De Berbers*
Kapitein P.G.B. Bowen


*Vertaling van ‘Africa’s white race’, The Theosophical Path, oktober 1932, blz. 179-90.



Zij die in Afrika hebben gewoond of gereisd en zij die dit niet hebben gedaan, maar wel de verhalen van wijlen Sir Rider Haggard hebben gelezen, hebben misschien gehoord over een blank ras dat ergens te vinden zou zijn in een onbekend en ontoegankelijk gebied in het hart van dat continent. Hoewel zulke gebieden in Afrika nog voorkomen, ondanks dat auto’s en vliegtuigen het in alle richtingen hebben doorkruist, zijn er nu weinigen meer die een ‘Kor’ of een ‘Zu-vendis’, ‘aan gene zijde van de bergen’ zullen zoeken.† En toch bestaat er nog een blank Afrikaans ras, niet in een onbekend tropisch gebied, maar in het gedeelte dat het dichtst bij Europa ligt.

†Het verloren land Zu-vendis en de verloren stad Kor worden genoemd in romans van Rider Haggard.

Die blanke Afrikanen zijn de Berbers van Noord-Afrika. Ze bewonen vooral de centrale delen van het Atlas Gebergte, hoewel een groot aantal van hen onder de naam Kabylen in het hoogland van Algerije is te vinden. Hun aantal is gering en schijnt voortdurend af te nemen; van het oorspronkelijke ras zijn er waarschijnlijk niet meer dan 100.000 over, waarvan 50.000 in het gebied van het Atlas Gebergte leven, 20.000 in Algerije, 10.000 tot 15.000 over het hele gebied van de Sahara, en de overigen verspreid over kleine gemeenschappen in heel Afrika.

Over de Berbers, hun leefwijze, religieuze opvattingen, geschiedenis en overleveringen schijnt bitter weinig bekend te zijn. Deze overleveringen zijn vooral van betekenis voor onderzoekers die belangstelling hebben voor de minder vanzelfsprekende aspecten van het leven. Zelden lukt het een Europeaan echter het vertrouwen te winnen van degenen die deze kennis bewaren – namelijk de priesters en de leraren – en de weinigen die daarin slaagden, hebben daarover geen gegevens nagelaten.

De Berbers zijn volgens hun overlevering de nakomelingen van een ooit machtig ras dat in vroeger eeuwen het dal bewoonde dat nu de Middellandse Zee vormt. In die tijd werd het water van de Atlantische Oceaan door een bergachtige landengte waar nu de Straat van Gibraltar ligt, buitengesloten. De lagere gedeelten van de vallei bevatten twee grote zoetwatermeren, en waren afgescheiden door een tweede landengte die het huidige Italië met Afrika verbond. Het tegenwoordige Noord-Afrikaanse gebied lag toen veel minder hoog dan nu, terwijl meer naar het zuiden een uitgebreide ondiepe zee in westelijke richting in verbinding stond met de Atlantische Oceaan. De ondergang van de mediterrane beschaving wordt toegeschreven aan een verschrikkelijke aardbeving die een bres sloeg in de landengte van Gibraltar, zodat het binnenstromende water van de Atlantische Oceaan het lagergelegen dal vulde. Gelijktijdig met deze overstroming verzonk in het zuidwesten in de Atlantische Oceaan een groot eiland en rezen het Atlas Gebergte en andere Noord-Afrikaanse bergketens tot hun tegenwoordige hoogte. Daarna droogde de zee in het zuiden geleidelijk op; zo ontstond een grote woestijn, de tegenwoordige Sahara.

Door deze ramp werd het land in verschillende delen gesplitst, en schonk elk deel het leven aan nieuwe zelfstandige landen. De overlevering, zoals deze mij werd verteld, zegt hierover niet veel. Deze vertelt alleen over het gedeelte van het volk dat zich naar het zuiden terugtrok en zich in Marokko vestigde. Van daaruit verspreidden zich takken over heel Afrika en dit leidde, zo wordt beweerd, tot een hegemonie over bijna heel zwart Afrika, met uitzondering van het equatoriale bosgebied.

Over hoeveel hiervan waarheid is en hoeveel fantasie durf ik niet méér te zeggen dan dat mijn eigen uitgebreide waarnemingen van het leven van de Afrikaanse volkeren en mijn kennis van hun legenden en overleveringen mij doet veronderstellen dat er een diepgaande waarheid aan ten grondslag ligt. Het is een feit dat alle stammen van de Nijl en alle Bantoe-stammen van het noordwesten tot het uiterste zuidoosten van Afrika vasthouden aan de legende dat hun oude leiders en grote voorouders blanken uit het noorden waren; en een tweede feit is, zoals al is vermeld, dat verhalen over een mysterieus blank Afrikaans volk onder alle stammen in omloop zijn, zelfs tot in de landen van de Hottentotten en Bosjesmannen in het uiterste zuiden. Dit laatste is verklaarbaar door de aanwezigheid van kleine Berber-gemeenschappen met eigen levensgewoonten tussen de zwarte bevolking; maar ook het eerste moet enige waarheid bevatten, want de legende komt voor bij stammen die tot voor kort geen contact hadden met Europeanen.

Het complete verhaal over hoe ik de informatie verkreeg die in dit artikel is opgenomen zou een flink boekdeel vullen; maar een korte schets van enkele delen daarvan zal de lezer misschien interesseren.

Meer dan 25 jaar van mijn leven bracht ik door in Afrika; mijn werk voor de overheid was zodanig dat ik me voortdurend onder de inheemse bevolking begaf, vaak op plaatsen ver van Europese invloeden. Een bijzondere aanleg voor de inheemse talen en het mij steeds enigszins onverklaarbare feit dat ik het altijd gemakkelijk vond om het vertrouwen te winnen van de werkelijke leiders van alle stammen, namelijk de mannen die men ten onrechte toverdokters of medicijnmannen noemt, brachten me ertoe me met dit onderwerp bezig te houden.

In het begin hoorde ik al van de ‘medicijnmannen’ met wie ik bevriend was verhalen over mysterieuze blanken, die machtige magiërs zouden zijn geweest, maar ik beschouwde deze verhalen als sprookjes, omdat die blanken ‘amakosi’ werden genoemd, de naam die door de gewone bevolking werd gebruikt om de geesten van hun voorouders mee aan te duiden. Niet zo heel lang daarna had ik reden mijn vroegere opvatting te herzien, want in 1904 trof ik in een woest gebied, waarvan ik de exacte ligging niet kan aangeven, niet ver van de rivier Limpopo [in Mozambique], een kleine gemeenschap van ongeveer een dozijn families aan die onmiskenbaar blank waren maar niet tot een Europees volk behoorden. Zoals ik later van hun stamhoofd vernam, waren het zuivere Berbers, hoewel, met uitzondering van één of twee ouderen en het stamhoofd zelf, niemand, noch vele generaties van hun voorouders, ooit binnen een afstand van duizenden kilometers van het Atlas Gebergte waren geweest. Ze leefden volledig zoals de Zoeloe-stam die hen omringde, spraken dezelfde taal, eerbiedigden hun wetten en gebruiken, maar traden niet met hen in het huwelijk.

Het stamhoofd, met de Zoeloe-naam ‘Mandhlalanga’ (geest van de zon), bleek een uitzonderlijke figuur te zijn. Hij was een Berber uit het Atlas Gebergte, maar had niet alleen in heel Afrika maar in een groot deel van de wereld gereisd. Hij sprak vloeiend Engels en verschillende Europese talen en gaf blijk van een grote kennis die de mijne ver overtrof. En niettemin leidde hij op deze afgelegen plek het leven van een gewoon Bantoe-stamhoofd!

Ik durf niet te beweren dat ik het geheim van Mandhlalanga ooit volledig heb kunnen doorgronden, maar toch heb ik toen en in de daarna verstreken jaren veel interessante en belangrijke dingen over hem en anderen zoals hij vernomen, want hij was niet de enige in die positie. In de eerste plaats ontdekte ik dat hij een leraar was. Men bezocht hem dagelijks in kleine groepen in zijn hut, ‘om kennis op te doen’, zoals me door een van hen werd verteld. In deze leerlinggroepen vond men mensen van veel verschillende stammen en volkeren: tot mijn verbazing zag ik in een van die groepen twee Rajput Indiërs en in een andere een Arabier. Er leven veel Arabieren en Indiërs langs de hele oostkust; Arabieren trekken soms misschien ver het binnenland in, maar Indiërs wagen zich zelden ver van de bewoonde gebieden.

Omdat het me interesseerde, vroeg ik het stamhoofd toestemming om me bij zijn leerlingen aan te sluiten. Hij gaf daarvoor direct toestemming, maar ik had er niet veel aan, want ik verstond de door hen gebruikte taal niet, hoewel deze aan een Zoeloe-dialect deed denken. Tot mijn verbazing stelde ik vast dat het blijkbaar een geschreven taal was, want zowel leraar als leerling lazen herhaaldelijk van perkamentvellen die van de ingewanden van een nijlpaard waren gemaakt, en van andere die op Egyptische papyrus leken: geen enkele inheemse Afrikaanse taal die aan de filologie bekend is, heeft een geschreven vorm.

Ik vroeg Mandhlalanga naar de door hem gebruikte taal en of hij bereid was mij deze te leren. Zijn antwoord luidde: ‘Word leerling, en ik zal je onze geheime taal leren en nog veel meer wat je later van pas zal blijken te komen.’

Ik moest nog een jaar op die plek doorbrengen, en het stond dadelijk voor me vast dat ik mijn overvloed aan vrije tijd niet beter kon besteden dan door alles te weten te komen wat deze vreemde man me kon leren.

Ik kwam in een pas gevormde groep van zeven leerlingen, bestaande uit drie Zoeloe’s, twee Berbers, een rondtrekkende Europese olifantenjager en ikzelf als zevende. Drie van mijn medeleerlingen waren vrouwen, of beter gezegd meisjes. We moesten eerst plechtig beloven dat we zonder toestemming van onze leraar niets van wat we leerden zouden bekendmaken. Daarop moesten we de geheime taal leren. Zoals ik vermoedde, was ze aan de Zoeloe-taal verwant en was ze volgens Mandhlalanga niet meer en niet minder dan de oude taal waaruit alle moderne Bantoe-talen zijn voortgekomen. Ze werd op twee manieren geschreven: de ene in symbolen was onberekenbaar oud; de andere op basis van een alfabet was een heel recente vinding. De eerste werd ik nooit meester. De tweede, en ook de spreektaal, had ik me binnen enkele maanden eigen gemaakt.

Het feitelijke onderricht was kort gezegd theosofie. Niet dat ik me toen daarvan bewust was: ik wist toen, en ook zo’n 20 jaar later, niet wat het woord theosofie betekende, en evenmin dat er boeken over dit onderwerp in een Europese taal bestonden.

De manier waarop Mandhlalanga les gaf was heel anders dan we in Europa kennen. Hij sprak ons gewoonlijk toe in poëtische parabelen en allegorieën. Daarna stuurde hij ons weg met de opdracht om na te denken over de betekenis van wat we hadden gehoord en de volgende keer met de verkregen ‘wijsheid’ bij hem terug te komen. Hij wisselde dit af door voor te lezen uit zijn manuscripten van perkament of papyrus, of liet ons dit doen.

De manuscripten die we gebruikten waren onderdeel van één verzameling leringen (zoals de leraar ons vertelde), ‘de leringen van de Oude’ genoemd. Deze geschriften waren poëzie van een hoge orde. De leer die ze bevatten was heel diepzinnig en paradoxaal, maar met de hulp van de suggestieve vragen en aanwijzingen van onze leraar begonnen in mijn bewustzijn geleidelijk nieuwe denkbeelden te ontwaken. Het merkwaardige was (ik herinner me dat ik dit toen al opmerkte) dat de nieuw verkregen denkbeelden me voorkwamen alsof de waarheid over het leven erin besloten lag, of tenminste zoveel daarvan als ik met mijn onvolmaakte verstand kon begrijpen.

Zo nu en dan werd ons voor zelfstudie toegestaan kleine gedeelten van de manuscripten over te schrijven. Een bepaald gedeelte moest door iedereen worden overgeschreven, en we moesten dit voortdurend bestuderen. Ik voeg aan dit artikel een vertaling toe van het toen door mij gemaakte afschrift. De essentie van het origineel is in onze taal, hoewel gebrekkig, zo goed mogelijk weergegeven, maar deze vertaling geeft geen goede indruk van de poëtische schoonheid van de Bantoe-versie.

Mijn leerlingschap onder Mandhlalanga duurde bijna een jaar. Toen riep mijn plicht me naar elders. Ik hield echter contact met hem en ontmoette hem van tijd tot tijd in verschillende delen van Afrika, terwijl ik voortdurend hulp en advies van hem kreeg. Toen ik Afrika verliet en in 1927 naar Engeland ging, hield zijn rechtstreekse onderricht op en plaatste hij me onder de leiding van een van zijn vroegere leerlingen, een Egyptenaar.

Ik was al enige maanden in Engeland, toen ik schijnbaar toevallig in contact kwam met de Theosophical Society. Toen ik met een vriend werd overvallen door een stortbui, schuilden we in een portiek met boven de deur het opschrift: ‘Leeszaal, Theosophical Society: Iedereen welkom’. Toen ik naarbinnen ging liet ik al wachtend mijn blik eens over de boekenplanken gaan en pakte willekeurig een boekje getiteld Licht op het Pad, dat ik doorbladerde. Men zal zich mijn verbazing kunnen voorstellen, toen ik daarin voorschriften onder ogen kreeg die in alle opzichten identiek waren aan de ‘Woorden van de Oude’. Laat de lezer zelf oordelen. Daarop vond ik een boek getiteld De sleutel tot de theosofie en met toestemming van de bibliothecaris nam ik het mee naar huis om het te bestuderen. Ook de daarin opgenomen leringen bleken niet anders te zijn dan de denkbeelden die zich in mijn geest hadden ontwikkeld als gevolg van Mandhlalanga’s leringen. . . .

Mijn lezers zullen waarschijnlijk vragen: ‘Wie en wat zijn Mandhlalanga en zijn geestverwanten?’ Ik kan niet meer zeggen dan dat ze zich leden van een grote broederschap noemen, die onder verschillende namen bekendstaat: ‘Ubungoma obu fihliweyo’ (broeders van geheime wijsheid) noemt Mandhlalanga haar. Mijn Egyptische vriend en anderen die ik in de noordelijke helft van Afrika heb ontmoet, noemen hun genootschap ‘Abadala abase Khemu’ (ouderen van Ethiopië). Ze zijn niet georganiseerd zoals bij ons in het Westen. Men wordt lid door een zekere geestesontwikkeling en op geen andere manier. Veel leden zouden zich niet bewust zijn van hun lidmaatschap. Er zijn leden van allerlei rangen, van leerlingen zoals ik tot mensen aangeduid als ‘abangoma’ (de wetenden); maar noch Mandhlalanga noch een van zijn geestverwanten die ik ontmoette, beweren iets te weten over die hogere broeders. En boven de ‘abangoma’ zou nog ‘de Oude’ staan, maar wie of wat hij is, is mij niet bekend. Blijkbaar is het een mens, want ik hoorde dat hij ergens in Noord-Afrika zou wonen. Mandhlalanga en anderen zoals hij zijn gewone broeders en beweren de leerlingen van de oudere broeders te zijn, en deze zijn weer leerlingen van ‘de wetenden’.

Dit alles berust eenvoudig op wat ik heb kunnen bijeenbrengen uit losse opmerkingen van mensen die ik kende. Ik zou natuurlijk theorieën en bespiegelingen kunnen uitwerken, maar laat het liever aan mijn lezers over om dit zelf te doen.


Amazwi Wo Mamdala
De Woorden van de Oude

 

De Oude sprak:
Het levenspad is smal en steil en vol gevaar. Wie het wil betreden moet een volwaardig mens zijn geworden. De toegangspoort ervan wordt door een Verschrikkelijke bewaakt, en om hem te overwinnen heeft men de moed van een krijger nodig.

De leerling vroeg:
Zeg mij, o Oude, wat zijn de kenmerken van een volwaardig mens, en van welke aard is de moed van de krijger?

De Oude sprak:
De volwaardige mens en de krijger hebben vier kenmerken:

1. Zijn ogen zijn scherper dan die van de kale gier, hoewel verblind door tranen vanwege de wreedheid van mens tot mens.
2. Zijn oor is gevoeliger dan die van de bruine zandhavik, hoewel doof voor het gedruis van de ontelbare stemmen van de wereld.
3. In de raad van de Ouden weerklinkt zijn stem helder als de toon van een gouden trompet, maar fluistert geen antwoord op de oorlogskreet van zijn vijanden.
4. Hij doorwaadt de stroom van zijn eigen levensbloed en staat aan de andere oever: naakt en gelouterd en onbevreesd in de bijeengekomen raad van de Ouden.

De leerling vroeg:
Zeg mij, o Oude, mag ik, die zwak en bang ben, hopen ooit een volwaardig mens te worden?

De Oude sprak:
Koester hoop, mijn zoon. Doe datgene wat je groei voedt en laat voortaan datgene na wat je tot kind maakt, en je zult snel een volwaardig mens zijn.

De leerling vroeg:
Zeg mij snel, o vader, wat moet ik doen en wat moet ik nalaten, want de kinderjaren zijn een drukkende last en ik verlang ernaar een volwaardig mens te zijn?

De Oude sprak:
Luister dan naar mijn woorden en vergeet ze niet, want langs de weg die ik je zal aangeven en langs geen andere zul je het pad naar het volwaardig mens-zijn vinden.

1. Werk steeds als iemand die zwoegt voor een koninklijke beloning; maar probeer niet je werk te voltooien, want in je taak niet in haar voltooiing ligt je beloning.
2. Houd van het leven, want het leven is je grote leraar: maar heb ook de dood lief, want deze is de andere kant van het leven, en zonder de één kan de ander je niets leren.
3. Verheug je als je lot aangenaam is, maar ook als het ellendig is: vreugde en droefheid zijn je tweelingslaven die vanaf je geboorte met elkaar verbonden zijn en geen van beide kan je van dienst zijn zonder de hulp van zijn broeder.

Op deze manier zet je de eerste stappen op het pad naar het volwaardig mens-zijn.

De leerling zei:
O Oude, ik verlang te groeien, maar mijn hart smeekt mij me af te wenden van het door u aangegeven pad en naar het einde van de wereld te vluchten.

De Oude sprak:
Het hart van de mens is de steeds weer opwellende bron, waarvan het water vergif is voor zijn groei, waardoor onze ogen blind worden voor de rechte weg en ons de dwaalwegen van het leven doet inslaan. Het welt op in zowel het hart van de geduldige leerling als in dat van een onbezorgd levend kind: zolang het stroomt, verspert het de weg naar de staat van een volwaardig mens. Als je je tot die staat wilt verheffen, o leerling, dan moet je je van dit gif in je hart ontdoen: je moet het hart zien verdorren en je leven minder zien worden dan een handvol zand voortgedreven door de woestijnwind. Deze kwelling moet iedereen doorstaan die het pad naar het volwaardig mens-zijn wil betreden: verzamel dus moed om haar onder ogen te zien en te boven te komen.

De leerling vroeg:
O vader, wanneer kan ik verwachten deze afschuwelijke beproeving te moeten doorstaan? Indien nabij, zal ze mij in mijn zwakte dan niet verpletteren? Indien veraf, zal dan haar schaduw mijn dagen niet door angst verduisteren en mijn nachten met kwade dromen vullen?

De Oude sprak:
Niemand kan zeggen wanneer de beproeving komt. Je kunt haar bij de eerste stap die je zet al ontmoeten, of ze kan in hinderlaag voor je liggen als je de drempel van het volwaardig mens-zijn reeds bent genaderd. Blijf dus waakzaam, wees op elk moment voorbereid en richt je hele geest op het versterken van je moed, maar laat geen gedachte bij je opkomen over de strijd waarin alleen je eigen moed je de overwinning kan brengen.

De leerling vroeg:
Ik besef volledig dat groei door lijden wordt teweeggebracht, maar zal aan het lijden ooit een einde komen?

De Oude sprak:
Het lijden is een weg die zich zowel vóór als achter je uitstrekt, maar die helemaal geen lengte heeft op de plaats waar je nu staat. Het verleden ligt achter je en de toekomst strekt zich vóór je uit: beschouw het eerste als afgedaan en kijk niet vooruit naar het tweede, en het lijden bestaat niet langer voor jou.

De leerling zei:
Dat is een beangstigende uitspraak, want zonder de herinnering aan het verleden en het vooruitzicht van de toekomst, lijkt het alsof er een einde aan mijn leven komt.

De Oude sprak:
Heel juist, o leerling: wanneer je het verleden uitwist en het beeld van de toekomst buitensluit, dan verlies je het leven van de mensenwereld, maar met het verdwijnen van het wereldse leven zal het licht van de eeuwigheid beginnen te dagen. O mijn zoon, het nu is het eeuwige. Angst en lijden komen in die toestand niet voor, en de miasmen van de bron van vergif kunnen de atmosfeer van het eeuwige denken niet verontreinigen.

De leerling zei:
Vader, uw wijsheid is wonderbaarlijk; ik vraag u, laat deze mij voortdurend verlichten.

De Oude sprak:
1. Open uw blik voor de mensenwereld: in al het bestaande zie je als in een spiegel een bepaald aspect van jezelf, al dan niet aan jou bekend, dat meer aan jou verwant is dan een broer van vlees; je bent dus nooit alleen. Maar richt de blik ook naarbinnen, op jezelf, en weet dat daarbinnen en niet daarbuiten alle dingen bestaan die uiterlijk worden weerspiegeld; daaruit volgt dat je altijd alleen bent, zonder vriend of vijand, helper of leraar, in alle werelden. Beschouw en leid het leven op beide manieren en je voeten zullen het pad van groei betreden.
2. Overdenk de lessen die door ogen, neus, oren, mond en handen aan jou worden voorgelegd, maar leer deze door jou bedrieglijk bevonden leraren te verachten en te wantrouwen.
3. Verheug je het zaadje te zijn waaruit de volwaardige mens zal groeien, maar bekommer je in het geheel niet om de boom die eens uit het zaadje zal ontstaan. Zie hoe uit het zaadje de torenhoge palm groeit; niet voordat het een krachtige plant is, werkt het zich naar de oppervlakte, waar het door de woestijnzon wordt verschroeid en door de woestijnwind van zijn levenssappen wordt beroofd. Het zoekt de lucht daarboven niet op vóór het diep en stevig geworteld is. Het haast zich niet en drijft niet door, maar wacht af of de wisselende jaargetijden aansporen tot groei of tot stilstand overeenkomstig de wet van de natuur. Leer van de palm en verheug je over je groei. Denk helemaal niet aan de grootte van je gestalte. Stel geen grenzen aan je groei. Deze kent geen grenzen behalve die welke je eraan stelt door wat je zelf wilt en denkt; denk daarom altijd te zullen groeien maar nooit dat je volgroeid zult zijn.

De leerling vroeg:
Verlangen schijnt een deel van mijn leven te zijn, o vader. Wanneer ik dit opgeef, zal ik daarmee niet ook mijn leven opgeven; is er niet één ding waarnaar ik mag verlangen en zo mijn leven behouden?

De Oude sprak:
Er is één ding, en ook maar één ding, waarnaar de leerling mag verlangen. Het verschijnt in zes verschillende vormen en in een zevende die de zes in zich verenigt:

De eerste is dat licht dat in de duistere uithoeken van het bewustzijn verborgen ligt, dat duister is voor het oog van de mensen, maar zonder dat zou het hart niet kunnen kloppen, de mens niet kunnen leven en de ogen van de leerling het pad niet kunnen aanschouwen.

De tweede is dat zelf dat niet het zelf is en pas wordt gevonden wanneer het zelf is vernietigd.

De derde is dat wat in het Zelf ligt begraven, wat in dat Zelf dat niet het zelf is, wordt genaderd; wat nooit door het zelf kan worden beïnvloed, maar zonder dat zou het zelf niet kunnen bestaan.

De vierde is de kracht die kracht vernietigt en de leerling als een pasgeboren baby achterlaat.

De vijfde is die vrede die in het heetst van de strijd wordt gevonden, maar nooit in het vermijden van de strijd.

De zesde is die rijkdom die niets, groot of klein, in alle werelden begeert. Hij die deze bezit, bezit alle leven en verrijkt het, want hij en het leven zijn één.

De zevende, die deze zes omvat en het ene is, is het pad naar het volwaardig mens-zijn.

Let op mijn woorden en neem ze ter harte, o leerling, en wijsheid zal je ten deel vallen. Datgene waarnaar je vol verlangen moet zoeken is niet het volwaardig mens-zijn, maar veeleer de weg die naar die toestand leidt. Zoek deze weg zowel in jezelf als buiten je. Hij ligt in jezelf, want binnenin jezelf wonen alle mensen en dingen. Hij ligt buiten je, want het leven, dat jijzelf bent, woont in alle mensen en alle dingen. Hij is in alle dingen, maar hij wordt niet gevonden in een van deze dingen afzonderlijk. Wanneer je hem in vele dingen en op vele manieren zoekt, zul je hem toch alleen vinden wanneer je al deze dingen en wegen in je eigen zelf hebt verenigd. Kijk niet neer op je vergeefse zoektocht, want alleen door wat verkeerd en onvolmaakt is te leren kennen, kun je het ware en volmaakte gaan beseffen. Kijk niet neer op je onvolmaaktheden en treur niet over je mislukkingen. Door het herkennen van hun ware aard worden ze omgezet in stappen vooruit naar een meer volmaakte staat. Maar wees niettemin op je hoede voor hen: als je erin volhardt en ze goed noemt, houden ze op stappen te zijn en worden ze verleidingen die je tegenhouden. Pas als je ze als onvolkomenheden erkent, worden ze stappen die je helpen om vooruit te gaan. Leer, mijn zoon, dat niets in jouw natuur goed en dat niets slecht is, tenzij het buiten jou staat of jij erbuiten staat. Indien je niet buiten noch achter alles dat in je natuur aanwezig is staat, maar alle dingen in jezelf verenigt, dan zal er voor jou noch goed noch kwaad, geluk noch ellende, voordeel noch verlies zijn, noch iets dat het tegenovergestelde van iets anders is, maar alleen volmaking. Heb je op deze manier je hele wezen in je ware zelf verenigd, dan zul je de weg naar het volwaardig mens-zijn hebben gevonden; en die weg zal noch binnen noch buiten je liggen, maar je zult zelf deze weg zijn, want jij en het pad zijn één.

De leerling vroeg:
Is er een teken waarop ik kan letten, dat me zegt dat mijn voeten de weg naar groei bewandelen?

De Oude sprak:
Zoek de ster, mijn zoon. De ster, o kind dat een volwaardig mens wil zijn, zal op je stralen als er aan de nacht een einde komt en de middernachtstorm bedaart en plaatsmaakt voor de stilte die de nog ververwijderde dageraad aankondigt. Die ster komt niet op en gaat niet onder; ze blijft altijd schijnen boven de voortjagende wolken in de smetteloze onmetelijkheid van de hemel; maar pas nadat de donder is weggestorven en de wolken breken en oplossen, zal haar wonderbaarlijke licht doorbreken en de duisternis van jouw nacht verhelderen.

Deze natuur, waarin je leeft, beweegt en werkt, is zoals de lucht die de machtige bergen in de tussengebieden omringt, de speelplaats en het slagveld van de goden van de storm. Pas als je die vijandige engelen hebt overwonnen, pas als je hen aan banden hebt gelegd, tot rust gebracht en onderworpen aan je wil, zullen de wolken, die hun adem van razernij zijn, zich openen en de stralen van de ster op de lagere aarde laten neerstromen. Heb je deze overwinning behaald, dan zal er een vrede over je komen en in een diepe stilte zal iets heerlijks gebeuren dat je zegt dat de weg is gevonden. Vraag me niet van welke aard hij is, want ik kan het je niet zeggen. Woorden kunnen hem niet beschrijven, noch kan het menselijke verstand hem bevatten. Ongezien door het oog, ongehoord door het oor, niet gevoeld door het hart, en ook niet waargenomen door het verstand: wordt hij gekend met een kennis die boven elke twijfel staat.

De leerling vroeg:
Zeg mij, o Oude, zal de glans van de Ster mij daarna voor altijd vrede brengen?

De Oude sprak:
Nee, mijn zoon. De vrede duurt voort zolang de ster licht verspreidt, maar haar licht straalt misschien maar een moment. Zelfs al verlicht ze je vele levens lang, toch zal haar licht uiteindelijk moeten afnemen. Opnieuw zullen je slaven hun boeien verbreken. Opnieuw zullen ze je omringen met de wolken van hun adem van gramschap. Telkens opnieuw zul je hen moeten bestrijden en overwinnen; zolang ze leven, kunnen de stormgoden niet tot rust komen. Maar de herinnering aan de ster zal je in jouw toekomstige worstelingen begeleiden en je zult weten dat ze altijd boven de stormwolken blijft schijnen. Gesterkt door dit besef, zul je de strijd onder ogen zien, en hoe hevig die strijd ook is, aan je kracht zul je niet meer twijfelen.

Ngiti kuwe salake kahleke.
(Ik zeg u, vrede zij met u.)

 

Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Afrika

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), december 2009, nr. 49.

© 2009 Theosophical University Press Agency