Om de hoek kijken*
Grace Frances Knoche


*Vertaald uit The Theosophical Forum, sept. 1939, blz. 210-12.

‘Kon ik maar om de hoek kijken; kon ik maar zeker weten dat er een weg is, een glimp van de toekomst opvangen, zodat ik zou weten hoe ik nu moet handelen.’ Helaas, hoe vaak ontsnapt deze wanhoopskreet aan de ziel in haar menselijke blindheid. Maar als ons een visioen werd vergund, zouden we dat dan kunnen verdragen? Hoeveel van ons zouden niet worden verblind of harteloos worden in ons verlangen naar onrechtmatig voordeel!

Laten we de sluier die over het verleden ligt wegtrekken en de omstandigheden bekijken: Stel dat we alle verschrikkingen en pijn die ons te wachten stonden tot in detail hadden geweten; stel dat we hadden voorzien dat na elke hoek nog meer deuren van eenzaamheid en pijn zouden worden onthuld, totdat ten slotte, na misschien jarenlange kwellende stompzinnigheid de ziel zo in opstand zou zijn gekomen tegen haar onwetendheid en begeerte dat ze zich ervan losmaakt, en opnieuw langzaam de treden van innerlijk zelfrespect beklimt naar schoonheid en vrijheid. Stel dat dit alles tot in elk wreed detail zou zijn onthuld. Zouden we de aanblik ervan hebben kunnen verdragen? Zouden we de moed hebben gehad om de karmische gevolgen tegemoet te treden met zelfs het kleine beetje innerlijk fatsoen waarmee we dat nu hebben gedaan? Misschien, maar heel waarschijnlijk zouden we zo zijn ineengekrompen, zo zijn teruggedeinsd voor het niet wijkende vuur van loutering, dat we, in plaats van te bedenken dat het ons eigen zelf was dat ons uit ons lijden verloste, misschien anderen zouden hebben vervloekt en ons in de neerwaartse stroom zouden hebben begeven, en zo het ontwakende vuur van begrip en daaruit voortvloeiende vrijheid nog meer zouden hebben vertraagd.

Nee, de natuur gaat veel vriendelijker te werk dan de mens. In haar barmhartige weigering haar donkere geheimen te onthullen, verblindt ze niet, maar herstelt ze geleidelijk het licht in de getroffen ziel. Terwijl de tijd de bladzijden van het lot omslaat, en we naar het leven van onze medemensen kijken, zien we dat er overwinningen worden geboren uit nederlagen, en we verwonderen ons over haar begrip. Hadden ze van de pijn geweten; hadden ze het verdriet gekend; hadden ze van de komende armoede geweten, of de nabije vernietiging van hun levenswerk – dan hadden ze misschien uiteindelijk geen succes gehad. Mogelijk zou het tot nog meer uit zwakte en lafheid voortvloeiend verdriet hebben geleid, totdat de ziel dapper had geleerd het karma van haar verleden te aanvaarden.

‘Hadden we het maar geweten’, hoe dankbaar zouden we liefde en zorg hebben gekoesterd in plaats van onrecht en onverschilligheid; hoezeer zouden we kleinzieligheid hebben opgegeven voor edelmoedigheid, egoïsme voor begrip. Misschien. Het blijft echter een feit dat we bereid waren, hoewel ongetwijfeld voor een deel zonder het te weten, om harteloos over de rechten en gevoelens van anderen heen te lopen, waaruit blijkt dat we hoog nodig de les van berouw moesten leren. We moesten nog leren, door de pijn van het te laat ontwaken, hoe hartverwarmend de bronnen van medeleven met anderen zijn, hoe mooi de stille sympathie voor een vriend in zielenstrijd is, hoe eervol het vaste voornemen om te dienen in plaats van te ontvangen.

In het hart liggen de levensvragen; de hersenen kunnen worden opgeleid, getraind, en gepolijst, maar op spiritueel gebied wordt alleen vooruitgang geboekt wanneer het hart begrijpt. Geen enkel argument is sterker dan een onbevredigd verlangen dat voortkomt uit een onverlicht hart; en evenzo staat geen bouwwerk van het denken boven moedige sympathie geboren uit een begrijpend hart. De wegen van de natuur zijn vriendelijk: ze gaat niet met iemand in discussie over zijn zwakheid; door middel van beproevingen van het hart laat ze iemand het probleem van zijn dwaasheid onder ogen zien: zacht leidt ze iemand door de valleien van pijn, verdriet en zelfbeheersing. Dan roert het hart zich: sympathie, mededogen, edelmoedigheid van ziel worden geboren. In plaats van de strijd van een tragedie, wordt het leven een zegen van vrede en begripvolle harmonie. Een nieuwe hoek wordt omgegaan, een hoek die leidt tot licht, kracht en vrede.

In ons huidige evolutiestadium, waarin egoïsme, onwetendheid en hebzucht de kenmerken van ‘beschaving’ zijn, is het een zegen dat de toekomst aan ons zicht onttrokken is. Stel dat onvriendelijke en gewetenloze mensen de valkuilen van een medemens van tevoren zouden weten: zouden ze uit wreedheid dan niet juist op hem gaan letten of de spot met hem drijven? Bovendien, als we onze successen van tevoren zouden weten, zouden we dan niet zo dwaas zijn om lui of zelfs arrogant te worden?

We moeten ons er dus niet druk over maken of we om de hoek kunnen kijken. We moeten veeleer proberen onder moeilijke omstandigheden vast te houden aan alles wat fatsoenlijk, rechtvaardig en edelmoedig is. We moeten niet vergeten dat er altijd een weg om de hoek is, ondanks de dikke laag mist en nevel. Misschien zal er een vriend komen en door zijn vriendschap moed en vrede brengen; misschien zal een nieuwe gedachte het hart weten binnen te gaan en licht met zich meevoeren; misschien zal een tijdige schok onze ogen openen voor de schoonheid die we door de egoïstische koestering van ons verdriet niet durfden te zien, bang om onze pijn los te laten.

De toekomst kan worden voorzien, althans in grote lijnen; maar het is een bescherming dat we maar een vage glimp van de komende gebeurtenissen kunnen opvangen. Alleen iemand die krachtig en onzelfzuchtig handelt, kan het stralende licht van volledige kennis verdragen. Zijn toekomst is een weg van licht: wat ooit de weg van eenzaamheid was wordt het pad dat we alleen, maar met zelfvertrouwen, gaan, wat pijn was wordt een gevoel van medeleven met anderen, wat wanhoop was wordt kennis die tot een levende kracht wordt gemaakt door dienstbaarheid. Aardse ervaring blijkt een voorbijgaande gebeurtenis te zijn in de historische ontvouwing van de ziel.

 

Grace F. Knoche

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), maart 2013, nr. 62.

© 2013 Theosophical University Press Agency