Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Een korte schets van de theosofie

[Lucifer, december 1893, blz. 274-7]
[Uit het officiële rapport van het Wereldparlement van Religies]

Een onpartijdig onderzoek van de geschiedenis, religie en literatuur zal aantonen dat er sinds de oudheid een groot stelsel van filosofische, wetenschappelijke en ethische leringen heeft bestaan dat de basis en de oorsprong vormt van alle soortgelijke tegenwoordige denkstelsels. Dit grote stelsel is zowel religieus als wetenschappelijk en verzekert ons dat religie en wetenschap nooit moeten worden gescheiden. Het verkondigt verheven religieuze en ideële leringen, maar toont tegelijkertijd aan dat dit alles met ons verstand kan worden beredeneerd, en dat geen ander gezag enige plaats toekomt. Hierdoor is de huichelarij die voortvloeit uit het op gezag verkondigen van dogma’s waarvan niemand kan aantonen dat ze op het gezonde verstand zijn gebaseerd, onmogelijk. Dit oude stelsel van leringen is bekend als de ‘wijsheid-religie’ en het werd altijd onderwezen door adepten of ingewijden daarin, die het in alle tijden in stand houden. Op basis daarvan en van andere leringen die zijn toegelicht, wordt aangetoond dat de mens, die geest is en onsterfelijk, zijn werkelijke leven en bewustzijn kan laten voortbestaan, en dit ook in alle tijden heeft gedaan in de persoon van die edele bloemen van de mensheid die lid zijn van een oude en edele broederschap. Deze broederschap houdt zich bezig met de ontwikkeling van de ziel van de mens, en daarbij zouden evolutieprocessen op alle gebieden een rol spelen. De ingewijden, die zich moeten houden aan de wet van evolutie, moeten met de mensheid werken voor zover haar ontwikkeling dat toelaat. Daarom maken ze van tijd tot tijd dezelfde leer opnieuw bekend, die bij verschillende volkeren en op verschillende plaatsen van tijd tot tijd verduisterd raakt. Dit is de wijsheid-religie, en zij zijn de bewakers ervan. Soms komen ze naar voren in een volk als een grote leraar en ‘verlosser’, die niets anders doet dan de oude waarheden en ethische stelsels opnieuw verkondigen. Dit houdt dus in dat de mensheid een vermogen tot vervolmaking bezit die wat duur en ook wat kwaliteit betreft, onbegrensd is, terwijl de verlossers en adepten tot voorbeelden van die mogelijkheid worden gesteld.

H.P. Blavatsky verklaarde dat ze van deze levende en nu actieve groep vervolmaakte mensen de impuls kreeg om de oude denkbeelden opnieuw naar voren te brengen, en van hen ontving ze ook verschillende sleutels tot oude en moderne leringen die tijdens meer recente pogingen tot beschaving verloren waren gegaan; en ook dat ze van hen leringen had verkregen die in feite heel oud zijn, maar in exoterische vorm voor de huidige tijd geheel nieuw zijn. Deze leringen en andere sleutels die ze aan haar medeleden en aan de wereld in het algemeen verschafte, heeft ze beschreven. Dit, gevoegd bij het getuigenis van alle tijden dat is te vinden in de annalen van alle volkeren, geeft ons nadrukkelijk de verzekering dat deze oude geleerde en menslievende groep adepten op deze aarde nog bestaat en zich voor de ontwikkeling van de mensheid inzet.

