Het universum is in essentie een geestelijk wezen*
Rita Houthuijzen

*Lezing, Middelburg, 27 okt., en Laren, 10 nov. 2012.


Dit jaar ben ik met vakantie naar Griekenland geweest. Het eiland dat we hadden uitgekozen was totaal niet toeristisch en voor de meeste mensen vrij onbekend. Op dit mooie eiland, Kythira, bewoonden we tijdelijk een klein appartementje, een flink stuk omhoog tegen de berg aan, achter een authentiek Grieks vissersplaatsje, Agia Pelagia.

Elke avond na het eten klommen we het kronkelweggetje omhoog in het aardedonker en aangekomen bij het begin van de poort tot het complex keek ik vaak nieuwsgierig omhoog naar de mooiste en helderste sterrenhemel die ik ooit had gezien. Miljoenen sterren fonkelden me tegemoet, sommige zeer duidelijk, en vele vaag als in een witte waas.

Omdat de lucht zo helder was, kon je de vorm van ons melkwegstelsel bijna helemaal zien. Op sommige momenten heb ik wel een half uur vol bewondering omhoog staan kijken, en vele vele vragen en gedachten kwamen op dat moment in me op. Vragen als: Wat zal er allemaal gebeuren op de diverse planeten en sterren? Hoeveel van deze melkwegstelsels zullen er eigenlijk zijn? Wat heeft deze grootsheid veroorzaakt en wat is ons deel hierin?

Ook probeerde ik me in te denken of ik me nu afgescheiden voelde van alles wat ik waarnam, of dat ik ergens diep in mezelf toch een verbondenheid kon voelen met al die vormen in het universum. Moeilijk eigenlijk, want ik voelde me in mezelf zitten en mijn fysieke lichaam vormde een soort van grenslijn tussen dat alles in de wijde ruimte en mijn persoonlijke ik.

Ik vroeg me af waar in mezelf dan die verbondenheid te vinden was, en op dat moment wist ik dat het best een hele klus was om de eenheid te leren beseffen en daadwerkelijk te gaan voelen tussen al wat leeft, en dat ik – als een van de vele wezentjes in dat enorme grote uitspansel – niet de enige ben die deze dingen dacht en aan deze lange weg vol vragen en ervaringen was begonnen.

Onlangs had ik een gesprek met iemand die totaal niets te maken wilde hebben met alles wat maar met een geloof te maken heeft, en hij sprak tijdens dit gesprek een zin uit die me erg trof. Hij zei: ‘Ik vraag me wel eens af of God nu de wereld en de Bijbel heeft bedacht, of dat de mens God en de Bijbel heeft bedacht!’ Deze uitspraak trof me omdat deze man, ondanks zijn totale ongeloof ten opzichte van alles wat ook maar met spiritualiteit of zoeken naar de reden van ons bestaan te maken heeft, toch de plank nog niet zo erg missloeg met zijn bewering. Het is namelijk allebei waar: God heeft de wereld en alles in het universum in zijn hand en heeft voor de mogelijkheid gezorgd dat echte innerlijke kennis tot alle levende wezens kon doordringen. Maar nu komt het paradoxale aan het hele gegeven van een God, of hoe je deze oerbron van alles ook wilt noemen, want ‘Alles wat leeft is God en God is alles wat leeft!’ Maar wat bedoel ik daar nu precies mee?

Heeft u zich wel eens oprecht afgevraagd wat ‘God’ nu eigenlijk is en waarom niet meer mensen zich dit intens afvragen? Jaren geleden had ik eens een gesprek met een imam van de moskee bij ons in de buurt. Het was een vriendelijke man en hij liet mij trots de nieuwe moskee zien. Ik raakte in gesprek met hem over het geloof, en hij vertelde me het een en ander over de islam en vond het oprecht leuk, dat ik de Koran ook op de boekenplank had staan.

Op een gegeven moment kwam het gesprek op Allah, en ik vroeg hem of hij eigenlijk wel wist wat God of Allah voor iets of iemand was? Hij antwoordde me oprecht met de woorden ‘Nee, dat weet ik niet’, en dat vond ik heel eerlijk en innemend, en zo eindigde ons prettige gesprek die middag, en we namen afscheid met een glimlach.

Samen zoeken naar de kern van het leven lijkt een utopie, maar zo zou het in wezen wél moeten kunnen zijn. Deze verstrengeling in de vorm van een broeder- c.q. zusterschap zou ik willen omdopen tot ‘mensenschap’. Dit houdt onder andere in dat men er altijd zal zijn voor elkaar en voor alles wat leeft en is. In de ogen van de huidige materialistische mens klinkt dit volstrekt onhaalbaar, een niet te realiseren utopie dus, maar wie bepaalt dat? Is de mens niet zelf degene die dit tegenhoudt? Dit is een bijzonder interessant punt, want wat is die mens dan wel, en wat is zijn verbinding met het totaal van het leven?

Vele vragen, zonder directe antwoorden, want niemand kan jou als mens precies uitleggen wat het leven inhoudt en wat de bedoeling is van dit alles. Hoogstens kan men een richting wijzen, prikkelen of iemand aan het denken zetten, en natuurlijk is het belangrijkste stukje het voorleven. Want zoals het spreekwoord zegt, ‘Voorbeeld doet volgen’.

Dit blijft nog altijd een van de belangrijkste en meest duidelijke leringen. Indien een leraar de leerlingen verbiedt om te roken in de garderobe van de school en het zelf wel doet, zal het effect van zijn verbod zo goed als nihil zijn. Als een dominee tijdens zijn preek de mensen voorhoudt altijd de waarheid te spreken, niet te stelen of geweld te gebruiken en hij maakt dit in zijn eigen leven niet waar, dan bereikt hij slechts ongeloofwaardigheid, en leren de mensen er niets van. Zie ook het gebeuren in Den Haag in de Tweede Kamer, waar achteraf soms blijkt dat sommige ministers zich in een aantal opzichten hebben misdragen ten opzichte van de maatschappij. Het gevolg is direct dat een partij in de peilingen zakt. Voorbeeld doet dus volgen – zowel in positieve als in negatieve zin.

Er is in de esoterische kennis zelfs een belangrijk spreekwoord: ‘Het hogere dient het lagere.’ Wat moet een werkgever zonder werknemers? Wat voor nut heeft een koning zonder onderdanen, en wat moet een leraar met zijn kennis zonder het te kunnen overdragen aan een aantal leerlingen? En wat voor nut heeft de zon als hij zijn licht niet kan laten stralen over de verschillende planeten met hun scharen van wezens?

Om terug te komen op de vraag ‘Wat is de verbinding van de mens met het totaal van het leven?’ is het voorafgaande het antwoord: we zijn verbonden met alles, iedereen en overal! Niets staat los van een ander en niets is in staat zich te handhaven als slechts een individu. Het is een waanidee te denken dat we anderen niet nodig hebben – dat is zelfs een onmogelijkheid!

Vroeger was er op televisie een serie met korte verhalen, en een van die verhalen wil ik nu in het kort aanhalen als goed voorbeeld van het wel of niet nodig hebben van anderen.

Er was eens een man die vreselijk dol was op lezen. Hij las dan ook alles wat los en vast zat en woonde bijna in de bibliotheek van de stad waar hij leefde. Maar wat hem zo vreselijk irriteerde was dat er steeds mensen waren die hem stoorden. Het liefst ging hij ook niet naar zijn werk, want dan moest hij zich bezighouden met andere dingen en als zijn vrouw hem vroeg iets met of voor haar te doen, dan zuchtte hij diep en deed met veel tegenzin wat ze vroeg. Elk moment dat hij voor zichzelf had, koesterde hij, want het liefst zou hij alleen op de wereld willen zijn om naast zijn uurtjes slaap minstens 16 uur per dag te kunnen lezen.

En toen, geheel onverwachts en plotseling, explodeerde de wereld, omdat er zoveel strijd in de wereld was dat men atoombommen was gaan gebruiken en alles werd verwoest. De man echter zat op dat moment onderin de kelder van de bibliotheek te lezen en deze kelder was een oude bunker uit de Tweede Wereldoorlog die was omgebouwd tot boekendepot.

Toen hij naar buiten wilde gaan, zag hij dat alles was verdwenen en verwoest en het was muisstil om hem heen. Hij barstte in grote vreugde uit, want nu hoefde hij met niemand meer te praten of ook maar iets voor iemand te doen. Hij rende enthousiast terug naar al die boeken, waande zich in het Walhalla en hij maakte een dansje in de hal van de bibliotheek. Hij was zo wild van geluk en ging zo op in zijn blijheid dat hij al dansend met zijn hand tegen zijn bril aansloeg. De bril vloog van zijn gezicht af en viel op de grond. Maar omdat hij zo opging in zijn vreugdedans, trapte hij direct en hard op de bril en de glazen sprongen in duizend stukjes uiteen. Hij bukte verbijsterd naar de grond en liet de scherven vol ongeloof door zijn vingers glijden. Langzaamaan drong de vreselijke waarheid tot hem door, want wie moest nu zijn bril repareren?

Ik ben dit verhaal nooit vergeten, want het toont ons hoezeer we afhankelijk zijn van anderen en hoe groot de illusie is van afgescheiden zijn van alles wat leeft.

Het moment dat ik daar in Griekenland onze melkweg aanschouwde, verbeeldde ik me dat ik hem kon aanraken. Dat mijn armen zo lang zouden worden dat ik de prachtige sterren en het hele universum zou kunnen omarmen.

Eens was ik bij het Vaticaan in Rome en las ik in een beschrijving dat de gebouwen om het plein heen zodanig waren gebouwd dat ze de bezoekers ervan omarmden, waarvandaan men ook kwam. Ja, ook religies hebben vele verborgen gebruiken, die helaas vaak ondergesneeuwd raken in het woud van regels, dogma’s en hang naar macht.

Zoals wij mensen dat hebben, heeft ook het heelal een voertuiglijk en een geestelijk lichaam. De mens is zevenvoudig en dat geldt voor alles wat leeft, van klein tot groot, van ver weg tot dichtbij. De microkosmos is gelijk aan de macrokosmos, zowel in structuur als in de mogelijkheden en omgekeerd.

Dat het universum zich in zijn veelsoortigheid in de materie manifesteert is een heel mooi gegeven. Het universum is voor ons al een onvoorstelbaar en ongrijpbaar begrip. We weten dat het zich over grote afstanden, gemeten in lichtjaren, uitstrekt en dat het vele vele melkwegstelsels omvat, die weer zijn onder te verdelen in sterrenstelsels zoals de onze. Het idee dat er van die universa nog meerdere zijn wordt al helemaal onmogelijk voor de mens om te bevatten. En wie weet hoe enorm het lichaam is van het wezen dat deze vele universa de gelegenheid geeft om te bestaan? Met deze laatste zin raak ik de essentie van deze lezing aan, want we zijn ‘wezens in wezens’!

Misschien is het gemakkelijker te begrijpen als ik de mens als voorbeeld neem. Ons lichaam bestaat uit miljoenen en eigenlijk miljarden atomen en nog veel kleinere deeltjes. Al deze deeltjes zijn leventjes op zich, die op weg zijn naar dezelfde bestemming als wij, namelijk de eenwording met de atman, dat volgens de hindoeliteratuur één is met paramatman, oftewel die oerbron waarin al het leven in de geest aanwezig is, was en altijd zal zijn. Deze oerbron wordt veelal aangeduid met namen zoals God of Allah. De uitdrukking ‘Allah Akbar’ of ‘God is groot’ is hierbij van toepassing, maar dan wel in de juiste zin van het woord.

Alles wat leeft, leeft in deze onnoembare grootsheid, waarvan we weinig benul hebben als we ons slechts verbeelden dat we het lichaam zijn. Deze laatste gedachte wordt ook wel ‘de grote illusie’ genoemd, oftewel maya. Men zegt dat onwetendheid, oftewel avidya, omtrent onze werkelijk staat van zijn het grootste kwaad teweegbrengt op de wereld. Want als je niet beseft dat alles in de innerlijke wereld verbonden is en aanwezig is in elkaar, dan ben je ook niet voorzichtig met elkaar en is er ook geen respect.

