Kolonel Arthur L. Conger

door

Alan E. Donant

Theosophical University Press Agency online editie, isbn 9070328658
©2005 Theosophical University Press Agency, Den Haag

Het Engelstalige origineel werd oorspronkelijk gepubliceerd in Theosophical History (7:1), januari 1998, James A. Santucci, redacteur, Fullerton, Californië. Foto's afkomstig uit het archief van The Theosophical Society, Pasadena.

Vertaling van de herziene editie (deze bevat aanvullend materiaal) van Theosophical University Press, Pasadena, Californië, 1999, isbn 1-55700-139-1.

 
Schilderij van kolonel Conger door Justin C. Gruelle

 

 

 

Inhoud

Beginjaren

Theosofie

Militaire dienst

Terugkeer naar het feitelijke
theosofische werk

Leiderschap

 

 

 

 


 

   Er is een vage traditie, in de oudste boeken van India, in de grote Upanishads, en de eerdere Vedische hymnen, dat de brahmanen in het begin niet de geestelijke leraren van India waren; dat zij de vroegste wijsheid ontvingen van de koninklijke wijzen van het rājanya- of kshatriya-ras. – Charles Johnston1

Iemand die zowel een militaire als een religieuze overtuiging is toegedaan, vormt een uitdaging voor onze beeldvorming over spiritualiteit. Sommigen, zoals Aśoka, ontdekten hun innerlijke potentieel in een reactie op de verschrikkingen van oorlog. Anderen, zoals Marcus Aurelius, die steeds in terugkerende veldslagen was verwikkeld, volgden hun hele leven een innerlijke leiding. Theosofie en de moderne theosofische beweging waren goed vertegenwoordigd door mensen met militaire ervaring: kolonel Henry S. Olcott, generaal Abner Doubleday, Lt. Kolonel E.L. Thompson van de Theosophical Society in Canada, en zelfs H.P. Blavatsky die ernstig gewond raakte bij de slag van Mentana bij Rome, om maar enkelen te noemen.

Ik raakte geïnteresseerd in Arthur Latham Conger jr., nadat ik een portret van hem had gezien (zie foto omslag). Zijn gezicht toonde kracht, vriendelijkheid, en een bepaalde vrijheid, en een andere eigenschap die ik eerst niet kon plaatsen maar later ging begrijpen. Hij was een vroege theosoof die gedenkwaardige tijden meemaakte als student, militair, en geestelijk mentor. In elk van die aspecten, die hier kort zijn samengevat en gedocumenteerd, zien we dat theosofische beginselen verdergaan dan boekenwijsheid, en in het dagelijks leven worden toegepast.

De familie Conger kwam in het midden van de 17de eeuw in Amerika aan en vestigde zich aanvankelijk in Newby, Massachusetts. In 1667 verhuisden ze, en waren betrokken bij het stichten van het stadje Woodbridge, Middlesex County, New Jersey. Op 18 maart 1669 namen ze deel aan de eerste verdeling van land, en kregen 68 ha.2 Meer dan tweehonderd jaar later, op 30 januari 1872, werd Arthur L. Conger jr. geboren in Akron, Ohio. Hij was de tweede van vier kinderen. Zijn vader, naar wie hij werd vernoemd, had succes in zaken, in militaire en burgerlijke aangelegenheden. Hij was directeur van veel ondernemingen, nam deel aan de burgeroorlog en werd later kolonel, was een leidinggevende figuur in zijn staat en landelijk voor de Republikeinse Partij, en een vrijmetselaar (Knight Templar graad in de ritus van York en 32ste graad in de Schotse ritus).

Arthur jr.’s moeder, Emily Bronson Conger, was eveneens opmerkelijk. Haar betovergrootvader was een arts in het leger van Washington, en haar grootvader was een van de eerste kolonisten in Ohio. Zij was invloedrijk in organisaties zoals de Dochters van de Amerikaanse Revolutie, de Orde van de Ster van het Oosten, en Het Vrouwen Hulpkorps. Zij was de schrijfster van An Ohio Woman in the Philippines3 [Een vrouw uit Ohio in de Filippijnen]. Ze werd arts in de osteopathie in 1903, en sloot zich aan bij enkele van de eersten in de wereld op dit gebied.4

Een van de eerste opmerkelijke gebeurtenissen in het leven van Arthur jr. vond plaats toen hij dertien was. Zijn 19 jaar oude broer Kenyon was betrokken bij een ongeluk bij het wielrennen. De verwondingen waren ernstig en, wat toen de gewoonte was, de dokter beval een jaar rondreizen in het buitenland aan als de beste remedie. Als gevolg daarvan, bevonden Arthur, Kenyon en Miss Marie Parsons – lerares Europese geschiedenis aan Buchtel College, Akron – zich een week later in volle zee.5 Arthur vertelde:

We hadden geen vast plan, maar gingen waarheen we wilden, en bleven in ieder land en op iedere plek zolang we het interessant en nuttig vonden. Tegen december hadden we de Britse Eilanden ‘gedaan’ en het grootste deel van het Europese vasteland. De familie voegde zich bij ons in Rome voor Kerstmis, en stelde voor onze tour voort te zetten om de landen rond de Middellandse Zee en in het Midden-Oosten te bezoeken. We gingen akkoord.6

Terwijl Arthur nog een teenager was, had hij de gelegenheid om Phillips Brooks (1835-1893) te ontmoeten, een bijzondere predikant in Boston, die misschien invloed heeft gehad op de manier waarop Conger zijn geestelijk leven zag. In een brief aan een jonge belangstellende in 1945 herinnerde kolonel Conger zich

een gesprek . . . met Phillips Brooks, de illustere geestelijke leraar uit de vorige eeuw. Ik vertelde hem dat ik me wilde voorbereiden om dominee te worden en vroeg hem hoe ik dit zou moeten aanpakken. Hij antwoordde: ‘Ieder mens is een dominee. Je bent te jong om te besluiten wat voor soort dominee je zal worden’.7

Arthur ging in 1890 naar Harvard. Hij was lid van de schermvereniging, de schaak- en de whistclubs, The Institute of 1770, DKE (Delta Kappa Epsilon), en in april 1892 was hij medeauteur van het jaarlijkse Dickey-toneelstuk.8 Voor het Verslag ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de jaargang van 1894 beschreef hij zijn voorbereidend onderwijs en zijn jaren in Harvard:

Het was mijn grote geluk dat ik bij de voorbereiding op het toelatingsexamen van Harvard twee docenten als privéleraren in Latijn en Grieks had geselecteerd die werkelijk kennis van zaken hadden en de filosofie en religie van de Ouden konden interpreteren. De volgende stap in mijn opvoeding bestond uit het onderzoeken van oosterse religies, en bij deze studie speelde George Cabot Lodge een belangrijke rol. We hadden meer interesses gemeen dan het geval was bij elke andere vriendschap: van onze smaak op het gebied van muziek tot onze liefde voor goede boeken.9

Merkwaardig genoeg was een van de klasgenoten van Conger in Harvard Elliott Baird Coues, zoon van Elliott B. Coues, bekend om zijn ongerechtvaardigde openbare aanval op de Theosophical Society, kolonel H.S. Olcott, Mw. Blavatsky, en W.Q. Judge in de New York Sun van zondag 20 juli 1890. (Dit zogenaamde interview van één bladzijde was grof en misleidend; een rechtszaak wegens laster werd tegen zowel dr. Coues als The Sun aangespannen. Zie The Path, Deel V, augustus 1890, blz. 153, voor een herroeping door The Sun).

 

Theosofie

Toen hij in Harvard was, ontdekte Arthur theosofie. Hij werd toegelaten als lid van de Theosophical Society op 16 juni 1892.10 Hij beschreef die beginperiode als volgt:

. . . Claude Falls Wright, een vrijwillige veldwerker voor de Amerikaanse Theosophical Society, kwam naar Boston en deed een voorstel om in Harvard een Afdeling van de TS te beginnen onder de studenten. Hij kreeg zes van ons bij elkaar op een bijeenkomst om dit te organiseren, en deed een aanvraag voor een charter. Judge betwijfelde of het wel ergens toe zou leiden, maar hij schreef een charter uit. De nieuwe loge had ongeveer een dozijn bijeenkomsten in de lente van dat jaar, tot de examens en het warme weer een eind maakten aan de bijeenkomsten. Wright werd naar elders geroepen, en ik werd toen overgeplaatst van de Harvard Lodge naar de Cambridge Lodge, die in die tijd een Afdeling (Branch) werd genoemd.11

In deze periode bespraken Arthur Conger en George Lodge allerlei aspecten van oosterse religie en filosofie met iedereen die ze ontmoetten. Ze deden hun best om de jonge episcopale dominees te bekeren die hen uitnodigden om ’s avonds te komen eten en praten.12

Conger (18 jaar) als student in Harvard

 

Conger werd laat in 1892, toen hij 20 was, door George D. Ayers voorgedragen voor de Esoterische Sectie (ES) van de Theosophical Society. W.Q. Judge wachtte twee jaar tot hij hem in november 1894 aannam.13 Een van zijn sponsors in die tijd was Margaret Loring Guild (geboren? – gestorven 1945), een theosofe uit Boston die later Mw. A.L. Conger zou worden.14 In 1894 was ze secretaris van de New England Theosophical Corporation, Boston, Massachusetts, en een van de beste theosofische sprekers uit die tijd.

Conger behaalde datzelfde jaar zijn graad in Harvard en stond voor een moeilijk probleem met zijn ouders. Tijdens Arthurs voorbereidende opleiding schreef zijn vader hem op 12 december 1887, waarbij hij de wens uitte dat een van de twee jongens hem zou opvolgen in de uitgeverij.

Mijn beste Whittie – Overeenkomstig mijn belofte grijp ik de eerste gelegenheid aan om je te berichten dat ik een heel aangenaam gesprek had met de Weled. Hr. William Henry Smith, algemeen manager van de Associated Press, en hij ging akkoord om mij de middagberichten voor Akron te geven telkens wanneer ik ze zou willen hebben, maar op grond van de langlopende relatie met The Beacon kon hij mij niet de exclusieve rechten geven, maar dat kan me niet schelen. Hij wil dat ik een samenwerkingsverband aanga om de Cleveland Leader op te kopen – maar dit is heel vertrouwelijk. Ik zal het bekijken. Soms zou ik willen dat een van jullie, jongens, een krant zou runnen – maar dit ligt ver in de toekomst. Het eerste wat moet gebeuren is dat je Harvard afmaakt. Dan zullen we een partnership ‘Conger & Zonen’ vormen en we zullen allen altijd in alles samenwerken – en elkaar altijd bijstaan, en dat is wat ik wil dat jullie jongens doen nu en altijd, want eenheid geeft grote kracht – ik verheug me elke dag dat je zo goed bent terechtgekomen in Cambridge. Veel liefs voor jullie allen, zoals altijd je vader.    A.L.C.

Beide ouders hadden echter verwacht dat Arthur (of Whit, zoals hij door de familie werd genoemd omdat hij als jongen voortdurend met houtsnijwerk bezig was) [to whittle = houtsnijden] zou studeren voor geestelijke. Hij vertelde hen dat hij niet langer in die dingen geloofde. Zijn moeder voerde aan dat hij niet genoeg van het christendom wist om het te verwerpen, en dat hij geen geestelijke hoefde te worden – hij zou alles kunnen zijn wat hij maar wilde – maar dat hij tenminste zou moeten pogen zijn ouders een plezier te doen door te proberen erachter te komen wat die religie inhield. Hij ging op zijn tweeëntwintigste als kandidaat voor het geestelijk ambt aan het Episcopal Theological Seminary in Cambridge studeren en voltooide het eerste jaar. Het ging zo goed als kon worden verwacht. Hij bestudeerde de Sacred Books of the East [heilige boeken van het oosten], het Griekse Nieuwe Testament, en de Hebreeuwse thora.15

Hij zette ook zijn muziekstudie van compositie voort onder de Amerikaanse componist Edward MacDowell (1861-1908), bekend om zijn pianostukken. Ze werden dikke vrienden, waarbij Arthur werd behandeld als een lid van de familie. In 1895 nodigden de MacDowells hem uit om hen voor de zomer te vergezellen naar Vevey, Zwitserland, en hij nam de uitnodiging graag aan. Ze zouden tot vier uur in de middag werken, en dan samen gaan tennissen of fietsen. Na het avondeten zouden ze discussiëren of misschien een rondje hartenjagen.16

Terwijl hij in Europa was, schreef hij zijn moeder dat hij vastbesloten was – hij kon niet iets anders zijn dan een theosoof – het was tijdverspilling om aan het seminarie door te gaan. De reactie van zijn ouders was om hem bij zijn terugkeer bij de stoomboot in New York op te wachten en drie chaotische emotionele uren door te brengen in een hotelkamer. Uiteindelijk werd een compromis bereikt: nog één jaar aan het seminarie, daarna kon hij elke loopbaan volgen die hij verkoos.17

Tijdens deze periode maakte de hele klas van 25 theologiestudenten een moeilijke tijd door met een gedachtewisseling over de relatieve waarde van theosofie en van het christendom. Het hoofd van de school moet hebben geklaagd, want de bisschop van Ohio wist over de discussies aldaar, dat Conger een theosoof was, en dat hij lezingen gaf over theosofische onderwerpen op de plaatselijke afdeling. De bisschop vertelde Conger dat zo’n betrokkenheid niet gepast was voor een kandidaat voor het geestelijke ambt. Hij kreeg een ultimatum: geef theosofie op voorzover het de actieve beoefening ervan betreft of verlaat het seminarie.18

Mijn vader en moeder hadden dezelfde opvatting als de bisschop, wat een beslissing gemakkelijk maakte. Ik trok mij terug en vertrok naar New York en bood mijn diensten aan als vrijwilliger aan het Hoofdkantoor van de Society. Ik heb van die beslissing nooit spijt gehad.19

In een brief aan J.H. Fussell, gedateerd 17 mei 1896, schreef de jonge Conger:

Mijn familie heeft tenslotte hun toestemming gegeven dat ik openlijk een medewerker ben van de TS en dat ik naar New York ga en iets voor theosofie doe. – maar, zolang ze gekant zijn tegen de theosofie, willen ze niet dat ik geld dat ik van hen ontvang geef aan de Zaak of besteed aan theosofische boeken, . . . Voortaan zijn dit arme lichaam en de vermogens zoals ik ze bezit en waartoe ik ze kan omvormen de dienaren van de Loge en van de mensheid. Ik zal zeker alles doen wat ik kan, en als u iets weet wat ik kan doen dat de zaak kan helpen, schoenpoetsen of boodschappen doen, dan zal ik dat graag doen.

Na de dood van W.Q. Judge (21 maart 1896) kwamen Katherine Tingley en een raad van twaalf dagelijks samen om de toekomst van de Theosophical Society te bespreken. Vele jaren later vertelde ze over haar indruk van Arthur Conger op die eerste bijeenkomst in het kantoor van de TS.

Ik kan me de dag herinneren dat kolonel Conger zijn diensten aanbood op 144 Madison Ave. Hij was een heel bescheiden figuur, en nogal teruggetrokken. Hij scheen me een beetje een mysticus, omdat hij zo weinig zei en toch een tegenwoordigheid met zich meebracht, zonder woorden, een bepaalde vertrouwenswaardigheid – alsof hij uit zijn eigen ziel een kennis had die anderen misschien niet hadden bereikt.20

Op een ochtendbijeenkomst van de raad enkele dagen voor de jaarlijkse conventie die op 26-27 april 1896 in Madison Square Garden werd gehouden, vroeg Mw. Tingley – die wist dat 54 leden en afgevaardigden uit Boston en elders waren aangekomen – aan een van de aanwezige leden of hij zo vriendelijk wilde zijn om naar beneden te gaan en daar een jongeman uit New England te zoeken genaamd Arthur Conger, en hem naar de bijeenkomst te brengen.21 Op dat moment, of kort erna, werd Conger secretaris van Katherine Tingley.22

Ongeveer zes weken na de conventie, in juni, schreef E.T. Hargrove aan Conger:

het doet me veel genoegen te weten dat je op het Hoofdkwartier bent, en Fussell helpt, die in deze tijd van moeilijkheden werkelijk hulp nodig heeft. Het was een stoutmoedige zet, maar een stoutmoedige zet is vaak nodig. De opening die je kans was kwam en je hebt hem niet voorbij laten gaan.23

Een jaar later besloot de jaarlijkse conventie van 1897 dat de Lotuscirkels die door W.Q. Judge waren begonnen, voortaan onafhankelijk en gescheiden van het officiële werk van de TS zouden zijn. Tijdens de conventie sprak E.T. Hargrove in zijn rapport van de voorzitter zijn waardering uit over het werk van Conger:

Ik moet ook broeder A.L. Conger jr. noemen die al zijn tijd heeft gewijd aan het assisteren van broeder Fussell tijdens de afwezigheid van de Kruisvaarders. Hij heeft dat op zo’n manier gedaan dat hij een aanzienlijk deel van het werk op zich heeft genomen dat niet door één man kon worden gedragen.24

Drie dagen na de conventie, op 29 april, werd een bijeenkomst gehouden aan het hoofdkwartier in New York. Er werd toen besloten om een nieuwe poging te organiseren tot een praktische demonstratie van broederschap. De International Brotherhood League werd ontworpen rond een breed niet-sektarisch werk onder gedetineerden, de armen in de steden, en de kinderen in de Lotuscirkels. De volgende dag, toen een verkiezing werd gehouden van de functionarissen voor de nieuwe organisatie, werd Arthur Conger gekozen tot secretaris.25

Negen maanden later, op 13 januari 1898, werd een constitutie voor een nieuwe theosofische organisatie gepresenteerd aan een bijeenkomst van prominente theosofen in het huis van Katherine Tingley. De nieuwe organisatie werd De Universele Theosofische Broederschap genoemd, en die naam werd een maand later veranderd in Universele Broederschap. Tot de ondertekenaars behoorden Basil Crump, E. August Neresheimer, Robert Crosbie, Joseph H. Fussell en Arthur L. Conger jr.26

 

Militaire dienst

Arthurs verblijf aan het hoofdkwartier duurde twee jaar. In die tijd deden de Griscoms veel om het voor hem aangenaam en interessant te maken. C.A. Griscom was een vroeg lid die het volledige vertrouwen van W.Q. Judge had. Congers gevoelens voor Griscom waren die voor een ‘tweede vader’.27 In april 1898 begon de familie van Conger actief ongenoegen te vertonen over zijn toewijding aan de theosofie, en ze sneden hem financieel af. Om geld te verdienen en omdat hij de Society niet wilde belasten, vertrok Arthur om deel te nemen in de Spaans-Amerikaanse Oorlog in de compagnie van het regiment van kapitein Newbold Morris.28 Hij besefte toen nauwelijks dat hij dertig jaar lang in het leger zou dienen, of dat hij later met Morris zou samenwerken bij de generale staf in het hoofdkwartier van Chaumont in Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog.29 Mw. Tingley zou jaren later over zijn vertrek van het Hoofdkwartier opmerken:

Het gebeurde allemaal doordat ik van mijn kant naliet enkele woorden tegen hem te zeggen en omdat hij naliet met enkele woorden navraag te doen. Door een paar woorden van een van ons beiden had alles zo heel anders kunnen zijn. . . .30

Op 8 februari 1902 huwde Conger met Margaret Loring Guild in Boston, Massachusetts. We kennen haar nu nog als de samensteller van de Gecombineerde Chronologie te gebruiken bij de Mahatma Brieven en de brieven van Blavatsky aan Sinnett. Deze werd oorspronkelijk uitgegeven in 1939, en is nog steeds verkrijgbaar.31

Kolonel A.L. Conger, San Antonio,
Texas, ca. 1922

Arthur Congers militaire loopbaan was op zichzelf opmerkelijk.32 Hij steeg snel in rang. Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos generaal Pershing hem als staflid in Frankrijk als chef van de Inlichtingendienst. Hier werd hij op 5 augustus 1917 benoemd tot tijdelijk luitenant-kolonel. Terwijl hij in het leger was leidde hij in Harvard in de zomer van 1915 een seminar over militaire geschiedenis, en was medeoprichter en redacteur van een kwartaalblad getiteld The Military Historian & Economist (1916)33, en schreef drie historische documenten: ‘De functie van militaire geschiedenis’ (1916)34, ‘President Lincoln als oorlogsstaatsman’ (1916)35, en ‘De militaire opleiding van Grant als generaal’ (1921)36. Hij werd voor zijn moed onderscheiden met de Silver Star Citation (1900) en de Distinguished Service Medal (1919), het Legioen van eer van de regering van Frankrijk (1919), en de hoogste onderscheiding gegeven door de Franse regering, het oorlogskruis (Croix de Guerre, 1919), dat hij ontving van de militaire held van Frankrijk, veldmaarschalk Pétain (1856-1951).37

Na de Eerste Wereldoorlog behaalde hij een graad aan het Army War College in 1920, werd op 1 juli van dat jaar luitenant-kolonel, werd bevorderd tot kolonel op 27 april 1921 en voerde twee jaar lang het bevel over het 20ste infanterieregiment. Hij diende zijn laatste vier jaar als militair attaché in zowel Berlijn, Duitsland, als Bern, Zwitserland. Hij beëindigde zijn actieve dienst op 31 oktober 1928.38

Het Verslag ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de jaargang van 1894 van Harvard omschreef kolonel Conger als volgt:

Onze meest prominente legerofficier, met een training gebaseerd op een studie van de klassieken en van oosterse religies en ervaring in het componeren van muziek; militair historicus; bekwaam in het onderhouden van vriendschap en buitenlandse diplomatie; een zeer verdienstelijke dienaar van ons land.    – blz. 102

 

Terugkeer naar het feitelijke theosofische werk

Kolonel Congers terugkeer tot het feitelijke theosofische werk vond plaats laat in 1922, twee jaar voordat hij militair attaché werd. Op 23 november 1922 verliet Mw. Tingley Point Loma om naar het oosten en zuiden van de Verenigde Staten te gaan. Het gezelschap stopte twee dagen in San Antonio als gasten van kolonel William O. Gilbert.39

terwijl ze in San Antonio, Texas, verbleef, werd een militair officier van hoge rang aan de deur aangekondigd, en hij maakte zich bekend als kol. Arthur Conger. Het had de Leader van de Theosophical Society geen groter genoegen gedaan als het haar eigen broer zou zijn geweest, want kol. Conger was in de begintijd als pas afgestudeerde jongeman haar secretaris in New York . . .40

Twee berichten van Katherine Tingley aan kolonel Conger markeren deze gebeurtenis voor ons, de eerste is een telegram gedateerd 8 januari 1923 waarin staat: ‘Ik denk voortdurend aan die gelukkige uren met jou en kijk uit naar nog een plezierige tijd in ons zonnige Californië. Je toegenegen . . .’ De tweede is een brief die de dag erna is gedateerd, waaruit de volgende passages:

Ik ben van mening, mijn beste vriend, dat je theosofie veel meer in je hart en in je leven hebt meegedragen dan ik had gedacht; en dat al het goede zaad dat je hebt gezaaid door juist handelen jou noodzakelijk een rijke oogst moet brengen. . . .

. . . Joseph Fussell, met tranen in de ogen en een grote grijns, scheen helemaal opgevrolijkt te zijn omdat ik jou had ontmoet. Hij stelde me zoveel vragen over jou. Hij vertelde dat je in mijn huis was toen ik in Europa was op mijn eerste Kruistocht . . . en over de oude tijd. . . .

P.S. Beste Arthur Conger: Hoewel je uiterlijk zoveel jaren van ons was gescheiden, ben je op innerlijk gebied ongetwijfeld op een heel actieve manier verbonden met de Universele Broederschap Organisatie; want ik herinner me dat je aanwezig was bij de vorming ervan in mijn woning op West End Avenue, New York, in 1898. Dat moet ongetwijfeld iets betekenen.

Vier maanden later verbleven kolonel Conger en zijn vrouw enkele maanden in Point Loma als gasten van Mw. Tingley. Het bezoek begon officieel met een eerbetuiging aan hen tijdens een avondconcert in de Lomaland Tempel van de Vrede op 21 mei. Dit werd gevolgd door een receptie en reünie met veel van de oudere werkers uit de begintijd in Boston en New York.41 Op 16 juli opende Mw. Tingley de vierde sessie van het Internationale Parlement van Vrede en Universele Broederschap. Kolonel Conger, samen met een aantal sprekers onder wie Kenneth Morris, Joseph H. Fussell, en G. de Purucker, hielden een korte toespraak over vrede.42 Vanaf dit moment tot de dood van Katherine Tingley in 1929 was er een voortdurende correspondentie tussen hen beiden. Het overheersende thema van de brieven was het belang van zijn werk voor de theosofie.

Toen Mw. Tingley op 26 oktober 1924 terugkeerde van haar Europese lezingentour, stopte ze in Boston om Conger op te zoeken. Ze vernam van hem dat hij kort daarna zou worden benoemd tot militair attaché aan de ambassade van de Verenigde Staten in Berlijn. Begin 1925 was de kolonel in Washington, DC; maanden later was hij terug in Berlijn. Op 31 maart 1925 schreef Mw. Tingley in een brief aan de kolonel over gedetailleerde plannen voor een nieuwe lezingentour naar Europa, en voegde eraan toe:

Ik belast je nu met dit alles, want jij en Margaret zijn zo nauw betrokken bij het werk dat ik aan jou de hele situatie heb durven toevertrouwen.

Een fragment uit een brief aan hem van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 26 mei van dat jaar luidde als volgt:

u bent hierbij benoemd tot militair attaché aan de Amerikaanse Legatie in Bern, Zwitserland, naast uw plichten als militair attaché aan de ambassade in Berlijn.

Dat jaar kwam Mw. Tingley in Europa aan, en kolonel Conger bracht enige tijd met haar door en hielp haar met de publiciteit in Duitsland. In 1926 maakte Mw. Tingley opnieuw een Europese lezingentour en terwijl ze in Berlijn was, verbleef ze in het huis van de Congers. In een brief, gedateerd 6 juni 1926, schreef ze:

Mijn bezoek hier aan het huis van kolonel en Mw. Conger was onverwacht en het bleek in ieder opzicht een zegen voor mijzelf en mijn medewerkers. . . .

Kolonel Conger is dezelfde koninklijke, edele, betrouwbare ziel als vroeger, met een scherp oog voor de belangen van ons werk, . . . Het is zo prettig om te beseffen dat in die jaren van afleidingen en teleurstellingen en onrust en spanningen, hij zich even standvastig houdt aan theosofie als toen hij als jongeman aan zijn vader en moeder uitlegde dat theosofie vanaf dat moment zijn gids in zijn leven zou zijn, en hij ons niet zou verlaten. Hij behaalde de overwinning en zal nu hulp beginnen te krijgen voor een groter werk, op grond van zijn loyaliteit in het verleden.43

Kolonel Conger met Katherine Tingley

Op 21 juni 1926 schreef Mw. Tingley dat kolonel en Mw. Conger bij hen thuis een receptie hadden gegeven ter ere van haar. Deze werd ‘bezocht door veel van de notabelen van de stad, mensen uit het openbare leven en privépersonen, [en] het was een enorm succes’.44 Tijdens deze tour moet de kolonel met Mw. Tingley hebben gereisd, omdat hij een telegram vanuit Tsjechoslowakije naar Point Loma ondertekende.

Op 4 november 1927 was kolonel Conger weer in Point Loma. Tijdens een receptie die voor hem werd gehouden door Mw. Tingley in haar huis, geeft ze deze visie:

terwijl hij volledig zijn andere plicht volbracht als ambtenaar van de Amerikaanse regering, werkte dat andere gedeelte van zijn natuur niettemin al die tijd met ons. Dus was de stille wachter of de stille kameraad al die tijd bij ons om ons te helpen; . . .45

In 1929 schreef Mw. Tingley een lange brief waarin ze haar plannen voor nog een reis naar Europa beschreef. In die tijd was Conger, die in oktober 1928 uit het leger was gepensioneerd, haar gast in Point Loma. Hij vertrok niet alleen om te herstellen van een zware astma-aanval, maar ook om zijn boek getiteld The Rise of U.S. Grant te voltooien.46 In juni 1929 ontving hij brieven over de verwondingen van Mw. Tingley bij een auto-ongeluk in Duitsland, en korte tijd later het nieuws van haar dood in Visingsö, Zweden. Hij was lange tijd diepbedroefd, want door de jaren heen was er een diepe en bijzondere band tussen hen ontstaan.

Na het heengaan van Katherine Tingley schreef G. de Purucker een brief op 30 juli 1929 waarin hij uiting gaf aan zijn vriendschap voor Conger. In november schreef de kolonel, die nog steeds het verlies van Mw. Tingley voelde, een korte brief aan dr. De Purucker, aan het einde waarvan hij zijn loyaliteit aan hem als de nieuwe Leader van de Theosophical Society betuigde.47 Vijf dagen later schreef Purucker hem over het heengaan van Mw. Tingley en besloot met de volgende woorden:

Heel erg bedankt, beste Conger, voor je vriendelijke woorden van loyaliteit waarmee je je brief beëindigt. Ik begrijp je helemaal, en omdat ik je ken als het om deze dingen gaat, betekenen die paar korte woorden van jou meer voor mij dan een lange brief van iemand anders. Je hebt de ware geest, omdat de buddhische luister in jouw hart brandt! Ik weet dat je een van de betrouwbaren bent op wie ik altijd kan rekenen. Bedankt!48

Het volgende decennium ontwikkelde het werk van de Society zich in een nieuwe richting. De nadruk lag op het openbare werk, de groei van de organisatie, en om aan de leden de leringen van de theosofie te onderwijzen en het verband tussen deze leringen en het pad van altruïsme te laten zien. Op 15 januari 1932 toen dr. De Purucker te maken kreeg met het nogal plotselinge ontslag van de president van de Amerikaanse Afdeling, J. Henry Orme, verzocht hij kolonel Conger – ‘een van de vertrouwde functionarissen van de ‘oude garde’ . . . [en] dienaar van Hen die we allen dienen’ – dringend om zich kandidaat te stellen voor de positie ‘waarvoor je bij uitstek geschikt bent.’49 Conger antwoordde bevestigend eerst per telegram en daarna per brief geschreven vanuit Takoma Park, DC, gedateerd 24 januari 1932:

Er zou maar één antwoord kunnen zijn op je brief van de vijftiende en ik neem aan dat mijn telegram mijn standpunt voldoende duidelijk heeft gemaakt . . .

Maar er zijn twee omstandigheden die mijn nuttigheid in de positie die je voor mij in gedachten hebt waarschijnlijk zullen beperken, en die ik wil noemen, niet omdat ik daardoor aarzelde om te antwoorden, maar omdat je ervan op de hoogte moet zijn – Eén betreft mijn slechte gezondheid – ik heb nog steeds last van de ziekte die ik begin 1929 heb opgelopen; de andere is mijn huidige moeilijke financiële situatie die enigszins een belemmering zal zijn voor de manier waarop ik ‘te werk zou willen gaan’.

Arthur L. Conger werd op 1 maart 1932 voor die functie gekozen.50 Tijdens de jaren dertig worstelde hij met de ziekte van Parkinson, die aanvankelijk een bedreigende omvang kreeg en hem noodzaakte het presidentschap van de Amerikaanse Afdeling in januari 1933 op te geven.51 Toen zijn gezondheid verbeterde, en op verzoek van De Purucker, werd hij op 23 september 1939 opnieuw tot president gekozen.52

Toen hij voorzitter was, stimuleerde hij de studie van de theosofische filosofie en moedigde creatieve presentaties van die ideeën aan. In 1938 werd Lucifer het officiële orgaan van de Amerikaanse Afdeling en bleef dat tot April 1951.53 Eén voorbeeld van de nieuwe creatieve benaderingen die door de kolonel werden aangemoedigd waren de Theosophical Nuggets (1940-1944), onder redactie van James A. Long. Nuggets was een tijdschrift van pocketformaat vol theosofische denkbeelden, brieven van H.P. Blavatsky, aanhalingen uit De Mahatma Brieven, en nieuwe artikelen zowel van leden van de Amerikaanse Afdeling als van Europese leden.

Tijdens de jaren dertig raakte kolonel Conger goed bevriend met dr. H.N. Stokes, redacteur van de O.E. Library Critic [Oriental Esoteric] en soms ‘de waakhond van de theosofische beweging’ genoemd. Dr. Stokes bezocht regelmatig de studiegroep over De Mahatma Brieven die door de Congers in hun huis aan Jackson Ave, Takoma Park, werd gehouden. In 1942 stelde dr. Stokes Conger aan als uitvoerder van zijn literair testament en stelde James A. Long en Mw. Goldberg (persoonlijk assistent van dr. Stokes) aan als medewerkers.54

Zoals dat gebeurt met groeiende organisaties, rezen er af en toe persoonlijkheidsproblemen en andere conflicten. Zaken die de Amerikaanse Afdeling betroffen werden door dr. De Purucker verwezen naar Conger wegens zijn bestuurlijke en persoonlijke bekwaamheden. Bovendien hield De Purucker de kolonel op de hoogte van de financiële en organisatorische zaken aan het Hoofdkwartier in Point Loma. Deze werkwijze werd voortgezet door het Kabinet in de periode van zijn bestuur (1942-1945). In April 1940, voordat hij het nieuws openbaar maakte, schreef De Purucker aan Conger dat het hoofdkwartier en alle faciliteiten zouden verhuizen van Point Loma naar Los Angeles County nabij Covina. Op 29 juni 1942, kort na de verhuizing van het hoofdkwartier, schreef De Purucker aan Conger over bepaalde slepende problemen in de Amerikaanse Afdeling:

Neem alsjeblieft van mij aan, Arthur, dat alles wat je het beste acht voor de geestelijke gezondheid van de Afdeling en voor andere aspecten ervan, door mij zal worden gesteund, en ik denk dat ik deze ‘carte blanche’ elk ogenblik kan geven, omdat ik je zo goed ken, en op grond van je volstrekte trouw en ook je hoge intelligentie en diplomatieke tact, en je bekwaamheid om ook zo nodig voet bij stuk te houden, zoals de ware soldaat die je bent.

Elf dagen later schreef hij aan de kolonel:

Sta me toe te zeggen, mijn beste broeder en vriend van vele jaren, en zelfs van eeuwen in het verleden, dat al je antwoorden op deze correspondentie, ik bedoel wat je me hebt laten zien, voorbeelden van standvastigheid zijn geweest, van vriendelijkheid, diplomatie, en een heldere denkwijze; en dit zijn geen holle woorden, Arthur, want ik meen elk ervan voor de volle honderd procent; . . .

Vanzelfsprekend keur ik je antwoorden in ieder opzicht goed, in het algemeen en in detail, en ik zou slechts willen dat ik het vermogen had om die situaties zo aan te pakken zoals jij dat hebt gedaan.

Twee maanden later, op 27 september 1942, stierf Gottfried De Purucker, en de daaropvolgende drie jaren werd de Theosophical Society bestuurd door het Kabinet terwijl kolonel Conger hoofd bleef van de Amerikaanse Afdeling. Tijdens die jaren – de Tweede Wereldoorlog was toen in volle gang – waren reizen en communiceren in de Verenigde Staten moeilijk, en naar Europa en elders bijna onmogelijk.

 

Leiderschap

Op 25 januari 1935, zeven jaar vóór zijn dood, schreef G. de Purucker een document dat later bekend werd als zijn instructies aan het Kabinet. Het ging over de manier waarop men onder bepaalde omstandigheden na zijn dood te werk zou moeten gaan. In deze instructies voorzag De Purucker de mogelijkheid dat zijn opvolger misschien ervoor zou kiezen om zijn ambt niet onmiddellijk op zich te nemen. Hij schreef:

Aan het einde van de periode van drie jaar, als mijn opvolger als Leader van de Theosophical Society dat ambt nog niet op zich heeft genomen, d.w.z. als hij dat ambt nog niet op zich zou hebben genomen vóór de termijn van drie jaar na mijn dood zou zijn verstreken, dan wordt het Kabinet hierbij collectief en individueel opgedragen en geïnstrueerd en verzocht, na het nodige wikken en wegen en zorgvuldige overdenking, om een gerespecteerd lid van de Theosophical Society te kiezen als Leader van de Theosophical Society aan wie alle rechten worden verleend en die alle plichten op zich zal nemen die zo’n positie vereist zoals omschreven in de Constitutie van de TS, zoals reeds is gezegd in de tweede paragraaf van blz. 2 van dit document.

Ik verzoek de zittende leden van het Kabinet dringend om nadat ik ben heengegaan alle persoonlijke gevoelens of bijzondere karaktertrekken, en mogelijk zelfs hun eigen opvattingen, te onderwerpen aan de wil van de meerderheid van het Kabinet bij de verschillende beraadslagingen en handelingen zoals die tot uitdrukking komen in datgene waarvoor de meerderheid stemt; en ik vraag alle leden van het Kabinet om zichzelf te beschouwen als dragers van de verantwoordelijkheid en daarom van de waardigheid die behoren bij hun hoge ambt als persoonlijke vertegenwoordigers van de vroegere Leader.

Op 30 juni 1943, negen maanden na het heengaan van De Purucker en iets meer dan twee jaar voor hij het ambt van Leader op zich zou nemen, schreef kolonel Conger aan Iverson Harris, voorzitter van het Kabinet, als reactie op een privé-brief van hem:

Heel erg bedankt voor je luchtpostbrief van 22 juni. Met je algemene houding over het onderwerp ‘de opvolger van GdeP’ ben ik het helemaal eens, maar om mijn opvatting in detail toe te lichten zou ik je willen lastigvallen met enkele bijkomstige gedachten.

Het verschijnen van iedere nieuwe Leader was altijd een gelegenheid voor een grote schoonmaak van de Society. Deze druk wordt niet alleen uitgeoefend bij de verandering van leiderschap, maar kan in individuele gevallen op elk ogenblik plaatsvinden. Maar de verandering van leiderschap treft altijd besluiteloze mensen die in het geheim twijfels koesteren en biedt de omstandigheden waarin krankzinnigheid zich van hen meester maakt.

Het feit is dat iedere Leader schijnt te zijn omringd door spiegels die naar de ongelovige Thomas zijn eigen beeld terugkaatsen.

Het volgende is belangrijk.

Het is waar, geloof ik, dat geen Leader van de beweging tot nog toe zijn of haar opvolger heeft genoemd. De intuïtieve gevoelens van de leden hebben de ontbrekende schakels geleverd; waar de intuïtie ontbrak was het resultaat dat de mogelijke kandidaat in de afgrond werd geworpen. De huidige omstandigheden van de Society zijn heel anders dan die in 1929. Ondanks de oorlog wacht het ontwikkelde publiek met ingehouden adem om te zien wie de nieuwste avatāra uit Tibet zal zijn; dan is er de nieuwsgierigheid bij iedereen om te weten welke wonderen zijn verricht om zijn claims voor het ambt te bewijzen. GdeP geeft de volmaakte reactie hierop en dat is de voorziening dat als niemand binnen drie jaar zijn aanspraken heeft gemaakt, dat er iemand voor dat ambt moet worden gekozen door dat zeer prozaïsche Kabinet. Mijn vermoeden is dat de nieuwe Leader, hoe hij intussen ook wordt geselecteerd of erkend, onder normale omstandigheden niet zal willen dat zijn erkenning openbaar wordt gemaakt tot de drie jaar zijn verstreken zoals is bepaald.

Ik heb het van KT dat toen HPB door de Meester op haar ziekbed werd bezocht in de Maritieme Alpen, hij in een visioen de zeven Leaders liet verschijnen die voor haar werk zouden zorgen tot zij zou terugkeren. En als de Witte Loge voor nog drie boodschappers wil zorgen en ze wil trainen, dan zie ik geen reden tot zorg over de onmiddellijke opvolger van GdeP.

Ik bedoel hiermee niet dat het Kabinet onfeilbaar is en geen fout zou kunnen maken, maar zelfs als dat zo zou zijn, dan zou het werk worden voortgezet met als voordeel dat veel dood hout is weggesneden. Dat is echter een onwaarschijnlijke gebeurtenis omdat we uit gezaghebbende bron weten dat zolang er in onze Society drie plichtsgetrouwe werkers actief blijven, deze nooit kan worden vernietigd en er altijd in een schakel voor communicatie zal worden voorzien.

Je ideeën over het onderwerp om niet te veel te verwachten van de nieuwe Leader of om te verwachten dat hij een replica is van GdeP zijn gezond en actueel. Misvattingen op dit punt en het idee dat hij alleen kan spreken of handelen op bevel van een meester heeft menige veelbelovende leerling tot de ondergang gebracht. Je hebt ook helemaal gelijk als je de Leader Primus inter pares [Eerste onder gelijken] noemt, zoals GdeP in zijn geschriften overduidelijk heeft gemaakt.

Zoals altijd hoogachtend,
(getekend) A.L.C.

Op 22 oktober 1945 werd kolonel Conger door het Kabinet gekozen tot Leader van de Theosophical Society.55 Zijn vrouw Margaret was in juni gestorven en hij moest gebruikmaken van een rolstoel in verband met de ziekte van Parkinson. Een vooroordeel bij enkelen over deze ziekte en over het feit dat hij het hoofd was van de ES vormde de basis van de komende onrust.56 Zijn persoonlijke medewerkers vonden het echter een privilege om hem te dienen. De integriteit en moed van Conger, zijn krachtige maar zachtaardige optreden en zijn onvoorwaardelijke toewijding aan de theosofische zaak maakten op hen en anderen een onuitwisbare indruk. In tegenstelling tot geruchten die zich over hem verspreidden, voelden velen dat zijn fysieke zwakte zijn mentale en geestelijke inzicht versterkte.57

Hoewel het mijn doel is om een algemene schets te geven van het leven van kolonel Conger, zou het een verzuim zijn om niet kort aandacht te besteden aan deze wisseling van de leiding, omdat er diverse en soms onjuiste beschrijvingen zijn geweest van het ‘wegsturen’ van stafleden aan het hoofdkwartier in Covina. Adam Warcup, bijvoorbeeld, merkte in een artikel getiteld ‘Discord is the Harmony of the Universe’ [Onenigheid is de harmonie van het heelal] op: ‘Onder kol. Conger had de Point Lomagroep zijn nacht van de lange messen waarin een aantal prominente leden werden uitgestoten.’58 In een niet uitgegeven artikel, dat slechts gedeeltelijk werd gepresenteerd tijdens de Theosophical History Conference in het Point Loma Nazarene College op 14 juni 1992, gaf dr. Gregory Tillett het volgende commentaar:

In maart 1946 eiste Conger het ontslag van dissidenten; ze weigerden daaraan gehoor te geven, werden ontslagen en kregen opdracht het Hoofdkwartier van de Society onmiddellijk te verlaten, hoewel het voor velen van hen hun thuis was, en [letterlijk] jaren was geweest. Er volgde een zuivering van dissidente leden. Velen van hen – onder wie Iverson Harris, Boris de Zirkoff, Emmett Small, Sven Eek, Cardinal le Gros, Judith Tyberg, Geoffrey Barborka, L.G. Plummer, Elsie Benjamin – bleven belangrijk theosofisch werk doen . . .

Een ander voorbeeld is te vinden in Appendix IV van de Point Loma Publications uitgave (1975) van het boek van Charles. J. Ryan H.P. Blavatsky and the Theosophical Movement, en herdrukt in The Eclectic Theosophist, no. 29, 15 juli 1975, waar het door W. Emmett Small en Helen Todd wordt gepresenteerd als ‘overeenkomstig de feiten en op een objectieve manier samengesteld. . . .’ Ik heb de namen tussen vierkante haken toegevoegd:

Zij die op een zo onvriendelijke en snelle manier van hun vroegere taken en verantwoordelijkheden werden ontheven, waren onder andere de voorzitter en de secretaris van het Kabinet [I.L. Harris, W.E. Small]; de notulist van de Esoterische Sectie [Mw. I.L. Harris]; en de president [H.T. Edge], de vice-president [Marjorie Tyberg], de secretaris [I.L. Harris], de assistent secretaris, het hoofd van het onderwijs [J. Tyberg], en het hoofd van de administratie van de Theosophical University [F. Collisson].

Omdat Charles. J. Ryan een vurig verdediger van kolonel Conger was, is het vreemd om te zien dat zijn boek op die manier wordt gebruikt. Prof. Ryan bleef aan het Internationale Hoofdkwartier van The Theosophical Society in Covina tot zijn dood op 24 december 1949, en gaf aantekeningen en correcties voor zijn boek die werden opgenomen in de tweede herziene uitgave die in 1975 door Theosophical University Press werd uitgegeven ter gelegenheid van de viering van honderd jaar TS.

Adam Warcups uitdrukking ‘nacht van de lange messen’ is gezien de feiten ongegrond. Wat de onjuistheden van het tweede citaat betreft voel ik mee met dr. Tillett, want hij beweert in zijn conclusie dat hij beperkte toegang had tot controleerbare informatie. De volgende documentatie zou moeten helpen de feiten duidelijk te maken.

Aan enkele stafleden van het hoofdkwartier, die verantwoordelijke bestuurlijke functies vervulden tijdens het leiderschap van kolonel Conger werd in feite gevraagd ontslag te nemen, na bijna acht maanden van voortdurende openlijke uitingen van ontevredenheid. Iverson L. Harris en zijn vrouw, Helen, werden in het najaar van 1946 gevraagd het Hoofdkwartier te verlaten.59 Emmett Small werd gevraagd om zijn ontslag te nemen uit het kantoor van de redactie op 8 juli 1946. Hij verliet het Hoofdkwartier uit eigen beweging op 28 juli 1946.60 In een brief aan Small van 25 juli 1946 bood Conger zijn gezin steun aan:

Uit je brief van 24 juli maak ik op dat je aanstaande zondag het Hoofdkwartier zal verlaten. Hierbij laat ik je weten dat ik je het beste toewens in je toekomstige werk en geluk.

Je vermeldt niet dat je vrouw en kinderen tegelijk vertrekken. Ik neem aan dat je al weet dat het onze wens is alle mogelijke hulp te verlenen terwijl je bezig bent om je leven elders op te bouwen en we verzekeren je dat je gezin hier kan blijven tot je voor hen kunt zorgen.

Boris de Zirkoff, daarentegen, had al jaren eerder het Hoofdkwartier verlaten tijdens het leiderschap van G. de Purucker, zoals blijkt uit een brief van Purucker aan kolonel Conger van 28 juli 1942.

Zoals ik je onlangs heb geschreven, zijn we hier aan het Hoofdkwartier allen van mening dat De Zirkoff zijn status als lid van de staf van het Hoofdkwartier heeft verloren . . . tijdens de laatste paar maanden is [hij] hier helemaal niet gezien, afgezien van een bliksembezoek, ik geloof van ongeveer een uur, vanuit Los Angeles. . . . maar ik maak nu bekend dat hij niet langer een stafmedewerker is aan het Internationale Hoofdkwartier, maar uitsluitend werkt voor Loge no. 60, die op zich heeft genomen om geheel in zijn onderhoud te voorzien.

Ook Sven Eek vertrok enige tijd daarvoor, tussen het einde van 1941 en het begin van 1942. Op 9 april 1942 schreef Eek aan dr. De Purucker vanuit Los Angeles: ‘Ik heb lange tijd niet het genoegen gehad u op te zoeken, . . .’ In dezelfde brief vertelt hij zijn ervaringen in Point Loma aan het einde van 1941. Uiteindelijk werd hij voorzitter van Loge 60 in Los Angeles.

George Cardinal Le Gros heeft nooit aan het Hoofdkwartier gewoond, behalve tijdens een kort bezoek, hoewel hij regelmatig bijdragen schreef voor de tijdschriften. Hij verkeerde in een toestand van verwarring en was onzeker welke richting in te slaan. Hij bezocht een vriend van vroeger, een lid van de Society, en hoorde een ander verhaal dan de negatieve verslagen die hij uit Covina had ontvangen, waarna hij schreef:

Nadat ik zondag met je heb gesproken, ben ik innerlijk enorm wakker geschud en heb mijn kijk op de situatie in de TS herzien.

Voor het eerst sinds lange tijd ervaar ik de vreemde diepgevoelde nabijheid van dat geestelijke leven dat leek te verdwijnen na de dood van GdeP.

Ik ben weer een volledig mens, en vrij in mijn geweten om voor theosofie te werken via de TS.61

Tien dagen later, op 13 december 1946, schreef hij soortgelijke gevoelens aan kolonel Conger:

weet alstublieft dat ik altijd gereedsta, op elk moment, ten overstaan van elke moeilijkheid, om met mijn volle hart enig en elk verzoek dat u zou hebben in verband met het werk van de Beweging uit te voeren.

In iedere organisatiestructuur komen er tijden dat een nieuwe leider het team reorganiseert. G. de Purucker vroeg een aantal leden, sommige prominent, om ontslag te nemen of met pensioen te gaan. Bijvoorbeeld vroeg hij, kort voor hij stierf, aan Henry T. Edge om zich uit het Kabinet terug te trekken.62 In het geval van Judith Tyberg, vroeg kolonel Conger de Raad van Beheer van de Theosophical University om haar ontslag als lid van de Raad te accepteren. Daarna besloot ze haar ontslag te nemen bij de faculteit van de Theosophical University en het Hoofdkwartier te verlaten.63

Geoffrey Barborka was een ander die onder het leiderschap van G. de Purucker vertrok. Hij voelde dat het zijn plicht was om het Hoofdkwartier te verlaten voordat dit van Point Loma zou verhuizen. De Purucker schreef Barborka dat hij hem had beschouwd, samen met zijn bejaarde ouders, als een deel van de staf die naar Covina zou verhuizen. Maar Barborka was vastbesloten en vertrok voordat de verhuizing van het Hoofdkwartier plaatsvond.64

L. Gordon Plummer verliet het Hoofdkwartier tijdens de periode waarin het Kabinet de TS leidde. Later, op 27 november 1947, schreef hij een verklaring die hij openbaar wilde maken:

Het is volkomen juist dat ik bijna drie jaar geleden het Hoofdkwartier heb verlaten, en het is bekend bij alle leden van het toenmalige Kabinet, zo niet bij iedereen aan het Hoofdkwartier, dat ik dit om gezondheidsredenen deed. Ik heb deze zaak met kol. Conger besproken nadat hij Leader werd, en hij gaf mij de verzekering dat ik juist handelde.65

De laatste naam die dr. Tillett noemt is die van Elsie Benjamin, die G. de Puruckers privésecretaresse was. Tijdens het leiderschap van Conger twijfelde zij nooit aan hem als Leader of toonde ze ook maar iets anders dan het grootste respect voor en trouw aan hem. Zij was goed op de hoogte van de hoogachting die De Purucker had voor Conger, omdat zij de meeste gedicteerde correspondentie van Purucker had opgeschreven en uitgetypt. In 1946 schreef ze aan kolonel Conger vanuit Engeland, waar ze toen woonde:

Ik ben benieuwd geweest om de reacties te zien van de mensen hier, die mij heel onverwacht hebben bereikt, en het is goed te zien dat zij die onbaatzuchtig voor de Zaak werken, herkennen wat je bent; en dat sommigen die old-timers in de theosofie zijn, maar die in een zelfzuchtige houding zijn terechtgekomen waarin ze alleen maar meer en meer ES-instructies wensen en toch niets doen voor de TS – sommigen van hen doen niets. Het bewijst dus dat al dat gepraat in Covina dat die en die zoveel jaren dienstbaar is geweest en zijn beoordelingsvermogen daarom onfeilbaar zou zijn – onzin is, om het mild uit te drukken.66

Sommige van deze individuen verschilden sterk van mening met kolonel Conger en met zijn theosofische beleid. Sommigen hebben in hun ongenoegen zelfs geprobeerd zich meer te organiseren. Er werd op zondag 8 september 1946 een informele bijeenkomst gehouden in het huis van rechter Frank G. Finlayson in Los Angeles. Bij die bijeenkomst waren aanwezig: rechter en Mw. Finlayson, dr. en Mw. Sven Eek, Dhr. en Mw. W. Emmett Small, Miss Florence Collisson, Miss Katherine Heck, Dhr. en Mw. Iverson Harris, en Boris de Zirkoff, die voorzitter was. Miss Judith Tyberg was aanwezig gedurende de tweede helft van de middag. De volgende opmerkingen van Iverson Harris werden gemaakt in antwoord op een rechtstreekse vraag van De Zirkoff of hij bereid was tot een Centraal Internationaal Comité toe te treden, dat De Zirkoff en anderen van de aanwezigen wilden oprichten:

Ik heb zelf niet het gevoel dat ik nu, als ik mijn geweten raadpleeg, tot een centraal comité zoals hier wordt voorgesteld kan toetreden.

Als er een eminente figuur onder ons zou zijn rondom wie we ons allen konden verzamelen, en ons verenigen, en zijn bewezen leiderschap konden aanvaarden, zonder gevaar om verdere verdeeldheid in onze eigen groep van ontevreden mensen te scheppen, dan zou er een betere gelegenheid zijn om iets wezenlijks te doen om veranderingen teweeg te brengen om de werkelijke belangen van de TS te bevorderen en veilig te stellen. Maar ik ken op dit moment niet zo iemand.67

Het verlenen van het ontslag van vier beheerders van de Theosophical University, dat op het vastgestelde tijdstip werd ingediend zoals gebruikelijk was, gebeurde als volgt. Op 19 juni 1946 schreef kolonel Conger aan Iverson Harris als secretaris van de Theosophical University en verzocht om het ontslag van H.T. Edge, voorzitter; Marjorie Tyberg, vice-voorzitter; Judith Tyberg, hoofd van het onderwijs; en Florence Collisson, hoofd van de administratie. Dezelfde dag bevestigde de secretaris schriftelijk het verzoek en zei dat volgens de Statuten, beheerders en functionarissen van de universiteit ‘hun ambt uitoefenen naar welgevallen van de Raad van Beheer’. Een bijeenkomst van de Raad van Beheer werd dezelfde dag gehouden. De volgende details zijn afkomstig uit de notulen van die bijeenkomst. De aanwezige beheerders waren Mw. Marjorie M. Tyberg, Mw. Lolita W. Hart, A.J. Stover, William Hartley, Miss Florence Collisson, Miss Judith Tyberg, Mw. Ethel Lambert, Iverson L. Harris. Dr. H.T. Edge en dr. Gertrude van Pelt waren afwezig wegens ziekte. Vice-voorzitter Marjorie Tyberg trad op als voorzitter. Elk ontslag werd apart behandeld. Eerst was er over dr. H.T Edge gestemd: de stemmen staakten doordat Marjorie Tyberg als gevolmachtigde voor dr. Edge voor hem stemde, terwijl ze zich als voorzitter van stemming onthield. Toen werd er gestemd over Marjorie Tyberg, met hetzelfde resultaat. Toen over Judith Tyberg werd gestemd, week ze af van haar eerdere stemgedrag en stemde voor haar eigen ontslag, waardoor het staken van de stemmen werd doorbroken. Een soortgelijk geval deed zich voor bij Florence Collisson die haar stemgedrag veranderde van dat bij de eerste twee, en voor haar eigen ontslag stemde, en zo opnieuw het staken van de stemmen doorbrak. Judith Tyberg verzocht de voorzitter om een stem uit te brengen om het ontslag van de voorzitter en van dr. Edge te accepteren om zo het staken van de stemmen te doorbreken. De voorzitter stemde toen vóór haar eigen ontslag en dat van dr. Edge. Toen de stemmen niet meer staakten, aanvaardde de Raad van Beheer de vier ontslagen.

Voor hen die actief zijn in een spirituele organisatie die zich in een overgangsperiode bevindt, kan de uitdaging hartverscheurend zijn, en men kan niemand verwijten maken. Ongetwijfeld moesten allen die geloften hadden afgelegd aan het hoogste in henzelf om de zaak van universele broederschap te dienen, goed nadenken over de vermaning van H.P. Blavatsky aan haar esoterische studenten:

Geen lid zal, onder enige omstandigheden, enige beschuldiging uiten van welke aard ook tegen een ander lid, of dit nu HPB, William Q. Judge, of een ander lid van de Sectie is. Deze regel houdt niet in dat de meesters geen enkele fout of overtreding door de vingers zien, vergeven of tolereren. Maar geen enkel lid is rechter over de daden van een ander lid of van een andere theosoof, en dat is men in deze Sectie nog minder dan in enige andere. Want, terwijl in de exoterische afdeling de voorzitter en de raad besluiten over beschuldigingen tegen hun collega’s, moet ieder lid van deze Sectie alleen door zijn karma en door de meesters worden beoordeeld.68

In deze periode werd het werk van de TS natuurlijk op de gewone manier voortgezet. Op 9 augustus 1946 vernieuwde kolonel Conger een oude vriendschap met A.E.S. Smythe, hoofd van de Theosophical Society in Canada. Conger schreef:

Ik kijk met oneindig veel plezier terug op herinneringen aan de avonden die ik in de begintijd met jou op Madison Avenue 144 heb doorgebracht. Omdat ik heel wat jonger was dan jij, neem ik aan dat je mij niet zo levendig herinnert als ik jou. Het feit blijft echter dat ik je altijd zal beschouwen als een vriend en oudere broer – één van die ego’s die zij aan zij lopen in leven na leven.

Deze nauwe vriendschap speelde ongetwijfeld een rol in de vriendschappelijke relaties tussen de twee organisaties. In 1948 werd daaraan uiting gegeven door de vrijgevigheid van kolonel E.L. Thompson en de Theosophical Society in Canada, die aan kolonel A.L. Conger en de Theosophical Society in Covina de Tripitaka in 48 delen schonk van een editie die in een beperkte oplage in 1932 werd uitgegeven door de koning van Siam.

De tijd dat Conger Leader was, vormde een overgangsperiode, niet alleen voor de Society maar ook voor de wereld die zojuist herstelde van een verpletterende oorlog. Toen hij hoofd werd, deed hij een simpele uitspraak over zijn leiding. Hij zei in feite dat de gerichtheid van de Society moest worden verschoven van de ontvangende pool naar de gevende pool.69 Door deze nadruk verschoof de Society van een steunen op het verleden naar het cultiveren van een moderne presentatie waarmee men de tweede helft van de eeuw kon ingaan. Het kwam tot uiting in een programma van nationale sprekers, overal uitbreiding van loges en leden, en een actief programma van publicaties. Er was ook een succesvolle poging voor de Theosophical University om te profiteren van de GI Bill, en om het aantal stafleden en studenten uit te breiden. Bovendien stimuleerde Conger John P. Van Mater, die toen Secretary General was, om een Theosophical Headquarters Bulletin uit te geven om de dialoog aan te gaan met leden overal in de wereld.

Het eerste jaar van Congers leiderschap begon met een opleving van activiteit op het gebied van lezingen. Sprekers werden uitgestuurd naar Canada, Europa, en door de Verenigde Staten.70 In die tijd kwam Elsie Benjamin uit Engeland twee weken naar het Hoofdkwartier in Covina, en na haar verblijf maakte ze een lezingentour door de VS.71 De volgende jaren profiteerden enorm veel van dit eerste jaar van lezingen in het openbaar. De loges ontwikkelden zich niet alleen, maar er werd ook een voorbeeld gevormd waarop de leden verder konden bouwen. Tussen 22 oktober 1945 en het einde van 1946 werden er in totaal 17 nieuwe charters voor loges en één voor een nieuwe nationale afdeling uitgegeven.72 Tegen 1946 begon de bouw van een nieuw verblijf voor het toegenomen aantal studenten en bezoekers die naar het hoofdkwartier kwamen.

Het volgende jaar vonden er conventies plaats van de nationale afdelingen in de Verenigde Staten en Europa. In de Verenigde Staten werd een conventie van de Amerikaanse Afdeling gehouden in Washington, DC, in april 1947.73 Kolonel Conger, samen met Martha Franklin en Alfred Spinks, een lid van zijn persoonlijke staf, woonden deze bij, alsmede kolonel Marion O. French die later zou worden aangesteld als hoofd van de Theosophical University74, en Grace F. Knoche, die toen werkte in het kantoor van de Amerikaanse Afdeling in het huis van kolonel Conger in Takoma Park. Toen kolonel Conger hoorde dat het hotel een Afrikaans-Amerikaans lid van de TS de toegang weigerde tot het auditorium dat voor de conventie was gehuurd, nodigde hij hem onmiddellijk uit om tijdens het weekend van de conventie dag en nacht zijn persoonlijke assistent te worden, waardoor hij deel kon nemen aan de activiteiten van de conventie.

Een nieuwe cursus aan de Theosophical University werd gestart voor wie geïnteresseerd was in openbaar werk, omdat tijdens deze nationale conventie daarom werd verzocht. Bovendien werd er op 31 augustus 1947 aan het Hoofdkwartier in Covina een Conferentie voor het Openbare Werk in het Westen gehouden om nieuwe manieren te onderzoeken om theosofie bij het publiek bekend te maken.75

Europa was door de Tweede Wereldoorlog verwoest; kolonel Conger wist uit ervaring wat de moeilijkheden waren, en reageerde door vertegenwoordigers daarheen te sturen om nieuwe pogingen aan te moedigen. In 1947 werd een reeks Europese conventies gehouden met als vertegenwoordigers van het Hoofdkwartier John en Ingrid Van Mater. De Zweedse Conventie werd gehouden op 25 en 26 mei.76 Er werden voorstellen gedaan en aangenomen voor nieuwe huishoudelijke reglementen, als reactie op het verzoek van kolonel Conger dat er overal in de Society meer activiteit zou zijn. De Nederlandse Conventie op 22 juni was een van de grootste conventies die dat jaar werden gehouden, die door enkele honderden afgevaardigden werd bijgewoond.77 De Engelse Conventie begon officieel op 3 augustus 1947. De zaterdag daaraan voorafgaand hield de Algemene Raad een bijeenkomst waarbij een nieuw huishoudelijk reglement werd aangenomen en Elsie Benjamin werd gekozen als voorzitter van de Engelse Afdeling. Omdat Duitsland na de oorlog was opgedeeld, konden niet alle afgevaardigden de Duitse Conventie op 3 juli 1947 bijwonen.78 Omdat de oorlog een belemmering was geweest voor veel theosofische activiteiten, waren die conventies een diep roerende ervaring voor allen die ze bijwoonden. Dit werd misschien nergens zo sterk gevoeld als in Duitsland.

Op 29 en 30 mei 1948 hield de Amerikaanse Afdeling een driejaarlijkse conventie aan het internationale hoofdkwartier van de Society in Covina. In zijn openingswoord sprak kolonel Conger over HPB die erin ‘was geslaagd de gedachtegroeven van twee generaties te veranderen, maar niet tijdig genoeg om het uitbreken van twee wereldoorlogen van rampzalige omvang te voorkomen, . . . ’79 Daarna sprak hij over het toekomstige werk:

Als we ons afvragen op hoeveel manieren we theosofie kunnen verbreiden, dan is het antwoord twee. De eerste is door persoonlijk contact, de andere is door gebruik te maken van het geschreven woord.80

Hij legde nadruk op het belang van de kleine gebeurtenissen in het leven:

Het theosofische leven bestaat uit kleine gebeurtenissen waardoor de geest van theosofie vloeit. En op die manier wordt de invloed van de Beweging op de wereld de optelsom van zulke kleine contacten . . . in ieder land onderhouden door theosofen met een waarachtig hart. Door de leden van de TS die verenigd zijn in hart en ziel vloeit de kracht van de Loge. In dit licht krijgen onze dagelijkse inspanningen werkelijk waardigheid en we zien dat ze bijdragen aan het geheel.81

Tijdens de hele periode van zijn leiderschap van vernieuwing was een van de belangrijkste inspanningen van kolonel Conger om een actief beleid te voeren in de uitgeverij. Er werden nieuwe drukmachines geïnstalleerd, en naast het in druk houden van de belangrijkste theosofische bronnen, voegde hij nieuwe titels toe. Hoewel de oorlog de mogelijkheid om te drukken had verstoord, had dit de leden er niet van weerhouden om vertalingen te maken van de geschriften van HPB, Judge en Purucker. Zo snel mogelijk werden deze boeken in de verschillende Europese afdelingen uitgegeven.

In Amerika werd het redigeren en drukken van Lucifer, het orgaan van de Amerikaanse Afdeling, verplaatst naar Covina. In 1948 zette Conger het programma voor kinderen opnieuw op, en verving de Lotus-Circle Messenger en de Junior Theosophist, geredigeerd door Grace Knoche (Sr.), door The Challengers Own, samen met daarmee verband houdende nieuwe activiteiten. Een samenvatting van de activiteiten van de uitgeverij in de jaren van Congers leiderschap is als volgt:

1946
   The Voice of the Silence – Blavatsky
   Transactions of the Blavatsky Lodge – Blavatsky
   The Key to Theosophy – Blavatsky
   Studies in Occultism – Blavatsky
   The Bhagavad-Gītā – Judge
   Crest Jewel of Wisdom – Śankarāchārya
   Spirit in Crisis – Oosterink

1947
   The Secret Doctrine – Blavatsky
   Fundamentals of the Esoteric Philosophy – Purucker
   Man in Evolution – Purucker
   Questions We All Ask (4 delen in cassette) – Purucker
   Healing and Occult Science – Van Uchelen

1948
   The Mahatma Letters to A.P. Sinnett in samenwerking met Rider & Co uit Londen
   Gems from the East – Blavatsky
   The Ocean of Theosophy – Judge
   The Dialogues of G de Purucker (3 delen) – Purucker, geredigeerd door A.L. Conger
   Nature’s Magic – Stover

1949
   Light on the Path / Through the Gates of Gold – Collins
   Practical Occultism – Judge
   Studies in Occult Philosophy – Purucker
   Theosophic Correspondence – Saint Martin
   Everybody’s Guide to Theosophy – Harry Benjamin

1950
   Isis Unveiled (luxe editie met illustraties) – Blavatsky
   Once Round the Sun – Titchenell

Tijdschriften
   The Theosophical Forum82
   The Challengers Own83
   The Theosophic Challenge84
   Theosophical Headquarters Bulletin
   Lucifer85

In juli 1950 startte kolonel Conger de uiteindelijke verhuizing van het internationale hoofdkwartier in Covina. Hij vroeg A. Studley Hart en James A. Long om in het gebied rond Pasadena naar geschikte gebouwen te zoeken waar hijzelf en zijn directe medewerkers zouden kunnen wonen, alsmede de hele staf van het Hoofdkwartier en de administratie, de bibliotheek en de drukkerij. Tegen september was er in Pasadena een groot huis beschikbaar gekomen om kolonel Conger en zijn tweede vrouw, Martha Franklin Conger (1878 – 1959), te huisvesten, en zijn persoonlijke en secretariële assistenten, het archief, en het kantoor van de TS en ES. De verhuizing was begin oktober voltooid.

Het was een grotere uitdaging om passende huisvesting op gunstige locaties te vinden voor de kantoren van de administratie van het hoofdkwartier en voor de staf, en ook voor de bibliotheek en de drukkerij. Studley Hart en James Long brachten regelmatig verslag uit aan kolonel Conger. Begin februari 1951 was hij heel verheugd te vernemen dat de laatste documenten voor ‘Deodars’ waren ondertekend waar het hoofdkwartier en zijn medewerkers vanaf juni 1951 zijn gehuisvest. Een ander gebouw dicht in de buurt werd gekocht om daarin de bibliotheek, de drukkerij en de afdeling publicaties onder te brengen. Het gebouw vereiste een uitgebreide renovatie. Conger leefde echter niet lang genoeg om de veranderingen te kunnen zien. Evenals zijn voorganger, G. de Purucker, overleed hij kort na de verplaatsing van het internationale hoofdkwartier. Hij stierf in Pasadena op 22 februari 1951 op 79-jarige leeftijd, waarmee een einde kwam aan het leven van een eminente en opmerkelijke figuur, dat was gewijd aan het dienen van de mensheid.

Het verdient vermelding dat tijdens die vijf maanden waarin de verhuizing in 1950 plaatsvond, het werk van het internationale hoofdkwartier onverminderd doorging. Ongeveer zes weken nadat hij naar Pasadena was verhuisd, half december, liet Conger de staf bijeenkomen, waarbij ook een vertegenwoordiger van de Amerikaanse Afdeling aanwezig was. Hij wilde het werk bespreken, de situatie van theosofie in de wereld, en het theosofische werk zoals dat in de verschillende nationale afdelingen plaatsvond. Omdat hij nieuwe behoeften van de Society voorzag, stuurde hij James Long op een wereldtour langs de verschillende afdelingen om functionarissen en leden te ontmoeten. De eerste stop van Long was in Engeland waar hij zijn eerste belangrijke opdracht van Conger ontving: om in ieder land bij aankomst de Esoterische Sectie te sluiten.86 Terwijl Long in Australië was, vroeg Conger zijn secretaresse, Grace F. Knoche, en de organisator voor het Western District, George Simpson, naar San Diego te gaan en de leden te vragen hun loge te sluiten en alle openbare activiteit voorlopig te staken. Een week later verzocht Conger Miss Knoche en Simpson de loge in San Francisco te sluiten. Long keerde kort daarop naar de Verenigde Staten terug. Hij beschreef zijn terugkeer naar het hoofdkwartier in Pasadena tijdens het Algemene Congres van de Theosophical Society gehouden in Nederland:

Gelukkig keerde ik juist een week voordat kolonel Conger zijn hartaanval had terug – er was genoeg tijd om hem kort verslag te doen van wat ik had aangetroffen en wat er volgens mij nodig was en hij wist, zoals wij allen, dat het moment was gekomen dat hij ons zou verlaten. We waren enorm opgelucht toen hij op een dag zei: ‘Het einde van mijn reis zal geen pijn kennen.’ En dat was ook zo. Natuurlijk wist ik niet op welke dag en hoe het einde zou komen. Maar drie nachten voor hij overleed, ging ik de trap op naar zijn kamer zoals ik gewoonlijk deed voordat ik naar bed ging, en zei: ‘Kolonel, ik denk dat ik ga slapen.’ Het was ongeveer 10.30 uur. ‘Is er iets wat ik voor u kan doen voor ik wegga?’ Hij zei: ‘Ja.’ Ik zei: ‘Kolonel, zeg het maar en ik zal mijn best doen om het te doen.’ Hij dacht even na en zei: ‘Maak het werk waaraan je bent begonnen helemaal af.’ Ik begreep het. Ik wenste hem goede nacht en tot ziens. De volgende ochtend had hij een hartaanval, bleef drie dagen buiten bewustzijn, en stierf. De herinnering aan hem in de theosofische Beweging zal nooit vervagen, en evenmin zal de invloed van zijn Grote Offer verminderen.87

Ik besluit met een uitspraak gedaan in 1938. Deze vat samen hoe Arthur Latham Conger zich op één doel richtte, en naarmate zijn leven en werk beter bekend worden, zal blijken dat hij een belangrijke bijdrage leverde om de moderne theosofische Beweging gezond en levenskrachtig te houden.

Het hogere zelf in ons zal klinken als klaroengeschal om het hogere zelf in onze broeder wakker te roepen, of die broeder Griek, neger of jood is, meester of dienaar. Voor de geest van de mens schijnen gebruiken en gewoonten even triviaal als rangen en graden in een democratie. Ondanks alle hindernissen zal het ‘Diepste in ons een beroep doen op het diepste in de ander’, of dit nu op kantoor, thuis, op de markt of in de tram is.
      – Arthur L. Conger, Lucifer (2:13), november 1938

 

 

Noten:

Alle boeken en tijdschriften die zijn geciteerd en alle brieven en documenten waarnaar specifiek wordt verwezen worden bewaard in het Archief van de Theosophical Society, Pasadena, Californië.

  1. Crest Jewel of Wisdom, Theosophical University Press, Covina, 1946, 95.
  2. Harry Spengler, brief aan Kenyon B. Conger, 4 December 1939. Spengler was een kleinzoon van David Conger. Hij merkt op: ‘Deze feiten zijn ontleend aan ‘Historical Bulletin’ Wash. D.C., dec. 1903, en aan officiële archieven, familiebijbels en individuele Congers.
  3. An Ohio Woman in the Philippines: Giving personal experiences and descriptions including incidents of Honolulu, ports in Japan and China (Akron, Ohio: Press of Richard H. Leighton, 1904).
  4. Representative Citizens of Ohio, G. Frederick Wright, (Cleveland, Ohio, 1913: The Memorial Publishing Company Inc.): 353-59.
  5. Harvard College, Class of 1894, Fiftieth Anniversary Report, 1894-1944, (Norwood, Massachusetts: in eigen beheer gedrukt voor die klas door de Plimpton Press): 103. Hier genoemd Harvard Report.
  6. Op. cit., 103.
  7. ALC aan Virginia Vaughan, 12 december 1945.
  8. Harvard Report, 102.
  9. Op. cit., 103.
  10. TS Lidmaatschapsregister, 1875-1878, 514.
  11. ‘Reflections’, The Theosophical Forum 25/9 (sep. 1947): 521.
  12. Op. cit., 522.
  13. De volgende zaken komen uit het archief van de Esoterische Sectie.

    George D. Ayers aan William Q. Judge, 14 december 1892, beveelt ALC aan om te worden toegelaten tot de ES.

    WQJ aan ALC, 28 november 1894, ‘Nu je gelofte is ontvangen, zend ik je hierbij je bewijs van toelating tot de EST, . . .’

    WQJ & JHF aan ALC, 23 februari 1895, ES proeftijd eindigt.

    WQJ aan ALC, 5 maart 1895, ES correspondentie: ‘Het doet me veel genoegen je te laten weten dat je nu een volwaardig lid bent van de 1ste graad E.S.T. . . .’

    Secretaris van EST aan ALC, 28 augustus 1896, ‘je bent nu een lid van de tweede graad’.
  14. Miss Margaret Guild aan WQJ, 14 september 1894, waarin ze ALC aanbeveelt voor de ES.
  15. ALC aan eerw. John Gaynor Banks, 10 juni 1946, en ‘Reflections’, The Theosophical Forum 25/9, sep. 1947, 522.
  16. Harvard Report, 103-4.
  17. ‘Reflections’, The Theosophical Forum, sep. 1947, 522-3.
  18. Op. cit., 523.
  19. ALC aan eerw. John Gaynor Banks, 10 juni 1946.
  20. The Theosophical Path 34/1, (januari 1928): 84.
  21. Abbott B. Clark aan Mej. Cor den Buitelaar, april 1948. Clark was de jongeman uit Californië aan wie Mw. Tingley vroeg om naar beneden te gaan en ALC op te halen.
  22. Verg. The Theosophical Path, 24/2, (februari 1923): 188.
  23. E.T. Hargrove aan ALC, 19 juni 1896.
  24. Report of Proceedings, Third Annual Convention of the Theosophical Society in America, President’s Report.
  25. The Theosophical News: een weekblad, (Boston) 1/47, (10 mei 1897): 1.
  26. Uit de oorspronkelijke notulen van 13 januari 1898, bijeenkomst en de Resolutions Preamble and Constitution of the Universal Brotherhood aangenomen op de conventie in Chicago van 18 februari 1898.
  27. Harvard Report, 104.
  28. ‘Reflections’, The Theosophical Forum, september 1947, 523, en Harvard Report, 104.
  29. Harvard Report, 104.
  30. The Theosophical Path, 34/1, (januari 1928): 84.
  31. Herdrukt met twee belangrijke Mahatmabrieven die niet zijn opgenomen in A.T. Barkers De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1979.
  32. Volgens ambassadeur van de Verenigde Staten John Gilbert Winant beschouwde Generaal George C. Marshall (Stafchef van het leger, minister van defensie van de VS, Nobelprijs voor de vrede) Conger als ‘een van de beste denkers in het leger’ (Letters from Grosvenor Square: An Account of a Stewardship, Houghton Mifflin, Boston, 1947, 135).
  33. The Military Historian & Economist, kwartaalblad (1:1), januari 1916, Harvard University Press, Cambridge, Mass.
  34. ‘A.L. Conger’, Mississippi Valley Historical Review 3/2, (sep. 1916).
  35. ‘Captain Arthur L. Conger’, The State Historical Society of Wisconsin, no. 172. Uit de handelingen van de Society voor 1916.
  36. ‘Colonel Arthur L. Conger’, Wisconsin Historical Society, herdrukt uit het Wisconsin Magazine of History, 4/3, (maart 1921).
  37. Harvard Report, 105. Het Nationale Archief ref. no. 093.412/108, 29 juni 1920, verwijst naar de onderscheiding in de orde van St. Michael en St. George, verleend door de Britse regering.
  38. Harvard Report, 104 en Nationaal Archief 121.5460c/4, 3 april 1925. Nationaal Arch. 121.54 Duitsland/4, 17 september 1924, geeft details over ALC als militair attaché, ook voor Noorwegen, Zweden, Denemarken en Nederland. Nationaal Arch. 121.54 Duitsland/4, 27 september 1924, over benoeming ALC bij de legaties in Christiania, Stockholm, Copenhagen en Den Haag. Nationaal Arch. 500.A15P43/135, 16 februari 1927, over benoeming ALC in de voorbereidende commissie van de Internationale Ontwapenings Conferentie.
  39. Kolonel Gilbert was auditeur-militair voor het 8ste korps gebied, met hoofdkwartier in Fort Sam Houston, Texas. Hij was adviseur voor militair recht van de Generaal bevelhebber van het Amerikaanse expeditieleger in Frankrijk op het moment van het ondertekenen van de wapenstilstand. Kol. Gilbert was ook een vroege theosoof. Een samenvatting van zijn militaire loopbaan is te vinden in The Theosophical Path 23/3, (maart 1923).
  40. The Theosophical Path (24:2), februari 1923, 188.
  41. The Theosophical Path (25:1), juli 1923, 84-5.
  42. The Theosophical Path (25:2), augustus 1923, 195.
  43. The Theosophical Path (31:2), augustus 1926, 192-4.
  44. Op. cit., 195.
  45. The Theosophical Path (34:1), januari 1928, 85.
  46. The Century Co., 1931; herzien door A.H. Meneely in The Saturday Review of Literature, 11 juli 1931.
  47. ALC aan GdeP, 4 november 1929.
  48. GdeP aan ALC, 9 november 1929.
  49. GdeP aan ALC, 15 januari 1932.
  50. Officiële bekendmaking, Internationaal Theosofisch Hoofdkwartier, Point Loma, Californië, 1 maart 1932.
  51. ALC aan GdeP, telegram van 10 december 1932: ‘Verdere redenen voor een verandering van president/ mijn fysieke toestand is niet verbeterd/ ben feitelijk nog steeds niet in staat te schrijven of in het openbaar te spreken/ hoop op verbetering volgens orthopedist afhankelijk van volledige ontspanning. . . .’
  52. Telegram James A. Long aan GdeP, en GdeP aan JAL, 23 sep. 1939.
  53. Het oorspronkelijke Lucifer werd opgericht door H.P. Blavatsky op 15 september 1887, met in juni 1891 als co-redacteur Annie Besant, en geredigeerd door AB tot september 1895 toen GRS Mead co-redacteur werd tot augustus 1897. Het tijdschrift veranderde zijn naam in Theosophical Review. Het tweede Lucifer werd uitgegeven door de jongere leden van de staf aan het hoofdkwartier onder de algemene redactie van G. de Purucker, van jan/feb 1930 tot januari 1935 toen het samen met The Theosophical Path opging in The Theosophical Forum. Zoals hierboven gezegd, nam de Amerikaanse Afdeling de naam Lucifer in januari 1938 over.
  54. Dr. Stokes aan ALC, 23 april 1942.
  55. Er werden twee afwijkende stemmen uitgebracht door de enige twee leden die niet door G. de Purucker waren benoemd.
  56. Lolita W. Hart (lid van het Kabinet) aan het Kabinet, 1 oktober 1945: ‘Hij [ALC] heeft zijn trouw, toewijding en mentale geschiktheid gedurende vele jaren bewezen en kan aan alle bezwaren wat betreft zijn fysieke geschiktheid toen hij aankwam het zwijgen opleggen.’
  57. Interview met Kirby Van Mater.
  58. The American Theosophist, november/december (79:6), 1991, 2-3.
  59. Notulen van het Kabinet van de TS, 12 september 1946.
  60. W.E. Small aan ALC, 9 juli 1946. Small nam zoals verzocht per 8 juli 1946 zijn ontslag bij de redactie.
  61. G.C. LeGros aan A.C. Eppstein, 3 december 1946.
  62. I.L. Harris (voorzitter van het Kabinet) aan W.E. Small (secretaris van het Kabinet), 13 mei 1942: ‘Neem er nota van dat ingaande 11 mei 1942 [G. de Purucker] dr. Edge heeft gepensioneerd en dat deze is toegetreden tot de Raad van Ouderen en dat hij Kirby Van Mater als lid van het Kabinet heeft benoemd.’
  63. Bij het aanvaarden van haar ontslag schreef de Raad van Beheer: ‘De Raad van Beheer betreurt het dat deze verklaring van u . . . uw ontslag als docent zou betekenen. De Raad had gehoopt en had de bedoeling dat u uw heel nuttige en verdienstelijke activiteiten als lid van de faculteit zou voortzetten.’ Brief van de Raad van Beheer, 24 juni 1946.
  64. Geoffrey Barborka aan GdeP, 19 december 1941, en GdeP aan G. Barborka, 20 december 1941.
  65. L.G. Plummer aan Peter Flach, 27 november 1947.
  66. E. Benjamin aan ALC, 18 april 1946.
  67. Uit de notulen van een informele bijeenkomst gehouden op zondag 8 september 1946, om 3 uur.
  68. E.S. Introductie, Voorschrift 8, H.P. Blavatsky: Collected Writings (12:495).
  69. James A. Long, Report of Proceedings of the General Congress of The Theosophical Society, Utrecht, Holland, 15 april 1951, 10.
  70. Theosophical Headquarters Bulletin: International News and Notes, no. 11, 5 mei 1946; no. 18, 15 oktober 1946; no. 19, 5 november 1946; no. 20, 5 december 1946.
  71. Op. cit., no. 20, 5 december 1946; no. 21, 5 januari 1947; een samenvatting van haar tour is te vinden in op. cit., no. 22, 5 februari 1947.
  72. Op. cit., no. 20, 5 december 1946.
  73. Op. cit., no. 24, 5 april 1947.
  74. Op. cit., no. 26, 5 juni 1947.
  75. American Section TS Bulletin, no. 12, 1 aug. 1947.
  76. Theosophical Headquarters Bulletin, no. 27, 5 juli 1947.
  77. Op. cit., no. 28, 5 augustus 1947.
  78. Op. cit., no. 29, 5 september 1947.
  79. Boodschap aan de conventie van 1948, Amerikaanse Afdeling; geciteerd in Lucifer, (10:9), juni 1948, 129.
  80. Op. cit., 130.
  81. Op. cit.
  82. The Theosophical Forum werd begonnen door G. de Purucker in september 1929 en in 1935 gingen The Theosophical Path en Lucifer, the Light Bringer op in The Theosophical Forum. Het werd geredigeerd door ALC vanaf januari 1946 tot maart 1951 toen de publicatie ervan werd stopgezet.
  83. Maart/april 1949 – maart/april 1951, Challenger Committee editors.
  84. September 1946 – juni 1951; James A. Long redacteur vanaf maart 1951.
  85. Zie voetnoot 53.
  86. Proceedings of General Congress, Utrecht, 15 april 1951, 14.
  87. Op. cit., 16.

 


© 2005 Theosophical University Press Agency