HPB: Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky / Sylvia Cranston, Carey Williams (research assistent)

bestel boek

Tweede, herziene druk 2008

© 2008  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

14 – Verhuizing naar Avenue Road

 

Begin 1890 werden de literaire activiteiten van HPB enige tijd opgeschort. Ze schreef aan twee Franse theosofen: ‘Ik ben zo ziek geweest – totale zenuwinstorting – dat het me onmogelijk was een enkel woord te schrijven over een andere theorie dan de transcendentale filosofie. Want dit vergt geen enkele hersenactiviteit, noch enig denken; en het enige dat ik hoef te doen is een of andere lade in de kast van mijn geheugen te openen en vervolgens – te kopiëren.’212 In februari schreef ze aan Vera:

Zoals je ziet, ben ik aan de kust in Brighton, waar de artsen me naartoe hebben gestuurd om de oceaandampen van de golfstroom in te ademen om van mijn totale zenuwinstorting te herstellen. Ik heb geen pijn maar hartkloppingen, mijn oren suizen – ik ben bijna doof – en ook ben ik zwak, zo zwak dat ik mijn hand nauwelijks kan opheffen. Het is me verboden te schrijven, te lezen of zelfs te denken, maar ik moet hele dagen in de open lucht doorbrengen – ‘aan zee zitten en op mooi weer wachten’. Mijn arts werd zelf bang en joeg de hele staf schrik aan. Het is een vreselijk dure plaats; en mijn geld – helaas! Mijn esoterici hebben toen onmiddellijk hun geld bijeengebracht en me overgehaald te gaan. En nu stromen vanuit alle windrichtingen bijdragen voor mijn onderhoud toe; sommige ervan zijn zelfs anoniem; eenvoudig naar mijn adres. Vooral Amerika is zo royaal dat ik me werkelijk beschaamd voel. . . .

Er komen telkens twee of drie theosofen uit Londen die om de beurt aan mijn zijde blijven; ze waken als Cerberussen over elke beweging van mij. Nu steekt een van hen zijn hoofd om de hoek van de deur en vraagt me met een tot tranen bewogen stem om op te houden met schrijven, maar ik moet je laten weten dat ik nog leef. Je bent toch in Brighton geweest, niet? We hebben hier prachtig lenteweer; de zon is gewoon Italiaans, de lucht is rijk; de zee is als een spiegel; en ik word hele dagen in een rolstoel heen en weer geduwd op de boulevard. Het is heerlijk. Ik denk dat ik al weer sterk genoeg ben. Mijn hersenen zijn veel minder actief, maar eerst was ik eenvoudig erg bezorgd over mijn hoofd. Mijn arts zei . . . ‘U heeft uzelf overwerkt’; hij zegt: ‘u moet uzelf rust geven.’ Basta! En dat met al dit werk dat ik nog moet doen! ‘U heeft genoeg geschreven,’ zegt hij, ‘rijd nu wat rond.’

Hij heeft gemakkelijk praten, maar ik moet toch het derde deel van De [Geheime] Leer in orde brengen; en ook het vierde – waaraan nog nauwelijks is begonnen. . . . wees niet bang. Er is geen gevaar meer. Put troost uit bijgevoegde krantenknipsels. Je ziet hoe de landen je zuster verheerlijken! Mijn Sleutel tot de Theosofie zal veel nieuwe bekeerlingen brengen; en hoewel De Stem van de Stilte een klein boekje is, wordt het eenvoudig de bijbel van de theosofen.

Dit zijn inderdaad grootse aforismen. Dat kan ik zeggen, omdat je weet dat ik ze niet heb uitgevonden! Ik heb ze alleen maar vertaald uit het Telugu, het oudste Zuid-Indiase dialect. Er zijn drie verhandelingen, over ethiek en de beginselen daarvan van de Mongoolse en Dravidische mystici. Sommige van de aforismen zijn verbazend diepzinnig en prachtig. Hier hebben ze grote furore gemaakt, en ik denk dat ze ook in Rusland de aandacht zouden trekken. Waarom vertaal je ze niet? Het zal heerlijk zijn om dat te doen.213

Toen het voorgaande in The Path (december 1895) verscheen, merkte de redacteur op: ‘De zeelucht heeft haar goed gedaan, maar ze heeft haar kracht niet lang behouden. Al in april was het haar weer verboden te werken; het was een echte marteling voor haar om zich daarvan te onthouden, omdat de activiteit van haar denken met haar afnemende kracht alleen maar scheen toe te nemen.’

In het Theosophist Supplement van juni 1890 geeft Olcott nieuws over de toestand van HPB:

De laatste berichten van Mead over de gezondheid van HPB zijn verontrustend. Ze was zo ziek dat ze zelfs niet in staat was haar redactionele hoofdartikel voor Lucifer van mei te schrijven. Haar toegewijde en bekwame arts, dr. Z. Mennell, heeft me bericht dat het zonder gevaar voor haar leven onmogelijk zal zijn dat ze in december hier [in India] komt, zoals zij en ik helemaal hadden geregeld. Ze gaat nu – vertelt hij me – door een ernstige crisis; leven en dood hangen af van de afloop ervan. Elk dankbaar Aziatisch hart zal vurig bidden dat de balans in de juiste richting doorslaat. Er is geen tweede ‘HPB’.

HPB had goede redenen om te herstellen. De beweging breidde zich uit, en het hoofdkwartier van de Britse afdeling van de TS zou kort daarna van Lansdowne Road verhuizen naar een ruimer onderkomen aan Avenue Road aan de andere kant van Londen, vlakbij Regent’s Park. Maandenlang waren voorbereidingen getroffen om klaar te zijn om het in juli te betrekken. Een deel van het gebouw was de woning van Annie Besant geweest, die het aan de Society beschikbaar stelde. In april 1890 schreef HPB aan Vera:

Het is me nu verboden te werken, maar ik ben toch vreselijk druk met van het ene eind van Londen naar het andere te verhuizen. We hebben voor een aantal jaren drie afzonderlijke huizen gehuurd, verbonden door een tuin; Avenue Road 19 met recht tot bouwen. Ik laat een zaal voor lezingen bouwen voor 300 mensen; de zaal zal in oosterse stijl zijn van gepolijst hout met een stenen geraamte om de kou buiten te houden, en van binnen zonder plafond; het dak zal worden gesteund door balken, ook van gepolijst hout. En een van onze theosofen die schilder is, zal er allegorische tekens en afbeeldingen op schilderen. O, het zal heel mooi zijn!214

Olcott bericht dat ‘R. Machell, kunstenaar, de twee schuine helften van het plafond had beschilderd met een symbolische weergave van de zes grote religies en met de tekens van de dierenriem.’215 Tegenwoordig vindt men de zes grote religies vaak zo op kerstkaarten verenigd; in die tijd was het echter ongehoord.

De openingsbijeenkomst vond plaats op 3 juli. HPB schreef aan haar zuster:

Aan één kant van de zaal hebben ze voor mij een enorme leunstoel geplaatst en ik zat erop als op een troon. Ik zat daar en was nauwelijks in staat me overeind te houden, zo ziek was ik; en mijn arts was vlakbij in geval ik zou flauwvallen. . . . Ongeveer 500 mensen waren er verzameld, bijna twee keer zoveel als erin konden. . . . En stel je mijn verbazing voor; op de eerste rij wees men mij Mw. Benson aan, de vrouw van de aartsbisschop van Canterbury, aan wie mijn Lucifer een ‘broederlijke boodschap’ had gestuurd. Je herinnert je die toch wel? Wat gaat er gebeuren!

De toespraken werden door Sinnett en anderen gehouden, maar het is overbodig te zeggen dat niemand zo goed sprak als Annie Besant. Goeie hemel, wat kan die vrouw goed spreken! Ik hoop dat je haar zelf zult horen. Ze is nu mijn mederedacteur van Lucifer en voorzitter van de Blavatsky Lodge. Sinnett blijft alleen voorzitter van de London Lodge. Wat mij betreft, ik word nu een echte theosofische paus: ik ben unaniem tot voorzitter van alle Europese theosofische afdelingen gekozen.216 Maar wat heb ik aan dit alles? .i.i. Kon ik maar een betere gezondheid krijgen – dan zou ik iets kunnen beginnen. Maar eretekens en titels zijn helemaal niets voor mij.217

De meerderheid van het personeel aan Avenue Road woonde daar. Besant schrijft over deze periode:

De regels van het huis waren – en zijn – heel eenvoudig, maar HPB stond op grote regelmaat in het leven; we ontbeten om 8 uur ’s morgens, werkten tot de lunch om 1 uur, dan weer tot het avondeten om 7 uur. Na het avondeten werd het uiterlijke werk voor de Society opzijgelegd en verzamelden we ons in de kamer van HPB waar we gewoonlijk zaten te praten over plannen, instructies ontvingen en naar haar uitleg van lastige punten luisterden. Tegen 12 uur ’s nachts moesten alle lichten uit zijn.

Zijzelf schreef onophoudelijk; ze leed altijd, maar had een onbedwingbare wilskracht, ze dwong haar lichaam zijn taken te vervullen. . . . Als leraar was ze een wonder van geduld en legde een probleem telkens weer op verschillende manieren uit, tot ze na aanhoudend falen zich soms achterover wierp in haar stoel: ‘Mijn God’ (het gemakkelijke ‘Mon Dieu’ van de vreemdeling), ‘ben ik een dwaas dat je het niet kunt begrijpen? Hier, dinges’ – tegen iemand met een gezicht waarop een zwak sprankje begrip was te bespeuren – ‘vertel deze eeuwige kletskousen wat ik bedoel.’

Tegen ijdelheid, verwaandheid en het voorwenden van kennis was ze genadeloos als de leerling veelbelovend was; scherpe pijlen van ironie zouden de schijn doorboren. Op sommigen placht ze heel boos te worden; met vurige spot zweepte ze hen uit hun lethargie; ze maakte zich in feite louter tot een instrument om haar leerlingen te trainen, onverschillig wat deze of wie dan ook over haar dachten, mits het zeker was dat het voor hen een gunstig resultaat opleverde.218

George Mead vertelt hoe HPB’s methode om haar leerlingen te trainen bij hem werkte: ‘Eén ding waar ze bij mij altijd de nadruk op legde, was het ontwikkelen van een gevoel voor wat ‘gepast’ is; en ze was genadeloos als deze wet van harmonie werd overtreden – ze liet geen uitweg open om te ontsnappen; en ze luisterde naar geen excuus, hoewel ze het volgende moment toch weer de liefhebbende vriend en oudere broer was – zelfs kameraad, op een manier zoals alleen zij dat kon zijn.’219

Voor zover men kan nagaan, schijnt er slechts één gelegenheid te zijn geweest waarbij HPB haar leven aan Avenue Road 19 onderbrak: dat was in augustus 1890, toen ze naar Oost-Londen reisde om een clubhuis voor onderbetaalde arbeidsters te openen. Aan het begin van het jaar had ze duizend pond gekregen die ze kon gebruiken zoals ze wilde om de mensheid te dienen, bij voorkeur vrouwen; en ze besloot tot dat project. Prof. Nethercot, die het verhaal heeft onderzocht, bericht:

Toen het midden augustus werd geopend, vond de Star [verslaggever] geen somber, gepleisterd, afstotelijk uitziend gebouw, maar eerder een woonhuis met lichte en mooi gemeubileerde kamers. De bedden in de slaapkamers waren zelfs van elkaar gescheiden door vrolijk gekleurde Japanse schermen. De club bevatte ook een bibliotheek, een werkkamer, zitkamers . . . en een eetkamer. . . . De club kon ongeveer een dozijn kamerbewoners huisvesten en voor tientallen meer zorgen voor maaltijden en bijeenkomsten. Eind december kon Mw. Besant aankondigen dat de ledenlijst meer dan honderdvijftig namen bevatte en dat Mw. Kitty Lloyd, het hoofd (natuurlijk een toegewijd theosofe) haar handen vol had aan het dagelijks opdienen van ongeveer eenzelfde aantal maaltijden. . . . Bij de opening in augustus, die werd bijgewoond door ongeveer vijftig meisjes, was mevrouw [Blavatsky] voldoende hersteld van haar chronische ziekte om met haar volledige staf aanwezig te zijn. Er werd thee en cake aangeboden en men kon zelfs dansen en zingen, waarna toespraken van Mw. Besant en Herbert Burrows het hoogtepunt vormden. Mw. Blavatsky zat slechts gelukkig te stralen.220

Vóór de opening was HPB ernstig bezorgd over een van de regels van de vrouwenclub en schreef aan Annie Besant:

H. Burrows verklaarde gisteravond met gezag en als iemand die macht heeft in het bestuur van deze ‘Vrouwenclub’ dat vrouwen die niet tot de vakbond behoorden niet zouden worden ontvangen, noch als lid noch als bewoonster. Welk recht had hij dit te zeggen? . . . De wens van K. was, zoals me nadrukkelijk in brieven en mondeling is meegedeeld, dat elk meisje en elke vrouw die door armoede werd gedwongen om haar toevlucht op straat te zoeken – ongeacht geloofsovertuiging (religieus of politiek), stand, beroep en mening – moet kunnen profiteren van deze club binnen de beperkingen van het aantal kamers en de middelen. [Het bevel van Burrows] is in strijd met het basisbeginsel van de TS – namelijk broederschap ongeacht geloofsovertuiging, opvattingen, stand, ras of kleur – en is daarom ontheosofisch.

Bovendien zal het de TS en allen die haar hebben gesticht, meesleuren in een bepaalde manier van handelen; het zal hen met geweld en onverwacht vastleggen op een bepaalde nauwe sektarische opvatting van de theosofie en van filantropie; het zal ons allen voor het publiek (er waren twee redacteuren en verslaggevers) in verband brengen met vakbonden, stakingen, openbare demonstraties, enz. . . . En als wij van de TS, en de TS zelf, tot op deze dag bestaan en niets ons kan vernietigen, komt dat juist door het wijze beleid van onze Society als organisatie absoluut geen bemoeienis met zulke politieke bewegingen te hebben en om ons altijd binnen de grenzen van de wet te houden . . . wat relletjesmakers en opstandelingen niet doen, hoe waardig hun zaak ook mag zijn.221

Vera, die toen bij HPB in Londen was, herinnert zich:

Gedurende mijn verblijf waren er veel omstandigheden betreffende mijn zuster die me verontrustten. Hoewel allen die daar werkten haar kennelijk respecteerden, liefhadden en waardeerden, waren het allemaal nieuwe mensen, die het vreselijk druk hadden en bovendien gewend waren aan een Spartaanse leefwijze. Niemand wist hoe men haar kon ontlasten van de ergernissen en ongemakken van het dagelijks leven en haar de juiste dagelijkse zorg en aandacht kon geven die ze hard nodig had. . . .

Alleen gravin Wachtmeister, die zo goed voor haar zorgde in Würzburg en haar in Oostende erdoorheen hielp, had haar volgens mij kunnen redden. Dat heb ik mijn zuster vaak gezegd. Maar de gravin was van ’s ochtends vroeg tot in de avond op het kantoor in de stad, enkele kilometers daarvandaan. Helena Petrovna protesteerde hevig tegen mijn suggesties en verzekerde me dat men de gravin nodig had bij het werk en dit niet kon verwaarlozen. Eigenbelang was niet kenmerkend voor mijn zuster. Zo stuurde ze om dezelfde reden Bertram Keightley die zomer naar India – een man die haar was toegewijd alsof ze zijn eigen moeder en nog meer was. Ze beweerde dat hij daar nodig was. En nog belangrijker, dat zijn vertrek uit Londen voor hem nodig was en gunstig voor hem zou zijn.

Tijdens onze laatste avonden samen was haar grootste plezier het luisteren naar eenvoudige Russische liedjes. Ze wendde zich altijd eerst tot een van mijn dochters en dan tot een andere: ‘Zing iets, liefje! Wel, misschien ‘Notsjenki’ (beste kleine nacht), of ‘Travoesjki’ (het grassprietje). . . . Zing een van de liedjes uit ons geboorteland. . . .’ De laatste avond zongen mijn dochters tot middernacht liederen als ‘Sredi Dolini Rovnija’ (temidden van ondiepe dalen) en ‘Vniz po Matusjke po Volge’ (de Moeder Volga af), ons Russische volkslied, en Russische vastengebeden. Ze luisterde zo geroerd en gelukkig alsof ze wist dat ze ze nooit meer zou horen.222

Laat in de zomer van 1890 schreef HPB ‘Psychische and noëtische activiteit’, een van haar belangrijkste bijdragen op het gebied van theosofische psychologie. Het artikel verscheen in twee delen in Lucifer, in oktober en november. Hierin onderzoekt ze de tekortkomingen van de toen overheersende ‘fysiologische psychologie’ en stelt de laatstgenoemde tegenover de psychologie van de moderne en oude theosofie. Zoals eerder werd aangegeven, is ‘noëtisch’ een bijvoeglijk naamwoord van nous, wat HPB in haar Theosophical Glossary definieert als ‘een platonische term voor de hogere geest of ziel. . . . Het betekent geest tegenover de dierlijke ziel – psyche.’ HPB noemt het ook het ‘goddelijke bewustzijn of denkvermogen in de mens’.

In de jaren dertig werd veel materiaal uit ‘Psychische en noëtische activiteit’ besproken in een artikel: ‘Wat is de ziel?’, van de Britse filosoof en agnosticus C.E.M. Joad, die tot zijn dood in 1953 alom bekendstond om zijn heldere analyse van moderne cultuur en filosofie. Hij schrijft:

Mw. Blavatsky . . . gaat uit van twee zielen of zelven die globaal als volgt worden gedefinieerd: Het eerste is afhankelijk van het lichaam, dat wil zeggen, de gebeurtenissen erin worden bepaald door voorafgaande gebeurtenissen die in het lichaam plaatsvinden; het staat bekend als het ‘lagere zelf’ of als ‘psychische activiteit’. Het manifesteert zich door ons organisch gestel. . . .

Het tweede zelf, het ‘hogere zelf’, is in plaats van slechts een verzameling psychische gebeurtenissen, zoals het eerste zelf, . . . een eenheid, of beter gezegd, een verenigend beginsel. Het heeft geen speciaal orgaan als tegenhanger in het lichaam – want hoe kan er een eigen orgaan zijn dat de bewegingen bepaalt van dat wat alle organen verenigt? . . . Het is daarom niet in de hersenen gelokaliseerd. . . . De activiteit ervan, die wordt beschreven als ‘noëtisch’, in tegenstelling tot de ‘psychische’ activiteit van het eerste zelf, komt voort uit de ‘universele geest’. . . . Tenslotte, het hogere zelf blijft hetzelfde en zet zich voort in en door verschillende levens. Het is het blijvende element dat als een draad door de verschillende levens heen loopt, die als kralen eraan zijn geregen.

Het onderscheid tussen de twee zelven wordt door Mw. Blavatsky met grote scherpzinnigheid toegepast om sommige van de moeilijkheden te weerleggen, die door het wetenschappelijke materialisme tegen iedere vergeestelijkte filosofie naar voren werden gebracht. . . . Het is onmogelijk niet de grootste eerbied te voelen voor Mw. Blavatsky’s geschriften over dit onderwerp, eerbied en als het woord is toegestaan, bewondering. Toen ze schreef, voorzag ze veel ideeën die nu bekend zijn, maar die vijftig jaar geleden volkomen nieuw waren.223

In maart 1890 gaf de Theosophical Publishing Society in Londen deel één uit van een tweedelig boek met de titel Transactions of the Blavatsky Lodge. Het tweede deel dat in 1891 verscheen, werd samen met het eerste deel in één band uitgegeven en is nog steeds in druk.224 Uit de titel zou men nauwelijks vermoeden dat het boek over De Geheime Leer gaat en HPB’s eigen antwoorden op vragen bevat die haar werden gesteld op bijeenkomsten van de Blavatsky Lodge tussen 10 januari en 14 maart 1889. Haar antwoorden werden stenografisch opgetekend en naderhand voor publicatie door haar herzien.

Men hield soortgelijke bijeenkomsten toen de loge verhuisde naar Avenue Road. Er is een verslag bewaard gebleven van de actieve deelname van HPB. Het verslag werd gemaakt door Robert Bowen, een gepensioneerd commandant ter zee; zijn zoon, kapitein P.G. Bowen, publiceerde dit opmerkelijke document jaren later in Theosophy in Ireland (januari-maart 1932) onder de titel ‘De ‘Geheime Leer’ en de studie daarvan’. Het is sindsdien herdrukt in verschillende theosofische tijdschriften en ook in de vorm van een boekje.225 Het document is gedateerd 19 april 1891, precies twintig dagen voordat HPB overleed.

De belangrijkste delen van de verhandeling, die te lang is om hier op te nemen, geven wenken van HPB hoe de serieuze onderzoeker de GL het best kan bestuderen. Hier volgen een paar fragmenten van andere gedeelten van de brochure. Robert Bowen doet verslag:

HPB sprak vorige week bijzonder interessant over De Geheime Leer. Nu het me nog helder voor de geest staat, kan ik het best alles ordenen en veilig op papier zetten. Zoals ze zelf zei, kan het over dertig of veertig jaar voor iemand van nut zijn.

Ten eerste bevat De Geheime Leer . . . , zegt ze, precies zoveel als de wereld in deze komende eeuw kan ontvangen. Dit riep een vraag op – waarop ze het volgende verklaarde:

‘De wereld’ betekent de mens die in de persoonlijke natuur leeft. Deze ‘wereld’ vindt in de twee delen van de GL alles wat haar hoogste begripsvermogen kan bevatten, maar niet meer. Maar dat betekent niet dat de discipel die niet in ‘de wereld’ leeft niet méér in het boek zou kunnen vinden dan de ‘wereld’ erin vindt. Iedere vorm, hoe ruw ook, bevat in zich het verborgen beeld van zijn ‘schepper’. Zo bevat ook het werk van een schrijver, hoe duister dat misschien ook is, het verborgen beeld van de kennis van de schrijver. Uit deze uitspraak leid ik af dat de GL alles moet bevatten wat HPB zelf weet, en nog veel meer, omdat veel ervan afkomstig is van mensen die een kennis bezitten die ontzaglijk veel groter is dan de hare. Verder geeft ze duidelijk te kennen dat het heel goed mogelijk is dat een ander er kennis in vindt die ze zelf niet bezit. Het is een stimulerende gedachte dat het mogelijk is dat ikzelf in HPB’s woorden kennis vind waarvan ze zich niet bewust is. Ze stond een hele tijd bij die gedachte stil. X zei naderhand: ‘HPB begint kennelijk haar greep erop te verliezen’, waarmee, denk ik, het vertrouwen in haar eigen kennis werd bedoeld. Maar Y en Z en ook ik begrijpen haar bedoeling beter, denk ik. Ongetwijfeld zegt ze ons dat we ons niet op haar moeten verlaten als de hoogste autoriteit, noch op iemand anders, maar geheel en al moeten vertrouwen op onze eigen zich verdiepende inzichten.

Latere notitie over het bovenstaande: Ik had gelijk. Ik vroeg het haar rechtstreeks en ze knikte en glimlachte. Het is heel wat waard haar goedkeurende glimlach te krijgen! . . .

Ze is erg veranderd sinds ik haar twee jaar geleden ontmoette. Het is wonderbaarlijk hoe ze zich staande houdt ondanks haar afschuwelijke ziekte. Als men niets zou weten en niets zou geloven, dan zou HPB iemand ervan kunnen overtuigen dat ze iets is dat uitgaat boven lichaam en verstand. Ik voel, vooral in deze laatste bijeenkomsten, sinds ze lichamelijk zo hulpeloos is geworden, dat we leringen krijgen uit een andere en hogere sfeer. We schijnen eerder te voelen en te weten wat ze zegt dan dat we het met onze stoffelijke oren horen. X zei gisteravond bijna hetzelfde.

 

 


HPB: Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky, blz. 387-94

© 2008  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag