Leo Tolstoi (1828-1910)

De alchemie van de ziel
Leo Tolstoi

 


[In een artikel ‘The science of life’ uit 1887 (Blavatsky Collected Writings, 8:240-9), schrijft HPB:

. . . het leven, en alles wat daarmee verband houdt, hoort rechtmatig tot het terrein van de metafysicus en psycholoog, en de fysieke wetenschap maakt er geen aanspraak op. . . . Scalpels en microscopen kunnen misschien het mysterie van de stoffelijke delen van het omhulsel van de mens oplossen; ze kunnen nooit een venster openen naar zijn ziel om ook maar het geringste uitzicht te krijgen op de meer uitgestrekte gebieden van het zijn.
   De enige denkers die met enig succes worden beloond zijn degenen die, door gehoor te geven aan de vermaning van Delphi, het leven in hun innerlijke zelf hebben leren kennen, en het grondig in zichzelf hebben bestudeerd, vóór ze proberen de weerspiegeling ervan in het uiterlijke omhulsel te ontdekken en te analyseren. . . .
   Een van zulke filosofen is ontegenzeglijk de grote Russische romanschrijver en hervormer Graaf Leo N. Tolstoi. Hoe dicht zijn opvattingen de esoterische en filosofische leringen van de hogere theosofie benaderen, blijkt uit de volgende fragmenten uit een lezing die hij voor de plaatselijke Psychologische Vereniging in Moskou hield.

Na de hieronder opgenomen passages te hebben geciteerd, zegt HPB: ‘het leest als de echo van de meest verheven leringen van de universele ethiek van ware theosofie. . . . Men zou het een verhandeling over de alchemie van de ziel kunnen noemen.’


 

Laten we een ogenblik aannemen dat de wetenschap alles wat ze over het leven te weten wil komen, heeft geleerd, en nu weet; dat het probleem zo helder als glas is geworden; dat het duidelijk is hoe door eenvoudige aanpassing organische stof is ontstaan uit anorganisch materiaal; dat het duidelijk is hoe natuurkrachten kunnen worden getransformeerd in gevoelens, wil en gedachten, en dat dit tenslotte allemaal bekend is, niet alleen bij studenten in de stad maar ook bij elke scholier in een dorp.

Dan ben ik me ervan bewust dat die en die gedachten en gevoelens voortkomen uit die en die trillingen. Goed, en wat dan? Kan ik dan wèl of niet zulke trillingen voortbrengen en sturen teneinde overeenkomstige gedachten in mijn hersenen op te wekken? De vraag welke gedachten en gevoelens ik in mijzelf en in anderen zou moeten opwekken, blijft niet alleen onopgelost, maar is zelfs nog onaangeroerd.

Toch is juist dit de ene fundamentele vraag van de kerngedachte van het leven.

De wetenschap heeft als haar doel enkele verschijnselen uitgekozen die met het leven samenhangen, en daarmee ten onrechte het deel aangezien voor het geheel, en toch deze uitingen van het leven het alomvattende totaal van het leven genoemd.

De vraag die onlosmakelijk is van het idee van het leven, is niet vanwaar het leven komt, maar hoe een mens dat leven zou moeten leven; en alleen door met deze vraag te beginnen kan men hopen in de buurt te komen van een oplossing van het probleem van het bestaan.

De vraagstelling ‘Hoe moeten we leven?’ lijkt zo simpel voor ons dat we het nauwelijks de moeite waard vinden erbij stil te staan. . . .

Je moet zo goed leven als je kunt – dat is alles. Dit lijkt op het eerste gezicht heel eenvoudig en iedereen weet het, maar het is lang niet zo eenvoudig en goed bekend als men wel zou denken. . . .

Het leven komt de mens in het begin voor als de meest eenvoudige en vanzelfsprekende zaak ter wereld. Allereerst lijkt het hem dat het leven in hemzelf is, in zijn eigen lichaam. Maar zodra iemand gaat zoeken naar dat leven op elke willekeurige plaats in dat genoemde lichaam, stuit hij op moeilijkheden. Het leven zit niet in het haar en evenmin in de nagels; noch is het in de voet of de arm, die beide kunnen worden geamputeerd; het zit niet in het bloed, het zit niet in het hart, en het is niet in de hersenen. Het is overal en nergens. Het komt hierop neer: het leven kan niet in een van zijn verblijfplaatsen worden gevonden.

Dan begint de mens te zoeken in de tijd; en ook dat lijkt in het begin een heel eenvoudige zaak. . . . Maar zodra hij zijn speurtocht is begonnen, merkt hij dat ook hier de zaak gecompliceerder is dan hij had gedacht. Ik heb 58 jaar geleefd, zegt mijn kerkelijk doopregister. Maar ik weet dat van die 58 jaar ik meer dan 20 jaar heb geslapen. Hoe zit het nu? Heb ik al die jaren geleefd of niet? Trek daar de maanden af van de zwangerschapsperiode en die welke ik doorbracht in de armen van een kindermeisje, en moeten we dit ook leven noemen? Van de overblijvende 38 jaar weet ik vervolgens dat ik ruim de helft van die tijd slapend heb rondgelopen; en daarom zou ik in dat geval evenmin kunnen zeggen of ik in die tijd leefde of niet. Het kan zijn dat ik een beetje leefde, en een beetje vegeteerde.

Ook hier ontdek je dat zowel in de tijd als in het lichaam het leven overal is en nergens. En nu komt de vraag natuurlijk op, vanwaar komt dan dat leven dat ik nergens kan opsporen? Nu wil ik het weten. . . .

Maar het schijnt dat ook in deze richting, wat eerst zo gemakkelijk leek, nu onmogelijk blijkt te zijn. Ik moet beslist op zoek zijn geweest naar iets anders, niet naar mijn leven.

Dus als we op zoek moeten naar de verblijfplaats van het leven – als we dat al moeten – dan kan dat noch in ruimte of tijd zijn, noch als oorzaak of gevolg, maar als iets dat ik in mijzelf erken als volkomen onafhankelijk van Ruimte, tijd en causaliteit.

Wat nu resteert is het zelf te onderzoeken. Maar hoe kan ik bewust worden van het leven in mijzelf?

Hier volgt hoe ik me dat bewust kan worden. Om te beginnen weet ik dat ik leef; en dat ik leef terwijl ik voor mezelf al het goede wens, dat ik dit wens zolang ik mijzelf kan herinneren, tot op de huidige dag, en van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Al wat buiten me leeft is in mijn ogen van belang, maar slechts in zoverre het bijdraagt tot mijn welzijn. In mijn visie is het universum alleen maar van belang omdat het mij plezier kan bezorgen.

Ondertussen is er iets anders nauw verbonden aan deze kennis in me van mijn bestaan. Onafscheidelijk van het leven dat ik voel is er nog een besef dat daarmee samenhangt; namelijk dat ik, naast mijzelf, omgeven ben door een hele wereld van levende wezens, die net als ik een instinctief besef hebben van hun exclusieve leven; dat al deze schepselen leven voor hun eigen doeleinden die mij vreemd zijn; dat die schepselen niets afweten van mijn aanspraken op een exclusief leven en daarin ook niet geïnteresseerd zijn; en dat al deze schepselen, om hun doel met succes te bekronen, bereid zijn mij op elk moment uit de weg te ruimen. Maar dit is niet alles. Terwijl ik de vernietiging waarneem van schepselen die in alles overeenkomen met mezelf, weet ik ook dat dit kostbare mij – en het leven is alleen daarin vertegenwoordigd – een zeer spoedige en onvermijdelijke vernietiging te wachten staat.

Het is alsof er twee ‘ikken’ in de mens zijn; het is alsof die nooit met elkaar in vrede kunnen leven; het is alsof ze eeuwig met elkaar in gevecht zijn, en altijd proberen elkaar te verdrijven.

Het ene ‘ik’ zegt: ‘alleen ik leef zoals het hoort, de rest lijkt alleen maar te leven. Daarom is de hele raison d’être (zin van het bestaan) van het universum dat ik het naar mijn zin heb.’

Het andere ‘ik’ antwoordt: ‘Het universum is er helemaal niet voor jou, maar heeft zijn eigen doeleinden, en is er weinig in geïnteresseerd of jij gelukkig bent of ongelukkig.’

Hierna wordt het leven iets vreselijks!

Het ene ‘ik’ zegt: ‘Ik wil alleen maar de bevrediging van al mijn wensen en begeerten, en daarvoor heb ik het universum nodig.’

Het andere ‘ik’ antwoordt: ‘Alle dierlijke leven leeft slechts om zijn wensen en begeerten te vervullen. Alleen de wensen van dieren worden bevredigd ten koste en ten nadele van andere dieren; vandaar de onafgebroken strijd tussen de diersoorten. Je bent een dier en daarom moet je strijden. Echter hoe succesvol je ook bent in je strijd, de rest van de strijdende schepselen zullen je vroeg of laat vermorzelen!’

Nog erger! Het leven wordt steeds vreselijker. . . .

Maar het ergste van alles, datgene wat in zich het gehele voorafgaande omvat, is dat het ene ‘ik’ zegt: ‘Ik wil leven, eeuwig leven.’ En het andere ‘ik’ antwoordt: ‘Je zult vast en zeker, misschien binnen enkele minuten sterven; en eveneens zullen allen die je liefhebt sterven, want jij en zij vernietigen met elke beweging jullie leven, en naderen zo steeds dichter lijden, dood, alles wat je zo haat, en waar je meer dan voor wat dan ook bang voor bent.’

Dit is het allerergste. . . . Deze toestand te veranderen is onmogelijk. . . . Je kunt nalaten te bewegen, te slapen, te eten, zelfs adem te halen, maar aan denken kun je niet ontkomen. Men denkt, en die gedachte, mijn gedachte, vergiftigt elke stap in mijn leven, als persoonlijkheid.

Zodra een mens is begonnen om bewust te leven, zal dat bewustzijn hem onafgebroken, telkens en telkens weer, hetzelfde voorhouden. ‘Een leven te leven zoals je dat aanvoelt en ziet in je verleden, het leven zoals de dieren en ook vele mensen dat leven, op die manier geleefd, waardoor je bent geworden wat je nu bent – is niet meer mogelijk. Zou je dat toch proberen te doen dan zou je nooit kunnen ontsnappen aan de strijd met de hele wereld van schepselen die leven als jij – voor hun persoonlijke doeleinden. En dan zullen deze schepselen je onvermijdelijk vernietigen.’ . . .

Deze situatie te veranderen is onmogelijk. Er rest maar één ding, en dat wordt altijd gedaan door hem die begint te leven en zijn doeleinden in het leven buiten zichzelf plaatst, en probeert die te bereiken. . . . Maar hoever hij deze doeleinden ook buiten zijn persoonlijkheid plaatst, geen ervan zal hem bevredigen wanneer zijn denken helderder wordt.

Bismarck, die Duitsland heeft verenigd en nu Europa regeert, moet – als zijn verstand enig licht heeft geworpen op het resultaat van zijn doen en laten – evengoed als zijn kok die het eten klaarmaakt dat binnen een uur verslonden is, dezelfde onopgeloste tegenstelling zien tussen de ijdelheid en dwaasheid van alles wat hij heeft gedaan, en het eeuwige en de redelijkheid van dat wat altijd bestaat.

Als ze dat maar wilden overdenken, dan zou ieder van hen even duidelijk inzien:

Ten eerste, dat het behoud van Bismarcks maaltijd, evenals dat van het machtige Duitsland, alleen te danken is aan het bewaken van de eerstgenoemde door de politie en het behoud van de laatste door het leger; en dat slechts zolang beide goed oppassen, omdat er uitgehongerde mensen zijn die graag de maaltijd zouden opeten, en naties die met plezier even machtig willen zijn als Duitsland.

Ten tweede, dat noch het eten van Bismarck, noch de macht van het Duitse keizerrijk samenvalt met de doeleinden van het universele leven, maar daarmee in flagrante tegenspraak zijn.

En ten derde, dat degene die het eten klaarmaakte, en ook de macht van Duitsland, beide heel snel zullen ophouden te bestaan, en dat evenzo en even snel zowel het eten als Duitsland zullen vergaan. Alleen het universum zal overleven, en zal nooit ook maar één gedachte wijden aan òf het eten òf Duitsland, en het minst van al aan degenen die deze klaarmaakten.

Als het verstandelijke vermogen van de mens toeneemt, zal het idee bij hem opkomen dat geluk dat samenhangt met zijn persoonlijkheid geen prestatie is, maar niet meer dan een noodzaak. Persoonlijkheid is slechts dat aanvangsstadium van waaruit het leven begint, en de uiterste begrenzing van het leven. . . .

Waar begint dan het leven, en waar eindigt het, kan mij worden gevraagd? Waar eindigt de nacht en waar begint de dag? Waar op het strand eindigt het domein van de zee, en waar begint het domein van het land?

Er is dag en er is nacht; er is land en er is zee; er is leven en er is geen leven.

Ons leven is, vanaf het moment van onze bewustwording, als de beweging van een slinger tussen twee uitersten.

De ene begrenzing is een absolute onverschilligheid voor het leven van het oneindige universum, een energie die slechts gericht is op het bevredigen van de eigen persoonlijkheid.

De andere begrenzing is een volledig afzien van die persoonlijkheid, de grootste betrokkenheid met het leven van het oneindige universum, er volkomen mee harmoniëren, het richten van al onze begeerten en goede wil op dat oneindige universum en alle schepselen buiten ons en niet langer op het eigen zelf. [Dit is wat theosofen ‘het leven leiden’ noemen – in een notendop. – HPB]

Hoe dichter bij de eerste begrenzing, des te minder leven en gelukzaligheid; hoe dichter bij de tweede, des te meer leven en gelukzaligheid. Daarom beweegt de mens zich altijd van het ene einde naar het andere; m.a.w. hij leeft. Deze beweging is het leven zelf.

En als ik spreek over leven, weet dan dat het idee daarvan in mijn opvatting onlosmakelijk verbonden is met dat van bewust leven. Er is me geen ander leven bekend dan bewust leven, en evenmin kan dat bekend zijn aan wie dan ook.

Wij noemen leven, het leven van de dieren, organisch leven. Maar dit is helemaal geen leven, slechts een bepaalde staat of toestand van leven die zich aan ons manifesteert.

Maar wat is dit voor bewustzijn of denkvermogen dat de persoonlijkheid buitensluit en de energie van de mens overbrengt naar iets buiten hem en naar die toestand die wij beschouwen als de gelukzalige staat van liefde?

Wat is bewust denkvermogen? Alles wat we definiëren, moeten we definiëren met ons bewuste denken. Dus waarmee zullen we het denken definiëren . . . ?

Als we alles moeten definiëren met ons denkvermogen, volgt daaruit dat het bewuste denken niet kan worden gedefinieerd. Niet alleen kennen we het toch allemaal, maar het is het enige wat ons gegeven is om onbetwistbaar te weten. . . .

Het is dezelfde wet als de wet van het leven van al het organische, dierlijke of plantaardige leven, met dat ene verschil dat wij de toepassing zien van een intelligente wet in het leven van een plant. Maar de wet van het bewuste denken, waaraan wij onderworpen zijn zoals de boom onderworpen is aan zijn wet, die zien we niet, maar we vervullen haar. . . .

We hebben afgesproken dat leven iets is dat niet ons leven is. Hierin ligt de wortel van ons dwalen. In plaats van dat leven te bestuderen waarvan we ons in onszelf bewust zijn, absoluut en als enigen – omdat we niets anders kunnen kennen – teneinde dat te bestuderen, nemen we datgene waar waaraan de belangrijkste factor en het belangrijkste vermogen van ons leven ontbreekt, namelijk, verstandelijk bewustzijn. Daardoor handelen we zoals iemand die een onderwerp probeert te bestuderen door middel van de schaduw of weerspiegeling daarvan. . . .

Zodra een mens zijn geloof in het leven heeft verloren, zodra hij dat leven heeft omgevormd in dat wat geen leven is, wordt hij ongelukkig en ziet de dood. . . .

De mens die het leven begrijpt zoals hij het in zijn bewustzijn aantreft, kent ellende noch dood: want al het goede in het leven ligt voor hem in het onderwerpen van zijn dier aan de wet van de rede, wat niet alleen in zijn macht ligt, maar onvermijdelijk in hem plaatsvindt. De dood van deeltjes in het dier, kennen we. De dood van de dieren en van de mens als dier, kennen we. Maar we weten helemaal niets van de dood van het bewuste denken, en evenmin kunnen we daar iets van weten, juist omdat het bewuste denken het leven zelf is. En Leven kan nooit Dood zijn. . . .

Het dier leidt een bestaan van gelukzaligheid, zonder de dood te zien of te kennen, en sterft zonder zich ervan bewust te zijn. Waarom zou dan de mens de gave hebben ontvangen die te zien en te kennen, en waarom moet de dood zo vreselijk voor hem zijn dat die zijn ziel in feite martelt, en hem vaak ertoe dwingt zichzelf te doden, louter uit angst voor de dood? Waarom moet dat zo zijn? Omdat de mens die de dood ziet een zieke mens is, iemand die de wet van zijn leven heeft overtreden, en niet langer een bewust bestaan leidt. Hij is zelf een dier geworden, een dier dat ook de wet van het leven heeft overtreden.

Het leven van de mens is een streven naar gelukzaligheid, en dat waarnaar hij streeft zal hem worden gegeven. Het licht dat in de ziel van de mens is ontstoken is gelukzaligheid en leven, en dat licht kan nooit duisternis zijn, want er bestaat voor de mens enkel en alleen dit licht dat brandt in zijn ziel.

Andere artikelen over waarheid en ethiek

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), september 2005, nr. 32.

© 2005 Theosophical University Press Agency