18

Geboorte en vóór de geboorte

Er zal nu een poging worden gedaan om meer in detail te beschrijven hoe het zich wederbelichamende ego op deze aarde lichamen aanneemt.
    De zich wederbelichamende monade doorloopt – behalve tijdens de tussenperioden van de lange kosmische rust of pralaya’s, wanneer ze rust in de schoot van de kosmische hiërarch – haar volledige reeks cyclische manifestaties in herhaalde belichamingen tijdens de hele periode van een kosmische manifestatie of manvantara.
    Elke neerdaling in lichamen in verschillende werelden van materie is een sluier of gewaad, gedeeltelijk door de monade ontwikkeld uit krachten en substanties vanuit haar eigen innerlijke essentie, en deels opgebouwd uit menigten levensatomen onttrokken aan het gemeenschappelijke reservoir van de wereld of het gebied waarin ze zich tijdens de belichaming bevindt. Nu zijn deze levensatomen in geen enkel opzicht vreemd aan de individuele zich wederbelichamende monade of het ego, want de zich wederbelichamende monade had ze vroeger uit haar eigen essentie afgeworpen, en bij de terugkeer van het zich wederbelichamende ego hadden ze zich weer ermee verenigd door psychomagnetische aantrekking. Deze levensatomen waarvan het zich wederbelichamende ego zich had bevrijd aan het einde van het kosmische manvantara, zweefden gedurende de hele periode van de pralaya in de ruimte, elk in zijn eigen staat van individueel nirvâña; maar wanneer het nieuwe kosmische manvantara begint, worden diezelfde levensatomen weer opgewekt tot hun eigen sfeer en toestand van activiteit, en wanneer de zich wederbelichamende monade voor haar nieuwe zwerftochten vanuit haar kosmische ouder ‘neerdaalt’, worden deze levensatomen onweerstaanbaar aangetrokken naar hun ouder, en terwijl ze zich aan het zich wederbelichamende ego hechten, helpen ze om zijn verschillende omhulsels op te bouwen.
    We zien hier hetzelfde proces van het weer in zich opnemen van levensatomen dat door het zich wederbelichamende ego wordt herhaald wanneer het uit devachan ontwaakt en naar de aarde neerdaalt om te incarneren. Het enige verschil is dat levensatomen niet rusten tussen de levens op aarde van het zich wederbelichamende ego dat hen deed ontstaan. Behalve tijdens de pralaya’s zwerven de levensatomen onophoudelijk rond en ontwikkelen zich, niet alleen individueel maar ook als groep, en tijdens die omzwervingen stromen ze steeds in en uit de lichamen van verder gevorderde monaden, van wie ze de respectieve voertuigen op de verschillende kosmische gebieden aldus helpen opbouwen.
    Een bekende illustratie kan dit misschien iets verduidelijken. Een ouder doet uit zijn lichaam de levenskiem voortkomen, die zich tot een nieuwe mens ontplooit, die dus een kind van zijn ouder is. Deze levenskiem is gedurende het eerste deel van dit proces een levensatoom waarvan de bestemming echter is om mens te worden. Laten we zeggen dat deze ouder verschillende kinderen heeft, ieder geboren uit een levenskiem uit het lichaam van de ouder. Wanneer de ouder sterft, heeft het zich wederbelichamende ego zijn devachanische rustperiode van vele eeuwen, en keert tenslotte naar een fysieke incarnatie terug. Al die tijd zetten de kinderen en hun kinderen, en hun kleinkinderen, en zo vele generaties door, ononderbroken die bijzondere psychomagnetische en fysieke stroom levensatomen voort, die de ouder op dat punt tot fysiek bestaan had gebracht. Wanneer deze ouder opnieuw tot fysiek bestaan komt, wordt het zich wederbelichamende ego aangetrokken tot het milieu of de familie waartoe het zich het sterkst voelt aangetrokken. Deze familie zou in ononderbroken genealogische lijn kunnen worden teruggevolgd, direct of in de zijlijn, tot die ‘oorspronkelijke’ voortbrengende daad van de ‘ouder’ van ons verhaal. Het zich wederbelichamende ego van deze ‘ouder’ neemt een lichaam aan, geboren uit zijn eigen nageslacht – zo niet in directe genealogische lijn van opvolging, wat veel vaker gebeurt dan wordt verondersteld, dan toch in de meest nauw ermee verbonden zijlijn die een voortzetting is van dezelfde levensstroom voor zover de vele tussenliggende generaties van afstammelingen dat mogelijk maken. Het is heel zeldzaam als een familie zo volkomen uitsterft dat er absoluut geen zijtakken of bloedverwante takken, welke dan ook, overblijven van de oorspronkelijke ‘erfelijke’ spermatische lijn. Dit verklaart één aspect van, zo niet volledig, de voorouderverering van veel oosterse volkeren zoals de Chinezen en Japanners.
    Toch is het in onze studie van de herhaalde wederbelichamingen belangrijk de aandacht niet te sterk op de lichamelijke kant te vestigen, maar te trachten het komen en gaan te volgen van het zich wederbelichamende ego, beschouwd als een brandpunt of centrum van bewustzijn. Wij, als bewustzijn, komen in het aardse bestaan door de poort van de fysieke geboorte, en spelen op dit toneel onze verschillende rollen als acteurs in het drama; dan verlaten we het toneel van het leven op aarde door de andere poort die we de dood noemen. Het leven op aarde is dus maar één bedrijf in een drama dat geen begin en geen einde heeft, tot eeuwigheden in het verleden teruggaat, en zich tot eeuwigheden in de toekomst uitstrekt.

Leven na leven buigen de schimmen zich achter me,
Ver terug zie ik het eerste enorme Niets, ik weet dat ik zelfs daar was,
.    .    .    .    .    .    .    .    .
Onmetelijk waren de voorbereidingen voor mij,
Trouw en vriendelijk de armen die me hielpen.
Cyclussen zetten mijn wieg over, al roeiend en roeiend als blije schippers,
Om me ruimte te geven bleven de sterren aan de kant in hun eigen ringen,
Ze zonden invloeden om te zorgen voor wat me zou gaan dragen.
Vóór ik uit mijn moeder werd geboren geleidden hele generaties me,
Mijn embryo is nooit inactief geweest, niets kon het bedekken.
Voor mij trok een nevel zich samen tot een bol,
De lange trage lagen stapelden zich om mij te ondersteunen,
 .    .    .    .    .    .    .    .    .
Alle krachten zijn gestaag gebruikt om me te voltooien en vreugde te brengen.
Nu sta ik zowaar op deze plek met mijn robuuste ziel.
    – Walt Whitman, Leaves of Grass, ‘Song of Myself’

Uit wat tot dusver is gezegd, lijkt het misschien dat de spirituele monade tijdens de loop van haar omzwervingen door de sferen bepaalt wanneer het reïncarnerende ego weer naar de aarde zal terugkeren. Moeten we daaruit concluderen dat de pelgrimstocht van de spirituele monade min of meer precies op het moment dat het reïncarnerende ego voor het eerst de aantrekking begint te voelen van de magnetische krachten die van de aarde uitstromen, zijn einde heeft bereikt?
    In de eerste plaats moet men niet al te mechanisch kijken naar de verschillende tijdstippen van reïncarnatie, noch naar het begin en het einde van de pelgrimstochten van de monade, want terwijl de tijden voor de verschillende stadia scherp begrensd zijn, en de verschillende gebieden en werelden waar ze doorheen gaat ‘stations’ zijn die zowel karmisch bepaald als onvermijdelijk zijn, is het toch waar dat het reïncarnerende ego een nieuw menselijk lichaam op aarde niet kan binnengaan of liever ‘overschaduwen’ totdat de spirituele monade dat deel van haar pelgrimstocht langs de planeten heeft bereikt dat haar het dichtst bij de aarde brengt. Deze spirituele en psychische processen zijn zo wonderbaarlijk aangepast aan de wetten van de natuur, en werken alle op zo’n natuurlijke manier samen, dat het bijna onveranderlijk gebeurt dat wanneer het devachan van het reïncarnerende ego eindigt, de spirituele monade ongeveer op datzelfde moment dat deel van haar zwerftochten heeft bereikt dat haar naar de hoogste bol van de aardketen brengt. Dus, of een ego nu een kort of een lang devachan heeft, het ondervindt in beide gevallen geen moeilijkheid, omdat de spirituele monade min of meer sterk wordt beïnvloed door de geestelijke toestand van het zich wederbelichamende ego dat ze in haar schoot heeft, en de pelgrimstocht van de spirituele monade wordt wat betreft de tijd die in de pelgrimstocht langs de planeten wordt doorgebracht daardoor vaak in hoge mate bepaald.
    De verklaring waarom het ‘dromende’ zich wederbelichamende ego de spirituele monade zozeer kan beïnvloeden dat het de lengte van de tijdsperiode van de tocht langs de planeten kan bekorten, of verlengen, ligt in het verschil tussen de buitenronden en binnenronden. De spirituele monade is tijdens het verloop van een buitenronde - die tijdsperioden omvat die in honderden miljoenen jaren moeten worden gerekend - karmisch gebonden om dezelfde rol te spelen van een rondgang in elk van de planeetketens die ze doorloopt, als die ze in elke bol van die planeetketen speelt. Alle spirituele monaden zijn eeuwenlang gegaan en zullen nog eeuwenlang in de toekomst gaan door die fase van de buitenronde waardoor we nu in het bijzonder aan de planeetketen aarde zijn gebonden. Daarom worden onze spirituele monaden, zolang onze planeetketen aarde in haar tegenwoordige ketenmanvantara is, speciaal aan deze planeetketen gebonden; en het zich wederbelichamende ego dat bij deze planeetketen aarde hoort, heeft daarom een bijzonder sterke invloed op de spirituele monade.
    Wanneer onze planeetketen aarde haar manvantarische tocht zal hebben volbracht, en onze groep spirituele monaden daarna tijdens de huidige grote buitenronde naar de daaropvolgende planeetketen gaat, zal het zich wederbelichamende ego dat daar thuishoort dan de sterkste invloed op de spirituele monade uitoefenen, en het zich wederbelichamende ego dat tot onze tegenwoordige planeetketen hoort, zal in zijn manvantarische nirvâña komen, en daardoor zal zijn invloed op de spirituele monade eerder passief zijn dan duidelijk actief. Het zich wederbelichamende ego dat bij de daaropvolgende planeetketen hoort zal dan een duidelijke invloed krijgen, zoals ook ons eigen zich wederbelichamende ego nu een duidelijke invloed heeft op de spirituele monade. Op die manier zendt de spirituele monade, die als bereik het zonnestelsel heeft, een straal of een zich wederbelichamend ego uit voor elke planeetketen waarmee de spirituele monade karmisch is verbonden – met andere woorden een verschillend zich wederbelichamend ego voor elk van de zeven (of tien of twaalf) heilige planeten.
    De spirituele monade leeft in haar eigen gebieden ongehinderd door wat er met al haar lagere voertuigen gebeurt in gebieden die materiëler zijn dan haar eigen gebied. Ongehinderd, maar dat betekent niet dat ze er niet door wordt beïnvloed, want zolang een monade op een of andere manier is verbonden met de lagere rijken, wordt ze tot op zekere hoogte daardoor beïnvloed. Niettemin, en ondanks zulke invloeden van beneden, zet de spirituele monade per se haar eigen evolutie in haar eigen gebieden en werelden voort. Deze band beïnvloedt tot op zekere hoogte de evolutie van de spirituele monade maar beheerst die niet volledig. Het is ook zo dat we alleen vanuit ons standpunt spreken over de zwerftocht van de monade met het reïncarnerende ego dat slaapt in haar schoot. Eigenlijk heeft de spirituele monade veel andere schakels of banden die haar onafgebroken pelgrimstocht teweegbrengen; en slechts één van de aspecten van deze voortdurende activiteit tijdens haar pelgrimstocht is de uitstraling van en de daaruit voortvloeiende ervaring van het zich wederbelichamende ego op onze eigen aardketen.

Wanneer het zich wederbelichamende ego zijn straal of uitstraling naar omlaag werpt, komt het tenslotte in het meest grove deel van de planeetketen aarde, bol D, waarop het eerder heeft geleefd. Dit meest grove deel is in feite de atomaire wereld van bol D, en deze omvat haar inter-atomaire en intra-atomaire ‘ethers’.
    Leven per se is overal. Zelfs de elektronen in de atomaire structuren, die gezamenlijk onze bol en natuurlijk ook onze fysieke lichamen samenstellen, hebben hun bewoners – sub-infinitesimalen die verblijf houden in deze sferen van het oneindig kleine. De inter-atomaire en intra-atomaire werelden zijn voor hen even verbazingwekkend als onze wereld dat voor ons is.
    De straal van het zich wederbelichamende ego bereikt het kritieke punt in zijn ‘neerdaling’ waar het wordt aangetrokken tot de specifieke menselijke kiemcel die, als dit proces niet wordt onderbroken, zal uitgroeien tot een fysiek lichaam. De psychomagnetische aantrek kingen en innerlijke impulsen van het zich wederbelichamende ego hebben het karmisch geleid naar die ene cel, terwijl de vader en de moeder zich verenigen om de magische schakel van verenigd ‘leven’ te vormen; en wanneer dit gebeurt, wordt de psychomagnetische verbindingsketen of de verbindende psychische schakel tussen de straal van het ego en de ontwakende en levende menselijke kiemcel voltooid, en na enige tijd zal een kind worden geboren.
    Dit samenkomen van omstandigheden in het menselijke leven, dat op zichzelf zo mooi is en dat men met een gevoel van religieus ontzag zou moeten benaderen, in plaats van op de lichtvaardige manier waarop mannen en vrouwen het beschouwen, is het heilige mysterie van de geboorte. Er kan aan worden toegevoegd dat de zaadcel die door de vader wordt verschaft de drager is van de punt van de monadische straal, terwijl de moeder voor het menselijke veld van de levenskrachtige substantie of de eicel zorgt waarin de even levenskrachtige straal of straalpunt onderdak vindt en zich ermee verenigt, en zo neemt het evoluerende atoom, de evoluerende straal, die uit de astrale rijken komt, de laatste stap tot incarnatie als mens.
    Vanaf dit moment begint het levende protoplasma te groeien, en stukje bij beetje te manifesteren wat er binnenin is opgeslagen. Wat is eigenlijk levend protoplasma? Chemisch gezien is het grotendeels een combinatie van vier van de meest gewone elementen die in de scheikunde bekend zijn: zuurstof, waterstof, stikstof en koolstof. Maar men kan deze elementen bij elkaar voegen en nog geen protoplasma hebben, geen werkelijk levende substantie. De levengevende invloed van de monadische straal is nodig om deze chemische elementen te verenigen tot de levende cel, met het potentieel om te groeien van een microscopische menselijke voortplantingscel tot een mens van 1,80 m., die niet alleen in zijn lichaam maar ook in zijn onderzoekende geest en spirituele intuïties enkele van de meest verbazingwekkende factoren van het heelal tot uitdrukking brengt.
    Maar dit is niet alles. Protoplasma is in oorsprong een neerslag uit het astrale lichaam van de ouder - een verstoffelijking van de levenssubstantie van het astrale lichaam van de ouder – en verschaft zo het fysieke samenstel waarin de monadische straal kan binnengaan.
    Veel wetenschappers hebben ernaar gestreefd kunstmatig een levende cel te construeren. Als we inzien dat alle evolutiestadia op deze aarde, van cel tot mens, de voortbrengselen zijn van de evoluerende mensenmenigte in ver in het verleden liggende eeuwen, toen die de lagere geslachten afwierp; en beseffen dat de mens kriyâsakti-krachten heeft (dat wil zeggen krachten van de wil om iets te maken en van scheppende verbeelding) die oorspronkelijk op verschillende tijden deze zijtakken van levende entiteiten voortbrachten – is het dan mogelijk dat een wetenschapper kunstmatig een levende cel construeert?
    Het zou mogelijk zijn als de wetenschappers de kennis en de kracht hadden om het psychovitale fluïdum van de monadische straal te verbinden met latent levende materie, samengesteld uit alleen chemische elementen. De wetenschappers in eonen in de verre toekomst, in de zesde en de zevende wortelrassen, zullen dit ongetwijfeld kunnen doen; maar het is te betwijfelen of vóór die tijd enig menselijk verstand de kennis of het vermogen zal hebben dat alchemistische staaltje van werkelijk ‘scheppende’ magie te volbrengen. En als dat ooit in onze tijd wordt volbracht, zal het gebeuren als een ‘gelukstreffer’ en ook is het niet waarschijnlijk dat die prestatie kan worden herhaald.
    Mw. Shelley vertelt in haar roman Frankenstein hoe een Zwitserse student in de medicijnen kerkhoven bezocht en in de snijkamers ronddwaalde, en stukjes of delen menselijk weefsel van pas gestorvenen verzamelde, die hij bijeenbracht en samenvoegde tot wat op een mens leek, en op die manier een levende menselijke vorm tot levensactiviteit bracht, die overigens een zielloos monster was dat overal verwoesting en dood aanrichtte, totdat het tenslotte in de noordelijke zeeën omkwam.
    Paracelsus, een middeleeuwse mysticus, droomde ervan door magie homunculi (mensjes) te scheppen uit chemische elementen plus de levengevende kracht die zoals hij leerde overal in de natuur bestond. Maar zo’n ‘schepping’ kan nooit tot stand worden gebracht, totdat de wetenschapper in staat is de fysische, chemische elementen met het psychoastrale fluïdum van de monadische straal te verbinden en tot een levende eenheid samen te voegen. Dan zou hij werkelijk een levende cel kunnen voortbrengen, en de ontwikkeling van die levende cel tot rijpheid zou plaatshebben volgens de karakteristieke aard van het levenszaad of de levenskracht verbonden met de chemische elementen die worden gebruikt om het benodigde fysieke voertuig te verschaffen.

Om nu terug te keren tot het hoofdthema: Het zich wederbelichamende ego komt in het leven op aarde, waar het magnetisch en psychisch wordt aangetrokken tot de familie of tot de bijzondere menselijke schoot waar een atmosfeer heerst die veel lijkt op die van hemzelf. Zijn meer materiële kracht en substantie maken door middel van zijn eigen astraal-vitale fluïdum psychomagnetisch contact met het layacentrum van een menselijke voortplantingscel wanneer het geschikte moment daarvoor aanbreekt; en vanaf het ogenblik van de bevruchting, het geschikte moment, overschaduwt de reïncarnerende entiteit die cel terwijl deze vanaf de bevruchting groeit tijdens het leven in de baarmoeder, de geboorte, de kindertijd, tot in de volwassenheid. Maar vóór de geboorte en een aantal jaren daarna, wordt het kind alleen overschaduwd door zijn hogere beginselen, terwijl de lagere beginselen het meest actief zijn tijdens de eerste jaren van het leven.
    Op ongeveer veertienjarige leeftijd begint het hogere deel van de innerlijke constitutie van het kind op ons fysieke gebied voor het eerst werkelijk bewust te functioneren; en vanaf dit moment tot de volwassen leeftijd wikkelt de groeiende jongeling zich steeds meer in de spiritueel-vitale aura van het zich wederbelichamende ego, en dit proces neemt pas kort voor de natuurlijke dood af. De hoofdreden is dat de levensatomen die vroeger de constitutie van de mens innerlijk en uiterlijk samenstelden, niet alle tegelijk weer kunnen worden opgenomen, maar dit proces wordt in de loop van de jaren steeds voortgezet terwijl het lichaam tot rijpheid en later tot ouderdom komt. Bovendien is het reïncarnerende ego niet werkelijk volledig geïncarneerd tot vrij kort vóór het fysieke lichaam sterft, en dat betekent dat men zich voortdurend - bijna tot het ogenblik van de dood – psychisch, mentaal en spiritueel kan ontwikkelen.
    Wanneer het reïncarnerende ego door zijn straal weer op aarde wordt geboren, wordt het in alle essentiële opzichten weer precies dezelfde mens die het vroeger was, omdat al zijn vroegere levensatomen, die het ego vroeger had afgeworpen in de loop van de vorige postmortale reis, zich nu opnieuw hebben opgebouwd in de identieke voertuigen. Deze procedure houdt volmaakte rechtvaardigheid in. Aldus is de ‘nieuwe mens’, hoewel een nieuw voortbrengsel, in werkelijkheid de ‘oude mens’ uit het vorige leven of vorige levens, omdat hij bestaat uit het bijeenbrengen van het vroegere ego met de weer verzamelde levensatomen op alle gebieden van zijn constitutie door middel waarvan hij vroeger op aarde heeft geleefd en zijn vermogens tot uitdrukking heeft gebracht.
    Als de ‘nieuwe mens’ de ‘oude mens’ is die opnieuw verschijnt, is er dan geen verbetering? De hele natuur evolueert; elke groeiactiviteit is gericht op verbetering, ook al is ons leven als een spiraal die soms opwaarts gaat en soms neerwaarts. Ja, de mens wordt met elk nieuw leven op aarde veredeld – of zou moeten verbeteren. In devachan heeft de substantie van hemzelf zich in meerdere of mindere mate tot iets hogers gemaakt, maar hetzelfde egobewustzijn werkt door voertuigen die uit dezelfde levensatomen zijn gevormd, die nu opnieuw in een lichaam zijn opgenomen om dezelfde algemene innerlijke constitutie te vormen die er toen was.
    Het heeft iets van een boom die in de herfst sterft; en toch als de warme regens in het voorjaar komen, loopt hij uit en laat snel een nieuw levend bladerkleed te voorschijn komen. Zullen we zeggen dat het nieuwe lover dezelfde oude bladeren van vroeger zijn? Eigenlijk niet, en toch komen ze alle uit dezelfde levensstam, in feite zijn ze dezelfde levensatomen die de vorige bladeren samenstelden; en zo is het ook met de mens. Hij is in het nieuwe leven essentieel dezelfde mens als in het oude leven. Heeft hij een andere naam? Natuurlijk. Hij kan op een ander deel van de aarde worden geboren, duizend of misschien zelfs tienduizend jaar later, bij een volk dat hij in dit leven een vreemd ras zou noemen. Maar wat doet dat ertoe? Hij is dezelfde innerlijke mens. Hoogst waarschijnlijk zal hij in het nieuwe leven op aarde andere mannen en vrouwen ontmoeten, die in zijn vorige incarnatie zijn vrienden waren, of zijn vijanden. Hoe moeten we anders deze sterke aantrekkingen en de even sterke antipathieën verklaren die we soms voor andere mensen voelen? Alleen door ego’s weer bij elkaar te brengen kan rechtvaardigheid wederzijds effect hebben, want doordat de kosmische rechtvaardigheid onfeilbaar het evenwicht herstelt, komen we vroeg of laat op aarde weer samen. En zo geven we en nemen we als de ‘nieuwe mens’ wat ons in het nieuwe leven op aarde toekomt.
    Omdat het zich wederbelichamende ego, de straal van de spirituele monade, door de sferen naar de aarde afdaalt, moet men niet denken dat de monade zelf mee omlaaggaat. Dat idee is even absurd als dat men zou zeggen dat de zon zelf elk van haar zonnestralen in de kosmische ruimte volgt. De spirituele monade is een hoog spiritueel wezen dat haar eigen gebied nooit verlaat om naar deze lagere gebieden te komen. Op haar vroegere evolutiereizen is ze al deze reeds doorgegaan, en daarom hoeft ze niet naar die gebieden van materie terug te keren, omdat deze haar nu niets meer kunnen leren. Voor de natuur zou het geen zin hebben dat de monade opnieuw voor een zonnemanvatara naar de laagste gebieden van de materie zou afdalen. Evenmin als een mens die zijn schooljaren achter de rug heeft het wenselijk zou achten terug te keren om het ABC te leren. Maar het reïncarnerende ego incarneert zijn straal in een klein kind opdat deze straal, die het menselijke ego is, een niet geëvolueerde monade, in een ander leven nieuwe lessen kan leren.
    De uitspraak dat de monade tijdens het zonnemanvantara niet naar gebieden lager dan het hare neerdaalt betreft het zonnemanvantara nadat de kosmische structuur opnieuw is ontrold tot het zevenvoudige of twaalfvoudige bouwwerk van het zonneheelal. Ze slaat niet volledig op het begin van het kosmische drama, nadat aan de lange zonnepralaya een einde is gekomen, en de spirituele hiërarchieën en substanties zich opnieuw beginnen te ontvouwen. Dit is een uiterst subtiel punt.
    Het is een feit dat geheel aan het begin van het nieuwe kosmische manvantara, wanneer alle wezens en krachten en substanties nog in hun spirituele staat zijn, iedere monade, hoog of laag op de evolutieladder, moet deelnemen aan de voorbereiding van de aanvang van het kosmische drama. Zo hebben zelfs de hoogste en meest geëvolueerde monaden in het zonnestelsel ieder hun eigen aandeel in het leggen van de grondslagen van het nieuwe kosmische manvantara, en dit omvat het leggen van zowel de substructuur als de superstructuur van de hele kosmische organisatie, zowel in type als in vorm. Zodra echter het bouwplan is gemaakt – en aan dat proces nemen alle monaden zonder uitzondering deel – ‘trekt iedere monade zich in de stilte en de duisternis terug’, zoals Pythagoras het uitdrukte – in haar eigen gebieden van spiritualiteit en licht.
    Omdat de natuur overal op analoge wijze werkt, zodat het grote zich weerspiegelt in het kleine, kan het bovenstaande iets duidelijker worden als men bedenkt dat in de wederbelichaming van een planeetketen gedurende de eerste ronde, de hoogste dhyâni-chohans door de karmische wet worden verplicht met de laagste elementalen en alle stadia van wezens daartussen, samen te werken bij het vastleggen van de structuur of het bouwwerk van wat de genoemde planeetketen moet worden. Met andere woorden, wat wij de ‘architecten’, de hoogste dhyâni-chohans, kunnen noemen werken samen met het eerste elementalenrijk, en tenslotte met al de andere tussenliggende graden van evoluerende monaden die tot de planeetketen behoren, opdat de juiste typen en vormen van de zeven (of twaalf) bollen karmisch kunnen worden opgebouwd. Dit vindt plaats tijdens de eerste ronde, wanneer alle families of levensgolven door hun karmische bestemming verplicht zijn zich snel rond en door de zeven of twaalf layacentra te begeven die in de ruimte wachten, en zo langs deze layacentra om de verschillende bollen van de keten in hun eerste ‘vorming’ als gemanifesteerde sferen op te bouwen.
    Wanneer na voltooiing van de eerste ronde het bouwplan aldus is vastgelegd en de evolutieweg is afgebakend, verandert de werkwijze zodanig dat alle volgende ronden, te beginnen met de tweede, een procedure volgen die verschilt van wat er in de eerste ronde plaatsvond; de reden hiervan is dat, omdat in de eerste ronde het plan is vastgelegd, de monaden in alle volgende ronden dit plan eenvoudig volgen en wel in een regelmatige volgorde die bij hen hoort als families of levensgolven van de volledige twaalfvoudige keten-hiërarchie.

.    .    .    .    .    .    .    .    .

    Wat gebeurt er in de tijd onmiddellijk vóór de geboorte van een mens? Wanneer de straal van het reïncarnerende ego onze aardbol bereikt, hoe wikkelt deze straal-entiteit, die door haar innerlijke natuur ver boven de grove fysieke stof staat, zich dan in de fysieke substantie, zodat haar verbinding met de levende menselijke voortplantingscel wordt gemaakt? Het antwoord is in onze tijd veel gemakkelijker te geven door de enorme vooruitgang van de wetenschappelijke kennis van de mysteries van elektriciteit, magnetisme en radioactiviteit. De verbinding wordt gemaakt op grond van de psychomagnetische verwantschap tussen de zich wederbelichamende straal en de levende kiemcel.
    Iedere kiemcel, een menselijke of andere, is een verdichting van innerlijke krachten en substanties die reiken van het goddelijke tot het astrale en fysieke, juist zoals de mens zelf de ‘neerslag’ of ‘projectie’ is op en in het fysieke gebied of de fysieke wereld van een innerlijke psycho-etherische uitstraling. Met andere woorden, een kiemcel is dus een belichaming in de fysieke stof van een straalpunt, die zijn oorsprong heeft in de onzichtbare werelden en door psycho-elektrische of psychomagnetische affiniteit in aanraking komt met de fysieke stof en zo een moleculair aggregaat van levende fysieke substantie opwekt om een voortplantingscel te worden.
    Deze straalpunt moet niet worden verward met het zich wederbelichamende ego zelf, maar is het uiteinde of de top van de geprojecteerde straal die uit het zich wederbelichamende ego voortkomt. Wanneer het zich wederbelichamende ego zijn eigen sfeer bereikt, na de schoot van zijn ouder-monade te hebben verlaten, ‘daalt’ het niet verder in de materie ‘af’. Maar zijn psychomagnetische straal die een sterkere verwantschap heeft met de materiële wereld dan het ego zelf, gaat nog verder de materie in, en op ieder van de verschillende gebieden tussen het gebied van het zich wederbelichamende ego en de meest grove materie van onze fysieke aarde wekt hij de levensatomen op tot activiteit. Deze straal wekt een bepaald levensatoom tot actief leven dat vroeger behoorde tot de ‘oude mens’ die op aarde had geleefd, en dat het meest reageert op deze doordringende psychomagnetische straal omdat dit bijzondere levensatoom tot zijn eigen ouder wordt aangetrokken.
    Ja, juist dit levensatoom is zelf de punt van de zich belichamende straal die wordt ‘geprojecteerd’ op het gebied van de fysieke stof, en die fysieke materie wordt aldus als atomen aangetrokken rond dit punt, en bouwt eerst de materiële belichaming van dat levensatoom op en wordt door voortgaande aanwas de levende kiemcel.
    Het is duidelijk dat de kiemcel misschien niet onmiddellijk tot een mens of een ander embryo begint uit te groeien; ze moet wellicht enige tijd wachten voor de instroom van energie langs haar eigen straal haar kan opwekken tot processen van embryonale groei. ‘Ongelukken’ komen vaak voor, zodat de kiemcel niet wordt bevrucht en dan wordt zo’n poging van de psychomagnetische straal afgebroken; die kiemcel sterft, en de straalpunt begint direct opnieuw een levensatoom te vormen. Men moet bedenken dat de transmigraties van de levensatomen die tot een of ander gebied behoren door de eeuwen heen continu doorgaan, en hun respectieve levensduren zijn uiterst kort vergeleken met het leven van een mens.
    Wanneer dat bepaalde levensatoom het krachtige effect voelt van de straalpunt uit het reïncarnerende ego en dus als het ware met een sprong in de kiemcel komt, wordt deze cel psychomagnetisch aangetrokken tot het menselijke individu dat fysiek gesproken het meest verwant is aan zijn eigen graad van trillingsenergie. Of, anders gezegd, deze levensatoom-cel wordt psychomagnetisch tot die mens aangetrokken door de gelijkheid van zowel de grootte als de psychische kwaliteit van een atomaire trillingsfrequentie. De oorzaak van dit feit is dat die mens in een vorig leven op aarde nauw was verbonden met hetzelfde reïncarnerende ego dat nu het leven op aarde binnengaat, hetzij als broers, of als ouder en kind, als goede vrienden, of zelfs als man en vrouw. Het betreffende levensatoom wordt dus opgenomen in de aurische of psychovitale magnetische atmosfeer van de toekomstige ouder.
    Ieder mens wordt omringd door een psychomagneto-elektrische atmosfeer die van binnen uitstroomt, een aura of psychovitale wolk die het stempel draagt van de karakteristieke eigenschappen van de individualiteit, en feitelijk een emanatie is van de kracht-substantie van het astrale lichaam of lingasarîra van de mens. We kunnen deze aura niet zien, behalve bij zeldzame gelegenheden en zelfs dan alleen onduidelijk; maar dit is geen argument tegen het bestaan ervan, want we kunnen zelfs de lucht niet zien die we inademen, de atmosfeer die de aarde omringt. Het moet duidelijk zijn hoe het levensatoom of de kiemcel zijn weg vindt naar het lichaam van een mens van het mannelijke geslacht – gewoonlijk in het voedsel of in wat men drinkt.
    Levensatomen kunnen latent en slapend of kinetisch en actief zijn. Niet één levensatoom is lang in de ene of de andere toestand; want omdat alles in de natuur perioden van afwisselend activiteit en rust heeft, zijn ook de menselijke voortplantingscellen zoals die in een man of vrouw worden gevonden actief of slapend. Hoewel de natuurlijke functie van die voortbrengingscellen die van de voortplanting is, spelen ze daarnaast een heel belangrijke rol bij de opbouw en het versterken van het lichaam. Is de mens ongehuwd, dan kan de voortplantingscel of het gestimuleerde levensatoom zijn groei niet voortzetten, en dan wordt de straal waarvan het doel wordt verijdeld, bijna onmiddellijk teruggetrokken en tracht hij elders zijn weg te vervolgen door een andere kiemgroei.

.    .    .    .    .    .    .    .    .

   In hun leer over de pelgrimstocht van de entiteiten, waarover Herodotus (Euterpe XI, 123) ons vertelt, doelden de oude Egyptenaren op de zwerftochten van de levensatomen. Hij zegt dat de oude Egyptenaren dachten dat een deel van de menselijke entiteit na de dood door sferen van lucht, water en aarde ging tijdens haar omzwervingen die ongeveer drieduizend jaar in beslag namen. Omdat zo’n tocht door alle natuurrijken plaatsheeft, is het duidelijk waarom ieder van die levensatomen in het menselijk lichaam wordt opgenomen in de vorm van voedsel en dranken of ook via de lucht naar de longen; of ook door osmose, zoals in het bijzonder tot uiting komt in de voortdurende elektrische en magnetische circulaties in de ons omringende wereld die het menselijk lichaam in- en uitgaan. Tijdens de verschillende processen van vertering en assimilatie en andere fysiologische activiteiten komen de atomen aldus het lichaam op de een of andere manier binnen en worden in groepen ingedeeld en overgebracht naar de verschillende organen van het lichaam om elk voor kortere of langere tijd daarin te blijven.
    Iets anders: pas wanneer het kind zich voor het eerst in de moeder beweegt, komen de hogere karakteristieke eigenschappen en kwaliteiten van het reïncarnerende ego het ongeboren kind werkelijk binnen. En toch zijn deze hogere eigenschappen en kwaliteiten natuurlijk niet de hoogste delen van de constitutie van de mens in wording. Tot nu toe was de foetus het groeien van het vegetatieve, het vitaal-astrale deel van het incarnerende wezen. Maar vanaf de eerste beweging van het ongeboren kind tot aan de geboorte, en eigenlijk tijdens het hele leven, worden de levensatomen van de diverse klassen op de verschillende gebieden die in zijn vorige levens tot hetzelfde ego behoorden, door de onweerstaanbare psychomagnetische aantrekking opnieuw naar zijn constitutie gedreven, en ieder levensatoom of groep van levensatomen zoekt in de samenstelling van de innerlijke mens zijn eigen gebied, fysiek of anderszins.
    Men kan zich terecht afvragen: wat is de levende kiemcel, hetzij van een man of een vrouw? Oorspronkelijk is ze een integrerend deel van de astrale substantie van de astrale mens, en daarom behoort ze tot het gebied dat vlak boven het fysieke ligt. Om dit astrale modellichaam wordt het fysieke lichaam atoom voor atoom opgebouwd – in al zijn onderdelen en bijzonderheden de nauwkeurige afspiegeling van het modellichaam.
    Deze vitale kiemcel of dit levensatoom wordt na verloop van tijd geplaatst in het geschikte fysieke orgaan van de vader als een astrale neerslag, en krijgt zo fysieke vorm als een zaadcel; en hetzelfde gebeurt bij de moeder. Het klinkt misschien paradoxaal, maar de neerslag komt in beide gevallen van dezelfde straal; feitelijk heeft iedere ouder in zijn of haar passende orgaan een vrij groot aantal levensatomen die behoren aan het reïncarnerende ego van het individu dat die levensatomen in vorige levens op aarde heeft gebruikt.
    Maar dit is niet het hele verhaal. Het is een feit dat ieder mens die de puberteitsleeftijd voorbij is, in het daarvoor geschikte orgaan steeds een bepaald aantal vergankelijke kiemcellen heeft, die in feite de fysiek geworden astrale neerslagen zijn van verschillende incarnerende stralen; de vrouw is de bewaarster van het negatieve deel van een wachtende straal, en de man is de bewaarder van het positieve aspect. Deze astrale ‘neerslagen’ blijven niet voor onbepaalde tijd in een menselijk lichaam; als ze niet ‘in de vlucht’ worden gevangen, worden ze òf uit het lichaam gedreven, òf ze worden gebruikt om het lichaam op te bouwen en te versterken. Elke ouder is hierbij even belangrijk als de andere.


De Esoterische Traditie, blz. 504-18

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag