omslag boek JainismeBoekbespreking
Bas Rijken van Olst

 

Jainisme – een introductie, Rudi Jansma, Ankh-Hermes, Deventer,
2005; isbn 9020283561, 179 blz., paperback.


 

In dit boek leidt Rudi Jansma ons in in de wereld van het jainisme. Het jainisme is duizenden jaren oud en in het westen nog nauwelijks bekend, maar in India springlevend. De jains vormen daar een relatief kleine bevolkingsgroep van ongeveer 7,5 miljoen mensen.

Het jainisme onderwijst een eenvoudige goddelijke levenswijze van geweldloosheid en ethiek, een pad dat door iedereen kan worden gevolgd. Het kent geen goden, maar wel leraren, de zogenaamde tirthamkara’s, letterlijk zij die een doorwaadbare plaats hebben gevonden waardoor men de rivier van het aardse bestaan veilig kan oversteken naar ‘de andere oever’ – symbool voor de bevrijding en het geestelijke leven. Er zijn in totaal 24 van deze tirthamkara’s geweest. De laatste was Mahavira die ongeveer 2500 jaar geleden leefde en onder andere de volgende uitspraken deed:

‘De functie van levende wezens is elkaar te helpen.’
‘Alles wat we zijn is het resultaat van onze gedachten.’

Hier zien we heel kernachtig de kiem van de hele jainfilosofie. Het pad dat in de leringen van de jains wordt geschilderd betreft een weg tot ‘verbetering van de ziel door middel van juist inzicht, juiste kennis en juist gedrag, zodat de karma’s die toestromen van het goede type zijn, dan wel dat er helemaal geen karma’s meer toestromen en zich aan de ziel hechten’ (blz. 108).

‘Om de jainistische leringen wat betreft karma te begrijpen, is het van cruciaal belang om het verschil tussen bhava-karma en dravya-karma te kennen. Dit onderscheid komt als zodanig alleen in het jainisme voor. ‘Bhava’ verwijst naar de mentale activiteit van de ziel en ‘dravya’ naar de karmische materie die wordt aangetrokken als gevolg van bhava’ (blz. 57).

Bij materie wordt gedoeld op meer of minder subtiele materiedeeltjes (hierbij wordt gesproken over karma’s in het meervoud) die door ons kunnen worden aangetrokken. Bijvoorbeeld hartstochten en heftige emoties zijn de oorzaak van de instroom van zulke subtiele materiedeeltjes die dan aan de ziel kleven ‘als stof aan een vette doek’.

De jains verdelen de karma’s die men kan ervaren ruwweg in twee hoofdklassen: 1) destructieve karma’s, die de essentiële aard van de ziel aanvallen en verduisteren; 2) niet-destructieve karma’s, die de essentiële aard van de ziel niet verduisteren. Hun leringen zijn heel gedetailleerd, waarbij 148 typen karma’s worden onderscheiden.

‘Het uiteindelijke doel van de pelgrimstocht van de ziel door alle vormen in ruimte en tijd is volledig bewuste vereniging met de inherente kwaliteiten van de ziel: oneindige kennis, oneindige zuiverheid en oneindige vrijheid binnen dit universum’ (blz. 138-9).

Om dit doel te bereiken wordt een ‘veertienvoudig pad naar vrijheid’ geschetst. Het eerste stadium daarvan wordt ‘vals wereldbeeld’ (vergelijkbaar met onwetendheid in het boeddhisme) genoemd en duidt op de ‘normale’ toestand waarin de meerderheid van de mensheid zich bevindt en waarin de ziel is gekluisterd door hartstochten en illusies die haar sinds het beginloze verleden in hun greep hebben gehouden.

‘Het veertiende en laatste stadium wordt bereikt door een arhat kort voordat hij zijn fysieke lichaam verlaat. Alle trillingen van de ziel die karma’s aantrekken en de oorzaak zijn van gebondenheid zijn opgehouden. . . . Zeer zelden – in harmonie met de wet van de cyclussen en hun eigen karma – blijven sommige arhats op aarde als alwetende en bevrijde leraren ten gunste van de mensheid en alle levende wezens. Hun karma is dat van universeel mededogen en universele naastenliefde voor al degenen die naar het hogere streven. Zulke wezens zijn de tirthamkara’s . . .’ (blz. 147).

Naast een uitvoerige en interessante bespreking van bovengenoemde onderwerpen, besteedt Rudi Jansma in aparte hoofdstukken aandacht aan de biologie van de jains; deze omvat niet alleen planten, dieren, mensen en mineralen, maar ook onzichtbare intelligente levensvormen die ieder hun eigen functie vervullen in de natuur. Verder zijn er afzonderlijke hoofdstukken over ‘yoga en meditatie’, de kosmologie van de jains, en ‘kunst en archeologie’.

Het boek is vlot en onderhoudend geschreven, vooral die hoofdstukken waarin Rudi ons uit eigen ervaring laat kennismaken met de dagelijkse praktijk van het leven van zowel leken als monniken. Hij schetst mensen die een ascetische weg gaan en daarbij een warme vriendelijkheid uitstralen. Deze introductie wordt van harte aanbevolen.

Religie en filosofie: jainisme


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), maart 2005, nr. 30.

© 2005 Theosophical University Press Agency