Theosofie gaat uit van een eeuwig beginsel, dat men het onbekende noemt en dat nooit kan worden gekend behalve in de manifestaties ervan. Dit eeuwige beginsel bevindt zich in en is elk ding en elk wezen; het manifesteert zich periodiek en eeuwig en trekt zich dan weer uit de manifestatie terug. Evolutie vind plaats in deze eb-en-vloed-beweging en is zelf het voortgaande proces van manifestatie. Het waargenomen heelal is de manifestatie van dit onbekende, dat geest en stof omvat, want volgens de theosofie zijn die niets anders dan de twee tegengestelde polen van het ene onbekende beginsel. Ze bestaan naast elkaar, zijn niet van elkaar gescheiden en kunnen ook niet worden gescheiden, ofwel, zoals in de hindoegeschriften staat, er is geen deeltje stof zonder geest en geen deeltje geest zonder stof. Als de geest-stof zich manifesteert, differentieert ze zich op zeven gebieden; elk daarvan is op de weg omlaag naar het gebied van onze zintuigen meer verdicht dan het eraan voorafgaande; de substantie is in alle gelijk en verschilt alleen in graad. Vanuit dit perspectief gezien leeft het hele universum en is geen enkel atoom in enig opzicht dood. Het is ook bewust en intelligent; zijn bewustzijn en intelligentie zijn aanwezig op alle gebieden, hoewel op ons gebied verduisterd. Op ons gebied concentreert de geest zich in alle mensen die toelaten dat dat gebeurt; weigeren dit toe te laten is de oorzaak van onwetendheid, van zonde, van alle verdriet en lijden. In alle eeuwen zijn enkelen tot deze hoge staat gekomen, zijn als goden geworden, hebben actief deel aan het werk van de natuur en blijven van eeuw tot eeuw hun bewustzijn verruimen en de mate waarin ze de natuur beheersen, vergroten. Dit is de bestemming van alle wezens; vandaar dat theosofie uitgaat van deze volmaakbaarheid van de mensheid, de opvatting van onverbeterlijke slechtheid verwerpt, en aan het leven een zin en doel geeft die met het verlangen van de ziel en met haar ware aard overeenkomen, waarmee ze tegelijkertijd aan pessimisme en zijn tegenhanger wanhoop een einde probeert te maken.

In de theosofie wordt de wereld gezien als het product van de evolutie – vanaf de allerlaagste eerste levensvormen – van het beginsel waarover we spraken. Die wereld wordt in haar voortgang geleid door vervolmaakte, intelligente wezens uit andere en oudere evoluties en bestaat uit ego’s of individuele geesten voor wie en door wie ze emaneert. Vandaar dat de mens zoals wij hem kennen wordt gezien als een bewuste geest, de bloem van de evolutie, met onder zich andere en lagere groepen ego’s in de lagere natuurrijken, die echter alle hogerop komen en bestemd zijn eens hetzelfde menselijke stadium te bereiken waarin wij ons nu bevinden, en wij zullen dan nog hoger staan. Als het bewustzijn van de mens dan volmaakter is, kan het van het ene naar het andere van de verschillende gebieden gaan. Als hij één daarvan aanziet voor de werkelijkheid die hij zelf in essentie is, wordt hij misleid; het doel van evolutie is dus hem volledig zelfbewustzijn te verschaffen, zodat hij verder kan gaan naar hogere stadia in de ontwikkeling van het heelal. Na in de menselijke fase te zijn gekomen evolueert hij om ervaring op te doen en om de verschillende gebieden van stof waarmee hij te maken heeft zó te verheffen en te zuiveren dat de stem van de geest volledig kan worden gehoord en begrepen.

Hij is een religieus wezen, want hij is een geest gehuld in stof die op haar beurt zelf in essentie spiritueel is. Als geest heeft hij voertuigen nodig om in contact te komen met alle gebieden van de natuur waar evolutie plaatsvindt, en het zijn deze voertuigen die hem tot een ingewikkeld en samengesteld wezen maken, dat fouten kan maken, maar tegelijkertijd is hij in staat boven alle verkeerde voorstellingen uit te stijgen en de hoogste plaats te veroveren. Hij is het heelal in het klein, want hij is als de geest die zichzelf aan zichzelf openbaart door middel van zeven differentiaties. Daarom is hij in de theosofie bekend als een zevenvoudig wezen. De christelijke indeling in lichaam, ziel en geest is tot op zekere hoogte juist, maar geeft geen antwoord op de problemen van het leven en de natuur, tenzij wordt ingezien, wat niet het geval is, dat elk van de drie delen uit andere is samengesteld, wat het mogelijke aantal op zeven zou brengen. De geest staat alleen aan de top, daarna komt de spirituele ziel of buddhi, zoals ze in het Sanskriet wordt genoemd. Deze heeft meer deel aan de geest dan elk ander beginsel daaronder, en is verbonden met manas of het denkvermogen, en deze drie vormen samen de werkelijke drie-eenheid van de mens, het onvergankelijke deel, de werkelijk denkende entiteit die voor haar evolutie op aarde in andere en meer verdichte voertuigen leeft. Lager, wat kwaliteit betreft, ligt het gebied van de begeerten en hartstochten dat we gemeen hebben met het dierenrijk; het is verstandeloos en de voortbrenger van onwetendheid die voortvloeit uit verkeerde voorstellingen. Het verschilt van dat van de wil en het gezonde verstand en moet daarom een eigen plaats worden gegeven. Dit is het gebied van het grove leven dat zich niet als geest manifesteert, waaraan het zijn essentie ontleent, maar als energie en beweging. Omdat dit toebehoort aan het hele objectieve gebied en overal aanwezig is, moet het ook op zichzelf worden beschouwd, het deel dat door de mens wordt gebruikt en bij de dood van het lichaam wordt opgegeven. Dan ten slotte, vóór het feitelijke lichaam, is er het model of dubbel van het uiterlijke fysieke omhulsel. Dit dubbel is het astrale lichaam dat tot het astrale gebied van de stof behoort, dat niet zo dicht is als de fysieke moleculen, maar fijner en veel sterker en ook duurzamer. Het is het voorbeeld voor het lichaam dat de fysieke moleculen in staat stelt zich op basis daarvan te schikken en te vertonen, en dat ze gelegenheid geeft van dag tot dag te komen en te gaan, zoals we weten dat ze doen, maar toch altijd met behoud van de vastgelegde vorm en contouren, die door het astrale dubbel in ons worden verschaft. Deze vier lagere beginselen of omhulsels zijn het tijdelijke, vergankelijke deel van de mens, niet hemzelf, maar in alle opzichten het instrument dat hij gebruikt, en in het uur van de dood als een oud kledingstuk opgeeft en bij elke nieuwe geboorte weer opbouwt uit het algemene reservoir. De drie-eenheid is de werkelijke mens, de denker, de individualiteit die van huis naar huis trekt en in elke wedergeboorte ervaring opdoet, lijdt en geniet al naar gelang zijn daden – het is de ene centrale mens, de levende geest-ziel.

De aanwezigheid van deze spirituele mens – die altijd heeft bestaan, die nauw betrokken is bij de evolutie, die beheerst wordt door de wet van oorzaak en gevolg, omdat hij innerlijk die wet is, die bovendien op dit gebied een verscheidenheid aan karaktertrekken, vermogens en kansen vertoont – moet worden toegelicht, terwijl de geconstateerde verschillen moeten worden verklaard. De reïncarnatieleer geeft een verklaring van al deze punten. Ze houdt in dat de mens als denker, die bestaat uit ziel, denkvermogen en geest, in leven na leven lichaam na lichaam bewoont op de aarde die het toneel is van zijn evolutie en waar hij op grond van de wetten van zijn wezen die evolutie moet voltooien als deze eenmaal is begonnen. In elk leven kennen anderen hem als een persoonlijkheid, maar in de eeuwige duur is hij één individu, die in zichzelf een identiteit voelt die niet afhankelijk is van naam, vorm of herinnering.

Deze leer vormt de basis van de theosofie, want ze verklaart het leven en de natuur. Ze is één aspect van de evolutie, en omdat ze wederbelichaming betekent, en evolutie zich niet zou kunnen voortzetten zonder wederbelichaming, is ze evolutie zelf, toegepast op de menselijke ziel. Ze is echter ook een leer die beleden werd in de tijd waarin Jezus zou hebben geleefd, die in de eerste eeuwen van het christendom werd onderwezen, en nu voor die religie even noodzakelijk is als voor alle andere religies om teksten te kunnen verklaren, de rechtvaardigheid van God te verzoenen met het ruwe en genadeloze aspect van de natuur en het leven van de meeste stervelingen, en om een voor het verstand waarneembaar licht te werpen op alle problemen die ons kwellen op onze reis door deze wereld. Het enorme, en bij elke andere leer onrechtvaardige, verschil tussen de primitieve en de beschaafde mens, wat vermogens, karakter en kansen betreft, kan alleen met behulp van deze leer worden begrepen, en ook in onze eigen omgeving kunnen dat soort verschillen alleen zó worden verklaard. Ze zuivert de natuur en God van blaam, en verwijdert de smet die door mensen die een geloof verkondigen dat de schepper als een demon afschildert, op de religie is geworpen. Het leven en het karakter van ieder mens is het resultaat van zijn voorafgaande levens en gedachten. Ieder is zijn eigen rechter, voltrekt zijn eigen vonnis, want zijn eigen hand smeedt het wapen dat voor zijn bestraffing dient, en ieder verwerft door zijn eigen leven de beloning, verheft zich tot hoogten van kennis en macht ten goede van allen die misschien bij hem achterblijven. Niets wordt aan het toeval overgelaten, aan begunstiging of bevoorrechting, maar alles wordt door wetten beheerst. De mens is een denker en door zijn gedachten legt hij oorzaken voor ellende of geluk, want uit zijn gedachten komen zijn daden voort. Hij is het centrum waaruit elke verstoring van de universele harmonie voortkomt en tot hem als centrum moet de verstoring terugkeren om weer in evenwicht te komen, want de natuur is altijd bezig de harmonie te herstellen. De mens zet altijd een reeks gedachten voort die teruggaan tot het verre verleden, en hij handelt en reageert voortdurend. Hij is dus verantwoordelijk voor al zijn gedachten en daden, en daarin ligt zijn volle verantwoordelijkheid; zijn eigen geest is de essentie van deze wet en zorgt eeuwig voor compensatie van elke verstoring, en vereffening van alle gevolgen. Dit is de wet van karma of rechtvaardigheid, soms aangeduid als de ethische wet van causaliteit. Ze is niet vreemd aan de christelijke Bijbel, want zowel Jezus als Paulus hebben haar duidelijk verkondigd. Jezus zei dat we beoordeeld zullen worden zoals wij oordelen en zullen worden gemeten met de maat waarmee wij meten. Paulus zei: ‘Vergis u niet, God laat niet met zich spotten: wat een mens zaait, zal hij ook oogsten’ (Galaten 6:7). En dat zaaien en oogsten is alleen mogelijk volgens de leer van karma en reïncarnatie.

Maar wat te denken van de dood en daarna? Is de hemel een plaats of niet? Theosofie onderwijst, zoals dit ook in alle heilige boeken is te vinden, dat de ziel na de dood rust krijgt. Dit vloeit voort uit haar eigen aard. Ze is een denker en kan tijdens het leven niet alle of zelfs maar een klein deel van de ontelbare gedachten die ze koestert verwezenlijken of in vervulling laten gaan. Vandaar dat wanneer ze bij de dood haar lichaam en haar astrale lichaam aflegt, en bevrijd is van hartstochten en begeerten, haar natuurlijke krachten onmiddellijk de overhand krijgen en ze haar gedachten uitwerkt op het gebied van de ziel, bekleed met een ijler lichaam dat voor dat bestaan geschikt is. Dit wordt devachan genoemd. Het is die toestand die aanleiding was voor de beschrijvingen van een hemel zoals die in alle religies zijn te vinden, maar deze leer wordt heel duidelijk geformuleerd in het boeddhisme en hindoeïsme. Het is een tijd van rust, want omdat het fysieke lichaam afwezig is, heeft het bewustzijn niet dat volledige contact met de zichtbare natuur dat op het stoffelijke gebied mogelijk is. Toch is het een werkelijk bestaan en niet méér illusoir dan het aardse leven. De essentie van de gedachten van het leven, die zo edel waren als ons karakter toeliet, ontwikkelt zich daar en wordt daar door de ziel en het denkvermogen geoogst. Als de kracht van deze gedachten volledig is uitgeput, dan wordt de ziel opnieuw naar de aarde aangetrokken, naar de omgeving die voldoende met haarzelf overeenkomt om haar de juiste verdere evolutie te verschaffen. Deze afwisseling van toestand naar toestand gaat net zo lang door tot de mens door herhaalde ervaringen uitstijgt boven onwetendheid, en zich innerlijk bewust wordt van de feitelijke eenheid van alle spirituele wezens. Daarna volgen voor hem hogere en grotere stappen op de weg van evolutie.

De theosofie biedt geen nieuwe ethiek, want ze gaat ervan uit dat ware ethiek altijd dezelfde blijft. Maar in de leringen van de theosofie vindt men de filosofische en redelijke basis voor de ethiek en de natuurlijke toepassing ervan in de praktijk. Universele broederschap zal ertoe leiden dat u anderen behandelt zoals u zelf behandeld wilt worden en dat u uw medemens liefheeft zoals uzelf – iets dat door alle leraren van de grote religies van de wereld als juist is bestempeld.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 555-61

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag