Werkelijke religie
H.T. Edge


*Vertaald uit The Theosophical Path, juli 1926, blz. 5-8.

Religie is eerder een manier van leven dan een stel dogma’s. Paulus zegt: ‘De letter doodt, maar de geest maakt levend’ (2 Corinthiërs 3:6). De Boeddha zou hebben gezwegen toen een discipel hem vroeg om een definitieve uitspraak over de onsterfelijkheid van de ziel: hij wist dat zijn woorden door de eeuwen heen over de aarde zouden weerklinken, en hield er niet van om een dogma te formuleren, want wat hij ook had gezegd zou tot een dogma worden gemaakt. Hij onderwees een manier van leven: leef het leven, en u zult de leer kennen; kennis komt door ervaring. Grote waarheden kunnen zodanig zijn dat ze niet in woorden kunnen worden uitgedrukt: geen enkel verbaal antwoord zou juist zijn. Maar ze kunnen worden begrepen door middel van gedrag. Carlyle zei eens dat het doel van de mens een handeling is, niet slechts een gedachte.

Religie begint met een uitstorting van de geest – door iemand bij wie deze krachtig is ontwikkeld, en die daarom een leraar is. Later kristalliseert ze zich tot dogma’s. Hier zien we de tegenstelling tussen geest en vorm, of leven en vorm. Beide zijn nodig: door hun interactie groeit een plant. Alle groei lijkt te wijzen op een levenscyclus, die begint met een overdaad aan leven en maar weinig vorm, en eindigt met een verdroogde vorm en een minimum aan leven. Vergelijk een jonge boom met een oude boom, een baby met een oude man; kijk naar een religie, die begint met een mens, vol leven en geest, met een dozijn discipelen, en eindigt met een massa leringen en documenten die nauwgezet worden bewaard door ontmoedigde en ontgoochelde generaties.

De vorm is, zoals gezegd, noodzakelijk, maar kan worden misbruikt. Ze kan dienen als rekwisieten en krukken. De dagelijkse ervaring toont ons het verschil tussen de mens met energie en initiatief en de mens die deze mist: laatstgenoemde volgt gewoonten, gebruiken en voorschriften. De oude manier is goed genoeg voor hem; bovendien bespaart ze hem de moeite om na te denken. Mensen krijgen vaak lof omdat ze ordelijk en methodisch te werk gaan, terwijl het ze in feite ontbreekt aan initiatief, en ze het veel gemakkelijker vinden om vastgeroeste gewoonten te volgen. Mensen die niet kunnen vertrouwen op hun eigen intuïtie en geweten, vragen vaak om een duidelijke opdracht of regel. Als hen gezegd wordt om niet te roddelen, zullen ze vragen wat ze niet mogen zeggen en wat wel. Dit komt erop neer dat men vraagt om krukken om een onzekere wilskracht te ondersteunen. Goed opgevoede mensen weten hoe ze zich moeten gedragen; en het is niet nodig om de muren vol te plakken met lijsten met voorschriften die hen vertellen wat ze moeten doen en wat ze moeten vermijden. Men kan dus begrijpen dat iemand die werkelijk begiftigd is met de geest van religie zich heel goed kan redden met heel weinig leringen of stelregels, want zijn eigen vermogens zouden hem elke keer ingeven wat hij het beste kan doen.

Laten we de bovenstaande overwegingen op theosofie toepassen. Bij het bekendmaken van de theosofie moest H.P. Blavatsky de moderne beschaving vertrouwd maken met de oude kennis van de wijsheid-religie, en tegelijkertijd weerstand bieden aan pogingen om een levenloos stelsel van dogma’s te vormen. Dit verklaart het beleid van degenen die leiding geven aan de Theosophical Society. De nadruk moet eerst en vooral liggen op het gedrag en het handelen en de manier van leven. Dit is nodig om de hardnekkige neiging om een formeel geloof te vormen – los van het feitelijke leven – te vermijden. Want dat soort hypocrisie is heel kenmerkend voor het beschaafde leven – twee goden vereren: de ene heel werelds en gericht op materiële genoegens en eigenbelang, en de andere gereserveerd voor bijzondere gelegenheden en aangeroepen in zondagskleding.

Of misschien heeft die mens in plaats van een religie een filosofie, die moreel of politiek of wetenschappelijk, of wat al niet, kan zijn, maar het heeft weinig te maken met feitelijk gedrag. In praktische zaken hebben we te maken met harde feiten en moeten we ons daaraan aanpassen. Dus hebben religie, wetenschap en filosofie de neiging om abstract en vruchteloos te worden. De oude Griekse dialectici toonden langgeleden aan dat je met louter abstracte speculatie nergens komt: er is een antwoord op elke stelling; je belandt in een doolhof van tegenstellingen. De echte filosofen brachten het levensvraagstuk terug tot een kwestie van gedrag – pragmatisme, in de beste betekenis van dit woord.

