat bij nous (zie aldaar) hoort.

Nous (Grieks)
Dit is een term die door Plato vaak werd gebruikt voor wat in de moderne theosofische literatuur gewoonlijk het hogere manas wordt genoemd, of het hogere denkvermogen of de spirituele ziel, het samengaan van buddhi en manas in de mens en van hun eigenschappen, overschaduwd door atman. Er moet een heel scherp onderscheid worden gemaakt tussen nous aan de ene kant, en de dierlijke ziel of psyche en de werkingen daarvan aan de andere kant, en de twee moeten niet worden verward. In het occultisme is de kosmische nous de derde logos, en in het geval van de samenstelling van de mens, of in de menselijke pneumatologie, is de nous buddhi-manas of het hogere manas of de spirituele monade.

 


Occulte woordentolk, blz. 137-42

© 2011  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag