Praktische theosofie
W.Q. Judge



[Brief van W.Q. Judge aan A.W. Barnard, 16 november 1886 (Practical Occultism, blz. 54-5).]

Ik denk dat u dicht bij de waarheid komt als u niet verwacht in onze Society ‘veel mystieke vermogens te verwerven’. We beweren ook niet die te verschaffen. We zijn een groep serieus studerenden, en proberen naar beste vermogen waar te maken wat we belijden, waarbij, vrees ik, velen van ons tekortschieten. Deze belijdenis is gebaseerd op de ethiek die in alle tijden en in alle religies algemeen wordt erkend (of tenminste met de mond wordt beleden). Maar we hebben geen uiterlijke belijdenis, en leven zo onopvallend mogelijk. We doen de belijdenis alleen in ons hart, en dragen ‘het gele gewaad’ innerlijk.

Het is een feit dat in deze tijd veel mensen spirituele dingen commercieel benaderen. ‘Ik ben bereid om te betalen voor vermogens, en voor kennis van het occulte; u heeft dit in voorraad, wees me daarom van dienst met enkele van uw goederen.’ Natuurlijk bedoel ik niet dat iemand geld aanbiedt, maar ze bieden beloften aan zoals een levenslange toewijding, enz.

Bedenk wel, de oude regel in occulte zaken geldt nog steeds: kennis wordt slechts gegeven aan degenen die het verdienen, en door hun manier van leven hebben bewezen dat ze het verdienen. Alleen zij die de wil van de meesters volgen worden geacht recht te hebben op hun aandacht; aspiraties, verlangens of beloften zijn van geen betekenis. Wat is die wil? Het is eenvoudig je denken te bevrijden van ijdele en aardse verlangens, het werk te doen dat voor je ligt en anderen altijd een handje te helpen. Laat boosheid, ijdelheid, trots, wrok en eerzucht los, en raak deze trekjes werkelijk kwijt. Dan heb je de eerste stap gezet naar het begrijpen van het occulte. Zolang gevoelens zoals deze nog in ons hart bestaan is het niet mogelijk ook maar één stap te zetten in de magie.

We kunnen paranormale vermogens verwerven, en er zijn ongetwijfeld mensen in India en elders die ons in die richting kunnen helpen, maar het zou onze uiteindelijke ondergang kunnen betekenen. Het zijn de kwakzalvers van het occultisme – we moeten voor hen op onze hoede zijn. Hun werkterrein is het psychische, niet het spirituele – het terrein van de hersenschimmen, niet dat van waarheid.

De Theosophical Society is als zodanig exoterisch. Haar werk is openbaar – namelijk om haar leden aan te moedigen de oude wijsheid te bestuderen en ‘het leven te leiden’. Het esoterische werk is niet openbaar, kan ook niet openbaar worden, omdat het plaatsvindt tussen het individuele lid en een bron die hem alleen bereikt via zijn eigen innerlijke bewustzijn.

Vandaar dat de Theosophical Society teleurstellend is voor mensen die verwachten te leren hoe ze magische figuren moeten tekenen en magische woorden moeten uitspreken die ‘de duivel uit zijn tent lokken’ of water in wijn doen veranderen. Maar voor wie onder de oppervlakte van de dingen kan kijken is ze de eerste stap in een broederschap aan het hoofd waarvan de adepten van de Himalaya staan.

Veel mensen benaderen het onderwerp van het occultisme op de manier zoals u dat lijkt te hebben gedaan – met de wens verschijnselen teweeg te kunnen brengen. Ze zullen ontdekken dat de enige voorwaarde waaronder ze onderricht krijgen (niet van hun medestuderenden) is ‘het leven te leiden’, en dat dit de enige voorbereiding is om occulte vermogens te verwerven. Tegen de tijd dat die vermogens zich voordoen, zien ze uit naar iets wat hoger is, en lijken die vermogens triviaal en kinderachtig, en alleen bruikbaar om de onwetenden te verbluffen of jaloers te maken – om ‘op te scheppen’, zoals kinderen zeggen.

 

William Quan Judge

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), maart 2013, nr. 62.

© 2013 Theosophical University Press Agency