Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Het indelen van ‘beginselen’

[‘Classification of ‘principles’’, The Theosophist, april 1887, blz. 448-56; CW 7:284-300]

In een uitstekende lezing over de Bhagavad Gita, gepubliceerd in het februarinummer van The Theosophist, bespreekt T. Subba Row – terloops, geloof ik – de zevenvoudige indeling van ‘beginselen’ in de kosmos en de mens. De indeling wordt nogal bekritiseerd, en de groepering die tot nu toe in de theosofische leringen wordt aangenomen en waaraan de voorkeur wordt gegeven, wordt teruggebracht tot een indeling in vier beginselen.

Deze kritiek heeft al aanleiding gegeven tot enig misverstand, en er wordt door sommigen beweerd dat er een smet is geworpen op de oorspronkelijke leringen. Dit schijnbare meningsverschil met iemand wiens opvattingen over occulte zaken in onze Society terecht bijna als onbetwistbaar worden beschouwd, is zeker een gevaarlijk instrument om tegenstanders in handen te geven die altijd eropuit zijn om tegenstrijdigheden in onze filosofie op te sporen en rond te bazuinen. Daarom voel ik het als mijn plicht om te laten zien dat de opvattingen van Subba Row en die van ons wat betreft de zevenvoudige indeling in werkelijkheid niet onverenigbaar zijn; en te laten zien, (a) dat de spreker, vóór hij lid werd van de Theosophical Society, goed bekend was met de zevenvoudige indeling; (b) dat hij wist dat het de leer van de oude Indo-Europese filosofen was die ‘zeven occulte krachten in verband brachten met de zeven beginselen’ in de macrokosmos en de microkosmos (zie het einde van dit artikel); en (c) dat hij vanaf het begin geen bezwaar maakte tegen de indeling, maar tegen de vorm waarin deze onder woorden werd gebracht. Dus als Subba Row de indeling ‘onwetenschappelijk en misleidend’ noemt, en eraan toevoegt dat ‘deze zevenvoudige indeling bijna schittert door afwezigheid in veel [niet allemaal?] van onze hindoeboeken’, enz., en dat het beter is om de traditionele indeling in vier beginselen aan te nemen, dan moet hij alleen enkele specifieke orthodoxe boeken bedoelen, omdat het onmogelijk zou zijn dat hij zichzelf zo opvallend tegenspreekt.

Enige toelichting is daarom wel op zijn plaats. Over de indeling die ‘schittert door afwezigheid’ in de hindoeboeken, kan worden gezegd dat deze evenzeer schittert door afwezigheid in de boeddhistische boeken. Hiervoor is een duidelijke reden: ze was altijd esoterisch; en als zodanig werd er eerder op gezinspeeld dan dat ze openlijk werd onderwezen. Dat ze ‘misleidend’ is, is ook volkomen waar; want het kenmerkende aspect van deze tijd – het materialisme – heeft onze westerse theosofen gebracht tot de wijdverspreide gewoonte om de zeven beginselen als afzonderlijke en op zichzelf bestaande entiteiten te beschouwen, in plaats van wat ze zijn – namelijk upadhi’s en bijbehorende toestanden – drie upadhi’s, basisgroepen, en vier beginselen. Wat de betiteling ‘onwetenschappelijk’ betreft, deze term kan alleen aan een vergissing worden toegeschreven. Laat ik in dit verband citeren wat Subba Row ongeveer een jaar vóór hij lid werd van de Theosophical Society schreef in een van zijn beste artikelen, ‘Brahmanism on the sevenfold principle in man’,1 de beste bespreking die ooit is verschenen over de ‘Fragments of occult truth’, die later in Esoteric Buddhism zijn opgenomen. De schrijver zegt:

1. Noot vert.: Dit is de titel in Five Years of Theosophy, blz. 153ev. De oorspronkelijke titel in The Theosophist luidt: ‘The aryan-arhat esoteric tenets on the sevenfold principle in man’. Zie voor een vertaling hiervan H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 1:457-80.

Ik heb het [artikel] zorgvuldig bestudeerd, en stel vast dat de conclusies die worden getrokken (in de boeddhistische leer) niet veel verschillen van de conclusies van onze Indo-Europese filosofie, hoewel onze manier van redeneren misschien wat vorm betreft daarvan verschilt.1

1. H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 1:460.

Na vervolgens de ‘drie oorspronkelijke oorzaken’ die een mens tot bestaan brengen – d.w.z. parabrahman, sakti en prakriti – te hebben opgesomd, legt hij uit:

Volgens de adepten van het oude Aryavarta ontstaan uit deze drie oorspronkelijke entiteiten zeven beginselen. De algebra leert ons dat het aantal mogelijke combinaties van n dingen, als we ze eerst alleen nemen, dan in combinaties van twee, van drie, enz., gelijk is aan 2n – 1.

Als we deze formule op het huidige geval toepassen, zal het aantal entiteiten ontwikkeld uit verschillende combinaties van deze drie oorspronkelijke oorzaken 23 – 1 = 8 – 1 = 7 bedragen.

Als algemene regel kunnen we zeggen dat, telkens wanneer in de oude occulte wetenschap van India wordt gesproken over zeven entiteiten, in welk verband ook, men moet veronderstellen dat die zeven entiteiten zijn ontstaan uit drie oorspronkelijke entiteiten, en dat die drie entiteiten op hun beurt zijn ontwikkeld uit een enkele entiteit of monade.1

1. Op.cit, blz 463.

Vanuit het occulte gezichtspunt, en ook kabbalistisch, is dit volkomen juist, als men de zeven en tien sefiroth, en de zeven en tien rishi’s, manu’s, enz., bestudeert. Het blijkt dat er in feite geen fundamenteel meningsverschil bestaat – en dat kan ook niet – tussen de esoterische filosofie van de adepten aan deze en die aan de andere kant van de Himalaya. We verwijzen nog eens naar een eerdere bladzijde van het bovengenoemde artikel, waarin wordt gesteld dat

de kennis van de occulte krachten van de natuur, die de bewoners van het verzonken Atlantis bezaten, door de oude adepten van India werd geleerd en door hen werd gekoppeld aan de esoterische leer die werd onderwezen door de bewoners van het Heilige Eiland [nu de Gobi-woestijn].1 De Tibetaanse adepten [hun voorgangers uit Centraal-Azië] hebben echter deze toevoeging aan hun esoterische leer niet aangenomen.2

1. Zie Isis ontsluierd, 1:728-35, en de appendix, aantekening 3, van de redactrice (HPB) bij het hierboven geciteerde artikel.
2. H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 1:459.

Maar dit verschil tussen de twee leringen betreft niet de zevenvoudige indeling, want deze was universeel nadat ze was ontstaan bij de Atlantiërs, die, als het vierde ras, natuurlijk een eerder ras waren dan het vijfde – het Indo-Europese.

Vanuit een zuiver metafysisch standpunt zijn de opmerkingen over de zevenvoudige indeling in de lezing over de Bhagavad Gita nu dus evenzeer van kracht als vijf of zes jaar geleden in het artikel ‘Brahmanism on the sevenfold principle in man’, ondanks hun schijnbare verschillen. In de theoretische esoterie zijn ze evenzeer van toepassing op de boeddhistische als op de brahmaanse filosofie. Wanneer Subba Row daarom in een lezing over een Vedanta-werk voorstelt dat men zich houdt aan ‘de aloude indeling in vier beginselen’ – de indeling van de Vedanta, waarbij hij echter de mens verdeelt in ‘vijf kosa’s’ (omhulsels) en de atman (in naam de zesde)1 – toont hij daarmee eenvoudig aan dat hij zich strikt aan de theoretische en metafysische, en ook de orthodoxe manier van rekenen daarvan wil houden. Zo vat ik in ieder geval zijn woorden op. Want de Taraka-raja-yoga indeling heeft weer drie upadhi’s, waarbij de atman het vierde beginsel is, en natuurlijk geen upadhi, want hij is één met parabrahman. Ook dit laat hij in zijn korte artikel zien.2

1. Dit is de indeling die Subba Row ons heeft gegeven. Zie Five Years of Theosophy, blz. 185-6, artikel ‘Septenary division in different Indian systems’, ondertekend T.S. [Vert.: Dit artikel is in zijn geheel opgenomen in De geheime leer, 1:187-8.]
2. Op.cit.

Waarom wordt in de zogenaamde ‘boeddhistische’ esoterie dan niet van zo’n indeling gebruikgemaakt? Ze is misschien ‘misleidend’ – dat geven we toe; maar ze kan beslist niet ‘onwetenschappelijk’ worden genoemd. Ik vind het gebruik van dat adjectief ondoordacht, omdat door Subba Row zelf is aangetoond dat die indeling heel ‘wetenschappelijk’ is; en ook heel wiskundig zoals de hierboven geciteerde algebraïsche formule laat zien. Ik zeg dat de indeling gebaseerd is op de natuur zelf die wijst op de noodzaak ervan in de kosmos en de mens; eenvoudig omdat het getal zeven ‘een macht, en een spirituele kracht’ is in zijn combinatie van drie en vier, van de driehoek en het viertal. Het is ongetwijfeld veel gemakkelijker om zich in metafysische en synthetische zin aan de viervoudige indeling te houden, zoals ik me in Isis ontsluierd aan de drievoudige indeling van lichaam, ziel en geest heb gehouden. Als ik me toen aan de zevenvoudige indeling had gehouden, zoals ik later om strikt analytische redenen heb moeten doen, dan zou niemand het hebben begrepen, en het grotere aantal beginselen zou, in plaats van licht te werpen op het onderwerp, tot eindeloze verwarring hebben geleid. Maar het probleem ligt nu anders, en er wordt een ander standpunt ingenomen. We hebben helaas – want het was prematuur – een opening gemaakt in de Chinese muur van esoterie, en we kunnen die nu niet meer sluiten, zelfs als we dat zouden willen. Ik moest een zware prijs betalen voor deze onbezonnen daad, maar ik zal de gevolgen niet uit de weg gaan.

Ik beweer dus dat, wanneer we eenmaal overgaan van het gebied van puur subjectieve redeneringen over esoterische zaken naar dat van een praktische bewijsvoering op het gebied van het occultisme, waarbij elk beginsel en elke eigenschap moet worden geanalyseerd en gedefinieerd in hun toepassing op de verschijnselen van het dagelijks leven en vooral van het leven na de dood, de zevenvoudige indeling de juiste is. Want het is eenvoudig een handige indeling die de erkenning van slechts drie groepen op geen enkele manier in de weg staat; Subba Row noemt ze ‘vier beginselen die verbonden zijn met vier upadhi’s, die op hun beurt verbonden zijn met vier verschillende bewustzijnstoestanden’.1 Dit schijnt de indeling van de Bhagavad Gita te zijn, maar niet die van de Vedanta, noch die waaraan de raja-yogi’s van de pre-Aryasangha-scholen en van het mahayana-stelsel zich hielden, en zich aan de overkant van de Himalaya nog steeds houden, en hun stelsel is bijna identiek aan de Taraka-raja-yoga. Het verschil tussen de indeling van laatstgenoemde en die volgens de Vedanta is door Subba Row aangegeven in zijn korte artikel over de ‘Septenary division in different Indian systems’.

1. ‘Notes on the Bhagavad Gita’, The Theosophist, februari 1887, blz. 301. Het grootste bewijs dat de indeling willekeurig is en varieert met de school waartoe ze behoort, is te vinden in het artikel ‘Personal and impersonal God’ van Subba Row, waarin hij stelt dat ‘we zes bewustzijnstoestanden hebben, objectieve of subjectieve. . . . en een toestand van volmaakte bewusteloosheid’ (zie Five Years of Theosophy, blz. 200-1). Natuurlijk zijn mensen die zich niet houden aan de oude school van de Indo-Europese en arhat-adepten op geen enkele manier verplicht om de zevenvoudige indeling aan te nemen.

De Taraka-raja-yogi’s erkennen slechts drie upadhi’s waarin atman kan werken. In India zijn dat, als ik me niet vergis, de jagrat, of waaktoestand van het bewustzijn (overeenkomend met de sthulopadhi); de svapna, of droomtoestand (in sukshmopadhi), en de sushupti, of oorzakelijke toestand, voortgebracht door en door middel van karanopadhi, of wat we buddhi noemen. Maar in de transcendente toestanden van samadhi wordt het lichaam met zijn lingasarira, het voertuig van het levensbeginsel, geheel buiten beschouwing gelaten: de drie bewustzijnstoestanden verwijzen dan alleen naar de drie (met atman als vierde) beginselen die na de dood blijven bestaan. En hier ligt de echte sleutel tot de zevenvoudige indeling van de mens; de drie beginselen spelen als toevoeging alleen tijdens zijn leven een rol.

Zoals in de macrokosmos, zo ook in de microkosmos; analogieën gelden overal in de natuur. Dus moeten het heelal, ons zonnestelsel, onze aarde tot en met de mens, allemaal een zevenvoudige samenstelling hebben – vier bovenaardse en bovenmenselijke, zogezegd; drie objectieve en astrale. Bij de behandeling van het specifieke geval van de mens zijn er echter twee gezichtspunten vanwaaruit het onderwerp kan worden bekeken. De geïncarneerde mens bestaat ongetwijfeld uit zeven beginselen, als we de zeven toestanden van zijn stoffelijke, astrale, en spirituele gestel zo noemen, die zich allemaal op verschillende gebieden bevinden. Maar als we de beginselen indelen volgens de zetel van de vier graden van bewustzijn, dan kunnen deze upadhi’s worden teruggebracht tot vier groepen.1 Omdat zijn bewustzijn nooit is geconcentreerd in het tweede of derde beginsel – die elk uit toestanden van de stof (of beter gezegd van ‘substantie’) op verschillende gebieden bestaan, die respectievelijk overeenkomen met één van de gebieden en beginselen in de kosmos – is dat bewustzijn noodzakelijk om de verbindingen te maken tussen het eerste, vierde en vijfde beginsel, en ondersteunt het ook bepaalde levens- en psychische verschijnselen. Laatstgenoemde kunnen gemakshalve samen met het fysieke lichaam onder één noemer worden gebracht, en tijdens een trance (samadhi), evenals na de dood, buiten beschouwing worden gelaten, waardoor alleen de traditionele exoterische en metafysische vier overblijven. Elke beschuldiging van een tegenstrijdige leer zou dus op basis van dit simpele feit totaal ongegrond zijn; de indeling van beginselen als een zevenvoud of een viertal is volledig afhankelijk van het standpunt vanwaaruit ze worden beschouwd. Het is puur een kwestie van keuze welke indeling we gebruiken. Strikt genomen zou de occulte – en ook de reguliere – natuurkunde om die redenen de voorkeur geven aan de zevenvoudige.2

1. Het argument van Subba Row dat als door ons het fysieke lichaam ‘in drie beginselen wordt verdeeld’, we net zo goed ‘een willekeurig aantal samenstellende delen kunnen opsommen en zenuwkracht, bloed en botten aan de lijst kunnen toevoegen’ (‘Notes on the Bhavad Gita’), is volgens mij niet geldig. Zenuwkracht – oké, hoewel ze één is met het levensbeginsel en daaruit voortkomt; wat het bloed, de botten, enz., betreft, dat zijn objectieve stoffelijke dingen, en één met, en onlosmakelijk verbonden met, het menselijk lichaam; terwijl alle andere zes beginselen in hun zevende, het lichaam, zuiver subjectieve beginselen zijn, en daarom door de materialistische wetenschap allemaal worden ontkend en genegeerd.
2. In zijn voortreffelijke artikel ‘Personal and impersonal God’ – een artikel dat in westerse theosofische kringen veel aandacht heeft getrokken – zegt Subba Row: ‘Zoals een mens is samengesteld uit zeven beginselen, evenzo bestaat gedifferentieerde stof in het zonnestelsel in zeven verschillende toestanden. Deze verschillende toestanden van de stof liggen niet allemaal binnen het bereik van ons huidige objectieve bewustzijn. Maar ze kunnen objectief worden waargenomen door het spirituele ego in de mens. . . . Bovendien bestaat prajña, of het waarnemingsvermogen, in zeven verschillende aspecten die overeenkomen met de zeven toestanden van de stof. Strikt genomen zijn er maar zes toestanden van de stof; de zogeheten zevende toestand is het aspect van kosmische stof in haar oorspronkelijke ongedifferentieerde toestand. Evenzo zijn er zes toestanden van gedifferentieerde prajña, terwijl de zevende een toestand van volmaakte onbewustheid is. Met gedifferentieerde prajña bedoel ik de toestand waarin prajña is opgesplitst in verschillende bewustzijnstoestanden. Zo hebben we zes bewustzijnstoestanden, enz.’ (Five Years of Theosophy, blz. 200). Dit is precies onze Trans-Himalaya-leer.

Er zijn zes krachten in de natuur: zowel volgens het boeddhisme als het brahmanisme – exoterisch of esoterisch – en de zevende, de al-kracht, of de absolute kracht, die de synthese van al deze is. In haar opbouwende werk slaat de natuur op meer dan een manier de grondtoon van deze indeling aan. Zoals in het derde aforisme van de Sankhya-karika over prakriti, ‘de wortel en substantie van alle dingen’, wordt gezegd, is ze (prakriti, of de natuur) geen voortbrengsel, maar zelf een voortbrenger van zeven dingen, ‘die, nadat ze door haar zijn voortgebracht, allemaal op hun beurt voortbrengers worden’. Zo krijgen alle vloeistoffen in de natuur, wanneer ze worden gescheiden van hun moedermassa, eerst een bolvorm (een druppel); en wanneer het druppeltje is gevormd, en valt, dan wordt het, wanneer het de grond raakt, door de impuls die eraan is gegeven, vrijwel altijd in een gelijkzijdige driehoek (of drie) veranderd, en vervolgens in een regelmatige zeshoek, waarna uit de hoeken van laatstgenoemde zich vierkanten of opengevouwen kubussen beginnen te vormen. Kijk naar wat de natuur op een natuurlijke manier voortbrengt, en naar wat ze kunstmatig of met hulp voortbrengt – wanneer de wetenschap zich met haar occulte werkingen gaat bemoeien. Bekijk de gekleurde ringen van een zeepbel, en die welke ontstaan door gepolariseerd licht. Newtons zeepbel en het kristal dat door middel van een polarisator is verkregen, laten onveranderlijk zes of zeven ringen zien – een zwarte vlek omgeven door zes ringen, of een cirkel met een opengevouwen kubus erbinnen, omcirkeld met zes verschillende ringen, waarbij de cirkel zelf de zevende is. Het polariseer-apparaat van ‘Norremberg’ maakt bijna al onze occulte geometrische symbolen objectief, hoewel natuurkundigen er niets wijzer van zijn geworden. (Zie de experimenten van Newton en Tyndall.)1

1. Men hoeft slechts Webster’s Dictionary op te slaan en bij het woord ‘snow’ de sneeuwvlokken en kristallen te bestuderen om het werk van de natuur te kunnen zien. ‘God gaat meetkundig te werk’, zegt Plato.

Het getal zeven ligt ten grondslag aan de occulte kosmogonie en antropogenie. Er zou geen symbool voor de evolutie – van haar beginpunt tot haar eindpunt – kunnen bestaan zonder dit getal. Want de cirkel brengt het punt voort; het punt breidt zich uit tot een driehoek, en komt na haar twee hoeken weer bij zichzelf terug, en vormt dan de mystieke tetraktis – de opengevouwen kubus; waarvan de drie wanneer deze de gemanifesteerde wereld van gevolgen, de gedifferentieerde natuur, binnengaat, geometrisch en numeriek de 3 + 4 = 7 wordt. De beste kabbalisten hebben dit eeuwenlang aangetoond, vanaf Pythagoras tot aan de hedendaagse wiskundigen en kenners van de symboliek, van wie één erin is geslaagd om voorgoed één van de zeven occulte sleutels te ontdekken, en zijn overwinning heeft aangetoond in een boek vol getallen.

Laat een theosoof die in het vraagstuk geïnteresseerd is het schitterende boek Key to the Hebrew-Egyptian Mystery in the Source of Measures lezen; en als hij een goede wiskundige is, zal hij verbijsterd zijn over de openbaringen die het bevat. Het toont namelijk de occulte bron aan van de maat op basis waarvan de kosmos en de mens werden gebouwd, en op basis waarvan laatstgenoemde de grote piramide van Egypte, en alle torens, kunstmatige heuvels, obelisken, de grottempels van India, en de piramiden in Peru en Mexico en alle monumenten uit de oudheid bouwde; en de symbolen in steen uithouwde in Chaldea, in beide Amerika’s, en zelfs op Paaseiland – de levende en eenzame getuige van een verzonken prehistorisch continent midden in de Grote Oceaan. Het toont aan dat overal op de wereld dezelfde getallen en maten voor dezelfde esoterische symboliek bestonden; het toont in de woorden van de schrijver aan dat de kabbala een ‘hele reeks ontwikkelingen is, gebaseerd op het gebruik van geometrische elementen; uitgedrukt in numerieke waarden, gebaseerd op de verhouding tussen de diameter en de omtrek van de cirkel uitgedrukt in gehele getallen’1 (één van de zeven sleutels die tot nu toe alleen aan ingewijden bekend was), die door Adriaan Anthonisz Metius werd ontdekt in de 16de eeuw, en opnieuw is ontdekt door wijlen John A. Parker.2 Bovendien dat van het stelsel waaruit al deze ontwikkelingen werden afgeleid ‘vroeger werd gedacht dat dit berustte bij de natuur (of God), als basis of wet voor de praktische realisatie van wat men wil voortbrengen’;3 en dat het ook ten grondslag ligt aan de bijbelse bouwwerken, zoals is terug te vinden in de opgegeven maten voor de tempel van Salomo, de ark van het verbond, de ark van Noach, enz., kortom in alle symbolische mythen van de Bijbel.

1. Skinner, The Source of Measures, 1875, blz. iii.
2. Uit Newark, in zijn boek The Quadrature of the Circle, zijn ‘probleem van de drie ronddraaiende lichamen’ (New York, John Wiley and Son, 1851).
3. Skinner, Op.cit., blz. 3.

En wat zijn de getallen, de maat op basis waarvan de heilige el is afgeleid van de esoterische kwadratuur, waarvan de ingewijden weten dat ze besloten liggen in de tetraktis van Pythagoras? Het is natuurlijk het universele oorspronkelijke symbool. De getallen die zijn te vinden in het ansatakruis van Egypte, en ook (zeg ik) in de Indiase swastika, ‘het heilige teken’ dat de duizend koppen van sesha siert, de slang-cyclus van de eeuwigheid, waarop Vishnu rust, de godheid in de oneindigheid; en die ook kunnen worden aangetroffen in het drievoudige (treta) vuur van Pururavas, het eerste vuur in het huidige manvantara, van de negenenveertig (7 × 7) mystieke vuren. Het ontbreekt misschien in veel boeken van de hindoes, maar het Vishnu- en andere Purana’s staan vol met dit symbool en getal in alle mogelijke vormen, wat ik in De geheime leer zal bewijzen.

De schrijver van de Source of Measures beseft zelf natuurlijk nog niet de hele draagwijdte van wat hij heeft ontdekt. Hij past zijn sleutel tot nu toe alleen toe op de esoterische taal en de symboliek in de Bijbel, in het bijzonder de boeken van Mozes. De grote fout van de knappe schrijver is volgens mij dat hij de door hem ontdekte sleutel vooral op post-Atlantische en quasi-historische fallische elementen in de wereldreligies toepast; terwijl hij daarbij alleen in de Bijbel intuïtief, een edeler, een hogere, een meer transcendente betekenis bespeurt, en in alle andere religies slechts een verering van de seksen. Dit fallische element in de oudere heidense eredienst hield in feite echter verband met de fysiologische evolutie van de mensenrassen, iets wat in de Bijbel niet kon worden ontdekt, omdat het daarin ontbreekt (de Pentateuch is namelijk het meest recente van alle oude geschriften). Wat de geleerde schrijver heeft ontdekt en wiskundig heeft bewezen, is niettemin heel verbazingwekkend, en voldoende om onze bewering hard te maken: namelijk, dat de figuren en 3 + 4 = 7 ten grondslag liggen aan de kosmogonie en de evolutie van de mensheid, en de ziel ervan zijn

Als de schrijver het ansatakruis, ☥, de tau van de Egyptenaren en het christelijke kruis bespreekt, zegt hij dat iedereen die het evolutieproces door middel van een symbool zou willen weergeven

dat zou moeten doen door de figuur van de opengevouwen kubus, in verband met de cirkel waarvan de maat wordt bepaald door de randen van de kubus. (De opengevouwen kubus wordt, weergegeven in een plat vlak, een echt kruis, of een teken met de tau-vorm, en door de cirkel aan laatstgenoemde te hechten verkrijgt men het ansatakruis van de Egyptenaren, met zijn duidelijke betekenis van de oorsprong van maten.)1 Want dit soort maat werd ook in verband gebracht met het idee van de oorsprong van het menselijk leven, en men liet haar in de tweede plaats de vorm aannemen van mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen, en, in feite wordt dit deel van de mens in de hindoevorm door dit symbool bedekt.2

1. En, door aan het eigenlijke kruis de armen naar boven, naar onder, naar rechts en naar links toe te voegen, waardoor de zes in de cirkel ontstaat zou het een swastika – het oude symbool van de jains – worden, dus 卐, het symbool van de vier windstreken en tegelijkertijd van de oneindigheid, het ‘heilige teken’ dat door de vrijmetselaars van de ‘Order of Ishmael’ werd gebruikt, dat ze het universele hermetische kruis noemen, en waarvan ze de echte betekenis niet begrijpen noch de oorsprong kennen. – HPB
2. Skinner, Op.cit., blz. 50.

Het is ‘de hermafrodiete Indrani-Indra, de natuurgodin, de Issa van de Hebreeën, en de Isis van de Egyptenaren’,1 zoals de schrijver ze op een andere plaats noemt.

1. Op.cit., blz. 229.

Het is opmerkelijk dat, hoewel een kubus maar 6 vlakken heeft, de weergave van het kruis als de opengevouwen kubus, wat de kruisbalken betreft, één vlak van de kubus laat zien dat beide balken gemeenschappelijk hebben, en dat tot beide kan worden gerekend; dus, terwijl het aantal vlakken van de kubus oorspronkelijk 6 is, wordt door het gebruik van de twee balken het aantal vierkanten 4 voor de verticale en 3 en voor de horizontale balk, die samen 7 vormen. Hier hebben we de beroemde 4, 3 en 7. De vier en drie zijn de factoren van het vraagstuk van Parker [de kwadratuur en de ‘drie ronddraaiende lichamen’].1

1. Op.cit., blz. 50-1.

En ze zijn de factoren van de bouw van het heelal en van de mens. Wittoba1 – een aspect van Krishna en Vishnu – is daarom de ‘in de ruimte gekruisigde mens’, of de ‘opengevouwen kubus’, zoals we hebben uitgelegd. Het is het oudste symbool in India, dat nu bijna verloren is gegaan, omdat de werkelijke betekenis van Visvakarman en Vikartana (de ‘zon ontdaan van zijn stralen’) ook verloren is gegaan. Het is het Egyptische ansatakruis, en omgekeerd; en laatstgenoemde – zelfs het sistrum, met de dwarsbalken – is eenvoudig het symbool van de godheid als mens – hoe fallisch het later, na het verzinken van Atlantis, misschien ook is geworden. Het ansatakruis, ☥, is natuurlijk, zoals prof. Seyffarth heeft aangetoond, weer de zes met zijn hoofd – de zevende. Seyffarth zegt:

1. Zie voor Wittoba: Edward Moor, The Hindoo Pantheon.

Het vertegenwoordigt, zoals ik nu geloof, de schedel met de hersenen, de zetel van de ziel, en met de zenuwen die zich uitstrekken naar de wervelkolom, de rug, en de ogen of oren. Want de steen van Tanis vertaalt het herhaaldelijk met anthropos (mens), en ditzelfde woord is (als het Egyptisch alfabetisch wordt geschreven) ank. Daarom hebben we de koptische ank, vita, eigenlijk anima, wat overeenkomt met de Hebreeuwse אנוש, anosh, wat in feite anima betekent. Deze אנוש is de primitieve אנוך voor אנכי het persoonlijk voornaamwoord ik). Het Egyptische anki betekent mijn ziel.1

1. Geciteerd in Skinner, Op.cit., blz. 53.

Het betekent in zijn synthese, de zeven beginselen; de details komen later. Nu het ansatakruis, zoals hierboven weergegeven, is ontdekt op de achterkant van reusachtige beelden op Paaseiland (midden in de Grote Oceaan) dat deel uitmaakt van het verzonken continent; en dit overblijfsel wordt omschreven als ‘bezaaid met cyclopische beelden, overblijfselen van de beschaving van een dichtbevolkt land van ontwikkelde mensen’; en Subba Row ons heeft verteld wat hij in de oude hindoeboeken had gevonden, namelijk dat de oude adepten van India kennis over occulte krachten hadden verkregen van de Atlantiërs (zie eerder) – is de logische conclusie dat ze hun zevenvoudige indeling van hen hadden, evenals onze adepten van het ‘heilige eiland’. Hiermee is de vraag voldoende beantwoord.

En dit tau-kruis is altijd zevenvoudig, in welke vorm dan ook; het heeft vele vormen, hoewel de hoofdgedachte altijd dezelfde is. Wat zijn de Egyptische oozas (de ogen), de amuletten die het ‘mystieke oog’ worden genoemd, anders dan symbolen van hetzelfde? Er zijn vier ogen in de bovenste rij en de drie kleinere in de onderste. Of ook, de ooza met de zeven luths die daaraan hangen, ‘waarvan de gezamenlijke melodie een mens schept’, zeggen de hiërogliefen. Of de regelmatige zeshoek gevormd uit zes driehoeken, waarvan de toppen in één punt samenkomen: , het symbool van universele schepping, dat volgens Kenneth Mackenzie ‘als een ring werd gedragen door de Heersende Vorsten van het Koninklijk Geheim’ – dat ze, tussen twee haakjes, nooit hebben gekend. Als de zeven niets te maken heeft met de mysteries van het heelal en de mens, dan hebben alle oude geschriften, van de Veda’s tot aan de Bijbel – de Purana’s, de Avesta en alle fragmenten die ons hebben bereikt – geen esoterische betekenis, en moeten beschouwd worden, zoals de oriëntalisten ze beschouwen, als een verzameling kinderachtige verhalen uit een ver verleden.

Het is helemaal waar dat de drie upadhi’s van de taraka-raja-yoga, zoals Subba Row in zijn kleine artikel ‘Septenary division in different Indian systems’ verklaart, ‘de beste en eenvoudigste’ classificatie is – maar alleen voor zuiver contemplatieve yoga. En hij voegt eraan toe:

Hoewel er zeven beginselen in de mens zijn, zijn er maar drie verschillende upadhi’s [bases], in elk waarvan zijn atman onafhankelijk van de rest kan werken. Deze drie upadhi’s kunnen door een adept worden gescheiden, zonder dat hij zichzelf doodt. Hij kan niet de zeven beginselen van elkaar scheiden zonder zijn gestel te vernietigen.1

1. Five Years of Theosophy, blz. 186. Zie ook De geheime leer, 1:188.

Hij kan dat zeer zeker niet. Maar dit geldt weer alleen voor zijn laagste drie beginselen – het lichaam en zijn (tijdens het leven) onafscheidbare prana en lingasarira. De rest kan worden gescheiden, omdat ze geen levensnoodzaak maar veeleer een mentale en spirituele noodzaak vormen.

Op de opmerking in hetzelfde artikel, waarin tegen het vierde beginsel het bezwaar wordt gemaakt dat het ‘behoort tot de derde kosa (omhulsel), omdat dit beginsel slechts het voertuig van de wilskracht vormt, die alleen maar een energie is van het denkvermogen’, geef ik als antwoord: Precies. Maar als de hogere eigenschappen van het vijfde (manas) opgaan in de oorspronkelijke triade, en alleen de aardse energieën, gevoelens en wilsuitingen achterblijven in kamaloka, wat is dan het voertuig, de astrale vorm om ze als bhuta in mee te voeren totdat ze geleidelijk wegsterven – iets wat eeuwen in beslag neemt? Kan de ‘valse’ persoonlijkheid, of de pisacha, die als ego precies uit al die aardse begeerten en gevoelens bestaat, in kamaloka blijven, en af en toe verschijnen, zonder een substantieel voertuig, hoe etherisch ook? Of moeten we de zeven beginselen opgeven, en de overtuiging dat er zoiets als een astraal lichaam, en een bhuta, of een spookverschijning, bestaat?

Beslist niet. Want Subba Row zelf legt nog eens uit hoe, vanuit het gezichtspunt van een hindoe, het lagere vijfde beginsel, of manas, na de dood kan verschijnen, waarbij hij terecht opmerkt dat ‘het absurd is om het een ontlichaamde geest te noemen’. Want hij zegt:

Het is slechts een macht of kracht die de indrukken van gedachten of denkbeelden vasthoudt van het individu van wie het een samenstellend deel was. Soms roept het de hulp in van het kamarupa en schept voor zichzelf een bijzondere etherische (niet noodzakelijk menselijke) vorm.1

1. Five Years of Theosophy, blz. 174. Zie H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 1:473.

Datgene wat het kamarupa ‘soms oproept’, en het ‘vermogen’ met die naam, zijn al twee beginselen, twee ‘vermogens’ – noem ze zoals u wilt. Dan hebben we atman en zijn voertuig – buddhi – en dan hebben we in totaal vier. Samen met de drie die op aarde verdwenen, is dit gelijk aan zeven. Hoe kunnen we dan over het moderne spiritisme spreken, over zijn materialisaties en andere verschijnselen, zonder onze toevlucht te nemen tot het zevenvoud?

We citeren onze vriend en zeer gerespecteerde broeder voor de laatste keer, want hij zegt dat

onze [Indo-Europese] filosofen zeven occulte machten in verband brengen met de zeven bovengenoemde beginselen of entiteiten. Deze zeven occulte machten in de microkosmos komen overeen met, of zijn de tegenhangers van, de occulte machten in de macrokosmos.1

1. Five Years of Theosophy, blz. 167. Zie H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 1:467-8.

– een heel esoterische zin – het lijkt bijna jammer dat woorden die in een voor de vuist weg gehouden lezing werden uitgesproken, hoewel deze heel knap is, zonder herziening zijn gepubliceerd.

H.P. Blavatsky


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 553-65
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag