Duizend lichten aansteken
Grace F. Knoche

bestel boek

1ste druk 2002

© 2002  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Het doen ontwaken van het denkvermogen

Een gebeurtenis van immens belang die miljoenen jaren geleden heeft plaatsgevonden wordt door tradities overal in de wereld beschreven: het opwekken van het denkvermogen in de mensheid die nog in een kinderlijke staat verkeerde. Terwijl we tevoren als een ras dromerig en zonder doel waren, werden we nu vervuld van de kracht van zelfbewust denken, van keuze, en de wil om te evolueren. Legenden en mythen, heilige geschriften en tempels bewaren het verslag van deze wonderbaarlijke overgang van verstandeloosheid naar zelfbewustzijn, van de onschuld van de Hof van Eden naar kennis en verantwoordelijkheid – alles ten gevolge van de tussenkomst van gevorderde wezens vanuit hogere gebieden die in ons ‘een actief denkvermogen tot stand brachten . . . en een nieuwe beheersing over het denken.’(1)

In de Purana’s van India, bijvoorbeeld, en ook in de Bhagavad-Gita en andere delen van het Mahabharata, staan een aantal verwijzingen naar onze goddelijke voorouders die afstammen van zeven of tien ‘uit het denken geboren zonen van Brahma’. Ze hebben verschillende namen, maar zijn allen uit het denken geboren, manasa, ‘denkend’ (van manas, ‘denkvermogen’, afgeleid van de Sanskrietwortel man, ‘denken, overwegen’). Soms worden ze manasaputra’s genoemd, ‘zonen van het denkvermogen’; vaker agnishvatta’s, zij die agni, ‘vuur’, hebben leren kennen; ook barhishads, zij die voor meditatieve of ceremoniële doeleinden op kusa gras zitten; of er wordt eenvoudig naar hen verwezen als de pitri’s, ‘vaderen’ – termen die de overlevering instandhouden dat de solaire en lunaire vaderen, voorouders, het denken en het vermogen om te kiezen schonken aan de vroege mensheid zodat wij mensen onze verdere evolutie met bewuste intentie zouden kunnen voortzetten.

Het ontwaken van het denken in een hele mensheid zou niet door één enkele heroïsche daad tot stand kunnen zijn gebracht; het moet honderden of duizenden, zo niet miljoenen jaren hebben gekost om dat te bereiken. En de mensen uit die periode van vóór de dageraad waren ongetwijfeld even verschillend als wij dat in deze tijd zijn; de meest verlichte waren waarschijnlijk gering in aantal, de grote meerderheid van de mensheid had een gemiddeld niveau bereikt, terwijl bij sommigen de drijfveer ontbrak om hun latente vermogens actief te maken. De komst van de lichtbrengers was inderdaad een daad van mededogen, en toch was ze ook voorbestemd door karmische banden met de mensheid uit voorafgaande wereldcyclussen.

Het is begrijpelijk dat er door het beschikbaar komen van dit nieuwe vermogen bij een mensheid die nog niet getraind was in het toepassen van kennis, gidsen en mentors nodig waren om de weg te wijzen. Legenden en overleveringen van vele volkeren vertellen dat hogere wezens hier verbleven om zowel de aspiratie als het intellect te onderwijzen, te inspireren, en aan te moedigen. Ze brachten praktische vaardigheden: navigatie, kennis van de sterren, metallurgie, landbouw en veeteelt, kruidengeneeskunde, kaarden en spinnen, en hygiëne; en ook liefde voor schoonheid en kunst. Belangrijker dan al deze was dat ze op het geheugen van de ziel van die eerste mensen een diepe afdruk maakten van bepaalde fundamentele waarheden over onszelf en over de kosmos, om als een innerlijke talisman te dienen tijdens de daaropvolgende cyclussen.

In het westen hebben dichters en filosofen eeuwenlang uitgeweid over de legenden rond Prometheus die door de Griekse dichter Hesiodus (8ste eeuw v.Chr.) zijn vastgelegd op basis van heel oude bronnen. Onder anderen Aeschylus, Plato, Vergilius, Ovidius, en in meer recente tijden Milton, Shelley, en anderen hebben verschillende aspecten van het verhaal vereeuwigd. In zijn Dialogen verwijst Plato vaak naar een achterliggende wijsheid van de mythen die hij vertelt, en in zijn Protagoras (§320 e.v.) vertelt hij over de confrontatie van Epimetheus (hij die achteraf denkt) met zijn oudere broer Prometheus (hij die vooraf denkt). Toen voor ‘sterfelijke wezens’ het cyclische moment was gekomen om te worden gevormd, schiepen de goden hen ‘in het binnenste van de aarde’ uit de elementen aarde en vuur, maar voordat ze hen naar het daglicht brachten gaven ze Epimetheus en Prometheus de opdracht om aan ieder de bij hem passende eigenschappen toe te wijzen. Epimetheus bood aan om het grootste deel van het werk te doen, en liet het inspecteren en goedkeuren over aan Prometheus.

Alles ging goed toen de dieren van de bij hen passende eigenschappen werden voorzien; maar helaas, Epimetheus ontdekte dat hij alles had opgebruikt, ‘en toen hij bij de mens kwam, die nog moest worden toegerust, stond hij voor een groot probleem’. Prometheus had maar één uitweg, en dat was om heimelijk uit de gemeenschappelijke werkplaats van Athena, godin van de kunst, en van Hephaestus, god van het vuur en de vaardigheden, dat te verkrijgen wat nodig was om de mens toe te rusten ‘om op zijn beurt in het daglicht te treden’. Snel ging Prometheus naar de smederij van de goden waar het eeuwigdurende vuur van het denkvermogen brandde. Hij stal een gloeiend stuk hout uit de heilige haard, en daalde weer af naar de aarde en deed het latente denkvermogen van de mens ontwaken met het vuur van de hemel. De mens als denker was geboren: in plaats van over mindere kwaliteiten te beschikken dan de dieren die Epimetheus zo goed had toegerust, was de mens nu een potentiële god, bewust van zijn macht, maar met het innerlijke besef dat hij vanaf dat moment zou moeten kiezen tussen goed en kwaad, en de gave moest waarmaken die Prometheus hem had gebracht.

Aanvankelijk leefde de jeugdige mensheid (wijzelf) in vrede, maar na verloop van tijd gingen velen van ons ons denkvermogen voor zelfzuchtige doeleinden gebruiken en raakten verzeild ‘in een proces van vernietiging’. Zeus, die onze benarde toestand opmerkte, riep Hermes en droeg hem op snel naar de aarde te gaan en iedere man en vrouw te doordringen van ‘eerbied en rechtvaardigheid’, zodat allen, en niet uitsluitend een paar bevoorrechten, zouden deelhebben aan de deugden. Kortom, wij mensen, hoe ongelijk we ook zijn wat betreft talenten of kansen, zijn wat ons goddelijke potentieel betreft gelijk.

In mythische vorm brengt Plato de schitterende waarheid dat Zeus in de mens niet alleen het zaad van onsterfelijkheid heeft gezaaid (zie wederom Timaeus §41), maar ook dat op het aangewezen uur een vonk van het vuur van het denkvermogen van de goden dat zaad deed opbloeien tot een zelfbewust besef van zijn goddelijkheid – en dit is het werk van Prometheus die door zijn moed en zijn offer voor het welzijn van de mensheid een van de edelste helden is.

Het derde hoofdstuk van Genesis vertelt, als we het goed begrijpen, hetzelfde verhaal, waarbij God Adam en Eva waarschuwt niet te eten van de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad, want anders zouden ze sterven. Maar de slang verzekert Eva dat ze ‘beslist niet zullen sterven’, want God – of beter gezegd goden, ’elohim, meervoud – weet (weten) dat zodra ze werkelijk ervan eten, hun ‘ogen zullen worden geopend, en [zij] zullen zijn als de goden, en goed en kwaad kennen’. Ze aten toch, en ze ‘stierven’ inderdaad – als een ras van onschuldige kinderen zonder denkvermogen – en werden werkelijk menselijk, werden als goden, die goed en kwaad kennen. En hier staan we dan, goden in onze diepste kern, hoewel we ons hiervan grotendeels onbewust zijn omdat de herinnering van deze belangrijke waarheid is vervaagd.

In de Stanza’s van Dzyan in De Geheime Leer vinden we hetzelfde verhaal als volgt verwoord:

De grote chohans riepen de heren van de maan, met de luchtlichamen. ‘Breng mensen voort, mensen van uw aard. Geef hun hun vormen van binnen. Zij [moeder aarde] zal hen van buiten bekleden. Mannen-vrouwen zullen ze zijn. Ook heren van de vlam . . .’

Zij gingen, elk naar het hem aangewezen land: zeven van hen, elk naar zijn deel. De heren van de vlam blijven achter. Zij wilden niet gaan, zij wilden niet scheppen.         – 2:17

Zo gebeurde het dat zeven keer zeven wezens werden gevormd, schaduwachtig, en ieder naar zijn eigen soort. En toch moesten de wezens met denkvermogen nog worden geboren. Ieder van de vaderen verschafte wat hij had, de geest van de aarde deed dat ook. Het was niet genoeg: ‘De adem heeft een denkvermogen nodig om het heelal te omvatten; ‘Wij kunnen dat niet geven’, zeiden de vaderen. ‘Dat heb ik nooit gehad’, zei de geest van de aarde.’ De vroege mensheid bleef een ‘leeg verstandeloos’ wezen.

‘Hoe handelden de manasa, de zonen van wijsheid?’ Ze verwierpen de eerste vormen als ongeschikt; maar toen het derde wortelras werd voortgebracht, ‘de sterken met beenderen’, zeiden ze, ‘Wij kunnen kiezen, wij hebben wijsheid.’ Sommigen gingen de schaduwachtige (astrale) vormen binnen; anderen ‘projecteerden de vonk; weer anderen ‘stelden uit tot het vierde’ wortelras. Degenen bij wie de vonk van het denkvermogen volledig was binnengegaan werden verlicht, wijzen, de leiders en gidsen van de gemiddelde mensheid in wie de vonk maar gedeeltelijk was geprojecteerd. Zij in wie de vonk niet was geprojecteerd, of te zwak brandde, waren onverantwoordelijk; zij hadden gemeenschap met dieren en brachten monsters voort. De zonen van wijsheid hadden berouw: ‘Dit is karma’, zeiden ze, omdat ze hadden geweigerd te scheppen. ‘Laten wij in de andere wonen. Laten wij hun iets beters leren, opdat er niet iets ergers gebeurt. Dat deden zij. . . . Toen werden alle mensen met manas [denkvermogen] begiftigd.’

Zo bracht het derde wortelras het vierde voort, van wie de bewoners ‘vervuld werden van trots’. Naarmate de cyclus van evolutie snel naar zijn laagste punt ging op de boog van neergang in de stof, werden de verleidingen talrijker. Er is opgetekend dat een vreselijke strijd plaatsvond tussen de zonen van licht en de zonen van duisternis. ‘De eerste grote wateren kwamen. Zij verzwolgen de zeven grote eilanden.’ De zonen van licht werden geboren onder het binnenkomende vijfde – ons eigen – wortelras om daaraan de nodige geestelijke impuls te geven, en ze ‘leerden en onderrichtten het’.(2)

Het ontsteken van onze intellectuele vermogens was een climactisch moment in de menselijke evolutie. Ons bewustzijn van alle dingen werd hierdoor verscherpt: we werden ons bewust wie en wat we waren – zelfbewust. Kennis gaf ons macht: macht om te kiezen, te denken, en te handelen – wijs en minder wijs. Het gaf ons het vermogen om anderen te begrijpen en lief te hebben. Het stimuleerde het verlangen om te evolueren en onze talenten uit te breiden. Daarbij bood het ons de grootste uitdaging van alle: het ontwaken van onze vermogens zowel om goed te doen als om kwaad te doen, wat culmineerde in een strijd tussen de lichte en de duistere krachten in ons. Wanneer we dit vermenigvuldigen met enkele miljarden menselijke zielen, begrijpen we gemakkelijk waarom er een voortdurend conflict van willen is geweest en nog steeds is.

De manasaputra’s, die de essentie van hun denkvermogen verenigden met het latente denkvermogen van die vroege mensen, bleven gedurende de derde grote raciale cyclus of het derde wortelras bij ons als goddelijke leermeesters. Onvermijdelijk echter kwam er een tijd dat deze hogere wezens zich terugtrokken zodat de jonge mensheid zich op eigen kracht kon ontwikkelen en ontplooien. Ze trokken zich terug uit onze onmiddellijke nabijheid, maar ze trokken nooit hun liefde en beschermende zorg terug, evenmin als een moeder of vader idealiter zal ophouden om van hun kinderen te houden. De wijze ouder leert dat het grootste geschenk dat hij zijn kinderen kan geven zijn vertrouwen in hen is dat ze het op eigen kracht kunnen redden. Dat is wat de manasaputra’s voor ons deden; en wat onze god-essentie voor het menselijke deel van ons blijft doen.

In feite zijn wij manasaputra’s, hoewel de hogere gebieden van het denkvermogen in ons nog niet volledig zijn gemanifesteerd. Niettemin blijven de waarheden die de zonen van het denkvermogen in onze zielenherinnering hebben ingeprent een wezenlijk deel van onszelf. We gaan telkens weer naar de aarde om opnieuw bewust in contact te komen met deze ingeboren wijsheidskennis, om opnieuw te ontdekken wie we werkelijk zijn: lotgenoten van sterren en melkwegen en medemensen evenzeer als van onze broeders van het veld, de oceaan en de lucht – één vloeiend bewustzijn, van onze ouderster tot kristallen en diamanten, en verder tot de kleine levens die de wereld van het atoom bezielen. En ook zijn we de verschillende klassen van elementalen of primaire wezens niet vergeten die de zuiverheid van de elementen aether, vuur, lucht, water en aarde instandhouden.

Het lijkt misschien vreemd om over onszelf te denken als één vloeiend bewustzijn, en toch is dit precies wat we zijn. We zien ons menselijke zelf als een afzonderlijke eenheid terwijl het in feite slechts een cel is, zouden we kunnen zeggen, van het verhevener wezen waarin de mensheid leeft en zijn bewuste evolutionaire ervaring heeft. Afgescheidenheid is een illusie. Er is een onderlinge verbondenheid tussen alle families van de natuur – in de zin dat alle wezens een beetje van zichzelf opofferen voor het welzijn van de natuurrijken boven en beneden hen. Er is een voortdurende wederzijdse bereidheid elkaar te helpen die we vaker intuïtief zouden kunnen waarnemen als we onze éénheid met alles zouden kunnen voelen. Naast een constante uitwisseling van levensatomen en van energieën van vele soorten, is er ook een op elkaar ingespeeld raken van karma tussen alle natuurrijken. Ja, we hebben het mineralen-, planten- en dierenrijk in ons, en ook de elementalenrijken, en we hebben ook de godenrijken in ons, omdat we goden zijn in menselijke vorm. We leggen te vaak de nadruk op onze schijnbare afgescheidenheid.

Tegenwoordig is er een verbazingwekkende berg aan bewijsmateriaal dat bewustzijn één is en dat hoewel het zich op verschillende manieren manifesteert in steen, plant, dier, en mens, het één vloeiende rivier van leven is. Experimenten met planten, bijvoorbeeld, wijzen erop dat planten gevoelig zijn voor menselijke gedachten en voor muziek. Als er een onderlinge invloed van trillingen bestaat, zowel positief als negatief, tussen mensen en planten, dan is deze er beslist tussen leden van onze eigen soort. Onze voortdurende uitwisseling van gedachte-energieën, van gedachte-atomen, is niet beperkt tot het mensenrijk of tot onze planeet. Wanneer we nadenken over het levende netwerk van magnetische en zielenkracht tussen onszelf en ieder aspect van het kosmische organisme dat we ons heelal noemen, dan worden we ons enigszins bewust van het gewicht van onze verantwoordelijkheid. Als we alles wat er in onze persoonlijke omstandigheden gebeurt, in onze sociale en maatschappelijke betrekkingen, vanuit dit perspectief zouden kunnen zien, met het oog van ons onsterfelijke zelf, dan zouden we ieder aspect van het leven van de mens transformeren.

 

Noten
  1. Prometheus Bound, Aeschylus, Eng. vert. Gilbert Murray, verzen 445-6.
  2. De Geheime Leer 2:17-22, Stanza’s III-XII.

 


Duizend lichten aansteken, blz. 24-33

© 2002  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag