Enkele woorden over het dagelijks leven*
Geschreven door een meester van wijsheid

*Vertaald uit Lucifer, vol 1, januari 1888, blz. 344-6.

Alleen de goddelijke filosofie, het geestelijk en psychisch samensmelten van de mens met de natuur, kan door het onthullen van de basiswaarheden die achter de voorwerpen van de zintuigen en waarneming liggen, bijdragen aan een geest van eenheid en harmonie, ondanks de grote verschillen tussen onverenigbare geloofsovertuigingen. Daarom verwacht en vraagt theosofie van de leden van de Society een grote wederzijdse tolerantie en mildheid voor elkaars tekortkomingen en dat ze elkaar welwillend helpen bij het zoeken naar waarheden in alle afdelingen van de natuur – morele en fysieke. En deze ethische norm moet vastberaden in het dagelijks leven worden toegepast.

Theosofie moet niet slechts een verzameling morele waarheden naar voren brengen, een bundel metafysische ethiek, samengevat in theoretische verhandelingen. Theosofie moet in de praktijk worden toegepast; en ze moet daarom worden ontdaan van nutteloze uitweidingen in de zin van onsamenhangende lezingen en mooie woorden. Laat iedere theosoof alleen zijn plicht doen, dat wat hij kan en zou moeten doen, en al snel zult u zien dat de som van menselijk leed in en rondom de gebieden van iedere afdeling van de Theosophical Society zal zijn verminderd. Vergeet het zelf door voor anderen te werken – en de taak zal voor u gemakkelijk en licht worden. . . .

Beroep u niet op de waardering en erkenning van dat werk door anderen. Waarom zou een lid van de Theosophical Society dat ernaar streeft een theosoof te worden enige waarde hechten aan wat anderen denken over hemzelf en zijn werk, zolang hijzelf weet dat het nuttig is en het andere mensen ten goede komt? Menselijke lof en menselijk enthousiasme duren in het gunstigste geval maar even; daarop volgt ongetwijfeld het gehoon van de bespotter en de veroordeling van de onverschillige toekijker, die in het algemeen de lovende woorden van vriendelijke mensen tenietdoen.

Minacht de mening van de wereld niet, en daag haar ook niet onnodig uit tot het leveren van ongerechtvaardigde kritiek. Blijf liever even onverschillig voor beledigingen als voor lof van diegenen die u nooit kunnen kennen zoals u werkelijk bent, en die daarom moeten toezien dat u door beide onbewogen blijft, terwijl u aan de goedkeuring of veroordeling door uw eigen innerlijke zelf altijd een grotere waarde toekent dan aan die door de menigten.

Diegenen onder u die zichzelf in een geest van waarheid willen leren kennen, moeten leren op zichzelf te staan zelfs te midden van de grote menigten die u misschien soms omringen. Zoek alleen contact en omgang met de god in uw eigen ziel; sla alleen acht op de goed- of afkeuring van die godheid die nooit van uw werkelijke zelf kan worden gescheiden, want ze is zelf die god: het hogere bewustzijn. Breng zonder uitstel uw goede voornemens in praktijk, en laat er nooit één slechts een voornemen blijven – en verwacht intussen noch beloning noch zelfs erkenning voor het goede dat u misschien heeft verricht.

Beloning en erkenning bestaan in uzelf en zijn onafscheidelijk van u, omdat alleen uw innerlijke zelf ze op hun juiste waarde kan schatten. Want ieder van u bevat in de diepten van zijn innerlijke tabernakel het Hoogste Gerechtshof – aanklager, verdediging, jury en rechter – en tegen zijn oordeel kan men niet in hoger beroep gaan; omdat niemand u beter kan kennen dan uzelf wanneer u eenmaal heeft geleerd dat zelf te beoordelen naar het nooit flikkerende licht van de innerlijke godheid – uw hogere bewustzijn. Laat daarom het grote publiek, dat nooit uw ware zelf kan kennen, uw uiterlijke zelf veroordelen aan de hand van hun verkeerde inzichten. . . .

De meerderheid van de openbare Areopagus bestaat in het algemeen uit zelfaangewezen rechters, die nooit een permanente godheid hebben gemaakt van enig ander idool dan hun eigen persoonlijkheden – hun lagere zelven. Diegenen die in hun dagelijks leven hun eigen innerlijke licht proberen te volgen, zullen anderen die zwakker zijn dan zijzelf nooit beoordelen, en nog minder veroordelen. Wat doet het er dan toe of de eerstgenoemden u veroordelen of hun lof over u uitspreken, of dat ze u vernederen of u op een voetstuk plaatsen? In beide gevallen begrijpen ze u toch niet. Ze maken een idool van u zolang ze zich inbeelden dat u een getrouwe spiegel bent van henzelf op het voetstuk of altaar dat ze voor u hebben opgericht, en zolang u ze vermaakt of nuttig voor hen bent. U kunt niet verwachten iets anders voor hen te zijn dan een tijdelijke fetisj, een opvolger van een andere fetisj die zojuist is afgedankt, en u zult op uw beurt worden opgevolgd door een ander idool. Laat daarom degenen die dat idool hebben gemaakt het vernietigen wanneer ze dat willen, het naar beneden halen met even weinig reden als ze hadden om het op te richten. Uw westerse samenleving kan evenmin zonder haar kortstondige kalief dan dat ze er één gedurende een langere periode kan aanbidden. En wanneer ze een idool afbreekt en het dan met modder besmeurt, is het niet het model maar het misvormde beeld, dat door haar eigen troebele fantasie is geschapen en dat ze met haar eigen ondeugden heeft begiftigd, dat de samenleving onttroont en kapotslaat.

Theosofie kan pas werkelijk tot uitdrukking komen in een alles omarmende manier van leven, volledig doordrongen van de geest van wederzijdse verdraagzaamheid, welwillendheid, en broederlijke liefde. Haar Society heeft als organisatie een taak vóór zich die, tenzij ze met uiterste discretie wordt uitgevoerd, ertoe zal leiden dat de wereld van de onverschilligen en zelfzuchtigen ertegen in opstand zullen komen.

Theosofie moet onverdraagzaamheid, vooroordelen, onwetenheid en zelfzucht, die zich verbergen onder de mantel van hypocrisie, bestrijden. Ze moet de toorts van de waarheid, die haar dienaren is toevertrouwd, zoveel mogelijk licht laten uitstralen. Ze moet dit doen zonder angst of aarzeling, zonder afkeuring of veroordeling te vrezen. Theosofie moet bij monde van haar Society de waarheid vertellen in het gezicht van de leugen; zich in het hol van de leeuw wagen, zonder gedachten aan of angst voor slechte gevolgen, en laster en dreigementen trotseren.

Als organisatie heeft ze niet alleen het recht, maar ook de plicht om het kwaad te ontmaskeren en onrecht recht te zetten, mondeling door haar gekozen sprekers of door haar tijdschriften en publicaties – waarbij ze haar beschuldigingen echter zo onpersoonlijk mogelijk uit. Maar haar leden hebben dat recht individueel niet. Haar volgelingen moeten in de eerste plaats het voorbeeld geven van een duidelijk omschreven en vastberaden toegepaste moraal voordat ze, zelfs in een geest van vriendelijkheid, het recht verwerven om te wijzen op het ontbreken van eenzelfde ethische verbondenheid en doelgerichte toewijding bij andere organisaties of individuen.

Geen theosoof zou een broeder moeten beschuldigen of deze zich nu binnen of buiten de organisatie bevindt; noch mag hij een smet op iemands handelingen werpen of hem openlijk aanklagen, want anders verliest hijzelf het recht om als theosoof te worden beschouwd. Want dan zou hij zijn blik van de onvolkomenheden van zijn medemens moeten afhouden, en de aandacht richten op zijn eigen tekortkomingen, zodat hij ze kan verbeteren en wijzer kan worden. Laat hij niet wijzen op het niet overeenstemmen van de beweringen en de handelingen van een ander, maar, of het nu gaat om een broeder, een naaste, of eenvoudig een medemens, laat hij liever altijd iedereen die zwakker is dan hijzelf helpen op het moeilijke levenspad.

De uitdaging van werkelijke theosofie en haar verheven opdracht zijn ten eerste het uitwerken van duidelijke ondubbelzinnige omschrijvingen van ethische ideeën en plichten, die het beste en meest volledig overeenstemmen met de goede en altruïstische gevoelens van mensen; en ten tweede, deze denkbeelden te modelleren tot vormen die in het dagelijks leven met het grootst mogelijke nut kunnen worden toegepast.

Dat is het algemene werk dat al diegenen te doen staat die bereid zijn op basis van deze beginselen te handelen. Het is veel werk, en vraagt om zware en voortdurend volgehouden inspanning; maar het moet u onmerkbaar tot vooruitgang leiden, en u geen ruimte laten voor zelfzuchtige aspiraties buiten de aangegeven grenzen. . . . Geef niet persoonlijk toe aan het maken van een onbroederlijke vergelijking tussen de taak die uzelf heeft vervuld en het werk dat uw naasten en broeders onverricht hebben gelaten. Op het theosofische terrein wordt van niemand verlangd een groter stuk grond te wieden dan zijn kracht en talenten hem zullen toestaan.

Oordeel niet te streng over de verdiensten en tekortkomingen van iemand die tot uw gelederen wil worden toegelaten, want de waarheid over de werkelijke toestand van de innerlijke mens kan alleen door karma worden gekend, en alleen die alziende wet kan op een rechtvaardige manier daarop reageren. Zelfs de eenvoudige aanwezigheid van één welwillend en sympathiek individu helpt u misschien magnetisch. . . . U bent de vrijwillige werkers op de velden van waarheid, en als zodanig moet u geen obstakels plaatsen op het pad dat naar dat veld leidt.

De mate van succes of mislukking zijn de bakens die de meesters moeten volgen, omdat ze de barrières vormen die u met uw eigen handen heeft geplaatst tussen uzelf en diegenen die u heeft gevraagd om uw leraren te zijn. Hoe dichter u nadert tot het beoogde doel – des te korter de afstand tussen de leerling en de meester.

Andere artikelen over theosofie, het Theosofisch Genootschap, theosofen

De mahatma brieven aan A.P. Sinnett


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), juni 2006, nr. 35.

© 2006 Theosophical University Press Agency