Er is tegenwoordig een duidelijke drang om terug te keren naar de werkelijkheid. Maar hoe zijn we van de werkelijkheid afgeweken? We hebben een neiging gevolgd om ons in abstracties te begeven, en het hele weefsel van het leven in afzonderlijke afdelingen te verdelen, zoals het heilige en het aardse, het spirituele en het stoffelijke, het religieuze en het wereldse, het speculatieve en het praktische, kunst en wetenschap, enz.; en onze tijd door te brengen met het zich verplaatsen van de ene kamer naar de andere van ons huis. Mensen vragen zich af of het leven, alles welbeschouwd, niet één en enkelvoudig is.

Een schrijver zegt dat de oude Egyptenaren een bijzondere mengeling van het spirituele en het stoffelijke waren: ze combineerden een grote verhevenheid van denken met een grote belangstelling voor materialistisch detail. Maar ongetwijfeld ziet deze schrijver de Ouden alleen door zijn eigen moderne bril; misschien wisten ze niets over zo’n onderscheid tussen het spirituele en het stoffelijke. Alle aspecten van de mens waren voor hen belangrijk, hetzij een van zijn zeven ‘zielen’ of zijn fysieke lichaam. Het is heel goed mogelijk dat die oude Egyptenaren er nooit aan hadden gedacht om de ziel als een soort gas en het lichaam als een soort harde klomp te beschouwen, en dat is de manier waarop velen tegenwoordig de mens schijnen op te vatten.

En dus moeten we teruggaan naar het idee dat religie niet iets exotisch is, een soort salon in het huis van het leven, waarin de meubels werden afgedekt en alleen gebruikt bij bijzondere gelegenheden; maar dat het de essentie van het leven zelf is. Dit betekent niet dat we religie moeten verlagen tot het niveau van alledaagsheid, maar dat we onze levenshouding moeten verheffen tot het niveau van religie. Iemands religie zou al zijn handelingen moeten kleuren. In feite gebeurt dat ook, maar in die zin dat we twee religies hebben – een voor elke dag en een voor zondag.

De historicus Edward Gibbon zegt ergens, als hij over Mohammed spreekt, dat een profeet de mensen allerlei verbazingwekkende dingen over de bovennatuurlijke wereld kan vertellen, maar als hij over ethiek preekt, kan hij alleen de instincten van het menselijk hart herhalen. Dit is niet helemaal waar, omdat de profeet een groter hart kan hebben dan het gewone volk en in staat kan zijn om de mensen meer over dat hart te vertellen, maar het is in ieder geval waar dat de bron van wijsheid en juist gedrag in de heilige stilte van onze eigen natuur moet worden gezocht.

We kunnen dus verwachten dat theosofie grotendeels wordt onderwezen door het aanreiken van praktische voorbeelden en door mensen aan te sporen om te werken en te spelen en dingen te doen in een werkelijk religieuze geest. Scholen en ambachtelijke activiteiten, kunst, muziek, enz., worden opgezet volgens theosofische richtlijnen. Belangstellenden kunnen genoeg mondelinge instructie krijgen om hen op gang te helpen, maar niet zoveel dat ze mentale indigestie krijgen. Neem bijvoorbeeld de leer over karma. Sommige mensen dringen erop aan om er heel veel over te weten te komen, en als ze aan zichzelf worden overgelaten, zouden ze misschien een hoop intellectuele informatie verzamelen, waaraan zij en ook anderen niet veel zouden hebben. De betere manier zou zijn om hen enige kennis te verschaffen en hen dan zelf de menselijke natuur in henzelf en hun medemensen te laten bestuderen, bij wijze van een gezamenlijke laboratoriumcursus in karma. Vele oudere studenten in de theosofie beginnen maar net te ontdekken dat veel van de dingen die we 30 jaar geleden al dachten te weten ook echt waar blijken te zijn.

Of neem reïncarnatie. Waarom weten we niet meer daarover? Een van de redenen die als vanzelf opkomt is dat we misschien niet méér erover kunnen weten tot we iets verder zijn gekomen op de weg van onze persoonlijke ervaring; en wanneer we er iets meer over te weten zijn gekomen, zullen we dat niet aan een ander kunnen vertellen tot hij of zij op hun beurt die ervaring heeft gehad.

Het meest echte waarmee we in contact kunnen komen is een mens, en ongetwijfeld zijn de grote leraren altijd echte onbetwistbare belichamingen van religie geweest, even vanzelfsprekend als de zon – voor iedereen die ze ziet een voorbeeld van wat voor de mensheid mogelijk is. Theosofie is een leven; alle religie moet beginnen als een leven, en de leringen beschrijven dat leven en die geest.

We moeten proberen om onze religie vanuit de wolken naar ons dagelijks leven te brengen – niet door de religie te verlagen, maar door ons leven te verheffen. Zo zullen we afkomen van die onoprechtheid of hypocrisie van het leven in twee verschillende sferen, de ene religieus en de andere niet. Ons leven zal oprecht en heel worden, en onze religie zal werkelijk zijn.

 

Religie

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), september 2013, nr. 64.

© 2013 Theosophical University Press Agency