Michel de Montaigne – zijn leven en werk
Henk de la Rie

 

Michel Eyquem de Montaigne (1533-1592)

 

Michel Eyquem, heer van Montaigne, heeft zijn familienaam blijkbaar nooit gedragen. Hij werd geboren op 28 februari 1533 in kasteel Montaigne, bij Bergerac, dat in 1477 door overgrootvader Ramon Eyquem was verworven. Het kind Michel kreeg in het eerste deel van zijn opvoeding een huisonderwijzer, een Duitse medicus die geen Frans kende maar wel uitstekend Latijn, aangezien zijn vader, Pierre Eyquem, had bevolen dat in de nabijheid van het kind uitsluitend Latijn moest worden gebruikt door familie en personeel. ‘Toen ik ruim zes jaar was, kon ik nog steeds net zo weinig Frans of Périgords verstaan als Arabisch; en zonder systeem, zonder boek, zonder grammatica of regels, zonder zweep en zonder tranen had ik Latijn geleeerd, even vlekkeloos als mijn leraar het kon’ (Essais 1:26). Latijn is dus in feite zijn moedertaal.

De schooltijd van zes tot dertien jaar brengt hij door in het Collège van Guyenne in Bordeaux, waar het onderwijs, evenals later het middelbaar onderwijs en daarna het hoger onderwijs in Toulouse voor de rechtenstudie, in het Latijn werd gegeven.

Door deze gang van zaken had Montaigne een voorsprong waardoor hij in 1554, op 21-jarige leeftijd, het ambt van raadsheer kon verwerven, eerst bij het gerechtshof in Périgueux en aansluitend in 1557 in Bordeaux. Die zetel heeft hij bijna 15 jaar bezet.

Als collega heeft Montaigne daar Étienne de la Boétie leren kennen, een humanist en stoïcijn die zijn beste vriend is geworden; tot zijn grote verdriet is deze in 1563 vroegtijdig aan dysenterie overleden. In Essais 1:28, getiteld ‘Over vriendschap’ zegt Montaigne dat wat we gewoonlijk vrienden en vriendschappen noemen slechts toevallige kennissen zijn.

Maar in de vriendschap waarover ik spreek, vermengt en versmelt de een zo volkomen met de ander dat de naad die hen verbindt onzichtbaar wordt en niet meer is terug te vinden. Als men bij mij erop aandringt dat ik zeg waarom ik van hem hield, voel ik dat dat alleen uitgedrukt kan worden door te antwoorden: ‘Omdat hij het was, omdat ik het was.

Michel huwt in 1565 met Françoise de la Chassaigne. Het echtpaar krijgt zes dochters waarvan er slechts één in leven blijft. In 1568 heeft hij zijn vader verloren, ‘de beste vader die er ooit was’. Op dat moment was Michel de oudste nog levende zoon zodat hij erfgenaam werd van het landgoed en kasteel Montaigne. Die naam heeft Michel kennelijk altijd gevoerd. Door de opkomst van de reformatie waren er tussen 1562 en 1598 acht godsdienstoorlogen, vooral in West-Frankrijk, ook in de omgeving van Bordeaux en kasteel Montaigne, en werd de streek door plunderende troepen geteisterd.

Vermoeid van de problemen in het gerechtshof en het openbare leven heeft Montaigne in 1570 het ambt van raadsheer opgegeven. Hij was toen 37 jaar. Vervolgens verbleef hij in verband met de publicatie van de door Étienne de la Boétie nagelaten werken zes maanden in Parijs, o.a. aan het hof van de koning.

Na terugkeer in zijn kasteel installeerde hij zich op de tweede etage van de torenkamer waar hij kon werken en een bibliotheek had, en waar hij zijn Essais begint te schrijven. Hij leefde daar niet als een kluizenaar, maar ontving gasten en buren landeigenaars. In 1578 en 1579 bezoekt hij kuuroorden in de Pyreneeën omdat hij steeds meer last krijgt van niersteenaanvallen.

In 1580 heeft hij twee boekdelen met in totaal 94 essays in Bordeaux laten drukken; op 22 juni vertrekt hij samen met vier jongemannen te paard naar Parijs om zijn boek aan koning Henri III aan te bieden en rijdt vervolgens, via Bazel en Zuid-Duitsland en de Brennerpas naar Italië tot aan Rome. Onderweg bezoekt hij allerlei bezienswaardigheden en alle plekken waar geneeskrachtige bronnen zijn om de geërfde nierziekte met pijnlijke nierstenen te laten behandelen. In het Vaticaan heeft hij de mogelijkheid om manuscripten van zijn geliefde Romeinse schrijvers in te zien. De reis duurde ruim 17 maanden en op 30 november 1581 is hij weer terug in zijn kasteel.

In 1581 ontvangt hij in het kuuroord Lucca bericht dat hij voor een termijn van twee jaar is gekozen als burgemeester van Bordeaux; hij krijgt hierover een brief van koning Henri III die er bij hem op aandringt het ambt te vervullen. In 1583 wordt hij herkozen voor een volgende termijn van twee jaar. In de tweede helft van 1585 heerst er een pestepidemie in Périgueux en Bordeaux; Montaigne vlucht met zijn gezin en bedienden weg van kasteel Montaigne en trekt zich terug in de heuvels van Cenon; het kost hem veel moeite ergens onderdak te vinden (Essais 3:12). De Chronique bordelaise meldt 14.000 doden. Zijn afwezigheid duurt drie maanden.

In 1588 wordt in Parijs een nieuwe editie van zijn Essais verzorgd, met een derde deel dat nog eens 13 essays omvat en 600 aanvullingen op de eerste twee delen. Op de heenweg naar Parijs wordt hij bij Orleans beroofd; als hij op een dag vanuit Rouen in Parijs terugkeert wordt hij gevangen genomen en in de Bastille opgesloten; door tussenkomst van Catharine de Médicis, vrouw van koning Henri III, komt hij dezelfde dag weer vrij.

Begin september 1592 voelt hij het einde van zijn leven naderen; 13 september overlijdt hij in zijn kasteel Montaigne.


Over het werk van Montaigne

Montaigne heeft in totaal 107 essays geschreven. De Nederlandse vertaling omvat iets meer dan 1300 bladzijden.1 Indien iemand zin heeft ze te gaan lezen, zou ik aanbevelen te beginnen met het derde boekdeel; dat is het meest bezonken en gerijpt, waarschijnlijk ook door zijn ziekte (nierstenen), waarvoor in de 16de eeuw nog geen remedie bestond. Montaigne heeft zich vooral met zichzelf bezig gehouden, doordrongen van de opdracht: Mens ken uzelf. In Essais 1:8 geeft hij aan waarom hij met het schrijven van zijn essays is begonnen:

De ziel die geen vastgesteld doel heeft raakt de weg kwijt: want, zoals men zegt, u bent nergens als u overal bent. Kort geleden trok ik me hier thuis terug [in 1571], vastbesloten om me zoveel mogelijk om niets anders te bekommeren dan hoe ik het weinige dat me nog van het leven rest, in rust en afzondering kan doorbrengen. Ik dacht toen dat ik mijn geest geen grotere dienst kon bewijzen dan hem niets anders te laten doen dan zich met zichzelf bezig te houden, met werken op te houden en tot zichzelf te komen, wat hem, naar ik hoopte, voortaan gemakkelijker zou afgaan nu hij met het verstrijken van de tijd beter afwegingen kan maken en rijper is geworden. Maar ik constateer dat hij integendeel ontsnapt als een op hol geslagen paard en honderd keer meer problemen geeft dan hij ooit voor een ander op zich nam: hij bezorgt me zoveel hersenschimmen en bizarre monsters na elkaar, ordeloos en zinloos, dat ik ben begonnen ze op te schrijven om op mijn gemak de onzinnigheid en vreemdheid te overpeinzen, in de hoop dat ze zich na verloop van tijd voor zichzelf gaan schamen.

Hij schreef heel openhartig, maar moest niettemin geducht rekening houden met de inquisitie.

Misschien zijn er geen data in het boek vermeld om moeilijkheden met de inquisitie te voorkomen. Montaigne heeft elk essay een titel gegeven die meestal weinig of niets te maken heeft met de inhoud; het wemelt in alle bladzijden van citaten, voornamelijk van klassieke schrijvers, echter zonder hun namen te noemen; de bronnen zijn later opgespoord en toegevoegd. De essays bevatten ongeveer 800 spreekwoorden en gezegden: bijvoorbeeld ‘Er waait geen wind voor hem die geen bepaalde haven heeft om naartoe te varen.’

Maurice Rat schrijft:

Sla Montaigne open, onverschillig welke bladzijde, vanaf de eerste woorden bent u op de hoogte. Het zijn van die boeken die op alle bladzijden beginnen en eindigen. . . . Montaigne wint erbij als u stukjes van hem plukt, zoals hij zelf bij de klassieke Ouden oogste. Het boek is grotendeels gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen en gaat daardoor erg veel over hemzelf.2


Fragmenten van Montaigne geciteerd door Blavatsky

In 1891 schreef H.P. Blavatsky, 11 dagen voor haar dood, een artikel getiteld ‘Mijn boeken’ dat op 15 mei 1891 in het tijdschrift Lucifer werd gepubliceerd (ook opgenomen als appendix van Isis ontsluierd, 2:770-79). De laatste regels ervan luiden:

Niets daarvan is door mij bedacht, maar ik heb het eenvoudig weergegeven zoals het me is geleerd; of zoals Montaigne zegt, die door mij in De geheime leer (1:29) wordt geciteerd: ‘Ik heb hier alleen een boeket van uitgezochte [oosterse] bloemen gemaakt en heb er niets van mezelf aan toegevoegd dan het touwtje dat ze samenbindt.’

Is een van mijn helpers geneigd te zeggen dat ik voor het touwtje niet de volle prijs heb betaald?

Deze zin komt uit Essais 3:12 van Montaigne; een wat uitvoeriger versie luidt:

Iemand zou over mij kunnen zeggen dat ik hier alleen maar een hoop vreemde bloemen heb verzameld en daar van mezelf niets aan heb toegevoegd dan het draadje om ze samen te binden. Inderdaad heb ik met deze geleerde opsmuk toegegeven aan de smaak van het publiek. Maar het is niet de bedoeling dat deze versiersels me beschermen en verbergen: dat is het tegengestelde van mijn opzet; ik wil slechts tonen wat van mijzelf is. . . . Wij liefhebbers van het natuurlijke zijn van mening dat het onvergelijkbaar meer de voorkeur verdient iets zelf te bedenken dan dat het een eer is beweringen aan te voeren.

Beide delen van Isis ontsluierd dragen op het titelblad nog een ander citaat uit de Essais van Michel de Montaigne: ‘Cecy est un livre de bonne Foy’ (‘Dit is een eerlijk boek’, of ‘Dit boek is te goeder trouw’), de eerste zin van het voorwoord dat Montaigne op 1 maart 1580 voor de uitgave van zijn Essais (deel 1 en 2), heeft geschreven.

In De geheime leer (2:384) lezen we:

Bij alles wat met de prehistorie te maken heeft zou de lezer de wijze woorden van Montaigne in gedachten moeten houden. De grote Franse filosoof zegt:

‘Het is een dwaze arrogantie om iets te verachten en voor onwaar uit te maken, omdat het ons heel onwaarschijnlijk lijkt of geen waarheid lijkt te bevatten; dit is een algemene fout van mensen die zich wijsmaken dat ze meer weten dan het gewone volk. . . .

Maar de rede heeft me geleerd dat als u iets als beslist fout en onmogelijk veroordeelt, u beweert de grenzen en beperkingen van Gods wil en de macht van onze gemeenschappelijke moeder natuur te kennen, en hij heeft me ook geleerd dat er geen grotere dwaasheid in de wereld is dan de dingen te kleineren tot de omvang van onze vermogens en mogelijkheden.

Als we de dingen die ons verstand niet kan begrijpen wanstaltig of wonderbaarlijk noemen, voor hoeveel dagelijkse dingen geldt dit dan wel niet? Laten we bedenken door welke mist we moeten tasten om zelfs de dingen die we in onze handen vasthouden te begrijpen; we zullen dan ontdekken dat het eerder gewoonte dan kennis is waardoor we ze als vreemd bestempelen; en dat we die dingen, als ze zich voor het eerst aan ons zouden voordoen, ongetwijfeld als veel onwaarschijnlijker en ongelooflijker zouden beschouwen dan wat dan ook.’3

Over de theogonie van Pythagoras staat in De geheime leer (1:475) het volgende citaat uit Leven en leer van beroemde filosofen van Diogenes Laërtius, de Griekse historicus uit 3de eeuw. Montaigne verwijst meer dan 160 keer daarnaar.

De monade [de gemanifesteerde] is het beginsel van alle dingen.

Uit de monade en de onbepaalde duade [de chaos] kwamen getallen voort; uit getallen punten; uit punten lijnen; uit lijnen oppervlakken; uit oppervlakken lichamen; hieruit vaste lichamen met vier elementen – vuur, water, lucht, aarde: uit al deze, omgezet [en in wisselwerking staande] en totaal veranderd, bestaat de wereld.

Het boek Leven en leer van beroemde filosofen stond in de boekenkast van Montaigne, die in zijn Essais 2:10 schrijft:

Geschiedschrijvers zijn prettig en ongedwongen; de doorsnee mens, die ik wil leren kennen, wordt er scherper en meer in zijn geheel, zichtbaar door . . . Ik vind het jammer dat we niet een dozijn schrijvers als Laërtius hebben . . . zijn biografieën bevatten een overvloed aan anecdoten en opmerkelijke feiten die de achtergronden aanduiden.


Enkele citaten uit zijn Essais

Uit Essais 1:3:

‘Dit grote voorschrift wordt vaak door Plato aangevoerd (Timaeus): ‘Doe uw plicht en ken uzelf.’ In algemene zin omschrijft elk van die twee onderdelen onze hele plicht en omvat tevens het andere deel. Wie heeft te doen wat hij moet doen, zal zien dat zijn eerste les is, weten wat hij is en wat bij hem hoort.’

Uit Essais 1:31:

‘Ik heb lang een man bij me in dienst gehad die 10 of 12 jaar had doorgebracht in die andere wereld die onze eeuw heeft ontdekt, op de plek waar de Portugese admiraal in 1555 aan land ging in Brazilië. De man die ik in huis had was een eenvoudige en wat onbehouwen kerel, wat een gunstige eigenschap is om als getuige de waarheid te spreken. Welnu, ik vind dat er, volgens wat men mij heeft verteld, niets barbaars en wilds in dat land is, behalve dan dat iedereen ‘barbaars’ noemt wat bij hem niet gebruikelijk is; . . . het lijkt dat we geen ander model van waarheid en redelijkheid in ons hoofd hebben dan het voorbeeld en het idee van de meningen en gebruiken van het land waar we wonen. Daar is altijd de volmaakte religie, het volmaakte politieke stelsel, het volmaakte en definitieve gebruik van alles. . . . Als mij die volkeren barbaars toeschijnen, is het in de betekenis dat ze wat de menselijke geest betreft erg weinig gevormd zijn, en dat ze nog erg dicht bij hun oorspronkelijke onbevangenheid staan. . . . We kunnen die mensen wel ‘barbaren’ noemen volgens de regels van het verstand, maar niet in vergelijking met onszelf; we overtreffen hen in alle opzichten en soorten barbaarsheid. . . . In het algemeen noemen ze elkaar broeders, onder mensen van dezelfde leeftijd; en zeggen ze ‘kinderen’ tegen hen die jonger zijn dan zij; en de ouderen zijn de ‘vaders’ van alle anderen.’

Uit Essais 1:37:

‘Ik heb helemaal niet het verkeerde idee om iemand anders te beoordelen naar wat ik ben. Ik geloof gemakkelijk dingen van hen die verschillend zijn van mij. Ondanks het feit dat ik me gebonden voel aan een regel, verplicht ik daar niet andere mensen toe, zoals iedereen doet. Ik geloof en denk dat er wel duizend andere manieren van leven zijn; en in tegenstelling tot de meeste mensen ben ik eerder overtuigd van de verscheidenheid dan van de gelijkheid van de mensen. Zoveel men maar wil ben ik bereid een ander niet met mijn leefwijze en beginselen te belasten, en zie hem eenvoudig zoals hij is, zonder ophef, en zie hem zoals hij zich toont. Waarlijk, ik houd van mensen en waardeer hen zoveel te meer omdat ze anders zijn dan ik.’

Uit Essais 2:8 (geschreven aan Mme d’Estissac):

‘Als het ongewone en nieuwe, die gewoonlijk waarde aan de dingen verlenen, mij niet redden, zal ik nooit met ere deze dwaze onderneming volbrengen [d.w.z. het schrijven van de essays]. Mijn opzet is zo ongekend en heeft een aspect dat zo volkomen anders is dan het algemeen gebruikelijke, dat ze daardoor misschien toelaatbaar is. Door een zwaarmoedige stemming – een stemming die eigenlijk heel tegengesteld is aan mijn natuurlijke aard en veroorzaakt werd door het verdriet van een eenzaam bestaan waarin ik me een paar jaar geleden heb gebracht – heb ik me de illusie in het hoofd gehaald om me met schrijven bezig te houden. En vervolgens, toen ik me geheel en al overrompeld voelde en verstoken van ieder ander onderwerp, heb ik mezelf gekozen als onderwerp om over te schrijven. Met zijn wilde en buitensporige opzet is dit boek op de hele wereld het enige in zijn soort.’

Uit Essais 2:12:

‘Ik kan me moeilijk voorstellen dat Epicurus, Plato en Pythagoras ons hun atomen, hun ideeën en hun getallen lichtvaardig hebben gegeven. Ze waren te wijs om hun geloofsartikelen te baseren op iets dat zo onzeker en zo aanvechtbaar is. Maar ieder van deze grote figuren heeft zich ingespannen om in de duisternis en onwetendheid van de wereld zo goed en zo kwaad als het ging een idee van licht te brengen, en heeft zijn geest naar ontdekkingen geleid die er tenminste prettig en scherpzinnig uitzagen . . .’

‘Pythagoras kwam nog het dichtst bij de waarheid toen hij zijn mening gaf dat de kennis van die eerste oorzaak, van het wezen der wezens, onbepaald moest blijven, zonder omschrijving, zonder uitleg; dat ze niet anders is dan de uiterste poging van ons voorstellingsvermogen om naar het volmaakte te reiken, waarbij ieder al naar zijn vermogen zijn inzicht vergroot.’

‘Van de religieuze vormen waaraan gestalte is gegeven, zoals de noodzaak eiste te midden van die algemene blindheid, had ik me, lijkt me, het liefste aangesloten bij die van hen die de zon vereerden.’

‘Nu is het hoogst waarschijnlijk dat als de ziel iets kende, ze in de eerste plaats zichzelf zou kennen; en als ze iets buiten zichzelf zou kennen, het vóór alles haar lichamelijk omhulsel zou zijn. Als u tot de dag van vandaag de goden van de geneeskunde met elkaar ziet redetwisten over de opbouw van ons lichaam, wanneer kunnen we dan verwachten dat ze het met elkaar eens zijn? We zijn nauwer met elkaar verbonden dan witheid met sneeuw of gewicht met de steen. Als de mens zichzelf niet kent, hoe kan hij dan wél zijn functies en vermogens kennen? Het is niet dat er geen werkelijk begrip in ons huist, maar dat is toeval. En gezien het feit dat misvattingen in onze ziel worden opgenomen langs dezelfde weg en op dezelfde manier, heeft ze niet voldoende middelen om die goed te onderscheiden, noch het nodige om te kunnen kiezen tussen waarheid en leugen.’

Uit Essais 2:17:

‘Waarheid is het eerste en essentiële kenmerk van de deugd. U moet van de waarheid houden om haar zelf. Wie waarheid spreekt omdat hij om andere redenen ertoe wordt genoodzaakt of omdat het hem goed uitkomt, en wie niet bang is om een leugen te vertellen als dat niemand wat uitmaakt, is niet waarachtig genoeg. Mijn innerlijke gesteldheid heeft een afkeer van liegen; alleen al daaraan denken vind ik afschuwelijk. . . . U moet niet altijd alles zeggen, want dat zou dwaas zijn. Maar wat u zegt moet wel zijn wat u denkt; anders is het niet goed.’

Uit Essais 3:2:

‘Anderen vormen de mens. Ik vertel over hem en beschrijf er één in het bijzonder die heel slecht is gevormd; als ik deze opnieuw moest vormen, zou ik hem ongetwijfeld heel anders maken dan hij is. Nu is het gebeurd en is er niets meer aan te doen. Wel zijn alle trekken van het portret dat ik schilder trefzeker, al veranderen en variëren ze. De wereld is niets anders dan een nooit rustende slinger, alle dingen zijn onophoudelijk in beweging, de aarde, de rotsen van de Kaukasus, de Egyptische piramiden, zowel door een gemeenschappelijke als door hun eigen beweging; bestendigheid zelf is niets anders dan een trager heen en weer gaan. Ik kan me geen vast beeld verschaffen over mijn onderwerp van studie (mezelf). Dat wankelt, verward in een natuurlijke dronkenschap. Ik neem hem zoals het nu is op het moment dat ik me ermee bezighoud. Ik schilder niet het individu af, ik schilder de overgang; niet de overgang van de ene leeftijd naar de andere, of zoals mensen zeggen, van de ene zeven jaar naar de volgende zeven jaar, maar van dag tot dag, van minuut tot minuut. Ik moet mijn verslag aan elk moment aanpassen. Ik kan zo weer veranderen, zowel door mijn lot, als door eigen keuze. Het is een vastleggen van verschillende en veranderende gebeurtenissen en van gedachten die niet afgerond en, als het zo uitkomt, tegenstrijdig zijn, hetzij omdat ik zelf anders ben geworden, hetzij omdat ik mijn onderwerpen onder andere omstandigheden en vanuit andere gezichtspunten benader. In ieder geval kan het best zijn dat ik mezelf tegenspreek; maar de waarheid . . . spreek ik nooit tegen. Als mijn ziel ergens houvast kon krijgen, zou het niet bij essays [wat eigenlijk pogingen betekent] blijven en zou ze tot conclusies komen; ze is altijd bezig met leren en testen. Ik doe verslag van een onopvallend leven zonder glans, dat maakt niet uit. U kunt de hele ethiek evengoed toepassen op het alledaagse leven van een privéburger als op een leven met een rijkere inhoud; ieder mens draagt het totaalbeeld van de menselijke natuur in zich.’

Uit Essais 3:9:

‘Voorspoedige tijden bevorderen mijn discipline en ontwikkeling, zoals bij anderen tegenspoed en de zweep. . . . Geluk is voor mij een bijzondere prikkel tot matiging en bescheidenheid. Een smeekbede grijpt mij aan, een dreigement stoot me af, een gunst maakt me meegaand, angst doet me verstijven.’

‘Niet in theorie maar in werkelijkheid is het zo dat de voortreffelijkste en beste staatsvorm voor ieder volk die is waarmee het zich heeft kunnen handhaven. De vorm en essentiële voordelen daarvan zijn afhankelijk van de praktijk. Gewoonlijk zijn we ontevreden over de heersende toestand. Toch ben ik van mening dat het verkeerd en dwaas is in een democratie naar een oligarchie te verlangen of in een monarchie een ander soort bewind te wensen.’

