Het evangelie van Judas             English
Bas Rijken van Olst


Lezing gehouden in Den Haag op 11 februari 2007.



In een grot in Midden-Egypte werd in de jaren 70 van de vorige eeuw een manuscript gevonden, dat een tekst getiteld ‘het Evangelie van Judas’ bleek te bevatten en dat in 2006 voor het eerst in het Engels werd vertaald en uitgegeven als The Gospel of Judas from Codex Tchacos1.

Wat is de betekenis van dit Evangelie van Judas? Veel mensen zullen geschokt zijn alleen al als ze de titel horen. Wordt Judas in de Evangeliën van het Nieuwe Testament en in een groot deel van de christelijke traditie immers niet afgeschilderd als de verrader van Jezus die zijn meester overlevert aan de Romeinse autoriteiten? Is de term evangelie niet voorbehouden aan personen die een getrouwe weergave proberen te geven van het leven en werk van meester Jezus, en is een verrader daarvoor wel de geëigende betrouwbare figuur?

Wie is Judas en welke rol speelt hij in het Nieuwe Testament en in dit Evangelie dat zijn naam draagt? Deze vragen hangen nauw samen met de vraag hoe men figuren zoals Jezus en Judas beschouwt. Zijn het historische figuren? Naar de historiciteit van Jezus is veel onderzoek gedaan, zowel binnen de christelijke traditie als daarbuiten, en geleerden zijn in het algemeen tot de conclusie gekomen dat de verslagen in de evangeliën niet letterlijk moeten worden genomen. Het aantal tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en tegenspraken is te groot om het verhaal van Jezus als historisch feit te kunnen aannemen. En er is geen bewijs dat er een historische figuur heeft bestaan die alle handelingen heeft verricht zoals in het Nieuwe Testament aan Jezus worden toegeschreven. De verhalen – en dus ook de kruisiging – hebben veeleer een symbolische, allegorische functie. Dat betekent niet dat er geen wijze figuur kan hebben bestaan die als voorbeeld heeft gediend voor de hoofdpersoon in de evangeliën waaromheen die verhalen zijn geschetst.

In zijn Liberating the Gospels, Reading the Bible with Jewish Eyes2 [Het bevrijden van de evangeliën: het lezen van de bijbel met joodse ogen] laat bisschop John Selby Spong zien dat de verhalen in het Nieuwe Testament grotendeels zijn samengesteld op basis van tekstfragmenten uit het Oude Testament. De joodse traditie is er een van verhaal-vertellers. Deze verhalen, ook die uit het Oude Testament, hadden vaak een symbolische betekenis. Interessant is dat dit boek een hoofdstuk bevat getiteld ‘Judas Iscariot: een christelijke uitvinding?’, waarop we hieronder uitgebreider zullen ingaan. In een boekbespreking van Spongs boek in Sunrise 1998 (blz. 114-8) lezen we het volgende (blz. 114):

De auteur begint met te verklaren dat de evangeliën in wezen joodse boeken zijn, geschreven door joodse mensen voor vroege (joodse) christenen die nog steeds hun religieuze plichten in de synagoge vervulden. Zijn stelling, die hij baseert op het werk van bijbelkenner Michael Goulder, is dat het meeste van wat er in de evangeliën is geschreven verwijzingen betreft naar de verschillende religieuze feesten volgens de joodse liturgische kalender. Spong wijst erop dat de ‘evangeliën joodse pogingen zijn om op een joodse manier het leven van een joodse man te verklaren in wie, zo dacht men, de transcendentie van God tijdens een frisse en krachtige ontmoeting was ervaren’ [Spong, blz. 20]. Die interpretaties waren geen exacte beschrijvingen van wat er historisch was gebeurd of van wat Jezus zei of deed. ‘Verhalen betreffende helden uit het joodse verleden werden versterkt en telkens opnieuw verteld over helden van het huidige moment, niet omdat diezelfde gebeurtenissen zich weer voordeden, maar omdat de werkelijkheid van God die op die momenten werd onthuld vergelijkbaar was met de werkelijkheid van God zoals die in het verleden was gekend. Tijdens deze reis door de evangeliën zullen we zien dat dit beginsel van de midrasj keer op keer wordt toegepast’ [Spong, blz. 36-7].

