Damodar K. Mavalankar – theosofische pionier
David Pratt

H.P. Blavatsky en H.S. Olcott vertrokken eind 1878 uit New York naar India. In februari 1879 arriveerden ze in Bombay, waar ze tijdelijk hun hoofdkwartier vestigden. Enkele maanden later kwam een jonge hindoe hen helpen met hun theosofische werk: Damodar K. Mavalankar.

Damodar werd in september 1861 geboren in een rijke familie van brahmanen in Ahmedabad. Zijn vader leerde hem de beginselen van zijn religie en hij ontving ook een uitstekende opleiding in het Engels. Tussen zijn tiende en veertiende jaar gaf hij zich over aan de orthodoxe praktijken van zijn geloof. Later werden zijn religieuze handelingen verdrongen door zijn academische studies, maar zijn religieuze ideeën en aspiraties bleven ongewijzigd tot midden 1879. Toen kwam hij in contact met de theosofie door het lezen van Isis Ontsluierd. In juli 1879 vroeg hij het lidmaatschap van de TS aan en hij werd op 3 augustus aangenomen, een maand vóór zijn achttiende verjaardag.1

Als kind had Damodar een zeer ernstige ziekte en de artsen twijfelden of hij zou overleven. Maar terwijl hij aan de rand van de dood stond, zag hij in een visioen een goddelijke figuur die hem een bijzonder medicijn gaf, waarna hij begon te herstellen. Enkele jaren later zag hij, terwijl hij aan het mediteren was, dezelfde persoon en bij een andere gelegenheid redde de man hem nog eens uit de klauwen van de dood.2 Nadat hij lid was geworden van de TS, ontmoette hij verschillende leden van de Himalaja-broederschap in zowel hun astrale als fysieke lichamen, en ontdekte dat de wijze die hij al drie keer had gezien mahatma Kuthumi was, die zijn goeroe werd.

In september 1879 begon Damodar op het hoofdkwartier van de TS te werken, en in januari 1880 ging hij daar blijvend wonen, nadat hij het belangrijke besluit had genomen zijn kaste op te geven. Hij toonde zich al snel een actieve en toegewijde medewerker. Kolonel Olcott schreef:

Hoewel hij zwak was als een meisje, zat hij soms de hele nacht aan zijn tafel te schrijven tenzij ik hem daarbij betrapte en hem dwong naar bed te gaan. Geen kind was ooit aan een ouder meer gehoorzaam, geen stiefzoon ooit meer onzelfzuchtig in zijn liefde voor een stiefmoeder, dan hij tegenover HPB . . .3

Damodar werd tot ‘joint recording secretary’ van de TS benoemd en hielp Blavatsky met de groeiende hoeveelheid correspondentie. Hij werd ook ‘business manager’ van de uitgeverij. Het eerste nummer van The Theosophist verscheen in oktober 1879, en Damodar begon algauw regelmatig artikelen aan te leveren over een breed scala van onderwerpen. Hij schreef ook vele brieven en artikelen voor andere tijdschriften en kranten.

In een artikel in The Theosophist van mei 1880 schreef Damodar:

Het is niet overdreven te zeggen dat ik me pas deze paar maanden een echt levend mens heb gevoeld, want tussen het leven zoals het mij nu toeschijnt en het leven zoals ik het vroeger opvatte ligt een onpeilbare afgrond. . . . Ik streefde alleen naar meer [landerijen], sociale positie en het bevredigen van grillen en begeerten. . . . Het bestuderen van de theosofie heeft voor mij een nieuw licht geworpen op mijn land, mijn religie, mijn plicht. . . . [Het] heeft me geleerd dat ik om gemoedsrust en zelfrespect te verkrijgen, eerlijk, open en vreedzam moet zijn en alle mensen als mijn broeders moet beschouwen, ongeacht hun kaste, kleur, ras of geloof.4

Tijdens een bezoek aan Sri Lanka in 1880 heeft Damodar, samen met Blavatsky en Olcott, pansil afgelegd, waarbij hij formeel boeddhist werd. Dat ging zijn familie te ver. Zijn vader verzocht hem dringend terug te keren en met zijn jonge vrouw te leven, met wie hij zich had verloofd toen hij nog heel jong was, en dreigde hem uit zijn testament te verwijderen. Maar Damodar hield vol. Hij gaf een inkomen van 50.000 rupees op, trof voorzieningen voor de toekomst van zijn vrouw en bleef zich wijden aan het theosofische werk. In antwoord op de klacht van sommige hindoe-theosofen dat de mahatma’s nooit met hen communiceerden, verklaarde meester M:

tenzij iemand bereid is een echte theosoof te worden, d.w.z. te doen zoals D. Mavalankar deed – de kaste en zijn oude bijgeloven volledig op te geven en zich een waar hervormer te tonen (vooral in het geval van het kinderhuwelijk) – zal hij eenvoudig een lid van de Society blijven, zonder enige hoop ooit van ons te horen.5

De vader van Damodar alsmede een oom en een oudere broer verlieten de TS in het voorjaar van 1881 en werden openlijk vijandig. Door zijn familieproblemen, het in het openbaar verdraaien van de feiten en de daaruit voortvloeiende laster gericht tegen de stichters van de Theosophical Society raakte Damodar gedeprimeerd. Op 25 augustus 1881 materialiseerde zich vóór zijn ogen de volgende brief van KH:

Wees niet zo ontmoedigd! . . . Jouw verbeelding is jouw grootste vijand want ze schept spoken die je niet kunt wegjagen zelfs tegen beter weten in. Je moet jezelf geen verwijten maken en de overvloedige beledigingen aan het adres van . . . [woorden weggelaten door Damodar] niet aan je denkbeeldige misdaden toeschrijven. Beledigingen! Ik zeg je, kind, het sissen van een slang heeft een groter effect op het oude, eeuwige, besneeuwde Himavat dan de beschimpingen van kwaadsprekers, het gelach van de sceptici of enigerlei lasterpraatjes over mij. Houd je aan je plichten, wees standvastig en trouw aan je verplichtingen, en geen sterveling zal je kwaad doen . . .6

Damodars eerste directe ontmoetingen met de meesters vonden plaats tijdens zijn rondreis in Sri Lanka van mei tot juli 1880, en ze worden beschreven in brieven aan W.Q. Judge.7 Een andere keer, in Bombay, werd Damodar door zijn meester geholpen zijn astrale lichaam (mayavirupa) te projecteren. Hij bevond zich

in het noordelijke deel van Kashmir aan de voet van de Himalaja. . . . er stonden slechts twee huizen precies tegenover elkaar en er was geen ander teken van bewoning. Uit een van deze kwam [KH] . . . Het was zijn huis. Tegenover hem staat [M] . . . Broeder K zei me hem te volgen. Na een korte afstand van ongeveer 800 meter kwamen we bij een natuurlijke onderaardse gang die onder de Himalaja loopt. [Dit] is een natuurlijk verhoogd pad langs de rivier de Indus die daaronder woest stroomt. Slechts één persoon tegelijk kan eroverheen lopen en één verkeerde stap bezegelt het lot van de reiziger. . . . Na een aanzienlijke afstand door deze onderaardse gang te hebben afgelegd, kwamen we in een open vlakte in L–––k [Ladakh]. Daar staat een groot massief gebouw. . . . Dit is de voornaamste centrale plaats waar al diegenen van onze sectie die worden geacht inwijding in de mysteriën te verdienen, heen moeten gaan voor hun laatste ceremonie en waar ze de vereiste periode moeten blijven. Ik ging met mijn goeroe naar de grote hal. De grootsheid en rust van de plaats is genoeg om ieder met ontzag te vervullen.8

Nadat hij naar zijn lichaam was teruggekeerd, vroeg Damodar zich af of de ervaring een droom was geweest, maar op dat ogenblik viel een brief van KH uit de lucht die bevestigde dat het echt was gebeurd.

Damodar hielp de meesters bij de occulte overbrenging van brieven aan A.P. Sinnett en A.O. Hume. Hij weigerde echter verder hieraan mee te werken nadat Hume hem van vervalsing had beschuldigd. Hij uitte zijn boosheid in een brief aan Sinnett in augustus 1882 waarin hij protesteerde dat hij niet tot ‘zo’n schanddaad’ in staat was.9 Hij schreef: ‘Ik heb tenminste één troost en dat is dat ik smetteloos voor mijn MEESTERS sta, die, omdat ze helderziend zijn, door me heen kunnen kijken wanneer ze willen . . .’ Damodar was een van de twaalf chela’s die het protest tegen een brief van ‘HX’ (Hume) ondertekenden die de meesters van ‘zondigen’ beschuldigde omdat zij al hun kennis niet direct wilden bekendmaken. Hume’s brief en het protest van de chela’s verschenen in The Theosophist in september 1882 in opdracht van de Maha Chohan, KH’s eigen goeroe.10

In juli 1882 moest Damodar een maand lang in Poona uitrusten, omdat zijn gezondheid het had begeven als gevolg, zei KH, van zijn ‘dwaze ascetische praktijken en hard werken’.11 In december 1882 werd het hoofdkwartier van de TS naar Adyar verplaatst, grotendeels op aandringen van T. Subba Row, een chela van meester M. Hij en Damodar werkten nauw samen; beiden waren hindoes van hoge kaste, doordrongen met de tradities van hun oude Aryavarta, en ijverig om de ethische en geestelijke herleving van hun land te bevorderen.

Damodar vergezelde kolonel Olcott op zijn rondreis in noord-India van september tot december 1883, en tijdens deze periode had hij verdere ontmoetingen met de meesters. Op 25 november verdween hij onverwachts uit het huis in Jammu waar ze verbleven. Hij werd gebracht naar een geheime schuilplaats en keerde twee dagen later terug, helemaal veranderd.12 Olcott merkte op: ‘hij zag er sterk, gehard en taai uit, dapper en vol energie; wij konden nauwelijks geloven dat hij dezelfde persoon was.’ Damodars occulte vermogens ontwikkelden zich snel in deze periode. Een bevestigd verhaal over een van zijn astrale reizen werd gepubliceerd in The Theosophist van december 1883.13

1884 bleek een van de meest roerige jaren in de vroege geschiedenis van de Theosophical Society te zijn. Op 20 februari vertrokken Blavatsky en Olcott uit India en brachten een geslaagd bezoek van acht maanden aan Europa. Tijdens hun afwezigheid werd de Society geleid door een bestuursraad waarvan o.a. drie Europeanen – Franz Hartmann (de voorzitter), George Lane-Fox en W.T. Brown – lid waren. Net vóór haar vertrek had Blavatsky een poging van de huishoudster, Mme. Coulomb, gedwarsboomd om van prins Harisinghji een groot geldbedrag te krijgen. Mme. Coulomb was woedend en zwoer wraak. Ze begon leugens over frauduleuze verschijnselen te verspreiden en haar man begon in het geheim gaten in de wanden te maken en losliggende panelen te construeren. De Coulombs werden op 25 mei 1884 uit de TS gezet op grond van oneervol gedrag en verlieten het hoofdkwartier elf dagen later.

Verschillende meningsverschillen en persoonlijke wrijvingen ontstonden onder de medewerkers op het hoofdkwartier zowel vóór als na het vertrek van de Coulombs. Verschillende keren grepen de meesters direct in met advies en instructies. Op 2 augustus 1884 ontving Hartmann de volgende boodschap van KH:

D[amodar] heeft ongetwijfeld vele fouten en zwakheden evenals anderen. Maar hij is op onzelfzuchtige wijze ons en de zaak toegewijd en heeft zich uiterst verdienstelijk gemaakt tegenover Upasika [HPB]. Zijn aanwezigheid en hulp op het hoofdkwartier zijn onontbeerlijk. Zijn innerlijke zelf heeft geen verlangen om te domineren, hoewel zijn uiterlijke daden nu en dan daardoor gekleurd schijnen als gevolg van zijn buitensporige ijver die hij zonder onderscheid richt op elke zaak, groot of klein.14

In een andere brief aan Hartmann schreef M:

Een van de eerste bewijzen van zelfbeheersing is als je toont dat je vriendelijk en verdraagzaam kan zijn tegenover medewerkers met de meest uiteenlopende karakters en temperamenten. Een van de sterkste tekens van achteruitgang is als je verwacht dat anderen hetzelfde op prijs stellen als jijzelf en op dezelfde manier zullen handelen als jijzelf.15

Na te zijn verdreven sloten de Coulombs zich aan bij de christelijke zendelingen – de aartsvijanden van Blavatsky en de TS. Het eerste deel van Mme. Coulombs aanval op Blavatsky verscheen in The Christian College Magazine van september 1884. Daarin stonden fragmenten uit brieven die aan haar door Blavatsky zouden zijn geschreven, maar die bevatten onhandige tussenvoegingen waarin opdracht werd gegeven voor het uitvoeren van frauduleuze verschijnselen.

Damodar speelde een centrale rol in het openbaar bestrijden van de beschuldigingen van de Coulombs, waarbij hij aantoonde dat ze ‘absurd gezwam’ waren. C.W. Leadbeater, die in december 1884 samen met Blavatsky in Adyar aankwam, trof Damodar aan

in het kantoor van de secretaris; hij zat op zijn hurken in de stoel in de vreemde kikkerachtige houding die zijn gewoonte was, en was altijd een borrelende waterpijp aan het roken, en eindeloos aan het schrijven – de hele dag en tot in de nacht. . . . Ik kan hem nooit vergeten, en ook niet de indruk die hij op me maakte. Ernstig, gemoedelijk en altijd beleefd.16

Richard Hodgson, gestuurd door de Britse Society for Psychical Research om de occulte verschijnselen verbonden met de Theosophical Society te onderzoeken, arriveerde in Adyar op 22 december 1884 en bleef in India tot eind maart 1885. Het beruchte Hodgson Rappport verscheen in december 1885 en veroordeelde Blavatsky als een oplichtster en een Russische spion. Merkwaardig genoeg hield Hodgson vol dat Damodar Blavatsky’s hoofdmedeplichtige was, ondanks het feit dat de Coulombs – zijn hoofdgetuigen – hem als een slachtoffer hadden afgeschilderd!

Vernon Harrison, een deskundige op het gebied van vervalsingen, zegt dat het Hodgson Rapport ‘grote tekortkomingen’ vertoont. Het ‘staat vol tendentieuze beweringen, vermoedens die hij presenteerde als feiten of waarschijnlijke feiten, onbevestigde verklaringen door niet met name genoemde getuigen, willekeurig geselecteerd bewijsmateriaal en volslagen onjuistheden’.17

In een brief aan Sinnett in oktober 1884 vertelde Blavatsky dat KH Damodar, Dhabagiri Nath (een chela van KH die uiteindelijk mislukte) en Subba Row verantwoordelijk stelde voor twee derden van Hodgsons waanideeën. Dit drietal vond Hodgsons manier van ondervragen beledigend en zijn spottende verwijzingen naar de meesters lasterlijk, en in plaats van hem openlijk te vertellen dat er veel dingen waren waarover ze niet konden spreken, ‘vergrootten ze zijn verwarring, lieten toe dat hij dingen suggereerde zonder hem tegen te spreken, en wierpen hem helemaal uit het zadel’.18

In december 1884 werd een commissie opgericht in Adyar om brieven en leringen van de meesters te ontvangen, maar deze viel uit elkaar voordat enige leringen werden doorgegeven. KH verklaarde waarom:

De geheime commissie . . . was gereed, toen een paar Europeanen . . . zich de bevoegdheid toekenden om het besluit van de gehele Raad te herroepen. Zij weigerden (hoewel de reden die ze opgaven een andere was) onze instructies door tussenkomst van Subba Row en Damodar te ontvangen, welke laatste door L. Fox en Hartmann wordt gehaat.19

Hartmann omschreef Damodar later als ‘mentaal gezien een dwerg’ die ‘zich verbeeldde de woordvoerder te zijn van een onzichtbare macht’.20 Hij geloofde dat Damodar soms het handschrift van KH had nagemaakt om zijn eigen opvattingen meer gewicht te geven. Het blijkt dat Damodar tijdens de Coulomb-crisis inderdaad een zeer belangrijke ‘KH-brief’ zonder toestemming van KH precipiteerde.21

Damodars gezondheid werd ernstig aangetast door alle problemen op het hoofdkwartier en door te hard werken. Hij begon bloed op te hoesten, een herhaling van zijn eerder bedwongen tuberculose. Hij kreeg toestemming om naar de ashram van zijn meester in Tibet te gaan, en verliet Adyar op 23 februari 1885 met de zegen van HPB. Volgens HPB was Damodar ‘sinds zijn laatste geboorte gereed om het hoogste pad te betreden en hij had daarvan een vermoeden. Hij had lang gewacht op de verwachte toestemming om naar Tibet te gaan vóór het verstrijken van de 7 jaar [proeftijd] . . .’22 Toen hij haar vaarwel zei, vertelde hij haar: ‘Ik ga voor jou. Als de Maha Chohan tevreden is met mijn diensten en toewijding, zal hij mij misschien toestaan om jou van blaam te zuiveren door te bewijzen dat de meesters echt bestaan’.23 Blavatsky’s gezondheid was toen ook slecht en ze verliet India een maand later, om nooit terug te keren.

Damodar hoopte naar Lhasa, de hoofdstad van Tibet, te gaan met een bepaalde Tibetaanse functionaris; Olcott noemt hem ‘een ‘avatari lama’, een zeer invloedrijke en mysterieuze Tibetaanse geestelijke’ die ‘aan beide zijden van de bergen even goed bekend [is], en regelmatige religieuze tochten maakt tussen India en Tibet’.24 Na verschillende afdelingen van de TS te hebben bezocht en na Maji, een vrouwelijke ascete die in Varanasi woonde, te hebben geraadpleegd, bereikte Damodar Darjeeling op 1 april 1885 en regelde de details van zijn reis naar Tibet met een vertegenwoordiger van de functionaris. Hij ontmoette de Tibetaan op 19 april in de hoofdstad van Sikkim. Om het verband tussen hen te verbergen, werd Damodar bevolen twee dagen vooruit te lopen en dan te wachten. De laatste aantekening in zijn dagboek luidt:

23 April. – Nam ’s morgens bhat [rijst] en vertrok alleen uit Kabi; stuurde mijn bezittingen terug naar Darjeeling met de koelies.25

Een paar maanden later begonnen geruchten de ronde te doen dat het bevroren lijk van Damodar in de sneeuw was gevonden. Maar Olcott sprak met de hoofdkoelie die hem vertelde dat ze, nadat ze Damodar hadden verlaten, op de terugweg naar Darjeeling de persoon passeerden die hem aan het volgen was; de hoofdkoelie ‘hoorde vervolgens dat ze elkaar hadden getroffen en de karavaan ging verder in de richting van de bergpas’.26 Olcott zegt dat een maya van Damodars lichaam misschien was achtergelaten om de indruk te wekken dat hij was overleden, en Blavatsky bevestigde dat het waarschijnlijk een truc was in een brief aan Hartmann; zij voegde daaraan toe dat Damodar niet zou terugkeren, in ieder geval niet vóór vele jaren.27

Een jaar later, op 5 juni 1886, schreef Tukaram Tatya, een theosoof in Bombay, een brief aan Olcott om te vragen naar het lot van Damodar. Toen Olcott de brief twee dagen later ontving, ontdekte hij dat KH een boodschap daaraan had toegevoegd:

De arme jongen heeft zijn val gehad. Voordat hij kon staan in de tegenwoordigheid van de ‘meesters’, moest hij de zwaarste beproevingen doorstaan die een neofiet ooit heeft doorgemaakt, om te boeten voor de vele twijfelachtige dingen waaraan hij in zijn al te grote ijver had deelgenomen, en waarmee hij oneer bracht over de heilige wetenschap en de adepten. Het verstandelijke en fysieke lijden was te groot voor zijn zwakke lichaam, dat in een toestand van volledige uitputting is geraakt, maar hij zal zich na verloop van tijd herstellen. Dit behoort een waarschuwing voor u allen te zijn. . . . Om de poorten tot het mysterie te ontsluiten, moet u niet alleen een leven leiden van uiterste rechtschapenheid, maar ook leren waarheid van onwaarheid te onderscheiden.28

Zowel Blavatsky als Subba Row ontvingen brieven van Damodar na zijn aankomst in Tibet, hoewel geen daarvan bewaard zijn gebleven.29 In één daarvan berichtte Damodar Blavatsky dat de invloed van de meesters in Adyar steeds zwakker werd. Blavatsky zei ook dat ze Damodar op het astrale gebied had gezien en dat de meesters enkele passages voor De Geheime Leer aan hem hadden gedicteerd.30

Een getuige van de veilige aankomst van Damodar in Tibet was Sriman Swamy, een sannyasin, die, in een brief gepubliceerd in Lucifer in september 1889, stelde dat hij sinds 1879 twee keer Tibet had bezocht en verschillende mahatma’s had leren kennen, onder wie M en KH, die bevestigden dat zij en anderen belangstelling hadden voor het werk van de TS en dat M de occulte bewaker van Blavatsky sinds haar kinderjaren was geweest. Hij vervolgde: ‘in maart 1887 zag ik in Lhasa Damodar K. Mavalankar die zich aan het herstellen was. Hij vertelde mij in aanwezigheid van mahatma ‘KH’ dat hij het jaar daarvoor op de rand van de dood had gestaan.’31

Blavatsky deelde haar vriend N.D. Khandalavala mee dat deze brief twee ‘leugentjes’ bevatte: ‘(a) Damodar was nooit in Lhasa en Sriman Swamy ook niet, en omdat hij geen toestemming kreeg om te zeggen waar hij Damodar had gezien gaf hij een verkeerde plaatsnaam; en (b) mijn meester heeft hem niet verteld wat hij over mij zegt, maar hij vernam het van een chela.’32

In april 1890 schreef Blavatsky een open brief aan ‘Mijn broeders van Aryavarta’ om uit te leggen waarom ze niet naar India terugkeerde. Ze verwees naar de rol van de TS bij het opnieuw ontwaken van India, en zei:

Het allerbelangrijkste is dat de TS in ieder geval een van u volledig ten goede is gekomen; en als de Society aan India niet meer heeft gegeven dan die ene toekomstige adept (Damodar) die nu de kans maakt een mahatma te worden, ondanks het kaliyuga, zou dat alleen al een bewijs zijn dat de Society niet vergeefs in New York werd opgericht en naar India werd verplaatst.33

In 1930 stelde G. de Purucker dat Damodar thans in Sambhala werkzaam was, een gebied in het centrale deel van West-Tibet waar het hoofdkwartier van de broederschap van adepten zich bevindt.34

Sven Eek, die vele jaren besteedde aan het samenstellen van het zeer waardevolle werk, Damodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, vatte de sleutelrol die Damodar in de vroege geschiedenis van de TS heeft gespeeld als volgt samen:

Damodars betekenis voor de theosofische beweging ligt niet alleen in zijn constante harde werken of in zijn intelligente verdediging van de Society, maar vooral in het feit dat hij een voorbeeld gaf van theosofisch gedrag. Van het zeventigtal theosofen die zich voor discipelschap opgaven, was Damodar bijna het enige complete succes. Omdat zij de adepten persoonlijk wilden ontmoeten of getuige zijn van verschijnselen besloten velen de ontberingen van het chelaschap te aanvaarden, maar ze faalden een voor een toen ze hun eigen persoonlijkheden en eigenaardigheden boven het belang van de beweging plaatsten.

Op een van de hoekstenen waarop de Theosophical Society is gebouwd staat de naam Damodar geschreven. Het ontwerp zal misschien veranderen als iedere generatie haar bijdrage levert, maar de fundering gelegd door de eerste pioniers zal standhouden tot, als een feniks, een nieuwe geestelijke impuls wordt gegeven aan de pelgrims van deze aarde. En dan, misschien, zal onze chela terugkeren als een volwaardige adept, die de hoopvolle verwachtingen van vele bezorgde mensen verwezenlijkt die geloven dat er ‘geen religie hoger dan de waarheid’ is.35

 

 

Verwijzingen

  1. Sven Eek (samensteller), Damodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, TPH, 1965, blz. 139-40, 493; Michael Gomes, ‘Damodar – a Hindu chela’, The Theosophist, sept. 1985, blz. 447-51.
  2. Damodar, blz. 496.
  3. Op.cit., blz. 4.
  4. Op.cit., blz. 140-1, 143.
  5. Op.cit., blz. 7; A.T. Barker (samensteller), De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, TUPA, 1979, blz. 514.
  6. Damodar, blz. 485-6.
  7. Op.cit., blz. 55-8.
  8. Op.cit., blz. 60-1; zie Sylvia Cranston & Carey Williams, H.P.B.: Het bijzondere leven en de invloed van Helena Blavatsky, TUPA, 1995, blz. 101-3.
  9. Damodar, blz. 262-5; zie C. Jinarajadasa (samensteller), Letters from the Masters of the Wisdom, TPH, 1964, 1:12.
  10. Damodar, blz. 286-8; De Mahatma Brieven, blz. 324.
  11. Damodar, blz. 285, 523.
  12. Op.cit., blz. 332-7, 350-1, 387.
  13. Op.cit., blz. 355-8; zie ook blz. 344-9, 482-3.
  14. Op.cit., blz. 604; Letters from the Masters of the Wisdom, 1:63.
  15. Damodar, blz. 604-5.
  16. ‘Damodar – a Hindu chela’, blz. 450.
  17. Vernon Harrison, H.P. Blavatsky en de SPR: een onderzoek van het Hodgson Rapport uit 1885, TUPA, 1998, blz. 34, 73.
  18. A.T. Barker (samensteller), The Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, TUP, 1975, blz. 122.
  19. Damodar, blz. 527; De Mahatma Brieven, blz. 403.
  20. Franz Hartmann, Some Fragments of the Secret History of the Theosophical Society, Theos. History, 2000, blz. 19-22.
  21. Damodar, blz. 471-3, 583-4; Letters from the Masters of the Wisdom, TPH, 1977, 2:131-2; F. Hartmann, Report of Observations made during a nine months’ stay at the head-quarters of the Theosophical Society, Madras, 1884, Edmonton Theos. Soc. herdruk 1995, blz. 32-4; Some Fragments of the Secret History of the TS, blz. 22.
  22. Damodar, blz. 10.
  23. Op cit., blz. 533.
  24. Charles J. Ryan, H.P. Blavatsky en de theosofische beweging, TUPA, 1984, blz. 133; Damodar, blz. 11.
  25. Damodar, blz. 15.
  26. Op.cit., blz. 16.
  27. Op.cit., blz. 16, 533.
  28. Op.cit., blz. 18; Letters from the Masters of the Wisdom, 1:64; Victor A. Endersby, The Hall of Magic Mirrors, Hearthstone, 1969, blz. 299-300.
  29. H.P. Blavatsky Collected Writings, TPH, 1980, 12:163; Damodar, blz. 18; Blavatsky Collected Writings, 1950, 6:272.
  30. The Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, blz. 157, 248-9.
  31. News of Damodar’, Blavatsky Archives, http://www.blavatskyarchives.com/srimanswamy.htm; Geoffrey A. Barborka, The Mahatmas and Their Letters, TPH, 1973, blz. 373-4.
  32. ‘News of Damodar’.
  33. Blavatsky Collected Writings, 12:159-60.
  34. Dialogues of G. de Purucker, TUP, 1948, 1:145-6.
  35. Damodar, blz. 21-2.

 

Artikel van Damodar K. Mavalankar over contemplatie

Theosofie, het Theosofisch Genootschap, theosofen

 


Uit Impuls (Nieuwsbrief voor leden van het Theosofisch Genootschap), juni 2002, nr. 20.

© 2002 Theosophical University Press Agency