Contemplatie
Dāmodar K. Māvalankar

Vertaald uit The Theosophist, Vol. 5, No. 5, febr. 1884, blz. 112-14. Zie ook Dāmodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, TPH, 1978, blz. 388-94.


 

Over deze term schijnt in het algemeen een misvatting te bestaan. Een veel voorkomende gedachte schijnt te zijn dat men zich een half uur of hooguit twee uur afzondert in een privévertrek en passief staart naar zijn neus, een plek op de muur, of misschien een kristal. Dit zou de ware vorm van contemplatie zijn die wordt voorgeschreven door rājayoga. In deze gedachte wordt voorbijgegaan aan het feit dat werkelijk occultisme een parallel verlopende ontwikkeling vereist op ‘fysiek, mentaal, moreel en spiritueel gebied’. Als de beperkte opvatting zou worden uitgebreid naar al deze terreinen, dan zou de noodzaak voor het huidige artikel niet zo dringend zijn gevoeld. Dit artikel is in het bijzonder bedoeld om diegenen te helpen die er niet in schijnen te zijn geslaagd om de werkelijke betekenis van dhyāna te begrijpen, en door hun onjuiste praktijken pijn en ellende over zichzelf hebben gebracht en nog brengen. Enkele voorbeelden kunnen hier tot ieders voordeel worden genoemd als waarschuwing voor onze al te ijverige leerlingen.

In Bareilly ontmoette de schrijver een theosoof uit Furrukhabad die zijn ervaringen vertelde en zijn vroegere dwaasheden – zoals hij ze noemde – diep betreurde. Uit zijn verslag blijkt dat de man, nadat hij de Bhagavad-Gītā ongeveer vijftien of twintig jaar geleden had gelezen en de esoterische betekenis van de contemplatie die daarin wordt vereist niet had begrepen, deze niettemin ging beoefenen, en daarmee enkele jaren doorging. Eerst kreeg hij een aangenaam gevoel, maar tegelijkertijd ontdekte hij dat hij geleidelijk de controle over zichzelf verloor, tot hij na een paar jaar tot zijn grote verbijstering en verdriet ontdekte dat hij niet langer zijn eigen meester was. Hij voelde in feite dat zijn hart zwaar werd, alsof er een gewicht op was geplaatst. Hij had geen controle over zijn gevoelens; in feite was de communicatie tussen de hersenen en het hart als het ware verbroken. Toen het nog erger werd, stopte hij vol afkeer met zijn ‘contemplatie’. Dit gebeurde al zeven jaar geleden, en, hoewel hij zich sindsdien niet slechter voelde, kon hij nooit de oorspronkelijke normale en gezonde toestand van geest en lichaam hervinden.

Over een ander geval hoorde de schrijver in Jubbulpore. Het betrof een man die na Patañjali en andere soortgelijke werken te hebben gelezen begon te zitten voor ‘contemplatie’. Na korte tijd begon hij abnormale dingen te zien en belgeluiden te horen, maar over geen van deze verschijnselen noch over zijn eigen zintuigen kon hij enige controle uitoefenen. Hij kon deze resultaten niet doelgericht voortbrengen, noch kon hij ze stopzetten wanneer ze optraden. Er kunnen talloze van dat soort voorbeelden worden genoemd. Terwijl deze regels worden geschreven heeft de schrijver twee brieven op zijn tafel over dit onderwerp, een uit Moradabad en de andere uit Trichinopoly. Kortom, al deze ellende is het gevolg van een misvatting over de betekenis van contemplatie zoals deze door alle scholen van occulte filosofie aan leerlingen wordt aanbevolen. Om een glimp te kunnen opvangen van de Werkelijkheid door de dichte sluier die de mysteriën van deze wetenschap der wetenschappen omhult, werd een artikel geschreven, ‘Het levenselixir’. Helaas schijnt het zaad in te veel gevallen in onvruchtbare grond te zijn gevallen. Sommige lezers ervan staan alleen stil bij de volgende zin uit dat artikel:

Meditatie moet worden beoefend en aangemoedigd waarbij men redeneert van het bekende naar het onbekende.

Maar, helaas! Hun vooroordelen hebben hen ervan weerhouden te begrijpen wat er met meditatie wordt bedoeld. Ze vergeten dat het ‘het onuitsprekelijke verlangen is van de innerlijke mens om ‘te reiken naar het oneindige’, wat in de oudheid de werkelijke betekenis was van verering’ – zoals de volgende zin aantoont. Veel licht zal worden geworpen op dit onderwerp als de lezer zich zou wenden tot het eraan voorafgaande gedeelte van datzelfde artikel, en aandachtig de volgende alinea’s naleest op blz. 141 van The Theosophist van maart 1882 (Vol. 3, no. 6):

We zijn dus gekomen op het punt waar we hebben besloten – letterlijk, niet metaforisch – om het buitenste omhulsel bekend als de aardse last, of het lichaam, te doen breken, en daaruit te komen, gekleed in ons volgende. Dit ‘volgende’ is geen spirituele maar alleen een meer etherische vorm. Als we het door lange training en voorbereiding hebben aangepast voor een leven in deze atmosfeer, gedurende welke tijd we geleidelijk het buitenste omhulsel door een bepaald proces hebben laten afsterven . . . moeten we ons voorbereiden op deze fysiologische transformatie.

Hoe moeten we dat doen? In de eerste plaats hebben we te maken met het feitelijke zichtbare stoffelijke lichaam – de zogenaamde MENS, hoewel dit in feite slechts zijn buitenste omhulsel is. Laten we bedenken dat de wetenschap ons leert dat we in ongeveer zeven jaar even doeltreffend van huid veranderen als een slang; en wel zo geleidelijk en onmerkbaar dat, als de wetenschap niet na jaren van onverminderde studie en waarneming ons ervan had verzekerd, niemand het minste vermoeden van dat feit zou hebben. . . . Vandaar dat zoals een mens die gedeeltelijk is ontveld, het soms kan overleven en met een nieuwe huid kan worden bedekt – ons astraal-vitale lichaam . . . zijn deeltjes evenzo kan laten wennen aan atmosferische veranderingen. Het hele geheim is om erin te slagen om het naar buiten te ontwikkelen en het te scheiden van het zichtbare; en om, terwijl de in het algemeen onzichtbare atomen ervan zich verder concretiseren tot een compacte massa, zich geleidelijk te ontdoen van de oude deeltjes van ons zichtbare gestel en die te laten sterven en verdwijnen vóór de nieuwe set tijd heeft gehad zich te ontwikkelen en ze te vervangen. . . . We kunnen niet méér zeggen.

Een juist begrip van het bovenstaande wetenschappelijke proces zal een aanwijzing geven voor de esoterische betekenis van meditatie of contemplatie. De wetenschap leert ons dat de mens zijn fysieke lichaam voortdurend verandert, en deze verandering is zo geleidelijk dat het bijna onmerkbaar is. Waarom zou het dan anders zijn voor de innerlijke mens? Deze laatste is zich ook voortdurend aan het ontwikkelen en verandert zijn atomen ieder ogenblik. En de aantrekking van deze nieuwe sets van atomen hangt af van de wet van affiniteit – de verlangens van de mens die naar zijn lichamelijk verblijf alleen die deeltjes aantrekt die daarmee in overeenstemming zijn of, beter gezegd, daaraan hun eigen neiging of kleur geven.

Want de wetenschap laat zien dat het denken dynamisch is, en de denkkracht, die door de zenuwwerking wordt ontwikkeld en zich naar buiten uitbreidt, moet de moleculaire relaties van de fysieke mens beïnvloeden. De innerlijke mens, hoe verfijnd zijn organisme ook is, bestaat nog steeds uit feitelijke, niet uit hypothetische, deeltjes en is nog altijd onderworpen aan de wet dat een ‘actie’ de neiging heeft zich te herhalen; een neiging om een analoge handeling te verrichten in het grovere ‘omhulsel’ waarmee hij in contact staat en waarbinnen ze verborgen zijn. (‘Het levenselixir’.)

Is het streven van de aspirant naar yogavidyā [kennis van yoga] niet gericht op het bereiken van mukti [bevrijding] door zichzelf geleidelijk te verplaatsen van het grovere naar het aangrenzende meer etherische lichaam, tot alle sluiers van māyā achtereenvolgens zijn verwijderd en zijn ātma één wordt met paramātma? Denkt hij dat dit grootse resultaat door twee of vier uur contemplatie kan worden bereikt? Wordt gedurende de resterende twintig of vierentwintig uur dat de toegewijde zich niet opsluit in zijn kamer om te mediteren, dit proces van het uitzenden van atomen en hun vervanging stopgezet? Zo niet, hoe is hij dan van plan ze de hele tijd aan te trekken? Uit bovengenoemde opmerkingen wordt duidelijk dat zoals het fysieke lichaam onophoudelijk de aandacht vraagt om het binnendringen van ziekte te voorkomen, de innerlijke mens evenzo voortdurend moet worden bewaakt, zodat geen bewuste of onbewuste gedachte atomen kan aantrekken die ongunstig zijn voor zijn vooruitgang. Dit is de werkelijke betekenis van contemplatie. De belangrijkste factor bij het richten van het denken is WIL.

Zonder dat is al het andere nutteloos. En, om doeltreffend te zijn, moet het niet alleen een voorbijgaand besluit van het moment zijn, één enkel hevig verlangen van korte duur, maar een onwrikbaar en aanhoudend streven, zo ononderbroken en geconcentreerd mogelijk zonder één enkel moment te verslappen.

De leerling zou er goed aan doen aandacht te schenken aan het cursieve deel van bovenstaand citaat. Zijn bewustzijn zou ook onuitwisbaar ervan moeten zijn doordrongen dat

het geen zin heeft te vasten zolang u voedsel nodig heeft. . . . Het gaat erom dat u de innerlijke begeerte kwijtraakt, en als dit niet gebeurt en u het slechts nabootst is dat schaamteloze huichelarij en zinloze slavernij.

Zonder de betekenis van dit belangrijke feit te beseffen, zal iemand die ook maar een ogenblik aanleiding geeft tot onenigheid met een familielid, of zijn ijdelheid gekwetst ziet, of uit een opwelling van emotie, of uit een zelfzuchtig verlangen om de goddelijke kracht voor grove doeleinden te gebruiken, zich onmiddellijk op contemplatie storten en te pletter vallen op de rots die het bekende van het onbekende scheidt. Terwijl hij zich wentelt in het slijk van exoterische zaken, weet hij niet wat het betekent om in de wereld te leven en toch niet van de wereld te zijn; met andere woorden, om het zelf tegen het zelf te beschermen is voor bijna iedere wereldse mens een onbegrijpelijk axioma. De hindoe zou dit tenminste moeten beseffen door zich het leven te herinneren van Janaka, die, hoewel een heersende monarch, toch werd afgeschilderd als een rājarshi die nirvāṇa zou hebben bereikt. Enkele sektarische fanatici die van zijn grote roem hadden gehoord, gingen naar zijn hof om zijn yogakracht te testen. Zodra ze de rechtszaal binnenkwamen, gaf de koning, die hun gedachten had gelezen – een vermogen dat elke chela in een bepaald stadium verwerft – in het geheim instructies aan zijn ambtenaren om in een bepaalde straat in de stad aan beide kanten rijen met dansende meisjes te laten optreden die de meest wellustige liederen moesten zingen. Daarna liet hij enkele ghara’s (potten) tot de rand vullen met water zodat bij het minste schudden de inhoud ervan zou worden gemorst. De wijsneuzen kregen ieder de opdracht met een volle ghara (pot) op het hoofd door die straat te gaan, omringd door soldaten met getrokken zwaarden die tegen hen moesten worden gebruikt als ze ook maar een druppel water zouden morsen. Toen de arme stakkers bij het paleis waren teruggekeerd nadat ze de test met succes hadden doorstaan, werd hen door de koning-adept gevraagd wat ze hadden gezien in de straat waardoorheen ze moesten gaan. Met grote verontwaardiging antwoordden ze dat de dreiging om in stukken te worden gehakt zozeer op hun bewustzijn had ingewerkt dat ze aan niets anders dachten dan het water op hun hoofd, en de intensiteit van hun aandacht liet niet toe dat ze kennis namen van wat er om hen heen gebeurde. Toen zei Janaka dat ze volgens hetzelfde principe gemakkelijk zouden kunnen begrijpen dat hij, hoewel hij uiterlijk bezig was met het regelen van zijn staatszaken, tegelijkertijd een occultist kon zijn. Ook hij was niet van de wereld hoewel hij in de wereld was. Met andere woorden, zijn innerlijke aspiraties hadden hem voortdurend geleid naar het doel waarop zijn hele innerlijke zelf was gericht.

Rājayoga moedigt geen schijnvertoningen aan, vereist geen fysieke houdingen. Het heeft te maken met de innerlijke mens van wie de sfeer in de wereld van het denken ligt. Het hoogste ideaal voor ogen te hebben en onophoudelijk ernaar te streven om daaraan te voldoen, is de enige ware concentratie die wordt erkend door de esoterische filosofie die zich bezighoudt met de innerlijke wereld van noumena, niet het uiterlijke omhulsel van verschijnselen [phenoumena].

De eerste vereiste daarvoor is een volkomen zuiver hart. De leerling in het occultisme zou met Zarathoestra heel goed kunnen zeggen dat zuiverheid van denken, zuiverheid van spreken, en zuiverheid van handelen de essentiële kenmerken zijn van iemand die boven het gewone niveau wil uitstijgen en zich bij de ‘goden’ wil aansluiten. Het ontwikkelen van een gevoel van onzelfzuchtige liefdadigheid is het pad dat voor dat doel moet worden gegaan. Want alleen dat zal leiden naar Universele Liefde, en deze tot werkelijkheid maken betekent vooruitgang naar bevrijding van de ketenen die door māyā rond het ego zijn gesmeed. Geen enkele leerling zal dit ineens bereiken, maar, zoals onze eerbiedwaardige mahātma in The Occult World zegt:

Hoe groter de vooruitgang naar bevrijding, des te minder zal dit het geval zijn, totdat, als bekroning van alles, de menselijke en zuiver individuele persoonlijke gevoelens, bloedbanden en vriendschap, vaderlandsliefde en de voorliefde voor een of ander ras, alle zullen plaatsmaken voor het opgaan in één universeel gevoel, de enige ware en heilige, de enige onzelfzuchtige en eeuwige ene Liefde, een onmetelijke Liefde voor de mensheid als geheel.   – blz. 132-3, negende ed.

Kortom, het individu gaat op in het AL.

Natuurlijk heeft contemplatie zoals ze gewoonlijk wordt opgevat zo zijn kleine voordelen. Ze ontwikkelt één stel fysieke vermogens zoals gymnastiek de spieren doet ontwikkelen. Voor het doel van fysiek mesmerisme is ze goed genoeg; maar ze kan op geen enkele manier bijdragen aan de ontwikkeling van de psychische vermogens zoals de nadenkende lezer zal inzien. Tegelijkertijd kan de beoefening, zelfs voor gewone doeleinden, nooit goed genoeg worden beschermd. Als men, zoals sommigen veronderstellen, geheel passief moet blijven en zichzelf verliezen in het voorwerp vóór zich, dan moet men bedenken dat men door passiviteit te bevorderen in feite in zichzelf de ontwikkeling van mediamieke vermogens toelaat. Zoals herhaaldelijk werd gezegd zijn de adept en het medium twee tegengestelde polen: terwijl de eerstgenoemde intens actief is en dus in staat de elementale krachten te beheersen, is de laatstgenoemde intens passief, en loopt zo gevaar ten prooi te vallen aan de grillen en kwade invloed van boosaardige embryo’s van mensen, en de elementaren.


 

Contemplatie* – 2


*Opmerkingen van een lid van de TS gevolgd door de reactie van Dāmodar, vertaald uit The Theosophist, Vol. 5, No. 7, april 1884, blz. 170-71. Zie ook Dāmodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, TPH, 1978, blz. 394-7.

In het artikel over het bovenstaande onderwerp in The Theosophist van februari staat het volgende:

1. ‘Zonder de betekenis van dit belangrijke feit te beseffen, zal iemand die ook maar een ogenblik aanleiding geeft tot onenigheid met een familielid, of zijn ijdelheid gekwetst ziet, of uit een opwelling van emotie, of uit een zelfzuchtig verlangen om de goddelijke kracht voor grove doeleinden te gebruiken, zich onmiddellijk op contemplatie storten en te pletter vallen op de rots die het bekende van het onbekende scheidt.’

Ik kan niet begrijpen hoe een gewoon mens, die enerzijds de bovengenoemde tekortkomingen in zijn karakter heeft (die hij meestal probeert te beheersen, hoewel soms met twijfelachtig succes), en die anderzijds ook probeert contemplatie te beoefenen zoals uiteengezet in het artikel, het gevaar loopt te worden vernietigd. Welke gevaren zijn er? Kunnen ze worden opgesomd, en ook de oorzaken waardoor ze ontstaan?

2. ‘Het hoogste ideaal voor ogen te hebben en onophoudelijk ernaar te streven om daaraan te voldoen, is de enige ware concentratie die wordt erkend door de esoterische filosofie.’

Deze passage is te geleerd voor een gewoon mens. Kan een voorbeeld van ‘het hoogste ideaal’ worden gegeven? Hoe moet een gewoon mens daarnaar streven?

Stel dat een gewoon mens in de rustige uren van de ochtend opstaat na een matige rust, wat moet hij dan doen? Met wat voor ideeën moet hij zijn denken vullen? Hoe moet hij zitten? Hoe moet hij de contemplatie uitvoeren om alle klippen en rotsen in de zee van het occultisme te ontwijken? Het hoogste doel van deze mens is om zich op een veilige manier zoveel mogelijk te vergeestelijken, zodat hij, indien hij in dit leven uiteindelijk niet als chela kan worden geaccepteerd, tenminste de verzekering heeft om in het volgende leven het leven van een asceet te leiden.
       – een lid van de TS


 

Aantekening. – Ik betreur het dat het hele artikel volkomen verkeerd is begrepen. Het enige wat ik wilde zeggen was dat een tijdelijke vervreemding van familie of vrienden geen essentiële voorwaarde inhoudt voor vooruitgang in het occultisme. Dit zou duidelijk moeten zijn voor iemand die voorzichtig mijn voorbeeld overdenkt van Janaka die hoewel hij in de wereld is, niet van de wereld is. Veel mensen zullen, terwijl ze de betekenis van deze belangrijke leer niet begrijpen, zich erop storten uit een sentimentele afkeer van wereldlijkheid, die waarschijnlijk voortkomt uit een of andere wereldlijke teleurstelling – en beginnen met het beoefenen van wat zij een ware vorm van contemplatie vinden. Juist het feit dat het motief dat hen ertoe aanzet om met deze beoefening te beginnen, is zoals beschreven in het door mijn correspondent gegeven citaat – juist dat feit is een voldoende indicatie dat de kandidaat de ‘contemplatie’ van een rājayogī niet kent. Het spreekt vanzelf dat hij onmogelijk de juiste methode kan volgen; en de fysieke oefening die hij verricht, voert hem onvermijdelijk tot de rampzalige gevolgen waarnaar in het artikel wordt verwezen.

Elke lezer die genoeg intuïtie heeft om een praktische leerling van het occultisme te zijn, zal onmiddellijk inzien dat het toewerken naar volmaking het hoogste ideaal is dat een mens voor ogen kan staan. Dat is niet het werk van een dag noch van een paar jaar. ‘De adept wordt; hij wordt NIET GEMAAKT’ – is een lering die de leerling eerst moet beseffen. De aspirant werkt naar zijn doel gedurende een reeks levens. Kol. Olcott zegt in zijn Boeddhistische Catechismus:

‘Talloze generaties zijn ervoor nodig om de mens tot een boeddha te ontwikkelen, en de ijzeren wil om er een te worden loopt door alle opeenvolgende levens.’

Die ‘ijzeren wil’ om volmaakt te worden moet onophoudelijk werken, zonder een ogenblik te verslappen, zoals duidelijk zal worden voor iemand die het artikel als geheel zorgvuldig leest. Wanneer er duidelijk wordt gezegd dat gedurende de tijd dat deze contemplatie niet wordt beoefend, d.w.z. dat de ijzeren wil niet wordt uitgeoefend, het proces van het afstoten en aantrekken van atomen niet ophoudt, en dat de verlangens, instinctief of op een andere manier, zo moeten worden geregeld dat ze alleen die atomen aantrekken die geschikt zijn voor zijn vooruitgang – kan ik mijn correspondent niet begrijpen wanneer hij me vraagt wat hij op een bepaald moment in de ochtend zou moeten doen. Hij zou alleen die gedachten moeten ontwikkelen die niet onverenigbaar zijn met het hoogste ideaal waar hij naartoe werkt. Met volmaking, die zijn hoogste ideaal zou moeten zijn, (dat moet ik eraan toevoegen) bedoel ik die goddelijke menselijke staat die volgens de occulte filosofie het zevende wortelras van de zevende ronde zal bereiken. Dit hangt, zoals iedere beginneling weet, grotendeels af van een ontwikkeling van het gevoel van universele liefde, en dus is een ernstig verlangen om enig praktisch filantropisch werk te doen een eerste vereiste. Ik erken dat zelfs deze staat geen absolute volmaking is: maar die maximale grens van uiteindelijke volmaking ligt op dit moment buiten ons begripsvermogen. Die toestand kan als een praktisch ideaal alleen door die goddelijke mensen – dhyān-chohans – verstandelijk worden begrepen. Om ons te vereenzelvigen met HET AL moeten we daarin leven en voelen. Hoe kan dit worden gedaan zonder het gevoel van universele liefde tot werkelijkheid te maken? Natuurlijk is het adeptschap niet voor iedereen gemakkelijk te bereiken. Anderzijds stelt het occultisme geen onplezierige plaats of tijd vast voor degenen die haar leringen niet aannemen. Het erkent alleen een hogere en steeds hogere evolutie overeenkomstig de keten van oorzaak en gevolg die werkt onder de impuls van de onveranderlijke wet van de natuur. Het artikel ‘Occulte studie’ (Opgenomen in Five Years of Theosophy, blz. 221-9) in het vorige nummer geeft de noodzakelijke verklaring van dit punt.

Het is voor mij pijnlijk te ontdekken dat juist datgene waarop ik in het artikel probeerde te wijzen als bron van ongewenste resultaten, opnieuw naar voren wordt gebracht als een gewenste eigenschap of bijproduct van ware contemplatie. Ik zou mijn correspondent willen vragen het artikel nog eens te lezen, met deze eraan toegevoegde opmerkingen, voordat hij denkt dat er voor contemplatie een bijzondere houding nodig is. Voor de soort onafgebroken contemplatie die ik aanbeveel kan ik in elk geval geen bepaalde houding voorschrijven.
     – D.K.M.


 

Contemplatie* – 3


*Vertaald uit The Theosophist, Vol. 5, No. 11, aug. 1884, blz. 267-8. Zie ook Dāmodar and the Pioneers of the Theosophical Movement, TPH, 1978, blz. 397-400.

Ondanks het artikel over het bovenstaande onderwerp in het februarinummer van The Theosophist schijnen veel van haar lezers nog steeds te denken dat ‘contemplatie’ een bepaalde manier is om naar iets te staren, een proces dat wanneer het dagelijks gedurende een vast aantal uren wordt gevolgd tot psychische vermogens zal leiden. Dit misverstand is kennelijk het gevolg van het feit dat het hoofdpunt dat werd besproken uit het oog is verloren. In plaats van te beseffen dat er maar één hoofdgedachte is die ik met dat artikel wilde overbrengen door het vanuit vele aspecten te bekijken, schijnt men te denken dat er met bijna elke zin een speciale gedachte tot uitdrukking wordt gebracht. Het kan daarom interessant of zinvol zijn om op het onderwerp terug te komen en dezelfde gedachte vanuit een andere invalshoek naar voren te brengen en er zo mogelijk een helderder licht op te werpen. Ten eerste moet men bedenken dat de schrijver van het artikel met het woord ‘contemplatie’ helemaal niet een staren bedoelde. Dit laatste woord zou zijn gebruikt als dat was bedoeld. The Imperial Dictionary of the English Language (1883) definieert het woord contemplatie aldus:

(1) De werking van het denkvermogen wanneer het iets aandachtig beschouwt; meditatie; continue aandacht van het denkvermogen gericht op een bepaald onderwerp. In het bijzonder (2) Heilige meditatie; aandacht voor heilige zaken.

De geheel herziene Webster’s Dictionary geeft dezelfde betekenis.

We zien dus dat contemplatie de ‘continue aandacht van het denkvermogen is voor een bepaald onderwerp’, en in religieuze zin is het de ‘aandacht voor heilige zaken’. Het is daarom moeilijk zich voor te stellen hoe het idee van staren in verband werd gebracht met het woord contemplatie, tenzij het voortkomt uit het feit dat het in het algemeen zo is dat wanneer iemand diep in gedachten opgaat, hij schijnbaar aan het staren is naar iets in een lege ruimte. Maar dit staren is het gevolg van het contempleren. En, zoals meestal gebeurt, wordt ook hier het gevolg verward met zijn oorzaak. Omdat de starende houding het gevolg is van het contempleren, wordt onmiddellijk aangenomen dat staren de oorzaak is van contemplatie! Laten we nu, terwijl we dit goed in gedachten houden, bekijken wat voor soort contemplatie (of meditatie) ‘Het levenselixir’ aanbeveelt aan aspiranten naar occulte kennis. Daarin staat:

Meditatie moet worden beoefend en aangemoedigd waarbij men redeneert van het bekende naar het onbekende.

Dat wil zeggen, de meditatie van een chela zou moeten bestaan uit het ‘redeneren van het bekende naar het onbekende’. Het ‘bekende’ is de wereld van verschijnselen, te kennen door middel van onze vijf zintuigen. En alles wat we zien in deze gemanifesteerde wereld zijn de gevolgen, waarvan de oorzaken moeten worden gezocht in het noumenale, het ongemanifesteerde, de ‘onbekende wereld’: dit moet worden gedaan door meditatie, dat is een continue aandacht voor het onderwerp. Occultisme is niet gebaseerd op één methode, maar maakt gebruik van zowel de deductieve als de inductieve methode. De leerling moet eerst de algemene axioma’s leren. Voorlopig zal hij ze natuurlijk opvatten als veronderstellingen, als hij ze liever zo wil noemen. Of zoals ‘Het levenselixir’ het zegt:

Het enige wat we hoeven te zeggen is dat als u verlangt te drinken van het ‘levenselixir’ en duizend jaar of langer wilt leven, u op dit moment ons daarover op ons woord moet geloven, en op basis van die veronderstelling verdergaan. Want esoterische wetenschap geeft niet de minste hoop dat het verlangde doel ooit op een andere manier zal worden bereikt, terwijl de moderne of zogenaamde exacte wetenschap erom lacht.

Deze axioma’s zijn voldoende uiteengezet in de artikelen over ‘Het levenselixir’ en enkele andere die over occultisme gaan in de verschillende nummers van The Theosophist. Wat de leerling in de eerste plaats moet doen is deze axioma’s begrijpen en, door de deductieve methode toe te passen, te redeneren van algemeenheden naar bijzonderheden. Hij moet dan redeneren van het ‘bekende naar het onbekende’, en nagaan of de inductieve methode van het redeneren van bijzonderheden naar algemeenheden die axioma’s bevestigt. Dit proces vormt het eerste stadium van ware contemplatie. De leerling moet eerst het onderwerp verstandelijk begrijpen voor hij kan hopen zijn aspiraties te realiseren. Wanneer dit is bereikt, komt het volgende stadium van meditatie dat het ‘onuitsprekelijke verlangen van de innerlijke mens is om ‘te reiken naar het oneindige’’. Voordat zo’n verlangen op de juiste manier kan worden gericht, moet het doel waarop het zal worden gericht worden vastgesteld in de voorafgaande stadia. Het hogere stadium bestaat in feite uit het praktisch tot werkelijkheid maken van wat in de eerste stappen in het begripsvermogen is gevormd. Kortom, contemplatie is in zijn ware betekenis de waarheid inzien van wat door Éliphas Lévi is gezegd:

Geloven zonder te kennen is zwakte; geloven omdat men weet is kracht.

Of, met andere woorden, om in te zien: ‘KENNIS IS MACHT’. ‘Het Levenselixir’ geeft niet alleen de voorbereidende stappen van de ladder van contemplatie maar vertelt de lezer ook hoe hij de hogere denkbeelden tot werkelijkheid moet maken. Het volgt door het proces van contemplatie, als het ware het verband tussen de mens, ‘het bekende’, het gemanifesteerde, het verschijnsel [phenoumenon], en ‘het onbekende’, het ongemanifesteerde, het noumenon. Het toont de leerling over welk ideaal hij zou moeten contempleren en hoe hij zich ernaartoe kan verheffen. Het legt aan hem de aard van de innerlijke vermogens van de mens voor en hoe hij deze moet ontwikkelen. Voor een oppervlakkige lezer lijkt dit misschien op het toppunt van zelfzucht. Nadenken of contempleren zal echter aantonen dat het tegenovergestelde het geval is. Want het leert de leerling dat om het noumenale te begrijpen, hij zich moet identificeren met de natuur. In plaats van zichzelf te beschouwen als een geïsoleerd wezen, moet hij leren zichzelf te beschouwen als een onderdeel van het INTEGRALE GEHEEL. Want, in de ongemanifesteerde wereld kan duidelijk worden gezien dat alles wordt beheerst door de ‘wet van affiniteit’, de aantrekking van het een tot het ander. Daar is alles oneindige liefde, in ware zin.

Het is hier misschien niet misplaatst om samen te vatten wat reeds is gezegd. Het eerste wat moet worden gedaan is de axioma’s van het occultisme te bestuderen en op basis daarvan te werk te gaan volgens de deductieve en inductieve methoden, wat werkelijke contemplatie is. Om hiervan voordeel te hebben moet wat theoretisch is begrepen in praktijk worden gebracht. Ik hoop dat deze uitleg de betekenis van het eerdere artikel over dit onderwerp wat duidelijker zal maken.



© 2005 Theosophical University Press Agency