Op de wereld is duidelijk te zien dat een behoorlijke groep mensen de medemens en alle vormen van leven met het grootste gemak om het leven brengt, alsof het om niets bijzonders gaat. Men vernielt, men strijdt en men veroorzaakt hevig lijden, en dit alleen omdat men in de waan verkeert het beter te weten of te kunnen dan die ander. Hoe anders zou het leven eruitzien indien men er meer en helderder van doordrongen was dat men het uiteindelijk zichzelf aandoet. Dit verklaart ook de wet van karma, van oorzaak en gevolg, het ‘wat men zaait moet men oogsten’ uit de Bijbel of ‘wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’ en ‘boontje komt om zijn loontje’, en ga zo maar door.

Niemand weet hoe groot het universum nu eigenlijk is en hoeveel universa er misschien nog zijn, en nog verder gedacht, wat het is dat dit alles omvat, of, is er wel een einde? Wij mensen denken graag in termen van begin en einde, maar misschien zijn dit begrippen die gerelateerd zijn aan het leven in de vorm. Het is als het symbool van de ouroboros, het symbool van de slang die zichzelf in de staart bijt en zo een cirkel vormt, of van het yin/yang symbool met de kronkellijn in het midden – de lijn die de cirkel zowel in twee stukken deelt als hen verbindt; en met de stippen in elk deel, wat betekent dat het ene altijd aanwezig is in het andere. In de materie verkeert men altijd in een dualistische staat, maar in ons diepste wezen is alles één.

G. de Purucker zei eens:

Het hart van het hart, de kern van de kern, van elke monade, dat wil zeggen van ieder mathematisch punt in de oneindigheid, is die oneindigheid zelf. Het heelal is daarom uw grenzeloze thuis. U bent dus overal thuis, want u bent samengesteld uit alle beginselen en substanties waaruit het heelal is opgebouwd. En bovendien bent u het kosmische leven in deze substanties. Hoe klein en onbetekenend zijn daarmee vergeleken de dagelijkse menselijke aangelegenheden! Ziet u hoe deze gedachten egoïsme uitbannen, het verlangen naar slechte daden uitwissen, en het gevoel van een afzonderlijke persoonlijkheid tenietdoen?    – Dialogen, 2:573

Het begrip dat op het voorafgaande van toepassing is, is het woord ‘universaliteit’, oftewel universeel zijn in alle handelingen, gedachten en woorden. Dit vergt training en levens van ontwikkeling, een sterke wilskracht en vooral veel moed om deze weg te gaan.

Openheid van geest is een van de eerste vereisten op weg naar het idee van innerlijke verbondenheid met al het leven. Indien de mens nog geblokkeerd wordt door de gedachte dat men ‘de waarheid’ kent, wat voor vorm die ook in die mens mag hebben aangenomen, zal hij geen vooruitgang boeken op het pad naar innerlijke groei en kennis.

De ruimte van het heelal is grenzeloos en niet vastomlijnd door het een of ander. Zo ook zal een levend wezen pas echt vrij zijn, indien het mogelijk is de beperkingen van het individualistisch denken en weten te openen voor de schoonheid van de innerlijke stem, die altijd probeert door de persoonlijkheid heen te schijnen in al zijn wetende kracht en pracht. Zoals Jezus in de Bijbel zei: ‘De mensen zijn horende doof en ziende blind.’ Ik kan deze zin niet genoeg aanhalen, want daar wringt nu juist steeds de schoen.

Mevrouw Blavatsky schreef in De stem van de stilte hierover de volgende zinnen:

De takken van een boom worden door de wind heen en weer geschud; de stam blijft onbewogen.

Zowel handelen als niet-handelen kunnen in u plaatsvinden; uw lichaam volop in beweging, uw denken kalm, uw ziel zo helder als een bergmeer.     – blz. 27

Zie! U bent het licht geworden, u bent de klank geworden, u bent uw meester en uw god. U bent zelf het voorwerp van uw zoeken: de ononder¬broken stem die door de eeuwigheid weerklinkt, vrij van verandering, vrij van zonde, de zeven klanken in één, de stem van de stilte.    – blz. 20

Als we gaan beseffen hoe alles met elkaar is verweven, gaan we ook inzien dat de verantwoordelijkheid naar al het leven toe van heel groot belang is. Alles in het heelal heeft een grote verantwoordelijkheid en plicht te vervullen ten opzichte van anderen en zichzelf, omdat de anderen en zichzelf uit één en hetzelfde beginsel voortkomen en sterker nog, één en hetzelfde beginsel zijn.

In de vorm waarin wij ons nu manifesteren, zijn we naar binnen toe verantwoordelijk voor alle atomen en cellen in ons lichaam, of ze nu de bloedlichaampjes vormen, de organen, de verschillende lichaamsdelen, de hormonen of de hersenen – het zijn allemaal levende essenties, zoals wij levende wezentjes zijn in het lichaam van het ons omvattende universum en nog groter het totale heelal, dat op zijn beurt als wezen een enorme en nog veel grotere verantwoordelijkheid heeft voor al het leven in zijn fysieke lichaam.

De leer en de kennis hierover is zo alles- en veelomvattend en zo wonderbaarlijk dat groot respect voor dit bijzondere geheel de plaats zal innemen van het zo alles vanzelfsprekend vindende gedrag van de materialistische mens.

Er is aan G. de Purucker wel eens gevraagd wat het eventuele effect is van bijvoorbeeld een oorlog op de grotere entiteit waarvan wij deel uitmaken. Hij antwoordde:

De daden en het daaruit voortvloeiende karma van één menselijk individu beïnvloeden de . . . grotere entiteit, maar in heel geringe mate. Niettemin . . . kan zo’n gebeurtenis als een grote oorlog . . . worden beschouwd als de oorzaak van een heel lichte irritatie, een hele lichte plaatselijke irritatie ergens in het weefsel of de structuur van de grotere entiteit.

U moet echter bedenken dat één mens vergeleken met deze grotere entiteit door zijn daden een relatief veel kleiner effect heeft op die grotere entiteit dan één cel of een verzameling cellen op een fysiek lichaam. Het gevolg van bijvoorbeeld een grote oorlog tussen mensen op het weefsel of de structuur van zo’n grotere entiteit zou bijna oneindig klein zijn, en zou door die grotere entiteit even zwak worden gevoeld als de invloed van een atomaire verandering in een menselijk lichaam op dat lichaam.
     – Dialogen, 2:614

Het is wel zo dat alles wat leeft ten opzichte van elkaar in voortdurende wisselwerking staat. Hiermee wil ik zeggen dat onze verantwoordelijkheid niet alleen van belang is naar alle atomen en deeltjes van ons eigen lichaam toe, maar ook hebben we een zekere geestelijke en morele verantwoordelijkheid ten opzichte van dit grotere wezen, al was het alleen maar omdat alles in alles aanwezig is, en geen enkel leven losstaat van al het andere leven, zowel naar het grote als naar het kleine toe.

En dan komen we uiteindelijk aan bij het begrip ‘broederschap’. Broederschap klinkt heel verheven en onhaalbaar, maar is dit wel zo? Broederschap en nationalistisch denken zijn wederom, zoals alles in het dualisme, elkaars tegenovergestelden. Geen enkel wezen, waar dan ook, is meer waard of is uitverkoren om boven een ander uit te steken. Geen enkel ras, niet één religie, geen enkel volk of soort is als levende essentie in de gelegenheid gesteld om de mogelijkheid te verkrijgen uit te groeien tot de lieveling van het kosmisch oerwezen of God.

‘Het uitverkoren volk’ bestaat niet. Dit idee van een afgescheiden volk of soort dat het voorrecht geniet om als enige tot inzicht en licht te komen, is een vertroebeld denkbeeld van de onwetende en stoffelijke mens. Dit is de echte ketterij; het is de grote avidyå, de grote onwetendheid, die in de esoterische kennis het ergste kwaad ter wereld wordt genoemd, want het brengt pijn, lijden en ellende voort.

Het begrip ‘het uitverkoren volk’ heeft een veel diepere en zinnigere betekenis en sluit elke competitie en afgescheidenheid uit. Want wat er wordt bedoeld is dat men na alle inspanningen op het innerlijk pad uiteindelijk zou kunnen gaan behoren tot ‘het uitverkoren volk’ – iets wat voor iedereen is weggelegd en behoort tot de mogelijkheid van elk levend wezen.

Weten dat alles en iedereen en al wat aanwezig is aan leven in het heelal uitverkoren is om tot inzicht te komen en zijn eigen echte thuis te leren kennen, onderwijst de mens de echte betekenis van broederschap en de basis van deze kennis is inzicht te verkrijgen door ervaringen van leven tot leven.

De enige weg naar het hart van het innerlijk wezen is ons kleine menselijke hart te openen voor alle pijn en lijden, die veroorzaakt worden door de grote ketterij, het gevoel van afgescheiden zijn, van avidya, en van gebrek aan liefde.

Geen enkel ander volk of ras is minderwaardig, niet één mens heeft minder kansen om zich te ontwikkelen en te verinnerlijken dan de ander. We moeten het met ons allen en voor ons allen doen. Zoals mijn verhaaltje over de man die graag las al aangaf, kunnen we onmogelijk alles alleen oplossen, want we hebben elkaar nodig.

Elk wezen, van groot tot klein, volgt hetzelfde evolutiepad naar binnen. Iedere vorm die tijdens deze reis wordt aangenomen past zich aan aan het niveau van bewustzijn dat het wezen op een zeker moment heeft bereikt. Zo ook is bijvoorbeeld onze zon het lichaam van een verhevener wezen dan wijzelf, maar met dezelfde mogelijkheden; hij is alleen een stukje verder en heeft de verantwoordelijkheid en de taak ons zijn lichtstralen te zenden, zodat wij en al onze planeten kunnen leven en leren. Met de zon als voorbeeld, kunnen we onze lichtstralen laten schijnen naar onze omgeving toe en hierdoor functioneren als een baken voor diegenen die in nood verkeren.

De mens is dus eigenlijk een kind van het goddelijke wezen in zichzelf en daardoor een goddelijke vonk die bezig is tot volledige goddelijkheid te groeien, of in ieder geval dit stadium te zijner tijd te bereiken. Men noemt dit een van de grote mysteriën, maar het zal uiteindelijk gekend worden, indien men bereid is te beginnen zich naar binnen te keren en de eerste stap te zetten op het innerlijk pad.

Zoals wij kinderen zijn van de zon en de zon een kind is van een nog veel groter geheel, zijn onze atomen onze kinderen, op weg om op hun niveau te verinnerlijken en te leren, om ten slotte ook het menselijk stadium te bereiken en hoe wonderbaarlijk het ook mag klinken, uiteindelijk zullen ook zij één met het goddelijke mogen worden en zijn.

Het grappige is dat we denken op weg te zijn naar iets enorm moois, maar de diepe en eenvoudige waarheid is dat we het goddelijke of grote wezen in feite altijd al waren en zijn geweest. Slechts de gedachte van afgescheiden zijn van dit wezen, ons echte ware zelf, heeft ons doen belanden in een materiële vorm, en nog steeds is deze gedachte van losstaan van een éénheidswezen de oorzaak van het leven in illusie.

Hoe paradoxaal is dit en hoe gemakkelijk zou het toch moeten kunnen zijn, dit wetende, om elk moment terug te kunnen naar ons Zelf. Waarom doen we het dan eenvoudigweg niet? Waarom is dit toch zo verdraaid moeilijk? Dit ligt voor iedereen weer anders, en dus vraag ik u na deze lezing bij uzelf te rade te gaan.

Katherine Tingley zei eens:

Laten we niet vergeten dat we samenwerken voor het doel de mensheid te dienen en haar de kennis te verschaffen die ze nodig heeft; dat dit werk niet van commerciële aard is, zelfs niet van gewoon opvoedkundige aard, maar dat het een geestelijke poging is in de hoogste zin van het woord; en daarom moeten we geestelijk worden begiftigd met die eigenschappen die de ware adel aankweken. . . .

We kunnen hoge idealen niet op concrete wijze tot uitdrukking brengen zolang wij niet zelf de levende uitdrukking van die idealen zijn. We kunnen de toestand van de wereld niet zo verbeteren dat er geestelijk aan de toekomst wordt gebouwd, vóór wij een volstrekt juiste grondslag voor ons eigen leven hebben gevonden. De landen zijn tegenwoordig op de verkeerde weg, . . . maar niemand kan ze blijvend helpen als zijn eigen kleine land – het individuele leven – in geestelijk opzicht niet is wat het zou moeten zijn.
      – Theosofie: het pad van de mysticus, blz. 52, 70

De esoterische kennis is oneindig en intens en indien een mens zich hierin stort, zal hij tot inzichten kunnen komen die leiden tot een grote innerlijke verandering, die gepaard gaat met vele her-inneringen, want een mens doet in dit geval niets anders dan zich alles weer her-inneren. De vergeten afkomst en oorsprong worden weer herkend. De verloren zoon – en in deze tijd uiteraard ook niet te vergeten, de verloren dochter – keert terug naar de vader- of moederbron, na een lange weg van vele ervaringen te hebben afgelegd door de stof.

Want eigenlijk weten we het allemaal nog precies; we laten ons alleen verblinden door ons uiterlijke zelf, de persoonlijkheid, die slechts erop gericht is zichzelf te handhaven en te verdedigen. Uit die persoonlijke handhaving komt telkens weer reïncarnatie voort en zo wordt er steeds nieuw karma aangemaakt.

Maar ook dat is onderdeel van de grote innerlijke weg, die zich uiteindelijk voor ieder levend wezen zal ontvouwen, naarmate de wil om te ontdekken wat het leven en alles eromheen inhoudt, gaat ontwaken. Vindt men het wel best zo, dan is het ook goed, alleen dan wordt de weg wat langer. Dit impliceert echter niet dat er een einde is aan het leerproces, want er is op elk bewustzijnsniveau weer een leerproces dat wordt begonnen, ook voor een groter wezen als de zon, of een melkwegstelsel of zelfs voor een universum.

Ik weet dat deze laatste gedachte ontmoedigend kan klinken, maar dit komt voort uit onze intense onwetendheid omtrent het kloppend hart van het ware innerlijke leven. Dit grote en liefdevolle kosmische hart klopt in ieder van ons en zal ons nooit in de steek laten, want het universum is een levend wezen en zijn warmte omringt en doorstraalt ons allen. We mogen ons laven aan zijn mededogen en liefde, en het enige wat het van ons vraagt is om zijn voorbeeld te volgen en om met dezelfde blik onze medeschepselen te bekijken en bij te staan om vervolgens op te kunnen gaan in zijn eenheid om met hem samen het innerlijk werk te mogen vervullen. Wat een prachtig vooruitzicht is dit en wat de moeite waard en een stimulans om er een begin mee te maken!

Door meer naar binnen te keren en zijn kennis tot ons te nemen zullen we de titel van deze lezing gaan begrijpen en weten dat alles leert en leeft en kan liefhebben in de meest verfijnde zin van het woord. Dan wordt avidya, onwetendheid, tot vidya, het grote weten, en zullen we nooit meer in staat zijn ook maar iets van dit leven fysiek of psychisch te kwetsen.

Ik wil eindigen met een kort citaat uit De stem van de stilte (blz. 12).

Laat uw ziel het oor lenen aan elke kreet van smart, zoals de lotus zijn hart opent om het morgenlicht in te drinken.

Laat niet de felle zon één traan van smart drogen vóór u die zelf van het gezicht van iemand die lijdt heeft afgewist.

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), maart 2013, nr. 62.

© 2013 Theosophical University Press Agency