Het Theosofisch Genootschap

Buddhi-magie*

Leoline L. Wright

*Vertaald uit: The Theosophical Forum, juli 1939, blz. 27-30.

Veel theosofen beschouwen de hogere triade als een mysterieus en bijna onkenbaar terrein. Er wordt veel geschreven over de persoonlijkheid, over de kamische menselijke natuur, en het astrale lichaam. Afgezien van hier en daar gegeven wenken van onze leraren, vinden we maar weinig wat ons een duidelijk beeld geeft van de hogere triade en haar cruciale betekenis voor ons dagelijks leven.

Als we echter uit verschillende bronnen zelfs maar een paar van deze vele aanwijzingen samenbrengen, beginnen zich duidelijke contouren af te tekenen. Plotseling staan we aan de grens van een nieuw gebied. Het is een gebied waarvan de verborgen valleien en schimmige uitlopers van de bergen de blik voeren naar de hoogvlakten van het binnenland en de prachtige toppen van de mystieke bergen van het Oosten.

Wat is ons buddhi-beginsel en waar komt het vandaan? Er wordt ons verteld dat we onze zeven beginselen ontlenen aan de zeven grote beginselen van de kosmos. Dit betekent natuurlijk niet dat we als zeven passieve bekers zijn, en dat in elke beker een gedeelte van een kosmisch beginsel wordt gegoten.

Door een nadere studie van De geheime leer en Beginselen van de esoterische filosofie gaan we het heelal zien als een hecht verweven organisme dat bestaat uit zeven klassen van wezens. Deze zeven klassen van wezens zijn de zeven beginselen van de kosmos. Elk van deze klassen heeft zijn eigen soort levensatomen. De levensatomen van de hoogste gaan ons begrip zo ver te boven dat we zelfs niet kunnen begrijpen wat ze zijn. Maar we weten heel wat over de levensatomen van de laagste van de zeven, omdat ze de bezielende entiteiten achter onze eigen fysieke atomen en die van de aarde zijn. En die andere onvoorstelbaar hoge spirituele levensatomen klonteren samen, ongeveer zoals fysieke atomen dat doen, om de lichamen – of beter gezegd de voertuigen – te vormen die elk van de hoogste drie beginselen van de kosmos omhullen.

Maar we bestuderen alleen ons buddhi-beginsel en zijn afgeleiden. Dus laten we ons zoveel mogelijk beperken tot de buddhische hiërarchie van ons heelal. In het hart van deze hiërarchie woont de oorspronkelijke of adi-buddhi, van waaruit alle andere buddhische wezens van die hiërarchie afstammen. Aan het begin van een kosmische evolutieperiode, wanneer het moment aanbreekt voor het verschijnen of de emanatie van het tweede kosmische beginsel, worden al deze buddhische essenties of wezens afgeworpen door adi-buddhi. Ze vormen haar voertuigen, haar spirituele, psychische en substantie-voertuigen met elk een eigen organisme met overeenkomstige levensatomen.

Uit sommige van de hoogste van deze bijna onvoorstelbaar hoge buddhische entiteiten komt na verloop van tijd de emanatie mahat, het zogenaamde universele denkvermogen, voort. Maar mahat is geen abstractie. Mahat bestrijkt zelf een groot spectrum, of is een hiërarchie, de som van alle manasische of egoïsche entiteiten in het heelal. Dit zijn allemaal zonnegoden die variëren in spectra van intelligentie en kracht. En elk hult zich op soortgelijke wijze in zijn passende voertuig van zonne-levensatomen.

Uit enkele van de lagere spectra van deze buddhische en manasische zonne-energie ontleent de mens zijn buddhi-manas. Maar dat betekent niet dat onze buddhische en manasische essenties door hogere wezens in ons worden uitgestort. Het betekent dat mijn buddhi en jouw buddhi als het ware levensatomen zijn die behoren tot de voertuigen van bepaalde klassen van deze buddhische en manasische zonnegoden. Het is in die zin dat wij ‘been van het been en het vlees van het vlees’ van het heelal zijn.

Zo zien we waaraan we ons spirituele erfgoed ontlenen. We zijn echt goddelijk. In ons diepste innerlijk zijn we levensatomen van de goden. De innerlijke god aan de top en in het centrum van ons bewustzijn is een levend onderdeel, een emanatie, een levensatoom, van de zonnehiërarchie. Maar wij zijn nog niet die innerlijke god. We zijn nog maar menselijke zielen, maar de menselijke ziel is het voertuig op deze aarde van die innerlijke god. We kunnen zelfs op een zodanige manier leven en denken dat de psychische levensatomen, die het instrument van de menselijke ziel vormen, worden omgezet in de zonne-essentie. En zelfs onze fysieke atomen kunnen als het ware transparant worden gemaakt voor het licht van de godheid binnenin ons. Het is allemaal een kwestie van de juiste soort trillingen in ons voelen en denken.

Op dit punt is het interessant om een door de wetenschap vastgesteld feit in verband te brengen met één dat in Beginselen van de esoterische filosofie (blz. 66-7) wordt genoemd. De wetenschap vertelt ons dat de zon uit stralende stof bestaat, en dat het leven van elk zonne-atoom wordt verbruikt bij het uitstralen van zonne-energie. In de genoemde passage uit Beginselen van de esoterische filosofie wordt gezegd dat de zon ‘fysieke stof in haar zesde toestand is’ – d.w.z. in haar buddhische toestand. De kern van de zon, ‘een deeltje of een zonne-atoom van oerstof of geest-stof, bestaat uit stof in de zevende toestand van onderaf geteld’.

De zon is in zijn activiteit dus in essentie buddhisch, en hij offert zichzelf voortdurend op voor alle wezens in de zonnehiërarchie, in de vorm van spirituele en magnetische energieën die de van hem afhankelijke klassen van wezens gezond en in evenwicht houden.

Dit is de basis van alle buddhi-magie, deze essentiële activiteit en wet van het offer van onze vader-zon. En als we de spirituele zon in onszelf willen leren kennen, moeten we onszelf oefenen in diezelfde magie. Het begint met onpersoonlijke liefde; met ‘een aanhoudend kalm vergeten van het lager zelf, voor altijd’,* zoals W.Q. Judge het uitdrukte. Het betekent dat men nooit iets doet of zegt, of iets voelt of denkt ten koste van anderen. Het betekent geen kritiek, geen voortwoekerende kwade gevoelens of ondermijnende wrok. Het impliceert eerst het verlangen en vervolgens de kracht om onbeperkt te geven, en niets voor zichzelf te verwachten.

*Noot vert.: ‘Lines from lower levels’, The Path, dec. 1886, blz. 268. Het artikel is ondertekend met ‘J–’. Uit het artikel zelf blijkt dat het waarschijnlijk is geschreven door Jasper Niemand. Misschien citeert Jasper Niemand toch Judge zonder aanhalingstekens.

En wat wordt er door deze magie in ons ontwikkeld in plaats van de vergankelijke beloningen van het gewone persoonlijke leven? In de eerste plaats vrede in ons hart. Als een mens eenmaal een glimp van die vrede heeft opgevangen, dan zal hij nooit meer tevreden zijn tot hij blijvend het hart van die gezegende onpersoonlijke stilte is binnengegaan. Die mens zal namelijk van alle onrust zijn genezen, van de verwaandheid van zelfverheerlijking en van de bittere pijn van kritiek en persoonlijke beledigingen. Angst zal uit hem wegvloeien, want zijn spirituele bezit dat is hijzelf en kan hem niet worden afgenomen. Verlies kan voor hem niet bestaan. Hij zal namelijk beseffen dat hij bewust verenigd is met iedereen die hij liefheeft en zal nooit het verdriet kennen van het gewone persoonlijke verlies van dierbaren. De enige tekortkoming die hem kan kwellen en het enige lijden dat hij echt kan voelen zullen de tekortkomingen en het lijden van de mensheid zijn, en aan haar welzijn wijdt hij zijn hele leven.

Andere artikelen over de mens (ontstaan en samenstelling van)


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), maart 2017, nr. 78.

© 2017 Theosophical University Press Agency