In zijn hoofdstuk over Judas Iscariot volgt Spong de ontwikkeling van de figuur van Judas door de evangeliën heen. Hij baseert zich op bijbelonderzoek dat een chronologie heeft opgeleverd waarin het Evangelie naar Marcus het oudste is, gevolgd door dat naar Mattheus, dan Lucas en dan Johannes. In de loop van de tijd (in deze evangeliën in deze volgorde) worden steeds meer details toegevoegd over het karakter van Judas. In Marcus is het verhaal over Judas nogal schetsmatig; Mattheus voegt toe dat Judas geld vroeg voor zijn verraad, en vertelt dat zijn motief ‘hebzucht’ was. Lucas voegt toe dat zijn verraad het werk was van Satan die Judas binnenging. In Johannes wordt op de vraag van de discipelen naar de identiteit van de verrader toegevoegd: ‘degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de schaal doop’ (Joh. 13:26). Steeds meer details worden ingevuld die het beeld van Judas steeds negatiever maken die in het oudste evangelie vaag en onduidelijk waren gebleven. In zijn hoofdstuk over Judas vat Spong zijn analyse van de typering van Judas als volgt samen:

Wanneer we alle puzzelstukjes bijeenbrengen ontstaat er beslist een patroon: Uit Zacharias [11:13] krijgen we het verslag van het verraad van de herder-koning van de joden voor dertig zilverlingen. Uit het verhaal van Ahithopel [2 Sam. 17:1-23] krijgen we het beeld van de ene die toen hij de gezalfde van de Heer verraadde naar buiten ging en zichzelf ophing. Zelfmoord stond nog vers in de herinnering van Mattheus, want het verzet van de joden tegen het Romeinse leger was geëindigd in massale zelfmoorden van de laatste joodse soldaten in Masada. Uit het verhaal van Joab [2 Sam. 1-10], krijgen we de kus van verraad en het wegnemen van de darmen van Amasa. Uit Psalm 41 krijgen we het verslag van een vriend die vijand wordt nadat ze samen aan tafel brood eten. Uit het verhaal van Jozef [Gen. 37-50] krijgen we het detail van de broer die Judah (Judas) heette en die besloot om geld te verkrijgen als ruil voor ‘het overhandigen’ van zijn broer aan de heidenen en een vrijwel zekere dood. Hiermee wordt bijna elk detail in de overleveringen van de evangeliën verklaard over degene die men kent als Judas en die Iscariot wordt genoemd. Door deze analyse klinkt de midrasj-creatie van het Judas-verhaal steeds aannemelijker. Het roept op zijn minst de gedachte op dat de meeste details over het leven van Judas per slot van rekening niet letterlijk zijn.    – Op.cit., blz. 270

Misschien is het karakter van Judas zoals dat geleidelijk in het Nieuwe Testament werd vormgegeven te verklaren uit het feit dat de nieuwe religie die later het christendom zou worden steeds minder in verband wilde worden gebracht met de religie van de bewoners van Palestina, de joden, die soms openlijk verzet boden aan de heersers van het Romeinse Rijk. De christenen zochten daarom middelen om in het verhaal over Jezus het gewicht van de schuld van zijn dood te laten verschuiven van de Romeinse heersers die zijn veroordeling hadden geëist en het vonnis – de kruisiging – lieten voltrekken. De schuld werd steeds meer gelegd bij Judas, de discipel die Jezus had verraden. De naam Judas ligt erg dicht bij de term jood – oorspronkelijk bewoner van Judea, of beoefenaar van de joodse religie. Op deze manier zette de nieuwe religie zich af tegen haar bron het jodendom. Dit is een centraal feit bij het ontstaan van anti-semitisme. Het evangelie naar Mattheus bevat de kiem hiervan, wanneer Pontius Pilatus in het evangelieverhaal het volk de keuze geeft om Barabbas of Jezus vrij te laten:

Zij (het volk) zeiden: Barabbas. Pilatus zei tot hen: Wat moet ik doen met Jezus, die Christus wordt genoemd? Zij zeiden allen: Hij moet worden gekruisigd! Hij zei: Wat heeft hij dan toch voor kwaad gedaan? Ze schreeuwden des te meer. Hij moet worden gekruisigd! Toen Pilatus zag dat niets baatte, maar dat er veeleer oproer ontstond, nam hij water, waste ten overstaan van de menigte zijn handen en zei: Ik ben onschuldig aan zijn bloed; u moet zelf maar zien wat er van komt. En al het volk antwoordde en zei: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen!    – 27:21-25

Deze ontwikkeling met haar negatieve beeld van Judas was helemaal niet nodig geweest als men beter had begrepen dat het hele verhaal van Jezus symbolisch was bedoeld. Het Evangelie van Judas is een gnostisch geschrift en werpt evenals soortgelijke teksten – bijvoorbeeld die welke bij Nag Hammadi werden gevonden – een heel ander licht op het vroege nog niet orthodoxe christendom. De eerste christenen hadden geen star dogmatisch denkstelsel maar konden in de eerste eeuwen van onze jaartelling putten uit een veelzijdig gedachtegoed dat toen beschikbaar was. Deze vroege vorm van spiritualiteit benadrukt de gnosis, of letterlijk ‘kennis’ – mystieke kennis, kennis van God en van het essentiële één-zijn van het zelf en god. De term gnosis en ons woord ‘kennen’ zijn etymologisch verwant. Bart D. Ehrman legt in zijn artikel ‘Het christendom op zijn kop gezet: De alternatieve visie van het evangelie van Judas’ uit:

Gnostici zijn zij die ‘kennen’ of ‘weten’. En wat weten ze? Ze kennen geheimen die verlossing kunnen brengen. Want volgens de gnostici wordt iemand niet gered door geloof in Christus, of door het doen van goede werken. Iemand wordt veeleer gered door kennis van de waarheid – de waarheid over de wereld waarin wij leven, over wie de ware God is, en vooral over wie we zelf zijn. Met andere woorden, dit is grotendeels kennis van het zelf. Kennis van waar we vandaan kwamen, hoe we hier kwamen, en hoe we naar ons hemelse thuis kunnen terugkeren. Volgens de meeste gnostici is deze stoffelijke wereld niet ons thuis. We zijn hier gevangen, in deze lichamen van vlees, en we moeten leren hoe we kunnen ontsnappen. Voor die gnostici die ook christenen waren (veel gnostici waren dat niet), is het Christus zelf die ons deze verborgen kennis van boven brengt. Hij onthult de waarheid aan zijn naaste volgelingen, en deze waarheid kan ons bevrijden.     – The Gospel of Judas, blz. 84

In deze gnostische traditie is de ‘kruisiging’ een symbool van het feit dat het hogere zelf (ons geestelijk-goddelijke deel) is geketend in de wereld van de stof. De kruisigingsdood houdt dan het einde in van die kruisiging door een tweede of spirituele geboorte tot stand te brengen waarin de lagere natuur wordt omgevormd en verenigd met de hogere natuur; het vlees ketent ons dan niet langer maar wordt een instrument dienstbaar aan het hogere zelf. De kruisigingsdood verwijst dus veeleer naar een bevrijding dan naar een negatieve gebeurtenis. Deze dood betekent geen letterlijke dood van het fysieke lichaam, maar een achterlaten van de gehechtheden aan de fysieke stof en het zich diepgaand verenigen met de diepste geest van de mens. Deze fase in de spirituele ontwikkeling van de mens wordt soms beschreven als een nieuwe of tweede geboorte, zoals in India waar ingewijden in deze ruimere spirituele kennis dvija’s – tweemaal geborenen – worden genoemd.

In Het Evangelie van Judas staat dat Jezus ‘vaak niet zelf verscheen aan zijn discipelen, maar hij werd in hun midden aangetroffen als een kind’ (cursivering van mij, The Gospel of Judas, blz. 20). De verwijzing naar een kind kan hier eveneens betrekking hebben op iemand die ‘pasgeboren’ of ‘ingewijd’ is in deze spirituele kennis.

In Het Evangelie van Judas wordt Judas anders dan in het Nieuwe Testament gepresenteerd als een positieve figuur. Hij vormt een voorbeeld voor iedereen die een volgeling van Jezus wil zijn. Judas doet precies wat Jezus van hem verlangt. De bijzondere positie van Judas in dit Evangelie blijkt onder andere uit het fragment waarin Jezus tegen Judas zegt: ‘Maar jij zult hen [de andere discipelen] alle overtreffen. Want jij zult de mens opofferen die mij bekleedt [letterlijk die mij ‘draagt’]’ (Op.cit. blz. 43).

Niet Jezus (het hogere deel) wordt geofferd, maar de lagere mens die hem bekleedt. Dit is opnieuw een verwijzing naar inwijding waar het lagere door het hogere wordt overwonnen of beteugeld. Judas die de andere discipelen in inzicht overtreft staat op het punt te worden ingewijd. Men kan de geciteerde zin ook als volgt lezen: Jij (de inwijdingskandidaat) zult de mens (je lagere hartstochten) opofferen die mij (je hogere deel) bekleedt.

Volgens Ehrman is een van de ideeën van de gnostici dat ‘deze wereld niet de schepping is van de ene ware God. De god die deze wereld heeft gemaakt [Yaldabaoth] – de god van het Oude Testament – is een lagere, inferieure godheid. Hij is niet de God die boven alles staat en moet worden vereerd. Hij moet veeleer worden vermeden door de waarheid te leren kennen over het uiteindelijke goddelijke rijk, over deze verdorven materiële wereld, ons gevangenzitten daarin, en hoe we kunnen ontsnappen’ (Op.cit. blz. 86). Deze laatste ideeën lijken veel op gedachten die men ook in het boeddhisme tegenkomt. Dit is niet zo vreemd omdat in de tijd rond het begin van onze jaartelling het gebied rond het oosten van de Middellandse Zee werd bezocht door boeddhistische ‘zendelingen’.

Uit het volgende fragment uit Het Evangelie van Judas blijkt dat alleen Judas een bepaald ontwikkelingsstadium heeft bereikt en kennis heeft van het hogere gebied van de ware God, in tegenstelling tot dat van de lagere schepper-god van het Oude Testament; deze schepper god wordt door de andere discipelen vereerd:

Jezus zei tegen hen (de discipelen), ‘Hoe kunnen jullie mij kennen? Voorwaar [ik] zeg u, geen ‘generatie’ [Eng. ‘generation’; deze term schijnt zoiets te betekenen als een ontwikkelingsstadium van de mensheid] van de mensen die zich onder jullie bevinden zullen mij kennen.

Toen zijn discipelen dit hoorden, begonnen ze boos te worden en te razen en begonnen hem in hun hart te lasteren.

Toen Jezus hun gebrek aan [inzicht] constateerde, [zei hij] tegen hen, Waarom zijn jullie zo opgewonden dat je boos bent geworden? Jullie god die in jullie is en . . . [heeft jullie geprikkeld] tot boosheid in jullie ziel. [Laat] een van jullie die [sterk genoeg] is onder de mensen de volmaakte mens tevoorschijn roepen en voor mij komen staan.

Ze zeiden allen, ‘Wij hebben de kracht’.

Maar hun geesten durfden niet voor hem te gaan staan, behalve Judas Iscariot. Hij was in staat voor hem te staan, maar hij kon hem niet in de ogen zien, en wendde zijn gelaat af.

Judas [zei] tegen hem, ‘Ik weet wie u bent en waar u vandaan bent gekomen. U komt van het onsterfelijke gebied Barbelo. [Dit is het gebied van de ware onsterfelijke goddelijke wezens, niet het lagere rijk van de schepper-god van de joden.] En ik ben onwaardig om de naam uit te spreken van degene die u heeft gezonden. . . .

Jezus zei tegen hem [Judas], ‘Ga ergens afgezonderd van de anderen staan en ik zal je de mysteries van het koninkrijk vertellen. Het is voor jou mogelijk dat te bereiken, maar je zult met veel verdriet te maken krijgen. Want iemand anders zal je plaats innemen opdat de twaalf [discipelen] weer tot voltooiing komen met hun god.’    – Op.cit., blz. 21-3

Dit evangelie eindigt met het ‘verraad’ van Jezus door Judas en niet met de kruisiging van Jezus. De kruisiging wordt helemaal niet genoemd. We vernemen in dit evangelie niets over het feit dat Jezus zou zijn vermoord. Er staat alleen dat hij werd overgedragen aan de schriftgeleerden. Het Evangelie van Judas besluit als volgt:

Hun hogepriesters mompelden omdat [Jezus] de gastenkamer was binnengegaan voor zijn gebed. Maar daar waren sommige schriftgeleerden die zorgvuldig wachtten om hem gevangen te nemen tijdens zijn gebed, want zij waren bang voor het volk, omdat hij door allen als een profeet werd gezien.

Ze naderden Judas en zeiden tegen hem, ‘Wat doe je hier? Je bent de discipel van Jezus.’

Judas gaf hen toen antwoord op hun vraag. En hij ontving wat geld en droeg hem aan hen over.
   – Op.cit., blz. 44-5

Tot slot kan men zich afvragen hoe oud dit nu ontdekte Evangelie van Judas is, en of het een authentiek geschrift betreft. Men heeft altijd al geweten van het mogelijke bestaan van het Evangelie van Judas, omdat de kerkvader Irenaeus, bisschop van Lyon, Frankrijk, dit geschrift noemt in zijn Tegen Ketterijen, in het Latijn geschreven rond het jaar 180 n.Chr. Theologen en wetenschappers hebben dit geschrift tot voor kort niet kunnen bestuderen omdat men niet over een exemplaar ervan beschikte. Kan dit nu ontdekte geschrift dat de titel Het Evangelie van Judas draagt het oorspronkelijke document zijn dat men ruim 1600 jaar niet meer heeft kunnen lezen? Onderzoek van de ouderdom van het nu gevonden manuscript toont aan dat het inderdaad om een authentiek oud document gaat dat rond 280 n.Chr. wordt gedateerd. Dat zegt nog niet wanneer het oorspronkelijk is geschreven, maar omdat Irenaeus ernaar verwijst moet het in ieder geval van vóór 180 n.Chr. zijn.

De publicatie van dit evangelie betekent een nieuwe impuls om de wortels van het christendom nog eens onder de loep te nemen. Ze versterkt het vermoeden dat de ideeën die nu als ‘het christendom’ gelden ver van de oorspronkelijke boodschap van de wijze meester Jezus afstaan.

 

Bronvermelding

1. The Gospel of Judas from Codex Tchacos, edited by Rodolphe Kasser, Marvin Meyer en Gregor Wurst, with additional commentary by Bart D. Ehrman, uitgegeven door National Geographic Society, Washington DC, 2006, 188 blz., gebonden; Het evangelie van Judas, inleiding, vertaling, toelichting door prof. dr. J. van Oort, Uitgeverij Ten Have, Kampen, 2006, 191 blz., gebonden. Alle bladzijdenummers verwijzen naar de Engelse vertaling.
2. Harper SanFrancisco, 1996.

Andere artikelen over christendom

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), september 2007, nr. 40.

© 2007 Theosophical University Press Agency