‘De algemeen heersende gewoonte om naar iets anders dan onszelf te kijken is ons goed uitgekomen. ‘Onszelf’ als onderwerp wekt alleen maar ontevredenheid; we zien daarin niets dan ellende en verwaandheid. Om ons niet te ontmoedigen heeft de natuur de werking van ons gezichtsvermogen zeer te pas naar buiten gericht. We gaan met de stroom mee, maar het is een moeizaam proces om tegen de stroom in weer koers naar onszelf te zetten: zo kolkt de zee in verwarring en verspert zichzelf de weg als ze door de kust wordt gekeerd. Iedereen zegt: ‘Kijk naar de bewegingen aan de hemel; kijk naar de mensen, naar het geruzie van deze man, naar de intentie van die ander, naar het testament van die andere; kortom, kijk altijd omhoog, omlaag, opzij of voor u of achter u.’ Het was een tegen ieders denken ingaand gebod dat de god (Apollo) in Delphi ons in de oudheid gaf: ‘Kijk naar binnen in uzelf, leer uzelf kennen, houd vast aan uzelf; breng uw geest en uw wil, die zich met andere zaken afmatten, weer in uzelf terug; u verspilt uzelf en laat uzelf wegstromen; houd greep op uzelf, houd u in. U wordt verraden, afgeleid, van uwzelf afgehouden. Ziet u niet dat deze wereld de blik volledig naar binnen gericht houdt en haar ogen open houdt om aandachtig naar zichzelf te kijken? Voor u is alles ijdelheid, zowel in u als buiten u, maar een ijdelheid die minder ijdel is naarmate ze minder omvat. Behalve u, o mens, zei deze godheid, bestudeert ieder wezen in de eerste plaats zichzelf en stelt dan naar behoefte grenzen aan zijn inspanningen en wensen. Geen enkel wezen is zo leeg en behoeftig als u, die het heelal omvat: u bent de waarnemer zonder kennis, de rechter zonder rechtsgebied, en al met al de nar van de klucht.’

Uit Essais 3:12:

‘Als u niet weet hoe u moet sterven: geen nood; de natuur zal u er ter plekke volledig en genoeg over inlichten; ze zal dat werk nauwkeurig voor u doen; maakt u zich daarover geen zorgen. . . .

De filosofie schrijft ons voor de dood altijd voor ogen te hebben, erop vooruit te lopen en er van te voren over na te denken; vervolgens geeft ze ons de regels en voorzorgsmaatregels om te voorkomen dat dit vooruitzien en overdenken ons pijn doen.’

Uit Essais 3:13:

‘Er bestaat geen natuurlijker verlangen dan het verlangen naar kennis. Alle middelen die ons er naartoe kunnen leiden worden door ons beproefd. Als ons verstand tekortschiet maken we gebruik van onze ervaring; dat is een zwakker middel en minder geschikt; maar de waarheid is iets zo prachtigs dat we geen enkel hulpmiddel moeten veronachtzamen dat ons er naartoe brengt. Het verstand heeft zoveel vormen dat we niet weten aan welke we ons zullen houden. Iedere conclusie die we willen trekken uit de overeenkomst tussen gebeurtenissen is onbetrouwbaar omdat ze altijd verschillend zijn: geen eigenschap van de verschijning is zo algemeen als hun verschillendheid en gevarieerdheid. . . . De natuur heeft zich nooit verplicht iets te maken dat niet afwijkt van het vorige.’

‘Het moet wel heel belangrijk zijn gevolg te geven aan de raad aan iedereen om zichzelf te leren kennen, aangezien de god van kennis en licht (Apollo) die liet beitelen op de voorkant van zijn tempel (in Delphi), als iets waarin alles besloten ligt. Plato zegt ook (in Timaeus) dat voorzichtigheid niets anders is dan aan dit voorschrift voldoen. En Socrates bewijst het tot in bijzonderheden aan Xenophon. In elke tak van wetenschap worden moeilijkheden en onduidelijkheid alleen opgemerkt door hen die er toegang toe hebben. Want u moet ook nog een bepaalde mate van intelligentie bezitten om te kunnen opmerken dat u onwetend bent en dat u tegen een deur moet duwen om te weten of ze voor ons gesloten is. Dit leidde tot de subtiliteit van Plato dat zij die weten niet hoeven te onderzoeken omdat ze weten, en zij die niet weten evenmin, omdat men om te onderzoeken moet weten wat men onderzoekt. Ik, die mij aan niets anders wijd, vind in mijzelf zo’n oneindige diepte en verscheidenheid dat mijn leren geen ander resultaat oplevert dan dat het me doet beseffen hoeveel er nog voor mij te leren overblijft.’

 

Noten

  1. Montaigne, Essays, Nederl. vertaling van Frans de Graaff, uitgever Boom, Amsterdam, 1993, naar de Franse editie van 1962. Voor dit artikel zijn soms eigen vertalingen gemaakt.
  2. Maurice Rat (red.), Edition des Essais, Garnier Frères, 1962/1965.
  3. Essais 1:27.

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), juni 2013, nr. 63.

© 2013 Theosophical University Press Agency