Deel 2
Het verrijzen en verzinken
van continenten
Verticale bewegingen
De theosofische traditie leert dat de aardkorst zich voortdurend verheft
of verzinkt, meestal langzaam maar op sommige momenten met cataclysmische
intensiteit. Er is een voortdurende afwisseling van land en water: als
één deel van de droge landen verzinkt, ontstaat elders
nieuw land. Blavatsky schrijft:
Het opheffen en dalen van continenten gaat steeds
voort. De hele kust van Zuid-Amerika is in een uur 10 tot 15 voet
opgeheven en ook weer gedaald. Huxley heeft aangetoond dat de Britse
eilanden vier keer onder de oceaan zijn gezakt en vervolgens weer
zijn omhooggekomen en opnieuw bevolkt. De Alpen, de Himålaya
en de Cordilleras waren alle het gevolg van bezinksels die zich op
de zeebodem hadden afgezet en die door titanische kracht tot hun huidige
hoogte werden opgeheven. De Sahara was het bekken van een miocene
zee. Binnen de laatste 5000 of 6000 jaar zijn de kusten van Zweden,
Denemarken en Noorwegen tussen de 200 en 600 voet opgerezen; in Schotland
zijn er opgeheven kusten met uitstekende rotsen en klippen, die hoger
liggen dan de stranden die nu door hongerige golven worden geërodeerd.
Het noorden van Europa stijgt nog steeds op uit de zee, en Zuid-Amerika
laat het verschijnsel zien van opgeheven stranden van meer dan 1000
mijl lang, die nu 100 tot 1300 voet boven het zeeniveau liggen. Anderzijds
is de kust van Groenland zo snel aan het dalen dat de Groenlander
niet aan de kust wil bouwen. Al deze verschijnselen staan vast. Waarom
kan een geleidelijke verandering dan niet in lang verstreken tijdperken
hebben plaatsgemaakt voor een hevige ramp? – want zulke
rampen vinden zelfs nu op kleinere schaal plaats (zoals in het geval
van het Sunda eiland met 80.000 Maleiers*).1
*Een verwijzing naar de enorme uitbarsting van de vulkaan
op het eiland Krakatau in de Straat Sunda in 1883. Ze heeft een tsunami,
of een grote zeegolf, veroorzaakt die meer dan 30.000 mensen op de eilanden
Java en Sumatra wegvaagde.
Blavatsky citeert ook het volgende van een wetenschapper uit haar tijd:
er zijn onophoudelijk krachten werkzaam, en er is
geen reden waarom een opheffende kracht die eenmaal in het midden
van een oceaan in werking is gesteld, zou ophouden te werken tot er
een continent is gevormd. Ze zijn werkzaam geweest en hebben
in betrekkelijk recente geologische tijden de hoogste bergen op aarde
uit de zee opgeheven. . . . [Z]eebeddingen zijn soms 1000 vadem omhooggekomen
en eilanden zijn verrezen uit diepten van 3000 vadem . . .2
Het bestaan van vroegere continentale landmassa’s in de huidige
oceanen mag dan in strijd zijn met plaattektonische dogma’s, het
wordt echter gesteund door een groeiende hoeveelheid bewijsmateriaal,
zoals hieronder wordt aangegeven.
De klassieke platentektoniek probeert alle geologische structuren in
eerste instantie te verklaren door eenvoudige horizontale bewegingen
van lithosferische platen – het splijten, zich uitbreiden, botsen
en de subductie ervan. Maar willekeurige interacties van platen kunnen
het periodieke karakter van geologische processen niet verklaren, d.w.z.
de geotektonische cyclus, die soms een wereldwijd karakter heeft. Ze
kunnen evenmin het grootschalige opheffen en wegzakken verklaren die
de evolutie van de aardkorst hebben gekenmerkt, vooral als dit zich
ver van ‘plaatgrenzen’ voordoet, zoals in het binnenland
van continenten, en verticale oscillerende bewegingen die uitgestrekte
gebieden betreffen. De aanwezigheid van mariene lagen duizenden meters
boven de zeespiegel (bijvoorbeeld op de top van Mount Everest) en de
grote diktes van ondiep-water-sediment in een aantal oude bekkens wijzen
erop dat verticale bewegingen van de aardkorst tot een hoogte van tenminste
9 km boven de zeespiegel en een diepte van 10-15 km beneden de zeespiegel
hebben plaatsgevonden.
Grote verticale bewegingen hebben zich ook voorgedaan langs de randen
van continenten. Zo is de rand van het Noord-Amerikaanse continent aan
de kant van de Atlantische Oceaan sinds de jura tot maximaal 12 km gezakt.
In Barbados komt onder diepzeeslijk steenkool uit het tertiair voor,
wat wijst op een tropische omgeving met ondiep water; hieruit blijkt
dat tijdens de afgelopen 12 miljoen jaar de korst voor de afzetting
van het slijk tot meer dan 5 km diepte zonk en daarna weer is omhooggekomen.
Een soortgelijke situatie doet zich voor in Indonesië, waar diepzeeslijk
boven de zeespiegel voorkomt, tussen tertiaire ondiep-water-sedimenten.
In de platentektoniek bestaat het belangrijkste mechanisme om bergen
te vormen uit zijdelingse compressie veroorzaakt door botsingen van
continenten, eilandbogen, oceanische plateaus, zeebergen en ruggen.
In dit model vindt er subductie zonder bergvorming plaats tot een botsing
optreedt, terwijl in het model zonder botsing subductie de enige oorzaak
voor het vormen van bergen is. Deze modellen spreken elkaar tegen en
zijn beide ontoereikend, zoals verschillende aanhangers van de platentektoniek
hebben toegegeven. Het model zonder botsing verklaart niet hoe ononderbroken
subductie aanleiding kan geven tot onderbrekingen bij het vormen van
bergen, terwijl het model met botsing wordt tegengesproken door gevallen
van bergvorming waar geen botsing van continenten kan worden aangenomen,
en het kan de tegenwoordige bergvorming langs ketens zoals de Andes
en langs een groot deel van de rest van de rand van de Grote Oceaan
niet verklaren.
Azië zou in het late paleozoïcum met Europa zijn gebotst,
waarbij de Oeral werd gevormd, maar overvloedige geologische gegevens
tonen aan dat het Siberische en Oost-Europese (Russische) plateau sinds
het precambrium één enkel continent hebben gevormd. Eén
leerboek geologie erkent dat de platentektonische reconstructie van
de vorming van het Appalachen-gebergte met drie opeenvolgende botsingen
van Noord-Amerika ‘zelfs voor een sciencefictionverhaal te onwaarschijnlijk
lijkt’. C.D. Ollier zegt dat de fantasievolle platentektonische
verklaring de hele geomorfologie en veel van de bekende geologische
geschiedenis van de Appalachen negeert. Hij zegt ook dat van alle mogelijke
mechanismen die het ontstaan van de Alpen zouden kunnen verklaren, de
botsing van de Afrikaanse en Europese platen het meest naïeve is.3
De Himalaya en het Tibetaanse Plateau zouden zijn opgetild door de
botsing van de Indiase plaat met de Aziatische plaat. Dit verklaart
echter niet waarom de bodemlagen aan beide kanten van de veronderstelde
botsingszone relatief onverstoord blijven en een geringe helling vertonen,
terwijl de Himålaya ongeveer 100 kilometer verderop als gevolg
daarvan zou zijn opgetild, samen met de Kunlun-bergen ten noorden van
het Tibetaanse Plateau. Rivierterrassen in verschillende delen van de
Himålaya zijn bijna volmaakt horizontaal en niet hellend, wat
aangeeft dat de Himålaya verticaal werd opgetild, en niet door
horizontale samendrukking.
Er zijn veel aanwijzingen dat warmtestromen en het transport van materiaal
in de mantel kunnen leiden tot belangrijke veranderingen in de dikte,
samenstelling en dichtheid van de aardkorst, met aanzienlijke opheffingen
en verzakkingen als gevolg. In veel theorieën die een alternatief
bieden voor de platentektoniek wordt dit benadrukt. Ook platentektonici
beroepen zich steeds vaker op het omhoogkomen van mantelmateriaal en
aanverwante opwellingsprocessen als een mechanisme voor verticale bewegingen
van de aardkorst.
De platentektoniek voorspelt eenvoudige wereldwijde patronen voor het
stromen van warmte uit het inwendige van de aarde. Er moet een brede
strook met grote warmte zijn onder de volle lengte van de mid-oceanische
ruggen, en parallelle stroken met grote en geringe warmte langs de Benioff-zones.
Gebieden binnen de platen zouden een minder grote warmtestroom moeten
vertonen. Het patroon dat feitelijk wordt waargenomen is heel anders.
Er zijn elkaar kruisende stroken met een grote warmtestroom die de hele
oppervlakte van de aarde beslaan. Vulkanisme binnen de platen wordt
meestal toegeschreven aan ‘mantelpluimen’ – opwellingen
van warm materiaal dat van diep in de mantel komt. Door het bewegen
van platen over de pluimen (of ‘hotspots’) zouden ketens
van vulkanische eilanden en zeebergen ontstaan. Deze ketens moeten dan
ook een geleidelijke ontwikkeling in hun ouderdom vertonen van het ene
einde naar het andere, maar dit komt heel zelden voor. H.C. Sheth heeft
aangetoond dat de pluimhypothese slecht onderbouwd, kunstmatig en ongegrond
is, en aardwetenschappers op een doodlopende weg heeft gebracht.4
Een belangrijke nieuwe hypothese van de geodynamica is die van de stuwtektoniek
(‘surge tectonics’); deze verwerpt zowel zeebodemspreiding
als continentverschuiving.5 De stuwtektoniek
stelt dat er zich onder alle belangrijke structuren van het aardoppervlak,
waaronder riftzones, plooigordels, metamorfe gordels en zones van zijschuivingen,
ondiepe (minder dan 80 km) magmakamers en -kanalen bevinden. Seismotomografische
gegevens wijzen erop dat magmakanalen onderling verbonden zijn in een
wereldwijd netwerk, dat ‘het cardiovasculaire stelsel van de aarde’
is genoemd. Actieve magmakanalen worden gekenmerkt door een grote warmtestroom
en microaardbevingen. Magma uit de asthenosfeer stroomt langzaam door
actieve kanalen met een snelheid van enkele centimeters per jaar. Deze
horizontale stroming wordt aangetoond door twee belangrijke oppervlaktekenmerken:
lineaire breuken, spleten en scheuren evenwijdig aan tektonische gordels;
en de verdeling van gordels in tamelijk uniforme segmenten. Alle lavastromen
en -tunnels hebben dezelfde kenmerken, die ook op Mars, Venus en een
aantal manen van de buitenplaneten zijn waargenomen.
De stuwtektoniek stelt dat de belangrijkste oorzaak van de geodynamica
het samendrukken van de lithosfeer is, wat wordt veroorzaakt door het
afkoelen en samentrekken van de aarde.* Als het samendrukken in de loop
van een geotektonische cyclus toeneemt, zorgt dit ervoor dat magma in
ritmische golven door een kanaal wordt gestuwd en het tenslotte doet
scheuren, zodat de inhoud van het kanaal bilateraal naar boven en naar
buiten wordt gestuwd en tektogenesis op gang brengt. De asthenosfeer
(in gebieden waar deze aanwezig is) trekt zich afwisselend samen tijdens
perioden van tektonische activiteit en zet uit in perioden van tektonische
rust. De draaiing van de aarde, in combinatie met de grotere traagheid
van de meer starre lithosfeer ten opzichte van de meer vloeibare asthenosfeer
eronder, zorgt ervoor dat de vloeibare of halfvloeibare materialen zich
overwegend naar het oosten verplaatsen.
*Aardwetenschappers hebben heel uiteenlopende opvattingen
over de veranderingen in de omvang van de aarde die deze sinds haar
vorming heeft ondergaan. Vanuit een theosofisch perspectief is de aarde,
na haar vorming in een etherische toestand ongeveer 2 miljard jaar geleden,
geleidelijk steeds fysieker geworden en enigszins gekrompen. Aan deze
neerwaartse boog van de evolutie van de aarde kwam enkele miljoenen
jaren geleden een einde, en daarna begon de opwaartse boog, waarop de
aarde weer meer etherisch wordt. Men kan verwachten dat de aarde een
beetje zal uitzetten als de aantrekkingskrachten wat beginnen af te
nemen.
De continenten
Het is opvallend dat 90% van alle sedimentaire gesteenten waaruit de
continenten zijn samengesteld onder zee werd afgezet.6
De continenten zijn herhaaldelijk door zee overstroomd, maar omdat de
zeeën overwegend ondiep (minder dan 250 m) waren, worden ze omschreven
als ‘epicontinentaal’. Het zich uitbreiden en het zich weer
terugtrekken van de zee worden gewoonlijk toegeschreven aan veranderingen
van de zeespiegel die zijn veroorzaakt door veranderingen in de omvang
van mid-oceanische ruggen. T.H. van Andel wijst erop dat deze verklaring
niet opgaat voor de ongeveer 100 korte cycli van veranderingen van de
zeespiegel, vooral omdat het zich uitbreiden en het zich weer terugtrekken
van de zee zich niet altijd gelijktijdig over de hele wereld voordoen.
Hij stelt dat grote gebieden of hele continenten langzame verticale
bewegingen moeten ondergaan. Hij geeft toe dat zulke bewegingen ‘niet
goed passen in de theorie van de platentektoniek’, en daarom grotendeels
worden genegeerd.7
|
| Afbeelding 11. Mate van overstroming
door de zee voor elk fanerozoïsch tijdvak voor de voormalige
Sovjetunie en Noord-Amerika. Hoe ouder de geologische periode des
te groter de kans dat de mate van overstroming wordt onderschat
omdat de sedimenten zijn geërodeerd of diep begraven liggen
onder jongere sedimenten.8 (Herdrukt
met toestemming van Nature.) |
|
| Afbeelding 12. Wijzigingen van
de zeespiegel voor zes continenten. Voor de verschillende tijdsintervallen
(in stappen van 20 miljoen jaar) loopt de verhouding tussen de gemiddelde
zeeniveaus voor de afzonderlijke continenten sterk uiteen, wat het
belang aantoont van verticale bewegingen op een regionale en continentale
schaal.9 In de afgelopen 40 miljoen
jaar is bijvoorbeeld Afrika snel omhooggekomen. (Herdrukt met toestemming
van de American Geophysical Union.) |
Van Andel stelt dat ‘platen’ niet meer dan een paar honderd
meter stijgen of dalen – dit is de maximale diepte van de meeste
‘epicontinentale’ zeeën. Hierbij wordt echter een elementair
feit over het hoofd gezien: enorme diktes van sedimenten werden vaak
afgezet in de perioden van overstroming door de zee, waarvoor vaak verticale
bewegingen van de aardkorst van vele kilometers nodig waren.
Sedimenten hopen zich op in gebieden die zijn weggezakt, en hun dikte
ligt meestal dicht bij de mate van verzakking. In de onstabiele, mobiele
gordels die grenzen aan stabiele continentale schilden heeft zich in
veel geosynclinale troggen en cirkelvormige holten sediment opgehoopt
met een dikte van 10 tot 14 km, en in sommige gevallen van 20 km. Hoewel
de sedimenten op de schilden zelf meestal minder dan 1,5 km dik zijn,
zijn ook hier gevallen bekend van sedimentaire bekkens met een afzetting
van 10 km of zelfs 20 km dik.
Bodemdaling kan niet uitsluitend worden toegeschreven aan het gewicht
van het sediment dat zich ophoopt, omdat de dichtheid van sedimentaire
gesteenten veel lager is dan dat van het materiaal onder de korst; de
afzetting van 1 km van mariene sedimenten zal bijvoorbeeld slechts een
verzakking van ongeveer een halve kilometer veroorzaken. Bovendien hebben
sedimentaire bekkens niet alleen een voortdurende verlaging van de bodem
van het bekken nodig om meer sediment te kunnen bevatten, maar ook een
voortdurende verheffing van het aangrenzende land om te voorzien in
een bron voor de sedimenten. In geosynclinalen werden de verzakkingen
vaak gevolgd door het zich verheffen en plooien van de aardkorst en
het ontstaan van bergketens, en dit kan natuurlijk niet worden verklaard
door veranderingen van de lading die aan de oppervlakte is aangebracht.
De complexe geschiedenis van de afwisselende verheffing en daling van
de aardkorst lijkt diepliggende veranderingen in lithosferische samenstelling
en dichtheid te vereisen, en verticale en horizontale bewegingen van
mantelmateriaal.
In alle gebieden waar de sedimenten in ondiep water werden afgezet,
moeten de verzakkingen op een of andere manier gelijke tred hebben gehouden
met de sedimentatie. In eugeosynclinalen verliepen de verzakkingen daarentegen
sneller dan de sedimentatie, wat resulteerde in een diepzeebekken van
verschillende kilometers diep. Voorbeelden van eugeosynclinalen in het
stadium voorafgaand aan de verheffing zijn de Sayan-bergen in het vroege
paleozoïcum, de oostelijke helling van de Oeral in het vroeg- en
midden-paleozoïcum, de Alpen in de jura en het vroege krijt, en
de Sierra Nevada in het trias. Hoewel platentektonici vaak beweren dat
geosynclinalen alleen worden gevormd bij plaatgrenzen tussen continenten
en oceanen, zijn er veel voorbeelden van geosynclinalen die zich binnen
continenten hebben gevormd.
De oceanen
In het verleden zijn sedimenten naar de huidige continenten getransporteerd
vanuit de richting van de huidige oceanen, waar toen grote stukken land
moeten zijn geweest die aan erosie onderhevig waren. De paleozoïsche
geosynclinale langs de oostkust van Noord-Amerika, bijvoorbeeld, een
gebied waar nu de bergen van de Appalachen liggen, werd gevoed door
sedimenten afkomstig uit een aangrenzend stuk land (‘Appalachia’)
in de Atlantische Oceaan. Andere verzonken landgebieden zijn het Noord-Atlantische
Continent of Scandia (ten westen van Spitsbergen en Schotland), Cascadia
(ten westen van de Sierra Nevada), en Melanesië (ten zuidoosten
van Azië en ten oosten van Australië). Een miljoen kubieke
kilometer devoon-sedimenten van Bolivia tot Argentinië duiden op
een uitgebreide continentale bron in het westen waar zich nu de diepe
Grote Oceaan bevindt. In het paleozoïcum-mesozoïcum-paleogeen
werd de Japanse geosynclinale voorzien van sediment afkomstig uit land
in de Grote Oceaan.
Wanneer platentektonici proberen uit te leggen wat de bron van deze
sedimenten is, dan beweren ze soms dat sedimenten afkomstig zijn uit
de bestaande continenten in perioden waarin ze dichter bij elkaar zouden
hebben gelegen. Zo nodig veronderstellen ze kleine vroegere landgebieden
(microcontinenten of eilandbogen), die sindsdien subductie hebben ondergaan
of zich als ‘exotisch terrein’ hebben vastgehecht aan de
rand van continenten. Er is echter een groeiende hoeveelheid bewijsmateriaal
dat wijst op het verzinken van aanzienlijke landmassa’s waarvan
de overblijfselen nog steeds aanwezig zijn onder de oceaanbodem.
De aardkorst onder oceanen zou veel dunner en dichter zijn dan de aardkorst
van continenten: de oceanische korst zou gemiddeld ongeveer 7 km dik
zijn en grotendeels uit basalt en gabbro bestaan, terwijl de continentale
korst gemiddeld ongeveer 35 km dik is en voornamelijk uit graniet bestaat
bedekt met sedimentair gesteente. Er worden in de oceanen echter steeds
vaker oude continentale gesteenten ontdekt samen met korstsoorten die
tussen de standaard ‘continentale’ en ‘oceanische’
korst in liggen, en dit brengt platentektonici ernstig in verlegenheid.
Het traditionele beeld van de oceanische korst – die overal dun
en zonder graniet zou zijn – wordt in de toekomst misschien nog
verder ondermijnd naarmate het seismische onderzoek en de oceaanboringen
worden voortgezet.
 |
| Afbeelding 13. Wereldwijde verspreiding
van oceanische plateaus (zwart) (Storetvedt, 1997). (Herdrukt met
toestemming van Fagbokforlaget en K.M. Storetvedt.) |
Verspreid over de oceanen zijn er meer dan 100 onderzeese plateaus
en aseismische ruggen, waarvan vele ooit boven water lagen. Ze vormen
ongeveer 10% van de oceaanbodem. Veel lijken te zijn samengesteld uit
gewijzigde continentale korst 20-40 km dik – veel dikker dan ‘normale’
oceanische korst. Ze hebben vaak een bovenste korst van 10-15 km dik
met seismische snelheden die typerend zijn voor granietgesteente in
de continentale korst. Ze vormen nog altijd belemmeringen voor het in
elkaar passen van continenten, en zijn daarom opgevat als niet meer
actieve spreidingsruggen, abnormaal verdikte oceanische korst of verzonken
continentale fragmenten die zijn meegevoerd door de ‘migrerende’
zeebodem. Als de zeebodemspreiding wordt verworpen, zijn ze geen anomalieën
meer en kunnen ze worden geïnterpreteerd als verzonken, in-situ
continentale fragmenten die nog niet volledig zijn ‘geoceaniseerd’.
Ondiep-water-afzettingen, in leeftijd variërend van de midden-jura
tot het mioceen, evenals stollingsgesteente dat tekenen van atmosferische
verwering vertoont, werden aangetroffen in 149 van de eerste 493 boorgaten
in de Atlantische, Indische en Grote Oceaan. Deze ondiep-water-afzettingen
worden nu gevonden op diepten variërend van 1 tot 7 km, waaruit
blijkt dat veel delen van de huidige oceaanbodem ooit ondiepe zeeën,
ondiepe moerassen of droog land waren.10
Uit een studie van 402 oceanische boorgaten waarin ondiep-water-sedimenten
of relatief-ondiep-water-sedimenten werden gevonden, concludeerde E.M.
Ruditch dat er geen systematisch verband bestaat tussen de leeftijd
van deze sedimenten en hun afstand tot de assen van de mid-oceanische
ruggen, waardoor het model van de zeebodemspreiding wordt weerlegd.
Sommige delen van de oceanen lijken een voortdurende verzakking te hebben
ondergaan, terwijl andere delen afwisselend perioden van verzakking
en verheffing hebben doorgemaakt. De Grote Oceaan lijkt hoofdzakelijk
vanaf de late jura tot aan het mioceen te zijn gevormd, de Atlantische
Oceaan vanaf het late krijt tot het einde van het eoceen, en de Indische
Oceaan tijdens het paleoceen en eoceen.11
Dit stemt nauw overeen met de theosofische leringen over het verzinken
van Lemurië in het late mesozoïcum en het vroege cenozoïcum,
en het verzinken van Atlantis in de eerste helft van het cenozoïcum.12
Geologische en geofysische gegevens bieden sterke aanwijzingen voor
de aanwezigheid van een precambrische en jongere continentale aardkorst
onder de diepzeevlakten van de huidige noordwestelijke Grote Oceaan.
Het grootste deel van dit gebied was ofwel aan de atmosfeer blootgesteld
of was van het paleozoïcum tot het vroege mesozoïcum zeer
ondiepe zee, en werd pas diepzee rond het einde van de jura. Er bestonden
paleolanden aan beide kanten van de Japanse eilanden, en ze verzonken
tussen het paleoceen en het mioceen. Er zijn ook bewijzen van paleolanden
in het zuidwesten van de Grote Oceaan rond Australië en in het
zuidoosten van de Grote Oceaan tijdens het paleozoïcum en mesozoïcum.13
Oceanografische en geologische gegevens wijzen erop dat een groot deel
van de Indische Oceaan, vooral het oostelijke deel, land was (door sommige
wetenschappers ‘Lemurië’ genoemd) vanaf de jura tot
aan het mioceen. Het bewijsmateriaal omvat seismische gegevens en gegevens
over pollen en atmosferische verwering, die aangeven dat de K.XVIII-rug
en de Bengaalse Rug onderdeel waren van een uitgebreide nu verzonken
landmassa; uitgebreide boor-, seismische, magnetische en zwaartekracht-gegevens
die wijzen op het bestaan van een Alpien-Himålayische plooigordel
in de noordwestelijke Indische Oceaan die verband houdt met een verzakte
continentale korstlaag; aanwijzingen dat er continentale gesteenten
onder de Scott, Exmouth en Naturaliste Plateaus ten westen van Australië
liggen; en dikke sedimentatie uit het trias en de jura op de westelijke
en noordwestelijke continentale platen van Australië met kenmerken
die duiden op een westelijke bron.
 |
| Afbeelding 14. Vroegere landgebieden
in de huidige Grote en Indische Oceaan. Alleen die gebieden waarvoor
reeds deugdelijk bewijs bestaat zijn aangegeven. Hun precieze contouren
en volledige omvang zijn nog niet bekend. G1 – Seychellen-gebied;
G2 – Groot Oyashio Paleoland; G3 – Obruchev-drempel;
G4 – Lemurië; S1 – gebied van het Ontong-Java-plateau,
Magellan Zeebergen en Mid-pacifische Bergen; S2 – Noordoostelijke
Grote Oceaan; S3 – Zuidoostelijke Grote Oceaan, waaronder
de Chatham-drempel en het Campbell-plateau; S4 – Zuidwestelijke
Grote Oceaan; S5 – gebied van o.a. de Zuid-Tasman-drempel;
S6 – Oost-Tasman-drempel en Lord-Howe-drempel; S7 –
Noordoostelijke Indische Oceaan; S8 – Noordwestelijke Indische
Oceaan.14 (Herdrukt met toestemming
van J.M. Dickins.) |
In de Noord-Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee ligt een gewijzigde
continentale korst (meestal 10-20 km dik) niet alleen onder ruggen en
plateaus maar onder het grootste deel van de oceaanbodem; alleen in
diep-water-holtes wordt een typisch oceanische korst gevonden. Omdat
diepzeeboringen hebben aangetoond dat grote delen van de Noord-Atlantische
Oceaan vroeger bedekt waren met ondiepe zeeën, is het mogelijk
dat een groot deel van de Noord-Atlantische Oceaan vóór
haar snelle verzakking continentale korst was. Lagere paleozoïsche
continentale gesteenten met fossiele trilobieten zijn opgedregd vanaf
zeebergen verspreid over een groot gebied ten noordoosten van de Azoren,
en de aanwezigheid van continentale keien wijst erop dat het desbetreffende
gebied een verzonken continentale zone was. Bald Mountain, waar een
verscheidenheid aan oud continentaal materiaal is opgedregd, zou zeker
een verzonken continentaal fragment kunnen zijn. In de equatoriale Atlantische
Oceaan komen overal continentale en ondiep-water-rotsen voor.
|
| Afbeelding 15. Gebieden (gearceerd)
in de Atlantische Oceaan waarvan is vastgesteld dat ze verzonken
zijn.15 (Herdrukt met toestemming van
de AAPG.) |
 |
| Afbeelding 16. Oude en continentale
gesteenten die tot dusver in de Atlantische Oceaan zijn ontdekt
(Vasiliev & Yano, 2007). |
Atmosferische afzettingen zijn in veel delen van de mid-oceanische
ruggen aangetroffen, wat aangeeft dat ze van het krijt tot het vroege
tertiair ondiep of gedeeltelijk boven water waren. H.P. Blavatsky zegt
dat de Mid-Atlantische Rug deel uitmaakte van een Atlantisch continent.
Ze schrijft:
Men moet bedenken dat het Lemurië dat diende
tot bakermat van het derde wortelras, niet alleen een uitgestrekt
gebied in de Grote en de Indische Oceaan omvatte, maar zich in de
vorm van een hoefijzer uitstrekte voorbij Madagascar, rond ‘Zuid-Afrika’
(toen slechts een brokstuk en nog bezig zich te vormen), door de Atlantische
Oceaan tot Noorwegen toe. De laag van het grote Engelse zoetwaterbekken
dat het Wealden wordt genoemd – dat elke geoloog beschouwt als
de monding van een vroegere grote rivier – is de bedding van
de belangrijkste stroom die in het secundair zorgde voor de afwatering
van noordelijk Lemurië. Het vroegere bestaan van deze rivier
is een wetenschappelijk vaststaand feit – zullen de aanhangers
van deze opvatting de noodzaak erkennen om het noordelijke Lemurië
uit het secundair te aanvaarden, zoals hun gegevens vereisen? Prof.
Berthold Seeman aanvaardde niet alleen het werkelijke bestaan van
zo’n machtig continent, maar beschouwde ook Australië
en Europa als vroegere gedeelten van één continent
– en bevestigde zo de al genoemde ‘hoefijzer’-leer
volledig. Er kan geen treffender bevestiging van onze bewering worden
gegeven dan door het feit dat de verhoogde
rug in het Atlantische bekken, 9000 voet hoog, vanaf een punt
bij de Britse eilanden twee- tot drieduizend mijl naar het zuiden
loopt, eerst afbuigt in de richting van Zuid-Amerika, dan bijna
rechthoekig ombuigt en verdergaat in zuidoostelijke
richting naar de kust van Afrika, vanwaar hij in zuidelijke
richting zijn weg vervolgt naar Tristan da Cunha. Deze rug is een
overblijfsel van een Atlantisch continent en zou, als hij verder kon
worden vervolgd, het bewijs opleveren van een onderzeese hoefijzervormige
verbinding met een vroeger continent in de Indische Oceaan.16
Sinds dit werd geschreven (in 1888) heeft oceaanonderzoek bevestigd
dat de Mid-Atlantische Rug zich inderdaad rond Zuid-Afrika tot in de
Indische Oceaan voortzet.
Blavatsky vermeldde dat in de diepten van de oceaan rond de Azoren
de ribben van een ooit enorm stuk land waren ontdekt, en citeerde het
volgende uit de Scientific American: ‘De oneffenheden,
de bergen en dalen aan het oppervlak ervan konden nooit
zijn ontstaan volgens enige bekende wet voor de afzetting van sediment,
en ook niet door onderzeese verheffing van de bodem, maar moeten
integendeel het gevolg zijn van krachten die boven de waterspiegel hebben
gewerkt.’ Ze voegt eraan toe dat er op een bepaald moment landruggen
bestonden die Atlantis ergens boven de monding van de Amazone met Zuid-Amerika
verbonden, met Afrika bij Kaap Verde, en met Spanje.17
Na de vele bewijzen voor grote continentale gebieden in de huidige
oceanen in het verre verleden te hebben onderzocht, concludeerden J.M.
Dickins, D.R. Choi & A.N. Yeates:
We zijn verbaasd dat zulke gegevens over het hoofd
kunnen worden gezien of kunnen worden genegeerd, en maken ons zorgen
over de objectiviteit en eerlijkheid van de wetenschap. . . . Het
is absoluut noodzakelijk dat er bij toekomstige initiatieven in het
kader van het programma voor oceaanboringen dieper wordt geboord dan
de onderkant van de basaltlaag van de oceaanbodem, om te bevestigen
wat de werkelijke samenstelling is van wat op dit moment oceanische
korst wordt genoemd.18
Zoals in de theosofische literatuur is vermeld, kunnen er ‘diep
in de . . . ongepeilde oceaanbodem andere en veel oudere continenten
verborgen liggen, waarvan de lagen nooit geologisch zijn onderzocht’.19
Sommige eilanden zijn blijkbaar zo recent verzonken als in het late
pleistoceen. M. Ewing deed bijvoorbeeld verslag van prehistorisch strandzand
in twee diepzeebodemmonsters die op de Mid-Atlantische Rug, meer dan
1000 km uit de kust, van een diepte van 3 en 5,5 km naar boven werden
gehaald. Eén bodemmonster bevatte twee lagen zand die op basis
van de sedimentatiesnelheid respectievelijk zijn gedateerd op 20.000-100.000
jaar en 225.000-325.000 jaar.20 R.W. Kolbe
meldde vondsten van talrijke zoetwater-diatomeeën in verschillende
bodemmonsters uit de Mid-Atlantische Rug, meer dan 900 km uit de kust
van Equatoriaal-West-Afrika. Een mogelijke verklaring is volgens hem
dat de desbetreffende gebieden 10-12.000 jaar geleden eilanden waren,
en de diatomeeën werden afgezet in sedimenten van meren die later
zijn verzonken onder 3 km zeewater. Hij zei dat dit veel aannemelijker
is dan de theorie dat modderstromen de diatomeeën 930 km over de
zeebodem hadden meegevoerd en dan meer dan 1000 m omhoog om ze op de
top van een onderzeese berg te deponeren.21
De zeeberg Atlantis, gelegen op 37¾ NB op de Mid-Atlantische Rug, heeft
een platte top op een diepte van ongeveer 180 vadem, bedekt met keien
of door de stroming gerimpeld zand. Ongeveer een ton kalksteenkeien
werd vanaf de top opgedregd, en de ouderdom van een daarvan werd door
radiokoolstofdatering bepaald op 12.000 +/- 900 jaar. Volgens B.C. Heezen
en zijn collega’s was de kalksteen waarschijnlijk boven water
verhard, en de zeeberg kan daarom ongeveer 12.000 jaar geleden een eiland
zijn geweest.22
Volgens de moderne theosofie was Poseidonis – Plato’s ‘Atlantis’
– een eiland, ongeveer zo groot als Ierland, dat in de Atlantische
Oceaan tegenover de Straat van Gibraltar lag en in een grote ramp in
9565 v.Chr. verzonk.23 Geoloog Christian
O’Brien denkt dat Poseidonis een groot eiland op de Mid-Atlantische
Rug was dat de Azoren omvatte.24 Door de
dieptecontouren van de zeebodem te bepalen vond hij dat de Azoren werden
gescheiden en omringd door een netwerk van onderzeese dalen die alle
kenmerken vertoonden van vroegere rivierdalen die aan de oppervlakte
hebben gelegen. Hij concludeerde dat de afmetingen van het eiland oorspronkelijk
720 km van oost naar west en 480 km van noord naar zuid zijn geweest,
met hoge bergketens die tot meer dan 3660 meter boven de zeespiegel
reikten. Vóór of tijdens het verzinken is het onder een
hoek van ongeveer 0,4¾ scheefgezakt met als gevolg dat de zuidkust ongeveer
3355 meter verzonk en de noordkust maar ongeveer 1830 meter. Alleen
de bergtoppen liggen nog boven water en vormen nu de tien vulkanische
eilanden van de Azoren. O’Brien denkt dat het eiland misschien
binnen enkele jaren of zelfs maanden verzonk, en wijst erop dat er zes
gebieden met warmwaterbronnen (die verband houden met vulkanische activiteit)
bekend zijn in het gebied van de Mid-Atlantische Rug, en vier ervan
liggen in het Kane-Atlantis-gebied dichtbij de Azoren. Verder onderzoek
en bodemmonsters zijn nodig om O’Briens hypothese te toetsen.
 |
Afbeelding 17.
Christian O’Briens reconstructie van Poseidonis. |
Conclusie
Toen de platentektoniek – het heersende paradigma in de aardwetenschappen
– in de jaren 60 voor het eerst werd uitgewerkt, was minder dan
0,0001% van de diepe oceaan verkend en was minder dan 20% van het landoppervlak
in enig detail in kaart gebracht. Zelfs halverwege de jaren 90 was nog
maar 3 tot 5% van de diepe oceaanbekkens in enig detail verkend, en
niet veel meer dan 25 tot 30% van het land was echt goed bekend. Wetenschappelijke
kennis van de kenmerken van het aardoppervlak staat duidelijk nog in
haar kinderschoenen, om nog maar te zwijgen over het binnenste van de
aarde.
V.V. Beloussov beschouwde de platentektoniek als een voorbarige generalisatie
van nog zeer onvoldoende gegevens over de structuur van de oceaanbodem,
en vond dat deze ver afstond van de geologische realiteit. Hij schreef:
Het is . . . heel begrijpelijk dat de pogingen om
dit denkbeeld te gebruiken om concrete structurele situaties op lokale
in plaats van wereldwijde schaal te verklaren, leiden tot steeds ingewikkelder
theorieën waarin wordt aangevoerd dat lokale spreidingsassen
zich hier en daar ontwikkelen, dat ze van plaats veranderen, uitsterven
en opnieuw verschijnen, dat de spreidingssnelheid herhaaldelijk verandert
en het spreiden vaak helemaal ophoudt, en dat lithosferische platen
verdeeld worden in een steeds groter aantal secundaire en tertiaire
platen. Al deze theorieën worden gekenmerkt door een volledig
gebrek aan logica en wetmatigheid. De indruk wordt gewekt dat er bepaalde
spelregels zijn verzonnen, en dat het doel is om de werkelijkheid
op een of andere manier naar die regels te schikken.1
De platentektoniek staat ontegenzeglijk voor een aantal overweldigende
problemen. In plaats van een eenvoudige, elegante, wereldomvattende
theorie te zijn, wordt ze geconfronteerd met een veelheid van anomalieën,
en moet ze worden opgelapt met een complexe verscheidenheid van ad-hoc
wijzigingen en hulphypothesen. Het bestaan van diepe continentale wortels
en het ontbreken van een ononderbroken, wereldwijde asthenosfeer om
de plaatbewegingen gesmeerd te laten verlopen, hebben het klassieke
model van plaatbewegingen onhoudbaar gemaakt. Er is geen overeenstemming
over de dikte van de ‘platen’ en er is geen zekerheid over
de krachten die verantwoordelijk zijn voor hun veronderstelde beweging.
De hypothesen over grootschalige continentverschuiving, zeebodemspreiding
en subductie, en de relatief jonge leeftijd van de oceanische korst
worden door een grote hoeveelheid gegevens tegengesproken. Bewijzen
voor substantiële verticale korstbewegingen en voor aanzienlijke
hoeveelheden verzonken continentale korst in de huidige oceanen vormen
nóg een grote uitdaging voor platentektonici. Zulk bewijsmateriaal
bevestigt steeds meer de periodieke afwisseling van land en zee zoals
die in de theosofie wordt onderwezen.
Verwijzingen
Het verrijzen en verzinken van continenten
1. De Geheime Leer, 2:894vn.
2. Op.cit. 2:890.
3. C.D. Ollier, ‘Mountains’, in: Barto-Kyriakidis, 1990,
deel 2, blz. 211-236.
4. H.C. Sheth, ‘Flood basalts and large igneous provinces from
deep mantle plumes: fact, fiction, and fallacy’, Tectonophysics,
deel 311, 1999, blz. 1-29.
5. See Meyerhoff e.a., 1996a.
6. De Geheime Leer, 2:284.
7. T.H. Van Andel, New Views on an Old Planet: A history of global
change (2de ed.), Cambridge Univ. Press, 1994, blz. 170.
8. A. Hallam, ‘Secular changes in marine inundation of USSR and
North America through the Phanerozoic’, Nature, deel
269, 1977, blz. 769-772.
9. C.G.A. Harrison e.a., ‘Continental hypsography’, Tectonics,
deel 2, 1983, blz. 357-377; A. Hallam, Phanerozoic Sea-Level Changes,
Columbia Univ. Press, 1992, blz. 15-19.
10. V.V. Orlenok, ‘The evolution of ocean basins during Cenozoic
time’, Journal of Petroleum Geology, deel 9, 1986, blz.
207-216.
11. E.M. Ruditch, ‘The world ocean without spreading’, in:
Barto-Kyriakidis, 1990, deel 2, blz. 343-395.
12. See Theosophy
and the seven continents, www.davidpratt.info.
13. Vasiliev & Choi, 2008; B.I. Vasiliev & L.N. Sovetnikova,
‘Geological development of the Northwestern Pacific’, New
Concepts in Global Tectonics Newsletter, nr. 46, 2008, blz. 20-27;
E.P. Lelikov e.a., ‘Geology and dredged rocks from the Sea of
Japan floor: Part 1’, New Concepts in Global Tectonics Newsletter,
no. 45, 2007, blz. 5-20.
14. J.M. Dickins, ‘What is Pangaea?’, in: A.F. Embry, B.
Beauchamp & D.G. Glass, Pangea: Global environments and resources,
Canadian Society of Petroleum Geologists, Memoir 17, 1994, blz. 67-80.
15. L.S. Dillon, ‘Neovolcanism: a proposed replacement for the
concepts of plate tectonics and continental drift’, in: Kahle,
1974, blz. 167-239.
16. De Geheime Leer, 2:376.
17. Op.cit., 2:901.
18. J.M. Dickins, D.R. Choi & A.N. Yeates, ‘Past distribution
of oceans and continents’, in: Chatterjee & Hotton, 1992,
blz. 193-199 (blz. 198).
19. A.T. Barker (samensteller), De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett,
TUPA, 1979, blz. 163; De Geheime Leer, 2:375.
20. M. Ewing, ‘New discoveries on the mid-Atlantic ridge’,
National Geographic Magazine, deel xcvi (nov.), 1949, blz.
611-640; Corliss, 1990, blz. 245.
21. R.W. Kolbe, ‘Fresh-water diatoms from Atlantic deep-sea sediments’,
Science, deel 126, 1957, blz. 1053-1056; R.W. Kolbe, ‘Turbidity
currents and displaced fresh-water diatoms’, Science,
deel 127, 1958, blz. 1504-1505; Corliss, 1989, blz. 32-33.
22. B.C. Heezen, M. Ewing, D.B. Ericson & C.R. Bentley, ‘Flat-topped
Atlantis, Cruiser, and Great Meteor Seamounts’ (Abstract), Geological
Society of America Bulletin, deel 65, 1954, blz. 1261; Corliss,
1988, blz. 88.
23. De Mahatma Brieven, blz. 163, 168.
24. Christian & Barbara Joy O’Brien, The Shining Ones,
Dianthus Publishing, 2001, blz. 435-442; Survey
of Atlantis, www. goldenageproject.org.uk/survey.html.
Conclusie
1. V.V. Beloussov, Geotectonics, Mir, 1980, blz. 303.
Bijlagen: Geologische tijdschaal
en Theosofie en bewegende continenten
Verzonken
continenten & continentverschuiving, blz. 26-47
© 2009 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag